terug  begin  verderprepost
[p. 71]

Citaat

Op een apart blad, in het midden voegde H. het volgende citaat uit Castigliones Cortigiano toe:

 

1Se le parole che usa il scrittore, portan seco un poco non 2 dirò di difficultà, ma d'acutezza recondita, e non cosi nota, 3 come quelle che si dicono parlando ordinariamente, danno una 4 certa maggior autorità alla scrittura, e fanno ch'il lettore 5 va più ritenuto e sopra di se, e meglio considera e si diletta 6 dell' ingegno e dottrina di chi scriue, e col buon giudicio 7 affaticandosi un poco, gusta quel piacere che s'ha nel con-8seguir le cose difficili. e se la ignorantia di chi legge è 9 tanta che non possa superar quelle difficultà, non è la colpa 10 dello scrittore. Bald. Castigl. (Cortigi.)1

Vertaling:

Mej. Drs S. Langbroek (Vrije Univ.) was zo vriendelijk het citaat na te zoeken en (op mijn verzoek zo letterlijk mogelijk) te vertalen. Bovendien plaatste zij het in de context en gaf een korte toelichting op de Cortegiano in zijn geheel.

Baldassar Castiglione (1478-1529).

Leefde o.a. aan het hof van Hertog Guidobaldo da Montefeltro, te Urbino.

 

Il Cortegiano is een verhandeling in dialoogvorm, in 4 boeken.

De gesprekken hebben plaats in 1507, in het hertogelijk paleis te Urbino, waar men 's avonds na het diner placht bijeen te komen om te praten en spelletjes te doen.

Op een avond stelt iemand een nieuw spel voor: ‘Formar con parole un perfetto Cortegiano’.

Gedurende vier avonden (= 4 boeken) wordt hierover gepraat door: (o.a.)

[p. 72]
-Hertogin Elisabetta Gonzaga, de gastvrouw, echtgenote van Guidobaldo da Montefeltro.
-Prinses Emilia Pio, schoonzuster van de hertogin.
-Il ‘Conte’ Ludovico di Canossa, diplomaat.
-Federigo Fregoso, aartsbisschop van Salerno } onwettige familie-leden van de hertog
-Ottaviano Fregoso, doge van Genua } onwettige familie-leden van de hertog
-Bernardo Dovizi da Bibbiena, auteur. (Schreef o.a. een van de bekendste comedies uit de 16e E.: La Calandria).
-Giuliano de' Medici: broer van Paus Leo X.
-Pietro Bembo.
-Bernardo Accolti, bijgenaamd ‘l'Unico Aretino’, beroemd improvisator.

In het eerste boek wordt o.a gesproken over de opvoeding en het onderwijs, en hierbij komt ook het gebruik van de taal ‘in woord en geschrift’ ter sprake.

Kernvraag is: het gebruik van het toscaans, vooral ook het oudere toscaans (le parole antiche toscane), in spreek- en schrijftaal. Daarbij komt ook ter sprake of, en in hoeverre de spreektaal moet/mag verschillen van de schrijftaal.

Ludovico di Canossa zegt (boek I, cap. 29): Men moet in de Schrijftaal geen woorden gebruiken die men in de spreektaal vermijdt (i.e. de oude toscaanse woorden). Schrijven is niets anders dan een bepaalde vorm van spreken. Wel moet de schrijftaal iets verzorgder zijn dan de spreektaal, ook al in verband met de verstaanbaarheid: schrijver en lezer zijn nu eenmaal in de regel niet tezamen aanwezig, in tegenstelling tot spreker en luisteraar. Men zou, zowel schrijvend als sprekend, uitdrukkingen moeten bezigen, die heden ten dage in zwang zijn zowel in Toscane als in de rest van Italie.

Hierop antwoordt Frederico Fregoso (Boek I, cap. 30):

- Allora messer Federico, signor Conte, disse, io non posso negarvi che la scrittura non sia un modo di parlare.

Dico ben, che se le parole che si dicono hanno in sé qualche oscuritá, quel ragionamento non penetra nell'anima di chi ode, e passando senza essere inteso, diventa vano: il che non intreviene nello scrivere; ché se le parole che usa il scrittore portan seco un poco, non dirò di difficultà, ma d'acutezza recondita, e non cosí nota come quelle che si dicono parlando ordinariamente, dánno una certa maggior autorità alla scrittura, e fanno che 'l lettore va più ritenuto e sopra di sé, e meglio considera, e si diletta dello ingegno e dottrina di che scrive; e col buon giudicio affaticandosi un poco, gusta quel piacere che s'ha nel conseguir le cose difficili. E se la ignoranzia di chi legge è tanta, che non possa superar quelle difficultà, non è la colpa dello scrittore, né pre questo si dee stimar che quella lingua non sia bella. Però, nello scrivere credo io che si convenga usar le parole toscane, solamente usate dagli antichi Toscani; perché

[p. 73]

quello è gran testimonio ed approvato dal tempo che sian buone e significative di quello perché si dicono; ed oltra questo, hanno quella grazia e venerazion che l'antiquità presta non solamente alle parole, ma agli edificii, alle statue, alle pitture, e ad ogni cosa che è bastante a conservarlo;...

Vertaling van Cortegiano boek I, cap. 30:

Daarop zei messer Federico: Heer graaf, ik kan niet ontkennen dat het schrijven niet een manier van spreken is.

Ik bedoel, dat, als de woorden die gesproken worden een of andere onduidelijkheid in zich hebben, het verhaal (de bewijsvoering) niet doordringt in de geest van degene die luistert, en aangezien zo'n verhaal voorbijgaat zonder begrepen te worden, blijft er niets van hangen: hetgeen niet gebeurt bij het schrijven; want ‘als de woorden die de schrijver bezigt enige, ik zal niet zeggen moeilijkheid, maar toch enige spitsheid in zich hebben, - een spitsheid die verborgen blijft en niet zo duidelijk aanwezig is als in de woorden die men bezigt wanneer men gewoon spreekt, - dan geven deze woorden een zekere grotere gezaghebbendheid aan het geschrevene, en maken dat de lezer zich meer gaat beheersen en boven zichzelf uitstijgt en beter uitkijkt en plezier heeft in het vernuft en de kennis van degene die schrijft; en terwijl hij zich met zijn gezonde verstand enige moeite geeft, beleeft hij het genoegen dat men heeft wanneer men moeilijke dingen verwezenlijkt. En wanneer de onwetendheid van degene die leest zo groot is dat hij die moeilijkheden niet kan overwinnen, dan is dat niet de schuld van de schrijver’, en men moet daardoor ook niet menen dat die taal niet mooi zou zijn.

(Volgt nog een pleidooi voor het gebruik van het toscaans in de schrijftaal, dwz. de taal van de oude toscaanse schrijvers (Petrarca en Boccaccio).)

Het is duidelijk dat Huygens dit citaat als een soort motto voor zijn gedicht plaatste!

prepostterug  begin  verder