Huygens is, zoals hij in zijn Voor mijn' uijtleggingh zei, zijn eigen commentator geworden. In 239 (240) kernachtige aantekeningen vatte hij telkens een gedeelte van Dagh-werck samen. Hij deed dit te Voorne (tot 129) en te Noordgeest (de rest). Zie de marge bij 129.
In het kladhs (K) van deze aantekeningen zijn geen nummers aangebracht, maar wordt telkens voor de proza-samenvatting de aanvang van het betreffende tekstgedeelte geciteerd. Het netafschrift (N) van deze aantekeningen plaatste hij op de daartoe opengelaten linkerbladzijden van het calligrafisch afschrift C, thans genummerd overeenkomstig de in de tekst van Dagh-werck in C aangebrachte nummers. Daarbij vergiste hij zich eenmaal door na 213 opnieuw 213 te nummeren.
Ik geef evenals bij Dagh-werck ook van de prozakommentaar het klad uit, met dien verstande dat ik de nummering uit het net overneem en de geciteerde tekstgedeelten weglaat.
Bij de transliteratie van K heb ik geen enkele correctie aangebracht, ook al lag deze erg voor de hand. Wanneer H. bijv. bij een van de veelvuldige verbeteringen in K vergat, een hoofdletter in kleine letter te veranderen of omgekeerd, is dit overgenomen. Ook de (in N veel beter verzorgde) interpunctie heb ik niet bijgewerkt. Enkele schrijffouten zijn overgenomen met een aantekening onderaan de pagina. Afkortingen voor -lick, -heit, ende zijn opgelost waarbij ik steeds -lick gekozen heb ofschoon ook -lijck mogelijk zou zijn. Een bijzondere moeilijkheid levert de afkorting van vande, inde enz. waar hetzelfde teken zowel den als de kan aanduiden. Ik geef dit aan door vande(n) enz. Ten aanzien van het probleem majuskel, minuskel heb ik dezelfde gedragslijn gevolgd als bij de transliteratie van Dagh-werck, dus alleen in zekere gevallen majuskel, hetzij de zekerheid rust op het ontwijfelbare lettertype voor maj., hetzij uit de context de maj. vaststaat.
Bij de aanduiding en bespreking van Huygens' correcties in K heb ik naar volledigheid gestreefd. Voor poëzie spreekt dit vanzelf. Het leek me goed om toch ook voor dit proza het hele verloop van de verbeteringen te bezien, waaruit blijkt welk een zorg H. ook aan zijn proza besteedde. Dat de reden van de verandering niet altijd te achterhalen is, ook in gevallen waar de doorhalingen de oorspronkelijke versie niet onleesbaar hebben gemaakt, is begrijpelijk als men bedenkt hoe weinig wij nog weten van allerlei fijne betekenisnuances in 17e-eeuws nederlands.
N mag waarlijk een netafschrift heten. Zoals reeds werd opgemerkt zette H. nu alle puntjes op alle i's, de interpunctie werd tot in de puntjes verzorgd (hij was
daar fel op, zoals men weet). In K was deze door de vele correcties vaak in het gedrang gekomen. Ook werden majuskels die ten onrechte niet waren verbeterd na een correctie, thans gecorrigeerd tot minuskels en omgekeerd. Voorts zorgde H. voor de goede buiging door het aanbrengen van -n, of -en waar geslacht en naamval dit eisten, door een apostrof of -e achter mijn, een enz. voor vrl. enkelvoud of voor meerv., door de volle vorm te schrijven in gevallen als waere (conj. pret.), door aan de imperatief t toe te voegen bij aanspreking van God en bij beleefde aanspraak. Voor voorbeelden zie men 38 dien, 41 den Princen, 120 eenen van de 360. graden, 143 eenen slijpsteen; 145 een' plaet, een' waerschouwingh, 104 mijne gepeinsen, 87 haere drinckens maet.
Er zijn ook verschillen in gebruik van maj. of min., in al of niet aaneenschrijven van woorden, in gebruik van het koppelteken. Ik laat alle bovengenoemde varianten terzijde. Ook gevallen als ende, en: ofte, off, waar geen regelmaat in de wisseling der vormen te bespeuren is. Dit geldt ook voor doubletten als endelick, endtelick; tijdelick tijdtelick. Ik beperk mij derhalve tot de verbale afwijkingen van K.
Het bovenstaande geldt ook voor KI en KII, waarbij tevens aan een aantal drukfouten stilzwijgend wordt voorbijgegaan. Het aantal woordafwijkingen van KI (gedrukt naar N) t.a.v. N blijkt zeer gering, evenzo deze afwijkingen in KII (herziening van KI) van KI.