terug  begin  verderprepost
[p. 161]

Commentaar Dagh-werck

(De commentaar wordt steeds gegeven per genummerd tekstgedeelte, zodanig dat aan mijn vertaling en bespreking van bijzonderheden in de betreffende vss Huygens' prozatoelichting bij dit gedeelte van de tekst voorafgaat (onderbroken door een enkele, noodzakelijke verklaring)

Titel:

(alleen in het kladhs A) Huijs-raed = Huisbestier (WNT huisraad 1280) Vgl. 57-68! Vrij vertaald: De inrichting van ons huiselijk leven.

1

 
Sterre, die mij inde sterren
 
Menigh ontij doet verwerren,
 
Keurigh of mij een' van all
 
Als mijn' eighen sterr geuall;
5
Sterre, die veel sterren aen sien,
 
Als de keersen bij de Maen sien,
 
Als de Maen (in mijn gesicht)
 
Bij de macht van 't Moeder-licht.
 
Sterre, mergh van all' mijn' vreugden,
10
Die mij eens met Ia verheugden,
 
Noijt bedroeven sult met Neen,
 
Tegen 'tja-woord van de Re'en.
 
Sterre, regel van mijn' reden,
 
All van doe mij mijn' gebeden
15
Voor uw' reden stelden veil;
 
Sterre, alleen en all mijn heil,
[Sterre, mijn eenigh welgevallen ende geluck;]

Sterre, die mij menige nacht verward doet raken in de sterren, terwijl ik nauwkeurig onderzoek, of mij een van alle als mijn eigen ster bevallen kan; Sterre, waarnaar veel sterren kijken (bij wie vergeleken veel sterren eruit zien) zoals de kaarsen er vergeleken bij de maan uitzien, zoals de maan, in mijn oog, er vergeleken bij het geweldige moederlicht (de zon) uitziet; Sterre, mijn diepste vreugde, die mij eens met (uw) jawoord verheugde, die mij nooit zult bedroeven met (een) neen, tegen het ja van de rede (met een ontkenning van wat de rede beaamt, goedkeurt), Sterre, richtsnoer van mijn denken (aan wie ik mijn rede onderwerp) al van de tijd af, toen mijn beden (aanzoek) mij veil stelden voor (te koop aanboden, overleverden aan) uw rede, Sterre, mijn enige en mijn ganse heil,

(Belangrijk voor het verstaan van de moeilijke vss 1-8 is de marginale verwijzing in hs C bij vs 2: 1. Cor. 15. 41. Wij lezen daar: (ik citeer steeds naar de gemoderniseerde Statenvertaling, uitgegeven door

[p. 162]

het Nederlands Bijbelgenootschap, Amsterdam, z.j.) ‘Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren; want de eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster’. De ‘heerlijkheid’ van Sterre overtreft die der sterren, zoals de maan kaarslicht overtreft, zoals de zon de maan overtreft. Vgl. ook vs 645: uw' -minder stralen.

2 ontij: Vgl. de manuscr. aant.; hier voor nacht, zonder bijgedachte aan vreeswekkend, gevaarlijk. H. kijkt 'snachts naar de sterren, hij verwart zich in hun gewemel, maar vindt geen ster, die halen kan bij zijn Sterre.

3 keurigh = zeer kritisch onderzoekend, beproevend (WNT keurig 2668).

5 die objekt van trans. aen sien. Ik zie geen andere mogelijkheid.

10 Die... verheughden: nl. eind 1626 toen zij bezweek voor zijn aandrang.

H. denkt bij vs 14, 15 aan het sonnet dat hij 11 september 1626 tot haar richtte (Zie mijn Voet-maet 19 vlgg.). In dit sonnet verwerpt hij alle hulp die dichterschap, geleerdheid, aanzienlijke vrienden hem bij haar zouden kunnen verlenen en richt hij zich alleen tot haar rede, die hem zoals hij is, dient te aanvaarden of af te wijzen. Men vergelijke de vss 13-15 met: Voor haer' gemeene gonst verkies' ick verr uw' reden; // Uw' reden, en alleen uw' reden soeck ick aen;

Hij drukt het nu in Dagh-werck zo uit, dat hij zich alleen voor haar rede veil (te koop) stelde. Zij moest geheel zelfstandig, op grond van eigen overleg, beslissen. verheughden Vorm op -n om het rijm.

H. spreekt over deze vorm in antwoord op een ertegen ingebracht bezwaar van Mostaert. Zie Inleiding, p. 55. All: men kan twijfelen of hier All = reeds aanwezig is. WNT al 70 zegt dat het reeds in de Statenbijbel voorkomt. Citaten, alleen daaruit, volgen. Het Supplement op deel I WNT 879 meent dat al = reeds stellig is ontwikkeld uit al rede, middelnederl. veelvuldig voorkomend al ree. Er volgt een citaat uit Van den Broecke, Korte Historiael. Dr. L. Koelmans die ik over dit al raadpleegde, trof het niet in de taal van De Ruyter aan, maar vond wel ‘toevallig’ een vrijwel zeker voorbeeld van al = reeds in een brief van Wtenbogaert (uitgave H.R. Rogge, 2e deel, tweede afdeling, 1621-1626, Utrecht 1871, pag. 230) ‘daerentusschen om d'erreur van vele vrienden, die eenig gerucht van ons vertreck gehoort hebbende, sullem meynen dat wij all in Holsteyn sijn, - daerom bidden wij dat kenbaer gemaeckt worde dat wij hyer zijn, sonder juijst alle gelegenheyt aen allen te openbaren’. (all = allen onwaarschijnlijk, het gaat hier om 2 reizigers en 1 dienaar).

Een tweede, 16e-eeuws voorbeeld van al = reeds deelt hij mij mede uit het Journaal van Anthonie Duyck, deel 2 pag. 82 jaartal 1596: ‘Den viant... heeft... aldaer doen planten 2 stucken geschuts, daer-

[p. 163]

mede hij noch desen avont begonst te schieten op tcleyne ravelijn, daer men nu wederom begonnen hadde te arbeyden, waerdoor de aennemers vande wercken daer vuyt scheyden, niet dervende daer langer wercken, hoewel velen meynden dat ment wel voorts op hadde konnen maken so de aennemers des hart gehadt hadden, gemerckt het wel een mans lengte hoog vuyte eirde al was.

In Dagh-werck zelf is dit al dunkt mij aanwezig in vs 1700: 'tis lang all gehoort. Ik trof het ook aan aan het einde van Huygens' Ick doolde bijster-sweghs, W. II 174 (jaar 1627): Noch schreid' hij all van vreugd, noch song hij all van pijn, // En Sterre was all' sijn'. (laatste all). Ook bij Hooft trof ik het aan in Sang, L.-St. I 152, vs 17-22: Soomen 't ghehoor // Dan vlaeyt met spel en liedt; // Die kloppen 't oor: // Maer 't oor ontfangtse niet. // 'T heeft binnen al // Te luystren veel te veel.

Een systematisch onderzoek zou zeker meer voorbeelden van dit al aan het licht brengen. (Zie nog een brief Huygens-Hooft van 9 dec. 1628 ‘All over een weke oft twee...’).

2

 
Nu 't den Hemel soo gepast heeft
 
Dat mijn' siel aen d'uwe vast leeft,
 
Dat Ick Gij, en t'eener tijd,
20
Ghij tot Ick geworden zijt,
 
Nu wij maer van naem en schillen,
 
Nu mijn' lusten zijn uw' willen,
 
All uw willen all mijn lust,
 
IJeders vrede elkanders rust;
[dewijle God de Heere ons in ziel en lichaem heeft gevoeght:]

Nu de hemel (de goddelijke voorzienigheid) het zo geschikt (bepaald, geregeld) heeft dat mijn ziel met de uwe verbonden leeft, dat ik gij geworden ben en tegelijkertijd gij tot ik geworden zijt, nu wij slechts van naam verschillen, nu mijn begeerten uw wensen zijn, uw wensen al mijn lust, nu de vrede (gemoedsrust) van ieder van ons de rust (gerustheid) van de ander is,

(17 gepast = gevoegd, geschikt, geleid; 21 schillen = verschillen; 22 lusten = verlangens; willen = wensen; marge vs 17 in KI, KII: Anima illius animae hujus devincta est. Gen. 44. 30. (Vulgaat: anima illius ex huius anima pendeat): zijn (Jacobs) ziel is aan de ziel van deze (Jozef) verknocht. Statenvertaling: ‘alzoo mijne ziel aan diens ziel gebonden is’.

Scias spiritum uxoris meae in meo verti. Sen. ep. 104.

Weet dat het leven van mijn vrouw van het mijne afhankelijk is. (Ietwat vrij naar Seneca, Epistola 104, 2.)

3

25
Luijstert nae de overslagen
 
Die mijn' siele, lang gedragen,
 
Nu voldragen, barens-ree,
 
Als een' droppel in uw' zee
 
Van bescheidenheid will schencken,
[p. 164]
30
En uw krachtigher bedencken
 
Halen over 'tkinder-kraem
 
Daer sij gaern te bedd af quaem.
 
'Tkint sal Ernst van Voorraed heeten;
 
Helpt mij door den arbedi sweeten,
35
Daer Ghij Ick zijt, en Ick ghij,
 
Moe de Moeder heeten, Wij.
[hoort ende helpt mij uijten, 'tghene ick daer op ouer langhe (= sedert lang) hebb erdacht.]

Luister naar de overleggingen die, lang gedragen, nu voldragen, mijn ziel, gereed tot baren, als een droppel in uw zee van verstand (inzicht, wijsheid) wil schenken en die uw sterker denken wil (zal) heenhelpen door de bevalling, waar ze in het kraambed graag mee klaar zou komen. Het kind zal Ernst van Voorraed (ernstige levenshouding, berustend op overleg van te voren) heten. Help mij door de moeite (inspanning) van de barensweeën heen. Daar gij ik zijt, en ik gij (ben), moet de moeder wij heten.

(25-26 lang... voldragen pred. toev. bij de overslagen; barens-ree pred. toev. bij mijn' siele; 30, 31 samentrekking En die... will halen over enz.; kinder-kraem WNT kind 3003 = bevalling 33 Voorraed MNW voreraet 1055 voorafgaand overleg, tevoren overdacht plan. Kil. consilium ante factum. Vgl. ook proza-aant. 5; arbeid = barensweeën.)

4

 
Soo en vrees ick voor uw' straff niet
 
Off ick hier te schielick af liet,
 
Daer te langhe lagh en sponn
40
Over wat ick eens begonn,
 
Of mij hier mijn' hand ontholde,
 
Om een Rijm die ronder rolde
 
Dan de Reden; of ick daer
 
Wrang, of hier te lecker waer.
45
'Tis uw hert dat in mijn' adren
 
Dese krachten helpt vergadren,
 
'Tis het mijn dat in u schuijlt,
 
Ziel is tegen Ziel geruijlt,
 
Staet u niet in aller feilen
50
Wederhelft met mij te deilen?
 
Of wat feilen kander zijn
 
Dat of 'tuwe zij' of 'tmijn'?
 
Luijstert dan; en hoort ghij dolen,
 
Denckt, dat was ons beij verholen,
55
Soo u ijet om 'therte lacht,
 
Segt, soo hadd' ick 't oock gedacht.
[Mits wij een ende eens zijn, ende dit werck gelijcker hand (= gezamenlijk, met vereende krachten) te weghe brengen, sult ghij deel aen de feilen ende onfeilen hebben, ende ick uw berispen minder schroomen.]
[p. 165]

[onfeilen WNT feil (I) 4414: eenmaal aangetroffen, dit citaat. Bet.: de goede, mooie dingen.)

Derhalve vrees ik niet voor uw berisping (critiek), indien ik hier te gauw ophield (afbrak), daar te lang lag te spinnen (uitweidde) over wat ik eenmaal begonnen had; als hier mijn hand mij ontschoot (van het spoor week, als ik mijn pen ergens niet beheerste) terwille van een rijm dat mooi klonk ten koste van de rede (redelijkheid, waarheid), indien ik daar te hard, onaangenaam (van toon), of hier te zoet (aangenaam (van toon) was.

Het is uw hart (dat immers in mij woont) dat deze krachten in mijn aderen helpt verzamelen, 't is het mijne dat in u schuilt; ziel is tegen ziel geruild. Moet gij niet de andere helft (de ‘tegenhelft’) van alle fouten als aandeel krijgen? Of welk falen kan er zijn, dat of het uwe is of het mijne? (uitgesloten: iedere fout is van ons samen!) Luister dus naar wat ik dicht en hoort gij (mij) een fout maken, bedenk dan: dat zagen wij beiden niet; als u iets vreugde geeft, zeg dan: zo had ik het ook gedacht.

(41 ontholde niet in WNT op hollen; 42, 43 Men vergelijke het gedicht Aen den Leser; Voor de bij-schriften, (voor Hofwijck) vs 42 vlgg.: Soo gaet het (noch eens) met de Rym-pen; Om een woord // Dat sonder weergae is, moet arme Waerheit voort, // En om een braever woord dan woorden die wat seggen, // Moet onred' inden topp, en Reden onder leggen;... het rond rollen van het rijm is het mooi klinken, maar de Reden rolt niet zo rond, komt in het gedrang; 45, 46 Op analoge wijze drukt H. uit wat dichten voor hem is in zijn opdracht van Heilighe Daghen aan Leonore Hellemans (mijn uitgave Avondmaals-gedichten en Heilige Dagen, Zwolle, 1968, pag. 94: 'Tis ernst, en uyt mijn adren // Het binnenste geweld, soo verr haer swackte gaet. 49, 50 in... deilen in deze bet. niet in WNT.; 51 feilen inf., vgl. manuscr. aant.; 55 om... lacht vgl. manuscr. aant.

5

 
Hoe wij dese kleine wereld,
 
Die ghij, Sterr, alleen beperelt,
 
Die ick, verr van uws gelijck
60
Ick, en ick alleen beslijck,
 
Dese, om nauwer te beschrijuen,
 
Bedd-gemeente van twee Lijuen,
 
Van twee lieven, segg ick best,
 
Tortelen van eener nest,
65
Tamelixt bestieren sullen,
 
En met vreugd op vreugd vervullen,
 
Hebb ick, hebben ick en ghij
 
Dus beregelt, seggen wij.
[Mijn, ick segge (= bedoel), ons voornemen is, bij voor-raed (= door voorafgaand overleg) vast te stellen, hoe wij op het gevoeghelixt (= op de passendste wijze) te samen sullen hebben te leuen.]
[p. 166]

Hoe wij deze kleine wereld (van ons huwelijk en onze bezigheden), die gij, Sterre, alleen met parelen bestrooit, die ik, verre van uws gelijke (die ver beneden u sta), ik en ik alleen bemodder (besmeur), deze - om het nauwkeuriger uit te drukken - bedgemeenschap van twee lijven, van twee gelieven beter gezegd, tortels van één nest, op de passendste wijze (het best) besturen zullen, en met de ene op de andere vreugde zullen vervullen, heb ik, hebben ik en gij (correctie!) aldus geregeld, zeggen wij.

(57 dese... wereld (niet de mikrokosmos zoals in 1764) nader bepaald in 61-64; bedd-gemeente niet in WNT. Deze gemeenschap bestaat uit twee lijven enz. Vgl. 1098; lieven WNT lief (II) 2067: gelieven. Na de 17e eeuw ongewoon. Men lette op het spelen met de elkaar nauw rakende klanken ij en ie; 68 beregelt WNT beregelen 1851: (zeldzaam) = regelen.)

6

 
God, de God die ons gepaert heeft,
70
God de Soon die hij gebaert heeft,
 
God de Geest, met-all, met-een,
 
God allom, altijd, alleen
 
Sal de Vader-Meester wesen
 
Die wij vriend-lijck sullen vreesen.
75
End ons eerste onderwind
 
Daer de wijsheit af beghint.
[Gods vreese sullen wij voor all betrachten.]

God, de God die ons in de echt verenigd heeft (= God de Vader), God de Zoon, die Hij (God de Vader) gegenereerd heeft, God de Heilige Geest, die mede alles is en mede één is, God, alomtegenwoordig, eeuwig, enig, zal de Vader en de Heer zijn, die wij liefhebbend (met liefde) zullen vrezen, en ons eerste streven (pogen, ondernemen, het eerste waar wij ons op toeleggen) zal zijn datgene waarmee de wijsheid begint (d.i.: de vreze des Heren).

(70 die... heeft Zie Hand. 13, 33; Hebr. 1, 5; 5, 5 Gij zijt mijn zoon, heden heb ik u gegenereerd (Ps. 2, 7 citerend); 71 God is alles in allen, de Heilige Geest ook; God is één, de Heilige Geest ook; 73 Vader-Meester copulatieve samenstelling; 74 vriend-lijck als Vader, vreesen als Meester; 75, 76 Ende... beghint In de marge Prou..., later in C aangevuld tot Prou. 1. 7 = Spreuken 1, 7: De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap, de dwazen verachten wijsheid en tucht.)

7

 
'Smerghens eer wij 'tlicht ontmoeten,
 
Sullen wij die Godheid groeten,
 
Smergens eer de dagh ontwaeckt
80
En de sonn de sterren staeckt.
 
Sulcken uere koos de speelmann
 
Die soo dick de danckbaer' Veel nam,
 
Daer af 'theilige geluijt
 
Noch in onse ooren tuijtt.
[p. 167]
85
Een van beider nuchtre monden
 
Sal de schuld van beider sonden
 
Voeren voor 'tgenadigh recht
 
Daer geen' boeren-tong te slecht
 
Daer geen dubbel hert te dicht is,
90
Daer het saligh tegenwicht is
 
Onser schael, die altijd helt,
 
God met God te vre'en gestelt.
 
'Tzaligh opsicht onser wegen
 
Sullen wij hem toe bewegen,
95
Hem, beweeglick met een woord
 
Datmen maer in 'thert en hoort.
[Des morghens vroegh gelijck Dauid, sullen wij hem aenroepen, seggende:]

's Morgens, eer wij het licht ontmoeten, zullen wij die godheid (van 69-76) groeten, 'smorgens eer de dag ontwaakt en de zon de sterren verduistert (doet ophouden te schijnen). Zulk een tijd koos de muzikant die zo vaak zijn luit (snaarinstrument) ter hand nam om God te danken, waarvan het heilige geluid nog luid in onze oren klinkt (de nog steeds gezongen Psalmen Davids).

Een van ons beider nuchtere monden zal de schuld van ons beider zonden brengen voor het genadige gerecht waar geen boerentaal te eenvoudig (simpel), waar geen geveinsd (onoprecht) hart te gesloten (bedekt, afgesloten) is, waar het heilbrengende (reddende) tegenwicht is van onze schaal die altijd doorslaat (omlaaghangt) (door onze zware zonden!), waar God (de Vader) door God (de Zoon) tevreden gesteld (verzoend) is.

Tot het heilzame toezicht op (de heilzame leiding over) onze wegen zullen wij Hem bewegen, die te bewegen is door een woord dat (niet uitgesproken wordt maar dat) men slechts in het hart (van de bidder) hoort (slechts in... te horen is).

(80 staeckt Vgl. de critiek van Mostaert p. 57; 81 de speelman d.i. David. Zie de verwijzing in de marge Ps. 130. Het zesde vers luidt: Mijne ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen. Vgl. ook de critiek van Mostaert op het woord en de variant in C, daar reeds vermeld; Veel (vedel) hier niet = viool, maar een tokkelinstrument. Kil. pandura (= driesnarig instrument), fidicula (kleine luit of cither); 82 danckbaer indirekt gebruikt; 85 nuchtre Het is nog voor het ontbijt, kort na het wakker worden; 95, 96 Vgl. Matth. 6, 8: want uw Vader weet wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt; beweeglick Vgl. Huygens' Zedeprint Een boer 37 vlgg.: Die op de rouwe hand en ongekussent knielen // Sijn' All-medoogent-heit bewegelicker slaet, // Dan daer 'tgeleerd gebed door Amber-wanten gaet (W. II, 31). In beweeglick wordt uitgedrukt dat God zich ons lot aantrekt, dit Hem niet ‘onbewogen’ laat.)

[p. 168]

8

 
Heer, bejeghent ons' gebreken,
 
Sult ghij, Sterre, off sal ick spreken,
 
Leert ons eischen wat ons dient:
[Heere komt ons onuerstand te gemoet. en leert ons bidden.]

Heer, kom aan onze gebreken tegemoet (kom onze tekortkomingen, nl. in het bidden! vgl. de prozaaant.) te hulp), zult gij, Sterre, of zal ik zeggen. Leer ons datgene vragen wat goed voor ons is.

(Marge bij 99: Luc. 11, 1: En het geschiedde toen Hij in eene zekere plaats was biddende, toen Hij ophield, dat een van zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden,... C geeft het tekstgedeelte in het grieks: Κύριε δίδαςον ἡηἅσ προσευχεσϑαι en voegt daaraan toe: Suggere, domine, quid de te cogitem, doce quibus te sermonibus invocem. Aug. med. (Geef mij in, Heer, wat ik van u heb te denken; leer mij met welke woorden ik u heb aan te roepen. Vrij naar Augustinus, Meditationes (J.P. Migne, Patrologia Latina XL col. 905): doce me... clementiam tuam, sancta Veritas, te invocare in te.)

9

100
En ontfanght voor 'tonverdient
 
Voor 'tonendelick ontfarmen
 
Ons altoos onnutt', ons armen,
 
Ons ondanckbaeren gegunt,
 
Onser herten beste munt,
105
Danckbaerheid in woorden, wercken
 
In gedachten te bemercken,
 
Stichtelick voor 'snaesten oogh,
 
Heilighlick voor't dijn' om hoogh.
[Maeckt ons oprechtelick danckbaer voor dijne barmherticheden.]

En ontvang voor het onverdiende, voor het (uw) oneindige (eindeloze) ontfermen aan ons onnutten, ons armen, ons ondankbaren geschonken, de beste munt (betaling) die ons hart u geven kan: dankbaarheid in woorden, werken (daden), in onze gedachten te bespeuren (te bemerken), die stichtelijk zijn voor het oog van de naaste, heilig (zuiver) voor uw oog omhoog.

(102 onnutt' = onnutten (substantivisch) H. zal denken aan Luc. 17:10: Alzoo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen; 105, 106 naar de klassieke woorden van de Heidelbergse Catechismus, antwoord op vraag 122: ...dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde; 107 stichtelick opbouwend, tot het goede opwekkend. H. kan denken aan Rom. 15:2: Dat dan een iegelijk van ons zijnen naaste behage ten goede, tot stichting.)

10

 
Deckt het misdoen onser daghen
110
Met het voldoen en voldraghen
[p. 169]
 
Van Hem Mensch en van Hem God,
 
Hem 'tvoll-op - van dijn Gebod.
[Vergeeft ons onse misdaden om de voldoeninghe des Heeren Iesu Christi.]

Dek (Bedek, Verzoen) het verkeerde doen van ons leven (onze zondige daden, in gedachten, woorden en werken!) door het ten volle doen (het geheel vervullen) (van Gods eis van genoegdoening voor onze overtredingen) en het ten volle dragen (van de straf voor de zonde) door Hem, die mens is en God, Hem, de gehele (overvloedige) vervulling van uw gebod.

(woordspeling misdoen, voldoen. Vgl. Mostaerts critiek en wat daarbij hoort p. 58; 'tvoll-op zie Mostaert p. 58. Vgl. Matth. 5, 17: Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. Zie proza: voldoeninghe.)

11

 
Hoedt ons, daer wij heden leggen
 
Daer wij swijgen, daer wij seggen
115
Daer wij wandelen of staen,
 
Met ons seluen overla'en.
 
Laet ons over ons niet storten,
[Wees allom onse hoede. Bewaert ons voor ons seluen.]

Bewaar ons waar wij vandaag liggen, waar wij zwijgen, waar wij spreken, waar wij wandelen of staan, met onszelf beladen. Laat ons niet over onszelf struikelen (vallen).

(Vgl. de manuscr. aant. bij deze passage; 116 Met... overla'en pred. toev. bij wij. Wij dragen altijd de last mee van onze boze wil, onze weerspannigheid, onze boze natuur.)

12

 
Heet ons, uwe Englen schorten;
 
Heet ons willen wat ghij heet,
120
Die ghij onsen onwill weet
 
En altijd geneghen herten
 
Om dijn' lijdsaemheit te terten,
 
En altijd gebeten bloed
 
Tegen wat ghij heett en doet.
[ouerstreeft onsen bosen wederwill.]

Beveel uw engelen ons op te houden (te steunen) (als we dreigen te vallen). Beveel ons te willen wat gij beveelt, gij die onze onwil kent en onze harten die altijd geneigd zijn om uw geduld (lankmoedigheid) te tergen, en ons bloed dat altijd fel ingaat tegen (afkerig is van) wat gij beveelt en wat gij doet.

(118 zie Mostaert-Huygens over dit vs p. 59; 119 marge: Maak dat ik wil wat gij beveelt en beveel wat gij wilt. Vrij naar Augustinus, Confessiones 10, 40 Da quod iubes... 120 Die ghij zie de verdediging hiervan

[p. 170]

door H. tegenover Mostaert p. 59; 121-124 Men lette op de nabepalingen, niet bij de substantieven maar bij geneghen, gebeten.)

13

125
Seghent Ziel en seghent Leden,
 
Doetse beijd' haer pond besteden
 
Dij ter eeren, dij alleen,
 
Eigenaer van Ziel en Le'en.
[Seghent onse zielen en lichamen, soo dat beide sich tot dijner eere besteden.]

Zegen (onze) ziel en zegen (ons) lichaam. Maak dat zij beide hun pond besteden u tot eer, u alleen, (die) de eigenaar (zijt) van ziel en lichaam.

(126 Zie de gelijkenis Luc. 19 van de heer die zijn 10 dienstknechten 10 ponden gaf, elk één, om handel mee te drijven.)

14

 
Moet het huijs van dese sinnen
130
Nu een huijuering van binnen,
 
Nu een' stoot van buijten aen
 
Nu een dobbel quaet begaen,
 
Slaet verdraeghelicke slagen,
 
Die wij dan, en dan maer dragen,
135
Dat ons naerden suren dagh
 
'tSoete weer te schooner lacch.
[Treft ons niet als met genadelicke (= genadige, door uw genade niet te harde) ende geneselicke kranckheden.]

Indien het huis van deze zinnen (ons lichaam) nu eens een huivering van binnen, dan weer een stoot van buiten moet krijgen (oplopen), sla dan slagen die wij kunnen verdragen, die wij dan en dan slechts verdragen, als ons na de dag van slecht (boos, guur) weer, het aangename weer des te schoner toe zal lachen.

(129 sinnen = geest (die in het lichaam woont). Het lichaam kan inwendig aangetast worden (door een rilling, voorbode van koorts) of van buiten of van beide kanten tegelijk; 132 begaen = krijgen, verwerven (vgl. vs 439); WNT begaan 1359; Opvatting van begaen als overvallen is niet mogelijk op grond van een' stoot, dat objekt moet zijn. Vgl. De Vooys, Losse aantekeningen bij Huygens' Dagh-werck, Ts. 45, p. 287. Ook MNW begaen 688 geeft de betekenis verkrijgen. Mostaert had bezwaar tegen het woord in combinatie met huivering, stoot. Zie p. 60; 133 geneselicke, open variant, in C gekozen; 135 Dat hier = als, indien; WNT dat (II) 2307. Vergelijk een wending in gewonere spreektaal thans als: Je zou verbaasd staan dat je 't zag. suren Dagh i.v.m. 136 op het weer te betrekken.)

15

 
Ouerwicht van noodlickheden
 
Dobbel op het brood van heden
 
Heeft alreeds dijn' milde hand
140
In ons' ackeren geplant;
 
Lijdt niet datter onse zielen
[p. 171]
 
Hare tochten in vernielen,
 
En versmooren daer het vier
 
Dat veel hoogher hoort als hier;
[Laet niet toe dat wij onse herten verhangen (= hechten) aende tijdtelicke middelen daermede ghij ons mildelick gesegent hebt;]

Meer dan voldoende van nooddruft (van wat wij nodig hebben voor ons levensonderhoud), het dagelijks brood in dubbele mate (het dubbele van ons dagelijks brood) heeft uw milde hand reeds in onze akkers geplant (ons geschonken). Sta niet toe dat onze zielen hun (hogere) begeerten (aspiraties) erin (nl. in het materiële en de zorg daarvoor) vernietigen (doen teniet gaan) en daar (in dat materiële enz.) het vuur verstikken (doven) dat veel hoger thuishoort dan hier (beneden, op aarde).

(138 Dobbel op niet in WNT, wel dubbel over (citaat Westerbaen) = dubbel en dwars, m.i. synoniem; 142 tochten = begeerten, hier van de ziel naar het hogere Vgl. 144 het vier enz.: dat zich op veel hogere dingen moet richten dan wat voor het lichaam nodig is, dan het aardse, tijdelijke. H. denkt ongetwijfeld aan Matth. 6, 19-34 waaruit ik citeer (vs 34): Maar zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen (nl. voedsel, kleding enz.) zullen u toegeworpen worden (mijn cursivering).

16

145
Leert ons 'tleen als leen besitten,
 
En bij tijds de herten splitten,
 
Daer af 'tminste weder-deel
 
Aen de tijdlickheid verheel',
 
T'allen stonden euen vaerdigh
150
Om den ballast van dit Aerdigh
 
Uijt te werpen in sijn' zee
 
En soo kommerloos de ree,
 
Ia de steile rotz beklimmen,
 
Daer de werelds loose schimmen
155
En het prachtigh Niet-met-all
 
Onder ons verdwijnen sal.
[maer altoos willigh (= bereid) en vaerdigh (= gereed) moghen zijn om daer af te scheiden.]

Leer ons het door u als leengoed aan ons ten gebruike gegevene inderdaad als leen(goed) (als geleend) te bezitten en bijtijds onze harten te splitsen (verdelen), waarvan het kleinste deel met het tijdelijke (vergankelijke, aardse) een worde (zich moge verenigen), terwijl wij altijd even paraat zijn om de ballast van dit aardse uit te werpen in zijn zee (de zee van dat aardse) en zo onbelast de rede, ja de steile rots te beklimmen, waar de bedriegelijke (ijdele) schaduwen van de wereld en het prachtige niemendal (= de wereld) onder ons zal verdwijnen.

147 weder-deel: andere deel, vgl. wederhelft; hier: deel; 148 verheel' van verheelen = een worden (zich verenigen met iets anders. Vgl. 1290

[p. 172]

tot een tuijltjen verheelen: trans. = tot een geheel maken, verenigen. Zie ook Vondels critiek! p. 50).

149 T'allen...vaerdigh: pred. toev. bij ons (145), door mij vertaald met een terwijl-zin (die ook een predicering is) 150 den ballast...Aerdigh: de ballast van dit aardse, waarin van dit aardse nabepaling van identiteit is: de ballast is dit aardse; Aerdigh WNT aard 558: afleiding van aarde (dit citaat en een van Cats) 151 sijn' zee, nl. van die ballast = van dat aardse. Al het aardse van ons keert terug tot de aarde; men denke aan het bekende: stof tot stof bij begrafenissen. In de ‘zee’ van het aardse werpen wij de ‘ballast’ van het aardse 152 kommerloos, pred. toev. bij ons 145: zonder kommer, vooral in de zin van last, druk, wat bezwaart. Blijkens de uitbreiding van de prozaaant. in C (zie p. 330) denkt H. vooral hieraan. Dit in overeenstemming met het uitwerpen van alle ballast; de ree = de hemelse ree; 153 de steile rotz' beter passend bij (te) beklimmen, beeld van de hoogheid, vastheid, veiligheid van het hemelse. In de marge in A een aantal punten (ter latere invulling van de bijbelplaats), in C: Ps. 15. 1. (Heere, wie zal verkeeren in uwe tent? wie zal wonen op den berg uwer heiligheid?), Ps. 43, 3. (Zend uw licht en uwe waarheid, dat die mij leiden, dat ze mij brengen tot den berg uwer heiligheid en tot uwe woningen).

17

 
Staet'er in dijn heiligh voorsien,
 
Daer dijn' ooghen langs het spoor sien
 
Van der dinghen eewigh wiel,
160
Dat dij eens voor all beviel,
 
Staet'er dat uijt dit versamen
 
Onser namen erfgenamen
 
Spruijten moeten, een oft meer,
 
'Tzij dan, Heere, dij ter eer,
165
Dij ten dienste; Laetse dijn'zijn
 
Eerse doorde moeders pijn zijn,
 
Laetse dijn' zijn tot de uer
 
Als de geesten uijt de huer
 
Vande leden sullen scheiden,
170
En dijn' tweede komst verbeiden,
 
Met verlangen naerden dagh
 
Daer 'tGeloof maer tegen magh.
[Ist bij dij van eewicheit geschickt (= bepaald), dat kinderen van ons geboren werden, weest haer genadigh God, van 'tbeghin ten einde haeres leuens.]

Staat er in uw heilige voorzienigheid (uw heilig plan), terwijl uw ogen langs de weg zien, waarlangs het eeuwig wiel der dingen (dat de dingen drijft) zich voortbeweegt, de weg die u eens voor altijd behaagde; staat er dat uit deze (onze) vereniging erfgenamen van onze namen (= kinderen) moeten voortkomen, een of meer, moge het dan tot uw eer zijn, Heer, tot uw dienst; laat ze van u zijn voordat ze door de pijn van de moeder heen zijn (voor hun geboorte, reeds in de moederschoot), laat

[p. 173]

ze de uwe zijn tot het ogenblik dat de geesten hun tijdelijke woning, het lichaam, zullen verlaten en wachten op uw tweede komst (wederkomst), met verlangen naar de dag waar alleen het geloof tegen bestand is.

(157 voorsien: vooruit opgemaakt plan, voorbeschikking 158 Daer = wanneer, terwijl (God kijkt naar wat hij beschikt heeft, hij ziet de baan die het eeuwige wiel der dingen maakt, af, de baan die hem eens voor goed behaagd heeft; 166 marge A geeft de tekst van Psalm 139 fragmentarisch in het latijn: In fundo uteri Psalm... Eerst stond er In fundo matris. Bij nader inzien was ‘diepte van de moeder’ (vgl. moeders schoot) wat vreemd; beter: ‘diepte van de baarmoeder’; fundo niet in Vulgaat. In C Ps 139, 13. (Want Gij bezit mijne nieren, Gij hebt mij in mijn moeders schoot bedekt); 168-169: de geesten hebben de leden gehuurd als hun tijdelijk verblijf en verlaten dit bij de dood; 172 marge C Rom. 1. 17. (Want de rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven Act. 10. 43. (Hand. 10, 43: ...dat een iegelijk die in Hem gelooft, vergeving der zonden zal ontvangen door zijnen naam.)

18

 
Werpt een ernstigh medelijden
 
Over 'tonweer onser tijden,
175
Ouer 'tijselick gewipp
 
Van dijn tuijmelende schip.
 
Buijten lijdt het vande baren,
 
Die het nu te nauw benaeren,
 
En van allen sijden slaen;
180
Binnen heeft het noijt gedaen
 
Met het heelen van de spleten
 
Dieder nijd en spijt in reten,
 
Slaep niet, zij niet langher doov
 
Onder ons van klein geloov.
[Erbarm dij ouer de buijten ende binnen swaerigheden dijner kercke.]

Heb een innig medelijden (medeleven) met (Erbarm u over) het onweer (boze weer) van onze tijd (Erbarm u over onze stormachtige tijd), met het angstwekkende op en neer gaan van uw stampende en slingerende schip (de kerk). Buiten lijdt het van de baren die het nu al te zeer in het nauw brengen (benauwen). Binnen is het nooit klaar met het dichten van de spleten die nijd en wrok erin scheurden. Slaap niet, wees niet langer doof temidden van ons kleingelovigen.

(178 benaeren WNT benaren 1779 = benarren; 183 marge Math...., in C gewijzigd tot Marc. 4. 38. 40. (38: En Hij was in het achterschip slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet dat wij verggaan? 40: En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? hoe hebt gij geen geloof?) Het is

[p. 174]

vreemd dat H. de verwijzing naar Matth. (8:26) losliet, waar de term kleingelovigen voorkomt: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen?)

19

185
Stier de stierluij van dat schipp, en
 
Sluijt haer' herten op haer' lippen,
 
Lij geen Babel in haer werck
 
Dien het dack-dicht van dijn'kerck
 
Met den binnen-bouw betrouwt is;
[Zegent de dienaren dijnes woords met eendracht]

Bestuur de stuurlui van dat schip en doe hun harten overeenstemmen met hun woorden. Duld geen tweedracht in het werk van hen, aan wie de zorg voor de dichtheid van het dak uwer kerk, met de opbouw van het inwendige toevertrouwd is.

(Babel: in Gen. 11 het verhaal van de torenbouw, verstoord doordat God ‘hun spraak verwarde’, vandaar Babel ook voor twist, gekibbel. Vgl. WNT Babel 851 en zie Huygens' proza: eendracht; dack-dicht, substantivering van het adj. = met een waterdicht dak. De predikanten moeten enerzijds de kerk verdedigen tegen aanvallen van buiten (vgl. vs 200), anderzijds de gemeente opbouwen in het geloof.)

20

190
Laet de leughen, die soo oud is
 
Datse kindsch geworden schijnt
 
En all groeijende verdwijnt
 
Groeijende voor haer verdwijnen
 
Die ghij eens hebt willen mijnen
195
Tot den huijs-dienst, en niet meer
 
Van dijn' erffenissen, Heer.
[soo dat sij de dolingen verdelgen.]

Maak dat de leugen, die zo oud is dat zij kinds geworden schijnt, en al groeiend (terwijl ze voortdurend groter wordt, en zich uitbreidt) innerlijk aan kracht verliest (wegteert, slinkt), in dat proces van toeneming voor hén teniet gaan, die gij eenmaal als uw eigendom hebt aangenomen (in bezit hebt genomen, op wie gij beslag hebt gelegd) voor de huisdienst (de kerkdienst) en verder niets, van uw erfdeel (uw gemeente, uw volk).

(190 Laet imper. van causaal hulpw. laten evenals in 199 Laetse... = Doe hen zich bezig houden. Nog steeds gebed tot God! adhortatief laten is in de context uitgesloten, in beide gevallen; de leugen = de dolingen (proza), alles wat tegen Gods openbaring in de bijbel ingaat; deze leugen is even oud als de wereld, als de mens, zo oud dat ze kinds wordt, simpel, onnozel. Terwijl ze zich nog steeds uitbreidt (groeijende) verdwijnt zij, wordt krachteloos, teert weg. De leugen gaat de dood tegemoet (eschatologisch), aan de waarheid is de overwinning. Mogen de predikanten haar geheel doen verdwijnen, haar wegvagen; 194 mijnen: in bezit nemen, zich toeëigenen; 195 huijs-dienst hier = kerk-

[p. 175]

dienst (dienst in Gods huis) 196 erffenissen te vereenzelvigen met het erfdeel des Heeren (1 Petr. 5:3) waarover de ‘ouderlingen’ geen heerschappij moeten voeren, maar die zij ten voorbeeld moeten strekken (en weiden). In het grieks staat een meerv. erfdelen; zie Beknopt Commentaar op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling, Kampen 1963 p. 1036 ‘hetgeen u ten deel gevallen is, letterlijk: de erfdelen; Israel was Gods erfdeel, Deut. 9:29; de meervoudsvorm doet vermoeden dat iedere gemeente (of “wijk”) eigen oudsten bezat.’ Ook de Statenvertaling vertaalt hier erfdeel; erfenissen gaat op een andere vertaling terug of is vertaling van Huygens zelf.)

21

 
Oh, gelijck haer heiligh herder,
 
Totden huijs-dienst, en niet verder
 
Laetse sich verledigen.
[Bekommerende sich, als Christus haer Heer, alleen met haer beroep.]

O maak dat ze evenals de heilige Herder van zijn volk (Christus), zich bezig houden met het werk in en voor de kerk en niet meer. (197 haer nl. van dijn' erffenissen, van uw volk; Christus is de herder van die kudde. Zij moeten op dezelfde wijze die kudde hoeden (1 Petr. 5:3 weidt de kudde Gods...; vs 4: ...de overste Herder... (Christus); 199 Laetse zie 190).

22

200
Maer, voor 'tbest verdedigen,
 
Leertse leuen soo sij leeren
 
En met weldoen wel bekeeren,
 
Seggen heeft geen seggens macht,
 
Daer 't de segger eerst veracht;
205
Voordoen, is geweld van reden,
 
Die het keijen hert kan kneden;
 
En dijn vleesch geworden woord
 
Werd gesien gelijck gehoort.
[Bevestig haer leere met het voorbeeld van haer leuen, daer 'tmeeste bewegen in is.]

Maar leer hun als de beste verdediging (van uw zaak) te leven, zoals zij leren (verkondigen), en door goed (voor)doen de mensen in de goede richting sturen. Spreken heeft geen kracht van spreken (geen overtuigingskracht), wanneer de spreker de eerste is om dat spreken (wat hij zegt) te verachten (gering te schatten, zich er niets van aan te trekken). Voordoen is krachtige argumentatie die (zelfs) het stenen hart kan ‘kneden’ en als uw woord vlees wordt (= gedaan wordt), wordt het zowel gezien als gehoord (met toespeling op Christus, het vleesgeworden woord).

(200 voor ...verdedigen: als beste wapen (tegen de aanvallen op de kerk); 202 bekeeren i.v.m. wel niet op te vatten als: tot bekering komen, maar als trans. wenden, keren en wel in de goede zin, naar de

[p. 176]

goede kant. Vgl. Goed voorbeeld doet goed volgen (maar dan in christelijk-godsdienstige zin) 205 geweld van reden = zeer krachtige, machtige reden. Vgl. de prozaaant. daer 'tmeeste bewegen in is.

Misschien kan men vertalen: Voordoen heeft een geweldige overredingskracht; 206, 207 m.i. dubbelzinnig, spelende met vleesch geworden woord: bijbelse term, omschrijving van de Logos die vlees wordt in Bethlehem, maar door H. in de context gebruikt voor het woord dat daad wordt en daarmee zichtbaar.

Marge 201: Laten wij verkiezen mensen van dat soort, die door hun leven onderwijzen en die gij meer bewondert omdat gij hen hebt gezien, dan omdat gij hen hebt gehoord. (Ietwat vrij naar Seneca, Epistula 52, 8.)

Marge 204: Wat gedaan moet worden, moet men leren van iemand die het doet. Seneca, brief 98, 17.

Bepaalde lieden trekken met zichzelf rond als met voorbeelden van nutteloze lering. Sen. ep. 108, 36.

23

 
Stae de voorste vande Vorsten
210
Die de voorste waghen dorsten
 
Haer en 'thaere in dijn geuecht:
[Zegent de Princen die dijn' saecke verdedigen.]

Sta als de voorste van (Ga beschermend uit voor) de vorsten die als de voorsten zich en het hunne dorsten wagen in uw strijd.

(209 de voorste pred. toev. bij de verzwegen aangesprokene, d.i. God. God wordt daarmee de voorste der koningen, de (opper)koning, die vooraan vecht in Zijn strijd. Ongetwijfeld speelt H. met de etymologie van vorst (uit voorst).

210 de voorste opnieuw pred. toev., nu bij Die: deze vorsten strijden vooraan in de strijd des Heren.)

24

 
Tree niet in het scherpste recht
 
Ouer 'tmenigh ouertreden
 
Van haer' weelderighe leden,
215
Van haer' zielen inde weeld
 
Ongevoelick over eeldt.
 
Hooge, helle slibber-wegen
 
Hebben sij te deel gekregen;
 
Meest haer leuen is soo glad
220
Datter oogh noch voet op vatt,
 
Laet de haer' voor struijckling boeten
 
Min als andre minder' voeten,
 
Die door oneenpariche'en
 
Van vermaeck, van swariche'en,
225
Van gedeckte en bloote leden
 
Slepen, ja, maer vaster treden.
[Vergeeft de sonden haerer weelde, die slibberich is, bij de stramme (= stroeve) banen vanden ghenen die door voor en tegenspoed wandelen.]
[p. 177]

Vel niet het strengste vonnis over de veelvuldige overtredingen van hun lichaam dat zich in weelde baadt, van hun zielen die in de weelde (ook: de overvloed van genietingen) zonder dat zij het merken ongevoelig (verhard) zijn geworden (letterlijk: met een eeltlaag bedekt).

Hoge, blinkende glibberwegen hebben zij ten deel gekregen (zijn hun toebedeeld, moeten zij bewandelen), het grootste deel van hun leven is zo glad (tegelijk ook: glanzend) dat oog noch voet er vat op krijgt (hun voet glijdt uit, hun oog wordt verblind). Doe de hunne minder voor struikeling boeten dan andere, mindere (geringere) voeten die door wisseling van genot en moeiten (verdriet), van bedekte en naakte leden (voorspoed en armoede) langzaam (moeizaam) gaan, dat is zo, maar (daardoor) vaster stappen (minder kans hebben om uit te glijden).

(212 Tree: Het imperatiefgebruik in Dagh-werck is vrij willekeurig. Men vindt voor imp. enk. zowel vormen met als zonder -t. Vgl. bijv. 97, 99, 100. 214 weelderighe, 215 weeld zien zowel op materiële rijkdom en overvloed, als op de vele lusten en genietingen die hun ten deel vallen. H. predikt hier geen dubbele moraal, maar vraagt wel de goddelijke clementie op grond van verzachtende omstandigheden; 219 glad WNT glad 4: zowel glad als glanzig en effen (door polijsting of van nature); de betekenis blinkend is vereist i.v.m. 220: hun oog kan de weg niet zien, wordt verblind; 223 oneenpariche'en WNT oneenparigheid 1554: ongelijkmatigheid. Bij het mv. dit citaat en de bet.: ‘afwisselende gevallen’.)

25

 
Frederic, dijn eighen held,
 
Tegen 't stijgende geweld
 
Van steegh Oostenrijck gestegen,
230
Frederick, 'tmergh vanden zegen
 
Dien ghij noch de kleine rest
 
Dijner Cudde gunt op 'tlest,
 
Frederick doe staegh bedijen,
 
En beminnen, en benijen
235
In sijn vriendelick gesagh;
 
Raed, of aen, of wapen-slagh,
 
Feile noijt van sijn bestellen;
[Zegent het beleidt vanden Pr. van Orange met geluck, met liefde des volcks, met nijd des vijands]

Frederik (Hendrik), uw eigen (verkoren) held, die zich met succes verzet heeft tegen (‘opgekomen’ is tegen) het stijgende (toenemende) geweld (macht) van het halsstarrige Oostenrijk; Frederik, het allerbeste van de zegen die gij nog aan het kleine restant van uw kudde op het laatst gunt, doe Frederik gestadig voorspoed hebben (maak F. voortdurend voorspoedig), en doe hem beminnen (door zijn volk) en benijden (door zijn vijanden) in (wegens, door) zijn minzame (met vriendelijkheid gepaard gaande) gezag. Moge nimmer een plan of een onderneming of krijgsverrichting die hij volvoert mislukken.

[p. 178]

(228 geweld: macht, met bijdenkbeeld van onrechtmatige uitoefening, schending van het recht van anderen; 229 Oostenrijck: Filips II, zoon van Karel V, keizer van het Heilige Roomse rijk, uit het huis Habsburg, dat o.a. Oostenrijk en Stiermarken beheerste; 236 Raedslagh: plan (na overleg); aenslagh onderneming (wat men onderneemt, ‘aanslaat’); wapenslagh = krijgsoperatie; 237 van zijn bestellen: ten aanzien van de uitvoering door hem. WNT bestellen 2132 o.a. ten uitvoer brengen, verrichten; vgl. 460.)

26

 
Laetse't voor den slagh ontgellen,
 
Die daer moglick hand en moed
240
Scherpen op sijn edel bloed,
 
Donder noijt op onse daghen
 
Met den schrick van sulcke slaghen;
[Verstoort de aenslaghen op sijn leuen:]

Maak dat zij vóór het toebrengen van de (dodelijke) slag ervoor gestraft worden, die misschien nu hand en hart wapenen tegen (voor een aanslag op) zijn edel bloed. Donder nooit op onze tijden met de verschrikking van zulke (donder)slagen.

(238 ontgellen = ontgelden = betalen, boeten voor, straf ondergaan voor; 240 scherpen: eigenlijk scherp maken, de hand met het dodelijke wapen (de dolk), het gemoed, het hart met haat; 242 den schrick... slaghen met de bekende omzetting van kern en bepaling: schrikkelijke, vreeswekkende slagen.)

27

 
Lieuer maeck de boose gramm
 
Met meer struijcken van den stamm
245
Dan 'thaer luste te verdelgen;
 
Voor-raed, Heer, van sulcke telgen
 
Eischen wij dijn' milde hand,
 
Die de vrijheid hier geplant
 
En de slavernij geveld heeft.
[Zegent zijn huijs met lijfs erfgenamen.]

Maak liever de bozen boos (toornig, verbolgen) door meer loten (spruiten, telgen) van de stam (de Oranjestam, F.H.) dan het hun zou lusten te verdelgen. Een voorraad (een groter aantal dan die ene, Willem II) van zulke telgen vragen wij, Heer, (van) uw milde hand, die de vrijheid hier geplant heeft en de slavernij geveld (weggenomen, vernietigd).

(Frederik Hendrik kreeg, uit zijn huwelijk in 1625 met Amalia van Solms, in 1626 een zoon, Willem II. Het bleef bij die ene zoon, tot ongerustheid van Huygens en alle liefhebbers van Oranje. H. schrijft deze vss ongeveer 1627, 1628.)

28

250
Ô, die d'oogen en 'tgeweld geeft,
 
Oogen geeft bij dit geweld:
[p. 179]
 
Oogen eens ter wacht gestelt,
 
En die all' sien soo der veel' sien:
 
Hoedt dijn erve voor haer scheel sien
255
Daer de misslagh af ontstaet,
 
En 'tmistrouwen, ergher quaed.
[Geeft den ouericheden voorsichticheit ende eendracht.]

O (gij) die de ogen en de macht geeft (die niet alleen de macht geeft, maar ook het vermogen om te zien, de wijsheid (proza: voorsichtigheit), geef ogen (wijsheid) bij deze macht (= onze overheid hier in de Republiek), ogen die ‘aangesteld’ zijn om eendrachtig te waken en die alle (gezamenlijk) zien zoals er veel zien. Bewaar uw erf (= uw land, de Republiek der Verenigde Nederlanden) voor hun scheel zien (ervoor dat ze scheel zien), waaruit de misslag (de fout, het verkeerde besluit) ontstaat en (bij het volk) het wantrouwen (in het beleid van de overheid), wat een nog erger kwaad is.

(Blijkens de prozaaant. moet met dit geweld, ondanks de zeer plotselinge overgang, de landsoverheid, de Staten-generaal bedoeld zijn. Moge déze wijsheid (oogen) ontvangen bij haar macht. In vs 250 wordt alle macht en wijsheid van God afkomstig geacht; 252 eens: marge: unanimiter = eensgezind, eens geestes, eendrachtelijk, in eendracht; ter wacht gestelt = aangesteld (de Staten-generaal kwamen door verkiezing tot stand) om te waken (over land en volk); marge 253: Rom. 12:16 Weest eensgezind onder elkander... Rom. 15:5: Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus... H. doelt hier m.i. op de eenparigheid van stemmen, in de Staten-generaal vereist in de grote zaken (vrede, oorlog, gemeenschappelijke belastingen). Alleen in andere zaken was overstemming geoorloofd, juist als in de Staten-colleges.)

29

 
Laet dijn eer ons eenigh witt zijn,
 
Die in 't kostelick besitt zijn
 
Van dijn' waerheid, schier allom
260
Uijtgeluijdt met pijp en tromm:
 
Schuijltse noch in 'tonkruijt elders
 
In de rotsen, inde kelders,
 
D'oude herbergh van haer jeugd,
 
Doet dijn' Engelen de vreugd
265
Dat se 'tonkruijd onderdrucke,
 
En haer taeije rijsen rucke
 
Over 'theidensch wangewas
 
Daerse noijt geplant en was.
[Doet ons behertighen de voortplantinghe dijnes woords onder desselfs blinde verdruckeren.]

Maak dat uw eer ons enig doel zij, (van ons) die in het waardevolle (gelukkige) bezit zijn van uw waarheid, die bijna overal is uitgewezen

[p. 180]

onder het geluid van pijp en trom. Als ze (uw waarheid) ergens nog schuilt temidden van het onkruid, in de rotsholen, in de kelders, het oude toevluchtsoord van haar jeugd, schenk uw engelen de blijdschap dat ze (uw waarheid) het onkruid (de leugen) mag onderdrukken (smoren) en dat ze haar taaie takken met kracht heen doe groeien over het heidense onkruid, waar ze (uw waarheid) nooit geplant werd.

(H. bidt hier om zendingsactie in de ruime zin: bijna overal is de waarheid, het reformatorisch Christendom, met veel rumoer verdreven, wij hebben ze god zij dank. Waar die waarheid onder de druk der vervolging een verborgen bestaan leidt, moge zij het onkruid (= het katholicisme) overwinnen en zij moge ook zich uitbreiden over de heidenen ('t heidensch wangewas), die nooit van de waarheid gehoord hebben; marge 264: Luc. 15:7: Ik zeg ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert,... Marge 268: Rom. 15:21: maar gelijk geschreven is: Welken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. Jes. 52:15 ...want aan wien het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan; 263 d'oude...jeughd: toespeling op de christenvervolgingen in de eerste eeuwen van de christelijke kerk (kelders o.a. catacomben.)

30

 
Buckt genadigh over 'tknielen
270
Daer de knijen en de zielen
 
Buijgen eenerhanden bocht;
 
Heer, ghij hebtse eerst gesocht
 
Die dij hebben leeren soecken;
 
Soecktse noch daer d'een in doecken,
275
D'een in ijsers, d'een in bloed,
 
D'een in armoed light en wroet,
 
Andre onder all versmooren,
 
En met open ooren hooren
 
Naer de traghe scheidens uer
280
Die den naesmaeck van dit suer
 
Drencken sal in stadigh blij zijn,
 
Door het hooft-voor-hooftse bij zijn
 
En het eeuwighe gesicht
 
Van dijn onbegrepen licht.
[Verhoort het schreijen aller krancken, geuangenen, armen, ende die die daer uijt dit ellendighe leuen in 'teewige wenschen vervoert te werden.]

Neig u genadig tot het knielen, waar de knieën en de zielen eenzelfde bocht maken (op dezelfde wijze gebogen zijn, waar ook de ziel zich voor u buigt). Heer, gij hebt hen eerst gezocht, die u hebben leren zoeken. Zoek ze (ook nu) nog, waar de een in doeken (op het ziekbed), de ander in boeien (in de gevangenis), een ander in bloed (onder marteling) ligt te worstelen, anderen onder alles (tegelijk) vergaan en

[p. 181]

(waar) zij hunkerend luisteren of het trage stervensuur reeds aanbreekt, dat de bittere nasmaak van dit leed (deze beproevingen) zal ‘verdrinken’ in het voortdurende blij zijn door het voor ieder persoonlijk aanwezig zijn en de eeuwige aanblik van uw ondoorgrondelijk (wonderbaar) licht.

(269 Buckt enz.: bijbelse beeldspraak. Vgl. Ps. 40:2. Hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord; marge 272 C: Rom. 10. 70....Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan degenen die naar Mij niet vroegen. Philip. 7. 13: want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen; 282 hooft-voor-hooftse = voor ieder persoonlijk, individueel. Vgl. WNT hoofd 949; 282 marge C: 1 Cor. 13. 12.: Want wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben; 284 dijn...licht zal vlak voor ieder van hen zijn (subjektsverhouding tot bij zijn) en zij zullen het eeuwig zien (objektsverhouding tot gesicht).

31

285
Hemelsch vader, dijns naems eere
 
Zij geheilight meer en meere,
 
Naerdere dijn eeuwigh rijck;
 
Ghelde dijn gebod, gelijck
 
Bouen, soo allom beneden;
290
Dagelix voedt onse leden;
 
Houdt ons onser schulden vrij,
 
Soo wij willen wien het zij,
 
Laet ons verre van 'tgequell zijn
 
Des benijders van ons wel zijn,
295
Want het hemelsche beleid
 
Hoort dij inder eewicheid.
[Ons vader die daer zijt inden hemel. Geheilight werde etc.]

Hemelse vader, de eer van uw naam (uw heerlijke, grote naam) worde steeds meer geheiligd. Uw eeuwig rijk nadere (kome naderbij).

Uw gebod zij van kracht (en worde dus volvoerd), gelijk boven (in de hemel), zo (ook) overal beneden (op aarde).

Voed dagelijks ons lichaam. Vergeef ons onze schulden zoals wij willen (doen) wie het ook zij. Geef dat wij verre mogen zijn van de kwelling van hem die ons niet gunt dat het ons (zedelijk en godsdienstig) goed gaat (de satan). Want het hemelse (goddelijke) beleid (bestuur) komt u in eeuwigheid toe (is...van u).

(287) Ghelde WNT gelden, intrans. absoluut gebruikt: waarde hebben, gezag hebben, kracht, invloed hebben; 291 Houdt: = acht, oordeel Houdt ons vrij = scheld ons kwijt, met genit. onser schulden bij vrij; 292 wien accus. door ‘attractie’: zoals wij ieder vrij willen (zullen) houden, wie het ook zij. Het subj. van de bijzin krijgt de accus. vorm van het objekt bij vrij houden: wie het ook zij (naar Luc. 11:14:

[p. 182]

...want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is) 293/4: parafrase van Verlos ons van den boze; 295/6: parafrase van: want van U is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.)

32

 
Soo bedachtelick ontslapen,
 
Soo versien van 'theiligh wapen,
 
Tegens Wereld, Hell en ons,
300
Sterre, sullen wij den dons
 
Onbekommerlick ontstijgen,
 
En gesonde lenden rijgen
 
In haer noodigh ongemack,
 
'T linnen, 'twollen, 'tzijden pack.
[Soo gebeden hebbende sullen wij ons inde kleederen steken.]

Met zulke overleggingen ontwaakt, zo voorzien van (toegerust met) de heilige wapenrusting tegen wereld, duivel en tegen onszelf, Sterre, zullen wij onbekommerd (onbezorgd, rustig) uit het dons klimmen (opstaan) en (onze) gezonde lichamen rijgen in hun noodzakelijk ongemak (de lastige kleren die we wel moeten dragen ter bescherming en uit schaamte), het linnen of het wollen of het zijden pak.

(297 Soo bedachtelick: eenheid, bepaling bij ontslapen: op die wijze (als in het voorgaande getekend) ontwaakt; bedachtelick WNT bedachtelijk 1119 omschrijft: op een wijze die van welberadenheid blijk geeft. Maar die welberadenheid wordt door soo bepaald: op die wijze beraden. Vandaar mijn vertaling: met zulke oveleggingen, gedachten. Vgl. ook het proza: Soo gebeden hebbende; 298 marge C Ephes. 6. Huygens bedoelt hier vs 11-17 van dit hoofdstuk, waarin Paulus spreekt van ‘de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige verleidingen des duivels. Want wij hebben de strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht’ (vs. 11. 12) H. noemt wereld en hel conform Paulus, en voegt eraan toe ons = onze boze natuur, onze oude mens, ons ‘vlees’ dat strijdt tegen de ‘geest’ = de nieuwe, wedergeboren mens in ons, conform de Heidelbergse Catechismus, Zondag 52: ‘onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees’. Vgl. mijn uitgave Avondmaalsgedichten enz., Zwolle 1968 pag. 116, noot 8.)

33

305
Maer op 'tkostelick vermallen
 
Sal ons' weelde noijt vervallen.
 
Tamelick verdeck van lijf,
 
Soo 't vermanne noch verwijf,
 
Sal de vracht zijn onser leden,
310
En, gekoppelt aen de Reden,
 
Sullen wij den franschen dwang,
 
Niet, als andere, in 'tgedrang,
 
Maer, als andere, van verre
 
Volgen voor een valsche sterre,
[p. 183]
315
Die den reiser, moe geroert,
 
Voert, en noijt ten einde voert.
 
'Toude staet ons niet te ruijlen
 
Tegen 'tniewe, sonder pruijlen
 
Ouer 'tstadighe berouw
320
Van de werelds laeste vouw,
 
Laet het niewe door-gejouwt zijn,
 
Laet het oude soo veroudt zijn
 
Dat het op het jouwen stae,
 
En bij 't niew in masker gae,
325
Eer wij 'tniew voor't oude kiesen,
 
En ons inden drang verliesen
 
Die de reden, metter tijd
 
T'enden adem, overrijdt.
[Kleeren die ons voegen; de niew fatsoenen van verre als een stall-licht ende niet geerne jae niet eer involgende, dan de oude belachelick werden.]

Maar onze toestand van welvaart en voorspoed zal nooit vervallen in de dure verdwazing (van de mode). Betamelijke (Gepaste) bedekking van het lichaam, zoals ze niet man maakt (nl. de vrouw), noch vrouw maakt (nl. de man), zal de last van ons lichaam zijn (zal ons lichaam dragen) en, met de rede verbonden (in bondgenootschap met de rede), zullen wij de franse (mode)dwang niet, zoals anderen, in de woelende schare (van meedoeners), maar als anderen (dan die eerste anderen) van ver volgen als een valse ster (dwaallicht), die de reiziger, moe gezworven, leidt en nooit tot het (zijn) doel leidt. Het oude moeten wij niet ruilen voor het nieuwe zonder te mopperen over het gestadige berouw over de laatste mode(gril) (men wil telkens iets nieuws).

Laat het nieuwe volkomen bespottelijk gemaakt (door en door beschimpt) zijn, laat het oude zo verouderd zijn dat het rijp is voor bespotting en, vergeleken bij het nieuwe, belachelijk geworden is, eer wij het nieuwe boven het oude verkiezen en ons in de woelende menigte verliezen die (subject) de rede, in het verloop van de tijd buiten adem geraakt, met de voeten treedt.

(305 kostelick vermallen toespeling op Costelick Mall van H.; 314 valsche sterre dwaallicht, stall-licht (proza). Vgl. het citaat WNT stallicht 557 uit De Brune...een bedriegelick stal-licht...om als een verleyd-sterre, den wegh tot den val te wijzen; 315 moe geroert moe door het rusteloos zich voortbewegen 321 door-gejouwt WNT jouwen 455: door en door beschimpen; 323 op...stae WNT jouwen 454; 324 in masker gae WNT masker 280/1 waar deze plaats besproken wordt i.v.m. de opvatting van masker als arabisch leenwoord met de oorspronkelijke betekenis van nar, grappenmaker. Zo wordt in masker gae duidelijk als: als nar optreedt, voor gek gaat. 327/8 Onduidelijk; misschien zó op te vatten, dat de rede, die van verre meegelopen is achter de valsche sterre aan (310 vlgg.), nu aan het eind van zijn adem is, geen protest

[p. 184]

meer heeft en overreden wordt door de menigte, waarin ook wij zijn opgegaan. De dwaasheid van de nieuwe mode heeft tenslotte gezegevierd over de rede.)

34

 
Futseling van lint en knoopen
330
Op het spoedelixt ontloopen
 
Sal ick 'toor verlegen gaen
 
Ouer 'tstadigh af en aen
 
Van begheerers, van beldagers,
 
Van verdedighers, van vraghers,
335
Die op 'svorsten goedicheit
 
Door mij hebben toe geleit.
 
Grooten sal ick eere bieden,
 
Euen oft sij mij gebiedden,
 
Mindere, euen oft ick haer
340
Broederlijck verbonden waer;
 
Armen, onderdruckten, weesen
 
Met noch vriendelicker wesen
 
Uijt de wanhoop rapen op,
 
Niemand quetsen met een schopp
345
Van verbijsterighe woorden,
 
Die d'onnoosele vermoorden,
 
De behoeftige verslaen
 
En ten tweeden doen vergaen.
[Gekleedt, sal ick mij verledighen tot de aensprake van allerhande Aensoeckeren (= mensen die een verzoek hebben): met eerbiedinghe (= betoon van eerbied) aende(n) grooten, mewaerdicheit (= zachtheid, welwillendheid) aende(n) kleinen ende armen.]

De beuzelarij van (Het gefrunnik met) lint en knopen ten spoedigste ontlopen, zal ik het oor gaan bezig houden met (het oor gaan lenen aan) de gestadig gaande en komende mensen die iets willen hebben, klagers, verdedigers (van hun zaak), mensen die iets te vragen hebben, die (allen) op de goedheid van de vorst mikken (het gemunt hebben op, het aangelegd hebben op enz.) door mijn bemiddeling.

Aanzienlijken zal ik eer bewijzen alsof zij over mij geboden (te bevelen hadden), geringeren zal ik met respekt bejegenen alsof ik als een broeder met hen verbonden was (ik een van hen was). Armen, verdrukten, wezen met een nog vriendelijker gelaat uit de wanhoop oprapen. Niemand zal ik kwetsen met een schop (trap) van woorden die verbijsteren (van streek brengen, ontstellen, in verwarring brengen), die de eenvoudigen vermoorden, de armen terneer slaan en ten tweeden male doen omkomen.

(329 Futseling WNT futseling 4718 iets beuzelachtigs, prulligs; dit citaat. M.i. minder juist, eerder: het peuteren, wriemelen, van futselen in die zin; H. heeft een afkeer van dat tijdrovende gepruts met linten en knopen; 331 verlegen = verledigen (proza) = te werk stellen; 333 begheerers als mensen die iets willen verkrijgen te onderscheiden van vraghers die informatie willen; beklagers tegenover verdedighers:

[p. 185]

mensen die hun beklag indienen over iets, die een klacht hebben; 336 toe geleijt WNT toeleggen 543, zonder het!; 338 gebiedden zwakke vorm; ik vind deze nergens vermeld; 339 achter Mindere is samengetrokken: sal ick eere bieden, enigszins vreemd tegenover de mindere. In de prozaaant. vallen zij onder de houding van mewaerdicheit, niet van eerbiedinghe. In de vertaling zwak ik af tot: met respekt bejegenen; 342 verbijsterighe WNT verbijsterd 541: van streek gebracht enz.; verbijsterigh = geschikt om in die toestand te brengen.)

35

 
Kan 't niet even rond gedijen,
350
Troosteloosen te verblijen,
 
Hopeloosen bij der hand
 
'Tlijf te berghen op het land,
 
'Ksal mijn eighen hert ontschulden,
 
En de weigering vergulden
355
Met een vriendelicker neen
 
Dan het jae te werden scheen.
 
Magh ick aen 't geluck niet deelen
 
Van d'ellendighe te heelen;
 
'K salse thoonen dwers door mij
360
Wat ick in haer lijden lij.
 
Aengetoghen swaricheden
 
Werden stuxgewijs geleden,
 
En gedragen als een Lijck
 
Van veel schouderen gelijck;
365
'Tscheelt een merckelick pond quellings
 
Weinigh merckelick ontstellings
 
Van een ongeveinsd gelaet,
 
Daer 'tmedooghen achter staet.
[Kan ick den bedroefden niet altoos helpen, ten minsten sal ick hem met beleeftheit bejeghenen, soo dat sij mij uinden deel in haer leed te hebben, en wat troosts in mijn medooghen.]

Kan het niet net ‘rond worden’ (Lukt het net niet) bedroefden te verblijden, het leven van hopelozen met mijn hand in veiligheid te brengen op het land, ik zal mijn eigen hart van schuld vrijspreken en de weigering verzachten door een vriendelijker neen dan het ja (als ik dat had kunnen uitspreken) scheen te zullen worden. Mag het geluk mij niet ten deel vallen de ellendigen te helen (genezen), dan zal ik ze toch dwars dooor mij heen (door mijn zichtbaar hartelijk meeleven) tonen wat ik in hun lijden (mee)lijd. Leed dat een ander zich aantrekt (gedeeld leed) wordt ‘in stukken gedeeld’ geleden en als een lijk door veel schouders tegelijk gedragen. Het scheelt een aanzienlijk gewicht van smart, een beetje duidelijk zichtbare ontroering van een oprecht gelaat, waarachter het medelijden staat.

(349 rond WNT rond (I) 1032 = volledig, compleet, volkomen; gedijen, in verzwakte betekenis van zich ontwikkelen, worden; 351-353 semantische vulling van 't (349); 357 aen...deelen, niet = deel hebben

[p. 186]

aan (er is geen ander!), daarom mijn vertaling: ten deel vallen; 361 Aengetoghen van in 17e eeuw reeds in onbruik geraakt aantien = aantrekken (vgl. opgetogen); 365 pond Vgl. WNT pond 3257 ‘figuurlijk’; dit citaat. Ik vertaal i.v.m. merckelick = aanmerkelijk, met: gewicht; 365 ontstellings van ontstellen = in beroering brengen, ontroeren (WNT ontstellen 1988; WNT ontstelling 1989 biedt geen hier geschikte betekenis. Ik vermoed dat H. hier bedoelt: een duidelijke ontroering (hier: medeleven) die in het gelaat te zien is, en wel (reeds) een weinig daarvan (partitieve genitief merckelick ontstellings met groepsbuiging) verlicht de smart van de ander aanzienlijk. Marge 353 in KII (derhalve door H. pas voor de druk van 1672 toegevoegd) Hoc quidem facile praeceptum est, ut quod facturus sis, id significes te studiosè ac libenter esse facturum, illud difficilius quod facere non possis, id ut jucundè neges. Cic. de petit. Cons. Een gemakkelijk voorschrift is wel dit: dat ge van wat ge voornemens zijt te verrichten, laat blijken, dat ge het naarstig en gaarne zult doen: maar moeilijker is dat andere: dat ge dat, wat ge niet kunt verantwoorden, op prettige wijze afslaat. Q. Cicero, de petitione consulatus (Over het dingen naar het consulaat), 45.)

36

 
Endtelick, op 'thooger dagen,
370
Van belegering ontslagen,
 
Sal ick 'twagen in 'tgedrang
 
Van het ijdel uren lang,
 
Datmen inde hoofsche muren
 
Ouerduldigh uijt moet dueren,
375
In een hoeckjen van fluweel,
 
Van geweven goud in geel,
 
Van Chronijcken aen de wanden,
 
Wanden die met zijde panden
 
Berghen spinnewebb en stof,
380
'Tevenbeeld van 'tdubbel hof.
[Opden voormiddagh sal ick mij te houe begeuen,]

Eindelijk, wanneer de zon hoger aan de hemel staat (in de voormid dag, nog voor twaalven dus: de zon staat nog niet op het hoogste punt) zal ik, van belegering ontsl