Het lijkt mij niet nodig in deze nieuwe uitgave naar Huygens' autograaf het hele voorwerk zoals dat in de uitgave van Korenbloemen 1658 verschenen is, op te nemen (ook in W. VI, 328 vlgg. afgedrukt). Na het boven reeds over deze lofdichten opgemerkte, volgen hier nog enige opmerkingen over wat mij erin trof.
Het vierregelige latijnse lofdicht van Anna Maria Schurman opent de reeks (ereplaats!). De vertaling luidt:
Voor Hoofts lofdicht verwijs ik naar Proeven II, 190.
George Rataller Doublet, advocaat in Den Haag, later lid van de Hoge Raad van Holland en Zeeland, zeer bevriend met de iets oudere Huygens (zie W.I. 200 noot) schrijft een openhartige brief waarin hij naast zijn grote bewondering, klachten uit over de moeilijk verteerbare rijkdom van het gedicht: ‘Noyt (ben ick) te gast geweest daer 't my beter smaeckte; maer noyt op gestaen van daer ick my meer verkropt1 vond’.
Zijn brief wordt gevolgd door een gewild-vernuftig sonnet, dat niettemin een treffende hulde brengt aan zijn vriend. Ik kan de verleiding niet weerstaan het hier op te nemen (naar Korenbl. 1658):
Graswinckels latijnse brief en lofdicht, gedateerd 3 nov. 1639, leveren niets bijzonders op. Het sonnet van Westerbaen verdient aandacht om
zijn pittige taal en de inhoud, die aansluit bij zijn brief (zie boven) van 18 september 1652. Ook dit sonnet is een krachtige opwekking om het gedicht ondanks zijn onvoltooidheid uit te geven.
Barlaeus zet Dagh-werck tegenover Hesodius' De werken en de dagen dat er niet bij haalt. Zijn dag schijnt een nacht bij deze dag, hij onderricht slechts de landbouwer, de boer; onze tijd spreidt heerlijker licht. Huygens, door het hof gevormd, geeft, in eensgezindheid met zijn Suzanna, de normen voor het leven enz. Het zou m.i. niet onmogelijk zijn dat Huygens' titel Dagh-werck geïnspireerd is op Hesiodus' De werken en de dagen. Boxhornius trekt een parallel met Nestor. Lang leven is niet voldoende, één dag door Huygens beschreven is voldoende voor allen. Over het proza-naschrift van zijn gedicht sprak ik reeds op p. 10. Het frappante van Vondels gedicht (Is Zuylichem een stercke zuil) is dat het helemaal geen lofdicht is, maar een troostdicht n.a.v. het overlijden van Sterre. Ik vermoed dat Vondel zich zo uit de moeilijkheid gered heeft. Lof voor Dagh-werck kon hij moeilijk hebben. Huygens' dichttrant lag hem niet, hij was het er niet mee eens. Hij redde zich in een puur troostdicht, waarin hij oprecht kon zijn.
Mostaerts gedicht is merkwaardig genoeg om het hier een plaats te geven.