[p. 74]
tekstkritische noten
Huys-Raed
aant.
1
aant.
Sterre
, die mij inde sterren
Menigh ontij doet verwerren,
Keurigh of mij een' van all
Als mijn' eighen sterr geuall;
5
Sterre, die veel sterren aen sien,
Als de keersen bij de Maen sien,
Als de Maen (in mijn gesicht)
Bij de macht van 't Moeder-licht.
[p. 75]
tekstkritische noten
Sterre, mergh van all' mijn' vreugden,
10
Die mij eens met Ia verheugden,
Noijt bedroeven sult met Neen,
Tegen 'tja-woord van de Re'en.
Sterre, regel van mijn' reden,
All van doe mij mijn' gebeden
15
Voor uw' reden stelden veil;
Sterre, alleen en all mijn heil,
2
aant.
Nu 't den Hemel soo gepast heeft
Dat mijn' siel aen d'uwe vast leeft,
Dat Ick Gij, en t'eener tijd,
20
Ghij tot Ick geworden zijt,
Nu wij maer van naem en schillen,
Nu mijn' lusten zijn uw' willen,
All uw willen all mijn lust,
IJeders vrede elkanders rust;
[p. 76]
tekstkritische noten
3
aant.
25
Luijstert nae de overslagen
Die mijn' siele, lang gedragen,
Nu voldragen, barens-ree,
Als een' droppel in uw' zee
Van bescheidenheid will schencken,
30
En uw krachtigher bedencken
Halen over 'tkinder-kraem
Daer sij gaern te bedd af quaem.
'Tkint sal
Ernst van Voorraed
heeten;
Helpt mij door den arbeid sweeten,
35
Daer Ghij Ick zijt, en Ick ghij,
Moe de Moeder heeten, Wij.
4
aant.
Soo en vrees ick voor uw' straff niet,
Off ick hier te schielick af liet,
Daer te langhe lagh en sponn
40
Over wat ick eens begonn,
Of mij hier mijn' hand ontholde,
Om een Rijm die ronder rolde
Dan de Reden; of ick daer
Wrang, of hier te lecker waer.
45
'Tis uw hert dat in mijn' adren
Dese krachten helpt vergadren,
'Tis het mijn dat in u schuijlt,
Ziel is tegen Ziel geruijlt,
[p. 77]
tekstkritische noten
Staet u niet in aller feilen
50
Wederhelft met mij te deilen?
Of wat feilen kander zijn
Dat of 'tuwe zij of 'tmijn'?
Luijstert dan; en hoort ghij dolen,
Denckt, dat was ons beij verholen,
55
Soo u ijet om 'therte lacht,
Segt, soo hadd' ick 't oock gedacht.
5
aant.
Hoe wij dese kleine wereld,
Die ghij, Sterr, alleen beperelt,
Die ick, verr van uws gelijck
60
Ick, en ick alleen beslijck,
Dese, om nauwer te beschrijuen,
[p. 78]
tekstkritische noten
Bedd-gemeente van twee Lijuen,
Van twee lieven, segg ick best,
Tortelen van eener nest,
65
Tamelixt bestieren sullen,
En met vreugd op vreugd vervullen,
Hebb ick, hebben ick en ghij
Dus beregelt, seggen wij.
6
aant.
God, de God die ons gepaert heeft,
70
God de Soon die hij gebaert heeft,
God de Geest, met-all, met-een,
God allom, altijd, alleen
Sal de Vader-Meester wesen
Die wij vriend-lijck sullen vreesen.
75
End ons eerste onderwind
+
Daer de wijsheit af beghint.
7
aant.
'Smerghens eer wij 'tlicht ontmoeten,
Sullen wij die Godheid groeten,
Smergens eer de dagh ontwaeckt
80
En de sonn de sterren staeckt.
[p. 79]
tekstkritische noten
Sulcken uere koos de speelmann
+
Die soo dick de danckbaer' Veel nam,
Daer af 'theilige geluijt
Noch in onse ooren tuijtt.
85
Een van beider nuchtre monden
Sal de schuld van beider sonden
Voeren voor 'tgenadigh recht
Daer geen' boeren-tong te slecht
Daer geen dubbel hert te dicht is,
90
Daer het saligh tegenwicht is
Onser schael, die altijd helt,
God met God te vre'en gestelt.
'Tzaligh opsicht onser wegen
Sullen wij hem toe bewegen,
95
Hem, beweeglick met een woord
Datmen maer in 'thert en hoort.
8
aant.
Heer, bejeghent ons' gebreken,
[p. 80]
tekstkritische noten
Sult ghij, Sterre, off sal ick spreken,
Leert ons eischen wat ons dient:
+
9
aant.
100
En ontfanght voor 'tonverdient
Voor 'tonendelick ontfarmen
Ons altoos onnutt', ons armen,
Ons ondanckbaeren gegunt,
Onser herten beste munt,
105
Danckbaerheid in woorden, wercken
In gedachten te bemercken,
Stichtelick voor 'snaesten oogh,
Heilighlick voor't dijn' om hoogh.
10
aant.
Deckt het misdoen onser daghen
110
Met het voldoen en voldraghen
Van Hem Mensch en van Hem God,
Hem 'tvoll-op - van dijn Gebod.
11
aant.
Hoedt ons, daer wij heden leggen
[p. 81]
tekstkritische noten
Daer wij swijgen, daer wij seggen
115
Daer wij wandelen of staen,
Met ons seluen overla'en.
Laet ons over ons niet storten,
12
aant.
Heet ons, uwe Englen schorten;
Heet ons willen wat ghij heet,
+
120
Die ghij onsen onwill weet
En altijd geneghen herten
Om dijn' lijdsaemheit te terten,
En altijd gebeten bloed
Tegen wat ghij heett en doet.
13
aant.
125
Seghent Ziel en seghent Leden,
Doetse beijd' haer pond besteden
[p. 82]
tekstkritische noten
Dij ter eeren, dij alleen,
Eigenaer van Ziel en Le'en.
14
aant.
Moet het huijs van dese sinnen
130
Nu een huijuering van binnen,
Nu een' stoot van buijten aen
Nu een dobbel quaet begaen,
Slaet verdraeghelicke slagen,
+
Die wij dan, en dan maer dragen,
135
Dat ons naerden suren dagh
'tSoete weer te schooner lacch.
15
aant.
Ouerwicht van noodlickheden
Dobbel op het brood van heden
Heeft alreeds dijn' milde hand
140
In ons' ackeren geplant;
Lijdt niet datter onse zielen
Hare tochten in vernielen,
En versmooren daer het vier
Dat veel hoogher hoort als hier;
[p. 83]
tekstkritische noten
16
aant.
145
Leert ons 'tleen als leen besitten,
En bij tijds de herten splitten,
+
Daer af 'tminste weder-deel
Aen de tijdlickheid verheel',
T'allen stonden euen vaerdigh
150
Om den ballast van dit Aerdigh
Uijt te werpen in sijn' zee
En soo kommerloos de ree,
Ia de steile rotz beklimmen,
+
Daer de werelds loose schimmen
155
En het prachtigh Niet-met-all
Onder ons verdwijnen sal.
17
aant.
Staet'er in dijn heiligh voorsien,
Daer dijn' ooghen langs het spoor sien
Van der dinghen eewigh wiel,
160
Dat dij eens voor all beviel,
Staet'er dat uijt dit versamen
Onser namen erfgenamen
Spruijten moeten, een oft meer,
[p. 84]
tekstkritische noten
'Tzij dan, Heere, dij ter eer,
165
Dij ten dienste; Laetse dijn'zijn
Eerse doorde moeders pijn zijn,
+
Laetse dijn' zijn tot de uer
Als de geesten uijt de huer
Vande leden sullen scheiden,
170
En dijn' tweede komst verbeiden,
Met verlangen naerden dagh
Daer 'tGeloof maer tegen magh.
18
aant.
Werpt een ernstigh medelijden
Over 'tonweer onser tijden,
175
Ouer 'tijselick gewipp
Van dijn tuijmelende schip.
Buijten lijdt het vande baren,
Die het nu te nauw benaeren,
En van allen sijden slaen;
180
Binnen heeft het noijt gedaen
Met het heelen van de spleten
Dieder nijd en spijt in reten,
Slaep niet, zij niet langher doov
+
Onder ons van klein geloov.
19
aant.
185
Stier de stierluij van dat schipp, en
Sluijt haer' herten op haer' lippen,
Lij geen Babel in haer werck
Dien het dack-dicht van dijn'kerck
Met den binnen-bouw betrouwt is;
[p. 85]
tekstkritische noten
20
aant.
190
Laet de leughen, die soo oud is
Datse kindsch geworden schijnt
En all groeijende verdwijnt
Groeijende voor haer verdwijnen
Die ghij eens hebt willen mijnen
195
Tot den huijs-dienst, en niet meer
Van dijn' erffenissen, Heer.
21
aant.
Oh, gelijck haer heiligh herder,
Totden huijs-dienst, en niet verder
Laetse sich verledigen.
22
aant.
200
Maer, voor 'tbest verdedigen,
Leertse leuen soo sij leeren
+
En met weldoen wel bekeeren,
Seggen heeft geen seggens macht,
+
Daer 't de segger eerst veracht;
205
Voordoen, is geweld van reden,
+
Die het keijen hert kan kneden;
En dijn vleesch geworden woord
Werd gesien gelijck gehoort.
23
aant.
Stae de voorste vande Vorsten
210
Die de voorste waghen dorsten
Haer en 'thaere in dijn geuecht:
24
aant.
Tree niet in het scherpste recht
Ouer 'tmenigh ouertreden
Van haer' weelderighe leden,
215
Van haer' zielen inde weeld
[p. 86]
tekstkritische noten
Ongevoelick over eeldt.
Hooge, helle slibber-wegen
Hebben sij te deel gekregen;
Meest haer leuen is soo glad
220
Datter oogh noch voet op vatt,
Laet de haer' voor struijckling boeten
Min als andre minder' voeten,
Die door one enpariche'en
Van vermaeck, van swariche'en,
225
Van gedeckte en bloote leden
Slepen, ja, maer vaster treden.
25
aant.
Frederic, dijn eighen held,
Tegen 't stijgende geweld
Van steegh Oostenrijck gestegen,
230
Frederick, 'tmergh vanden zegen
Dien ghij noch de kleine rest
Dijner Cudde gunt op 'tlest,
Frederick doe staegh bedijen,
En beminnen, en benijen
235
In sijn vriendelick gesagh;
Raed, of aen, of wapen-slagh,
Feile noijt van sijn bestellen;
26
aant.
Laetse't voor den slagh ontgellen;
[p. 87]
tekstkritische noten
Die daer moglick hand en moed
240
Scherpen op sijn edel bloed,
Donder noijt op onse daghen
Met den schrick van sulcke slaghen;
27
aant.
Lieuer maeck de boose gramm
Met meer struijcken van den stamm
245
Dan 'thaer luste te verdelgen;
Voor-raed, Heer, van sulcke telgen
Eischen wij dijn' milde hand,
Die de vrijheid hier geplant
En de slavernij geveld heeft.
28
aant.
250
Ô, die d'oogen en 'tgeweld geeft,
Oogen geeft bij dit geweld:
Oogen eens ter wacht gestelt,
+
En die all' sien soo der veel' sien:
+
Hoedt dijn erve voor haer scheel sien
255
Daer de misslagh af ontstaet,
En 'tmistrouwen, ergher quaed.
29
aant.
Laet dijn eer ons eenigh witt zijn,
Die in 't kostelick besitt zijn
Van dijn' waerheid, schier allom
260
Uijtgeluijdt met pijp en tromm:
[p. 88]
tekstkritische noten
Schuijltse noch in 'tonkruijt elders
In de rotsen, inde kelders,
D'oude herbergh van haer jeugd,
Doet dijn' Engelen de vreugd
265
Dat se 'tonkruijd onderdrucke,
En haer taeije rijsen rucke
Over 'theidensch wangewas
Daerse noijt geplant en was.
+
30
aant.
Buckt genadigh over 'tknielen
270
Daer de knijen en de zielen
Buijgen eenerhanden bocht;
Heer, ghij hebtse eerst gesocht
Die dij hebben leeren soecken;
Soecktse noch daer d'een in doecken,
275
D'een in ijsers, d'een in bloed,
D'een in armoed light en wroet,
Andre onder all versmooren,
En met open ooren hooren
Naer de traghe scheidens uer
280
Die den naesmaeck van dit suer
Drencken sal in stadigh blij zijn,
Door het hooft-voor-hooftse bij zijn
En het eeuwighe gesicht
Van dijn onbegrepen licht.
[p. 89]
tekstkritische noten
31
aant.
285
Hemelsch vader, dijns naems eere
Zij geheilight meer en meere,
Naerdere dijn eeuwigh rijck;
Ghelde dijn gebod, gelijck
Bouen, soo allom beneden;
290
Dagelix voedt onse leden;
Houdt ons onser schulden vrij,
Soo wij willen wien het zij,
Laet ons verre van 'tgequell zijn
Des benijders van ons wel zijn,
295
Want het hemelsche beleid
Hoort dij inder eewicheid.
32
aant.
Soo bedachtelick ontslapen,
Soo versien van 'theiligh wapen,
Tegens Wereld, Hell en ons,
300
Sterre, sullen wij den dons
Onbekommerlick ontstijgen,
En gesonde lenden rijgen
In haer noodigh ongemack,
'Tlinnen, 'twollen, 'tzijden pack.
33
aant.
305
Maer op 'tkostelick vermallen
Sal ons' weelde noijt vervallen.
[p. 90]
tekstkritische noten
Tamelick verdeck van lijf,
+
Soo 't vermanne noch verwijf,
Sal de vracht zijn onser leden,
310
En, gekoppelt aen de Reden,
Sullen wij den franschen dwang,
Niet, als andere, in 'tgedrang,
Maer, als andere, van verre
Volgen voor een valsche sterre,
315
Die den reiser, moe geroert,
Voert, en noijt ten einde voert.
'Toude staet ons niet te ruijlen
Tegen 'tniewe, sonder pruijlen
Ouer 'tstadighe berouw
320
Van de werelds laeste vouw,
Laet het niewe door-gejouwt zijn,
Laet het oude soo veroudt zijn
Dat het op het jouwen stae,
En bij 't niew in masker gae,
325
Eer wij 'tniew voor't oude kiesen,
En ons inden drang verliesen
Die de reden, metter tijd
T'enden adem, overrijdt.
[p. 91]
tekstkritische noten
34
aant.
Futseling van lint en knoopen
330
Op het spoedelixt ontloopen
Sal ick 'toor verlegen gaen
Ouer 'tstadigh af en aen
Van begheerers, van beklagers,
Van verdedighers, van vraghers,
335
Die op 'svorsten goedicheit
Door mij hebben toe geleit.
Grooten sal ick eere bieden,
Euen oft sij mij gebiedden,
Mindere, euen oft ick haer
340
Broederlijck verbonden waer;
Armen, onderdruckten, weesen
Met noch vriendelicker wesen
Uijt de wanhoop rapen op,
Niemand quetsen met een schopp
345
Van verbijsterighe woorden,
Die d'onnoosele vermoorden,
De behoeftige verslaen
En ten tweeden doen vergaen.
35
aant.
Kan 't niet even rond gedijen,
350
Troosteloosen te verblijen,
Hopeloosen bij der hand
T'lijf te berghen op het land,
'Ksal mijn eighen hert ontschulden,
En de weigering vergulden
[p. 92]
tekstkritische noten
355
Met een vriendelicker neen
Dan het jae te werden scheen.
Magh ick aen 't geluck niet deelen
Van d'
ellendighe
te heelen;
'K salse thoonen dwers door mij
360
Wat ick in haer lijden lij.
Aengetoghen swaricheden
Werden stuxgewijs geleden,
En gedragen als een Lijck
Van veel schouderen gelijck;
365
'Tscheelt een merckelick pond quellings
Weinigh merckelick ontstellings
Van een ongeveinsd gelaet,
Daer 'tmedooghen achter staet.
36
aant.
Endtelick, op 'thooger dagen,
370
Van belegering ontslagen,
Sal ick 'twagen in 'tgedrang
Van het ijdel uren lang,
Datmen inde hoofsche muren
Ouerduldigh uijt moet dueren,
375
In een hoeckjen van fluweel,
Van geweven goud in geel,
Van Chronijcken aen de wanden,
Wanden die met zijde panden
Berghen spinnewebb en stof,
380
'Tevenbeeld van 'tdubbel hof.
37
aant.
Maer de plichten mijner neering
Sullen mij tot door de sweering,
Door 'tbeliegen, door 'tbeklapp,
Door 't bedriegen, door 'tbetrapp
385
Door 'tbestrijcken, door 'tbestreelen,
Door 'tbequijlen, door 'tbequeelen,
[p. 93]
tekstkritische noten
Voeren in den dichten hoeck,
Daer mijn Vorst in 't groote Boeck
Van 'tbeleid van seuen Landen
390
Met gestadigh' oogh en handen,
Ouerladen, onvermoedt,
Tegen meer als Spagnen wroet:
Daer de rust die wij beslapen,
Inde vormen werdt geschapen,
395
Daermen d'onrust leuen geeft
Daer 't verbij de Sonn af beeft.
Daer de wereld werdt gewogen,
Daer het sincken en 'tverhoogen
Van gebuer, vriend, vijands staet
400
Stadich inde schalen staet.
Daermen Groll in 't witt besette,
+
Eerme'r lood of stael op wette;
Daermen 'tWeseltjen besprong
Jaren vroeger danmen 't vong;
405
Daermen vischten in Matanças
Eerder visch, of nett, of kans was;
Daermen 'tVuchter end ontstack,
En met Grobbendonck versprack
Eer sich tVuchter end verhoedde,
410
Eer oijt Grobbendonq vermoedde
Dat hem noch Oraegnen bloed
Dreighden inden trotsen vloed
Die sijn' ongenaeckte muren
[p. 94]
tekstkritische noten
Tweemael Mauritz uijt dé duren,
415
Eenmael Frederick verliet
Voor 'tgeluck van sijn gebied.
38
aant.
Binnen salmen mij de woorden
Diemen buijten van mij hoorden
Melden hooren, hem te baet
420
Die sich t'mijner trouw verlaet.
Verre zij het listigh dencken
Hoe behendelick te krencken,
Hoe bedecktelick te slaen,
Met het averechts vermaen
425
Van een omgewrongen reden
Tegen toesegh en gebeden,
Tegen hoop, gegeuen hoop,
Van een hopeloos beloop.
Die mij trouw eijscht, salse vinden,
430
En mij aen mijn woord verbinden,
't Ia geseght, en 'tneen gedaen
Sal maer aen 'tvermogen staen.
39
aant.
Die mij aen de uijtkomst meten
Zijn in 'tredenloos geseten,
435
'Twillen gaet naer 't mij gevil,
'Tkonnen hanght aen hooger will.
Valt de kans ter slincker zijde,
Noch all blijv ick diese mijdde,
En begae noch bann noch boet
440
Voor 'tmisdijen mijner moet.
[p. 95]
tekstkritische noten
Valtse daerse mijn bestier dreef,
Laet het nemen of ick 'tvijer vreef,
Uijt de vier-keij, die mij maer
'Tvrijven kost, en voor of naer
445
Van een ander hand gevreuen
Mogelick meer voncks sou geven.
40
aant.
Ouerdanck noch overloon
Zijn geen' peerlen aen de kroon
Die der vromen hert moet kroonen.
450
'Ksal de arme hand verschoonen,
'Ksal de rijcke doen verstaen
Dat ick min om loon begaen
Dan om danck ben: min om 't dancken,
Min om 'tstreelighe bejancken
455
Van een halver-mijne gaef,
Dan om 't innerlicke gaef
Van der zielen wel gesteltheit
Die haer seluen in 'tgewelt heit,
Die de weldaet om het wel,
460
Sonder ander witt, bestell.
41
aant.
Wie den vorsten, groote slauen
Deel eijscht in haer minste gauen,
Slaet de zeissen in haer gras,
Ia in 'tredelickst gewass
465
Daer sij 'tploegen om besweeten,
Van oock Gods-gelijck te heeten
In 't verdeelen van de macht
Daerom haer te deel gebracht.
42
aant.
In 'tvertieren van die panden
470
Dienen mogelick mijn' handen
Voor een Teems of voor een Treeft;
Maer wat geeft hij die soo geeft?
Wat verdient hij die het geuen,
Die, tot Teems of Treeft verheuen,
475
Hoe hij 't, wel of qualick meent,
'Tgeuen maer de hand en leent?
43
aant.
Werd ick dieper in gewrongen,
En mijn onderwind besprongen
[p. 96]
tekstkritische noten
Met een onvoorsiens bevel
480
Van gewichtigher bestell;
'Ksald'er trouw en vlijt aen hangen:
Noijt verdrieten noch verlangen
Proeuen laten die mij last:
Maer bedrogen en verrast
485
Sal hij sijn bevel sien keeren,
En sijn' hand te hulp begeeren,
Die 't versegelende sal
Hechten aen sijn welgevall.
44
aant.
Waer den omtreck van dien vingher
490
Sporen laet van sÿn geslinger
Werdt de mijne van 'tgewicht
Van de rekenschapp verlicht:
Niemand eische mij de reden
Van beuelen of gebeden
495
Die des vorsten hooft gebaert,
'Tmijne voor hem heeft bewaert,
Voor hem, op sijn welbehagen,
Oor of ooghe voorgedragen:
Soeckt ghij 'tgrondigste bescheijt?
500
Daer is borghe voor 'tbeleid;
Die 'tbeleidde sal 't beleggen
En 'tweerleggen wederseggen
En verdedighen 'tgeuall
Daer 't den oorbaer eischen sal,
45
aant.
505
Ick voldoe bij deughd van doosen:
Graegh in 't laden, traegh in 'tloosen,
Dicht van duijghen, licht van draght,
[p. 97]
tekstkritische noten
Voor de vreemdelingen nacht
Middagh voor des meesters ooghen;
510
Daer toe reck ick mijn vermoghen,
En voldoe mij, en voldoe
Eer en eed ten bodem toe.
46
aant.
Soo bevracht, soo somtijds ledigh,
En van buijten euen vredigh,
515
'tZij dan ledigh of bevracht,
Noch verlegen om de vracht,
Noch verlegen met de Lading,
Tuschen 'twalgen en de gading
Sonder fronssen, sonder lach,
520
Sonder wenschen datmen 't sagh,
Sonder vreesen datmen 't mercke
Hoe ick ledigh gae oft wercke,
Hoe ick in den Acker sweet,
Hoe ick van geen ploegh en weet,
525
Noch ontstuijm, noch honds, noch harigh,
Maer gemoeijigh, maer eenparigh,
Maer eenparigh, Sterr', als ghij,
Met u, meer en minder blij,
Sal ick voor uw oogh verschijnen,
530
En mijn' sorghen doen verdwijnen
Tuschen straet en stoep en poort:
Daer sal een' voor een' vermoort
Tot den naesten uijtgang smachten,
Om mijn hooft weer op te wachten,
535
Met als 't onder zeil, op straet,
Wederom te zeewaerd gaet.
47
aant.
Stilte soeck ick in mijn' Hauen,
Moed' van slingeren en slauen
Ouer 't Hollands - dieper holl:
540
Stilte kan ick, als een toll
Dien de kinderen begapen
En all draeijende doen slapen,
[p. 98]
tekstkritische noten
Veinsen en genieten me',
Met de sinnen uijt der zee
545
Noch voll duijselings gebleuen,
Euen als de beenen leuen,
Beenen die van gaen vermoedt,
Tintelen van gistigh bloed.
48
aant.
Loop ick ouer van geruchten,
550
Die ick melden met genuchten,
Die gij sonder afsien meught
Menghen onder ander vreughd,
'Ksall u 'swerelds meeste maren,
Binnens muers doen wedervaren,
555
Soomen door 't gelasen gat
'tLeuen van de dingen vatt
Die sich op het heetste daghen
Buijtelende binnen dragen.
49
aant.
Buijtelende, Sterre; Merckt:
560
Dat's gelijck de Loghen werckt
Op de nieuw-geboren Waerheit,
Niewgeboren inde klaerheit
Van des middaghs hooghen dagh.
Diese soo ten teersten sagh,
565
Sou'se van geen vuijl verdencken:
Maer, wie kan soo schielick wencken
Als het neen voor ja verschijnt
Als het ja tot neen verdwijnt?
50
aant.
Gaet geleerde werelds pennen,
570
Die dat buijtelende rennen
Van der dinghen ja en neen,
Dusend jaren achter een
Inde vlught bestaet te vatten,
En verkoopen nu voor schatten
[p. 99]
tekstkritische noten
575
Van een ongeschendde waer,
'Tgeen ten eersten, met een Maer,
Schier als met een mael, geboren,
'Tware wesen hadd verloren
Tuschen 'tkraem-bedd en de wiegh,
580
En geswachtelt in 'tbedriegh,
En gebakert in de Leugen
Noijt en heeft begost te deugen;
Staegh verergert is, en staegh
Is wat ijeder meest behaegh'.
585
Hoe moet nu de waerheit hincken,
Die soo jong begon te pincken!
Kaes verrott en werdt gemint:
Maer wat quaed verrott en wint?
51
aant.
V en salmen niet berichten
590
Dan met waren van gewicht, en
Maren van getoetste trouw:
Lijdt ghij dat het niew verouw
[p. 100]
tekstkritische noten
'Tal u langer niet berouwen
Dan de papp en doet in 'tkouwen,
595
Papp, die tuschen tong en tand
Maer den haestigen en brandt.
52
aant.
In 'tgeheimst van mijn geweten,
Dat mijn' adren niet en weten,
Daer mijn hert aen mijn gemoed
600
Schaersche rekening af doet,
Dat mij van de hand betrouwt is
Daer mijn' rechter aen getrouwt is,
Mett' geen' ernstelooser trouw,
Sterre, dan ick u en houw,
605
In dat mergh van mijn onthouden
Sal ick u geen deel onthouden,
Noch ghij's eijschen in wat mij
Verre min als eighen zij.
Uw' bescheidenheit sal weeren
610
Mijn ontsegg, en uw begeeren
Op het ongemeen Gemeen;
+
En mij 'tonbesoetelt Leen
Met den maeghdom levren laten
Aen de sinnen die 't besaten
615
Eer het mij te leene viel.
Lieuer dan mijn' sotte siel
Van die misdracht sou' beuallen
Van haer aensien te vermallen
[p. 101]
tekstkritische noten
Om een niewtjen min of meer;
620
Sal uw' reden sich ter weer
Tegen mijn
beswijcken
spannen,
En uw' eighen lust vermannen,
En onthouden mij 'tberouw
Van om 'tjocks verraden trouw.
53
aant.
625
Laets' haer aen die doornen schenden,
Die haer' sinnen spelen senden
In de wilde straetsche maer,
Bij gebreck van 't staetsche waer,
Die haer huijs, in plaets van lampen,
630
Voederen
met sulcke dampen,
En de waerheid bij gevall
Sticken onder niet met all,
Laets' haer' slechte bedd-gemalen
Koesteren met sulck verhalen
635
Bij gebreck van noodlickheit
Ouer haev' en huijs-beleidt.
54
aant.
Haev' en huijs-beleidt met eeren,
Vroom gewinn, verhaelbaer teeren
Besicheit van binnens deurs
640
Sal ons buijten soo veul keurs
Van uijtheemsch, van inheemsch praten
Luijds en leeghs niet soecken laten.
55
aant.
Binnens deurs sal uw gelaet
'Tvoorslagh zijn van ons gepraet.
645
Staet het als uw'-minder stralen,
[p. 102]
tekstkritische noten
Sterre, die den nacht in halen,
Staet het als een sterr in 't holl
Van een' wolck, die, vuijl en voll
Van gereede somer-plassen
650
Om den hoij-boer te verrassen,
't Lieue licht sijn tintel staeckt;
Staet het so