1Sterre, mijn eenigh welgevallen ende geluck;
2dewijle God de Heere ons in ziel en lichaem heeft gevoeght;
3hoort ende helpt mij uijten, 'tghene ick daer op ouer langhe hebb erdacht.
4Mits wij een ende eens zijn, ende dit werck gelijcker hand te weghe brengen, sult ghij deel aende feilen ende onfeilen hebben, ende ick uw berispen minder schroomen.
5Mijn, ick segge, ons voornemen is, bij voor-raed vast te stellen, hoe wij op het gevoeghelixt te samen sullen hebben te leuen.
6Gods vreese sullen wij voor all betrachten.
7Des morghens vroegh gelijck Dauid, sullen wij hem aenroepen, seggende:
8Heere komt ons onuerstand te gemoet, en leert ons bidden.
9Maeckt ons oprechtelick danckbaer voor dijne oneindighe barmherticheden.
10Vergeeft ons onse misdaden om de voldoeninghe des Heeren Iesu Christi,
11Wees allom onse hoede. Bewaert ons voor ons seluen;
12ouerstreeft onsen bosen wederwill.
13Seghent onse zielen ende lichamen, soo dat beide sich tot dijner eere besteden.
14Treft ons niet als met genadelicke ende geneselicke kranckheden.
15Laet niet toe dat wij onse herten verhangen aende tijdtelicke middelen daermede ghij ons mildelick gesegent hebt;
16maer altoos willigh en vaerdigh moghen zijn om daer af te scheiden.
17Ist bij dij van eewicheit geschickt, dat kinderen van ons geboren werdden, weest haer genadigh God, van 'tbeghin ten einde haeres leuens.
18Erbarmt dij ouer de buijten ende binnen swaerigheden dijner kercke.
19Zegent de dienaren dijnes woords met eendracht.
20soo dat sij de dolingen verdelgen.
21Bekommerende sich, als Christus haer Heer, alleen met haer beroep.
22Beuestighende haer leere met het voorbeeld van haer leuen, daer 'tmeeste bewegen in is.
23Zegent de Princen die dijn' saecke verdedigen.
24Vergeeft de sonden haerer weelde, die slibberich is, bij de stramme banen vande(n?)ghenen die door voor en tegenspoed wandelen.
25Zegent het beleidt vanden Pr. van Orange met geluck, met liefde des volcks, met nijd des vijands.
26Verstoort de aenslagen op sijn leuen:
27Zegent sijn huijs met lijfs erfgenamen.
28Geeft den ouericheden voorsichticheit ende eendracht.
29Doet ons behertighen de voortplantinghe dijnes woords onder desselfs blinde verdruckeren.
30Verhoort het schreijen aller krancken, geuangenen, armen, ende die daer uijt dit ellendighe leuen in 'teewighe wenschen vervoert te werden.
31Ons vader die daer zijt inden hemel. Geheilight werde etc.
32Soo gebeden hebbende sullen wij ons inde kleederen steken.
33Kleeren die ons voegen; de niew fatsoenen van verre als een stall-licht ende niet geerne jae niet eer involgende, dan de oude belacchelick werden.
34Gekleedt, sal ick mij verledighen tot de aensprake van allerhande Aensoeckeren: met eerbiedinghe aende(n?) grooten, mewaerdicheit aende(n?) kleinen ende armen.
35Kan ick den bedroefden niet altoos helpen, ten minsten sal ick hem met beleefheit bejeghenen, soo dat sij mij uinden deel in haer leed te hebben, en wat troosts in mijn medooghen.
36Opden voormiddagh sal ick mij te houe begeuen,
37door het gedrangh vande voorkamers in 's Princen Cabinet, daer hij de sorghe vande gemeene saecke bearbeidt.
38Daer sal ick oprechtelick den dienst doen die ick buijten belooft hebbe. soo verre mijn vermogen streckt,
39Misluckt mijn beleidt, ick sal buijten verwijt blijuen. Luckt het, ick en hebbe maer den danck van een geringhe moeijte verdient, die een ander mogelick met meer vruchts aengewent hadde.
40belooninghe sal ick vanden armen ontseggen, den rijcken thoonen, hoe die mijn voorneme witt geensins en is. maer het vrome genoegen dat uijt weldoen spruijt.
41Want Die sich deel toeschrijft inden danck die de Princen voor haer swaere moeijte alleen toekomt, eighent eens anders goed.
42Gaet de gift door mijn' handen, wat verdien ick daerbij?
43In beuelen de gemeene saecke betreffende sal ick mij insgelijx trouwelick quijten, ende soo neerstichlick, dat de Prince sijn' onderteeckeninghe daerop te setten sal hebben eer hij 't geloouen konde.
44Naer die onderteeckeninghe hebb ick in 'twerck niet meer te verantwoorden, maer de teeckenaer, die 'tsal doen als 't noodigh is.
45Ick volstae met willigh en geheim te zijn.
46Van 'thof sal ick thuijs keeren sonder uijterlick te laten blijcken of ick vol besigheits off niet ben, latende alle 'shoofs bekommeringh buijtens huijs.
47Stilte en gerusticheit will ick thuijs vinden, niet tegenstaende de suijseling van 'tgerucht die mij in 't hooft magh spelen.
48Hebb ick aengename niewe tijdingen, ick salse u binnens huijs voorbrenghen, gelijckmen in een duijstere Camer door een geslepen Glas bij sonneschijn verthoont 'tghene buijtens huijs om gaet, maer aeverechts.
49Soo veraeuerecht ende vervalscht de Logen de tijdingen die van buijten inkomen, eer het ijemand geloouen soude.
50Wegh dan Historie-schrijuers, die ons nu noch d'oude geschiedenissen voor waerheden veilt, die noijt suijuer en waren
51V, Sterre, en sal ick niet als oprechte tijdingen geuen, insonderheit soo ghij te vreden zijt datse lieuer, wat veroudt en seker dan heel niew en onseker zijn.
52'Tgeheim dat mij vanden Prince betrouwt werdt en sal ick u niet weigeren te ondecken, want ghij sult soo redelick willen zijn dat ghij 't mij niet en sult verghen, Iae ghij sult het verbieden off ick wanckelde.
53Luijden die malkanderen niet als met niewe tijdinghen en weten te onderhouden, moghen sich soo vergrijpen.
54Het beleid onser huijs-houdinghe sal ons soo veel tijdverdrijfs geuen dat wij 't inde klapperij van niewmaren niet en hoeuen te soecken.
55Binnens huijs dan sal ick ten eersten acht slaen op uw wesen. staet het droeuigh als een sterr in een Regen-wolck, oft als de de son in de morghenstondsche dampen,
56Ick salder mij naer voeghen.
57Maer oock ernstich vernemen wat u quelt, en 'thalue jae 'theele Leed op mij laden, gelijck men de waeren met windaesen uijt de grootste schepen inde Lichters verbodemt.
58Vind ick dan de oorsaeck van uw quelling soo geringh, dat ghijse hadt konnen ontgaen oft vermeesteren, sal ick trachten v. een' vriendelicke lesse daerop te lesen.
59En verthoonen u de swaericheden der vervolginghen met soo veel manlickheids bij onse voorouderen gedraghen.
60Seggende, wij zijn kinderen van die ouders, souden wij ons kleinmoedigh ende der stammen onwaerdigh dragen?
61Bedenckt ghij niet in uwe hooghe bescheidenheit hoedanighe swaericheden ons naer de tegenwoordighe welvaert mochten ouerkomen?
62God verhoedese: maer in allen geualle laet onssuchten en tranen sparen tot wanneermense met reden mochte te gebruijcken hebben.
63Vind ick u vrolick van ooghen, gelijck glinsterende sterren die schoon weder maken en voorseggen, van mijn zijde en sal den onlust niet komen, vreughd sonder sonde sal ick tegens uwe vrolickheit inbrengen.
64Wegh quelling sonder swaricheit. De slaep ende de besicheden verkortten ons korte leuen al te seer, laet het ons met alle mogelicke weigesintheit ende genoeghen lengen.
65Mijnenthaluen, ick voorsie genoegh, dat ghij en ick dat genoeghen bijden anderen wel vinden sullen en sonder soecken: daer meest aen gelegen is: want daermen moeijte moet doen om het te soecken en is 't noch oprecht noch bestendigh soo het bij ons wesen sal.
66Soo sullen wij malkanderen met ooghen ende monden onderhouden ouer Tafel.
67Daer salmen mij weinigh wercks vande keurlicke spijsen sien maken. Ick ben doch geen lecker, onderscheider van gerechten.
68De beste jaer-getijden van 'tgevogelte jae sijn meeste namen zijn mij onbekent.
69Oock In die onkennis is mijn vermaeck ruijmer.
70Scheuelingsche oft Maes-sluijsche, gedragen oft gevoerde visch geldt mij gelijck.
71Ick hebbe van jongs af hooghe ende leeghe stands Tafelen bewandelt.
72Oock in Duijtsland ende Italien.
73Oock tscheep.
74Maer noijt werck oft onderscheidt van eten gemaeckt.
75Bekommert u dan met mijn Tafel niet. Ick ben te vreden met gesonde ende middelmaighe schotelen, daer men een vriend op mede brenghen moghe.
76Is 't somtijds noodigh, datmen een grooter Gastmael toerechte, laet ons soo lang het dagelixe te buijten gaen.
77Het streckt tot onderhoudt van vriendschapp, die door lang afzijn vervuijlt oft verflauwt.
78Selfs onder naer verwantschapp, daer d'onminne leelickst op af steeckt.
79En kan afgedroncken werden.
80Dat de Romeinen, allom meester geworden, bij onse voorouderen
gestuijt werden, ende sich endtelick met een redelicke vrede te vreden hielden, soo dat de Batauers op oude steenen genoemt zijn gesien Fratres et amici populi Romani, gebeurde uijt kracht van des volx verbintenisse bij den dronck. Tac...
81Het verbondt der Edelen, stichters onser tegenwoordighe vrijheidt wierdt mede bij vrundlicke maeltijden bevestight.
82Noch dagelix vernemen de Spaensche dat onse Bidd-daghen ende meer als gebruijckelicke Gastmalen eenigh groot voornemen beduijden.
83Soo treckt de sonn vochticheit uyt der zee, ende stortse wederom uijt met onweder.
84De Gasterije segge ick, kan dienen 'Tzij om luijden gaende te maken, oft in stilte te helpen.
85Maer wij sullen haer gebruijck schouwen soo veel mogelick is. Te veel verveelt. En ick besighe den wijn als Rhabarber, tot behulp vande maghe.
86Soude oock lieuer altoos Bier gebruijcken. en geern allen dronck buijten oorboor missen.
87Want Enden en swanen weten haer drinckens maet midden inden ouervloed: Hoe kanmen de redelicke menschen vergeuen dat sij sich met haer voetsel vermoorden?
88Kosten die stomme beesten spreken, sij onderwesen ons op haer eighen voorbeeld.
89Soo sullen wij met reden die reden-loose schepselen trachten te volgen.
90En waerom souden wij den vluchtigen, ongewissen, korten tijd verspillen met ons ouervloedigh voetsel. senza leuarci à volo: sonder vander aerde te vliegen?
91De middelen om den tijd met vermaeck en ernst door te brengen zijn niet te berekenen.
92Voor eerst het vermaeck vande wandeling naerden eten doet den Lichame goed. spreijende het voedsel, nu inde maghe tot Room [in Chylum] verteert, in fijne gedeelten. ende belettende dat het sich niet onverteert inde engde der Aderen stoppe, daeruijt de vlammen smoocken vande Cortse; jae Corste die in mij gemeenlick soo taeij om slijten valt.
93Comen ons ledighe praters besoecken, die haren tijd in Coetsen uijtdragen, als men d'Assche met wagens doet.
94Laetse meer t'onsent brengen dan halen. Lichtelick verklaptmen sich in onnoodighen praet tot achterdeel van sijn' euennaesten.
95Yeder een bekroont sich meest met eens anders gebreken, ende keert van sich den spiegel daer in hij genoegh met de sijne te doen sonde vinden.
96Mijnenthaluen De mijne geuen mij soo veel wercks, dat ick mij die van andere niet en behoeue t'onderwinden.
97Laet ons ons seluen besien. die dat op sich seluen kan verkrijgen, sal het quaed gebruijck vande Carossen leeren misprijsen. siende dat de vrouwen daerdoor te Commeerachtiger werden, die voordesen ten minsten met quaed weder thuijs bleuen.
98De vond vande Carossen is wel in sich seluen niet quaed maer wel bedacht, ende eer hebbe de hand.
99Maer ghij end ick sullen hem besighen tot verlengh ende niet tot kortinghe des tijds.
100Ende Als wij soo tsamen in onse Carosse sullen rijden, sal ick den sterren waghen om den noord-pool sijn glorie niet benijden,
101Daer sal ick mijn hoogste begeeren V. en d'eenicheit besitten.
102Daer sullen wij tsamen ons verleden ende toekomende leuen verhandelen, ende soo den snellen tijd stuijten en verlengen. Dat kanmen met u doen, maer met wie noch?
103Soo sullen wij alle de schoone gewesten om den Haghe bewandelen.
104Oock vrouw Iacobas plantagien.
105Oock de geswollen duijnen als witte memmen, het strand ende de zee.
106Gedooght ghij (ende ghij zijt soo redelick, dat ghij gedooghen sult dat ick mijn vermaeck soo nauw soecke als ick kan) dat ick somtijds gansch alleen gae wandelen, en soo alleen als Adam eer hem Eua uijt sijn' ribben bijgeschapen was, een vermaeckt datmen wel behoort te verbieden aen uijtsinnighe door te drooghe, oft aen melancholique menschen door te vochtighe herssenen, maer niet aenden ghenen die van middelmatighe temper zijn,
107Soo sal ick mij te voet gaen vermeijden door eensame paden. oft,
geseten op een goedaerdigh, afgerecht, vrolick ende nochtans gehoorsaem Peerd, dat mij noch ongerust, noch droomigh make, sal ick mij op het soetste ende ongedwongenste onderhouden dat ick kan.
108Somtijds sal ick mijn' gedachten voeren bouen alle de versierde hemelsche Ringen tot inden hooghen onendtelicken onbegrijpelicken Hemel.
109Flux sullen mijn gepeinsen daelen tot in 'tmiddelpunt vanden Aerd-Cloot, daer alle swaer naer getrocken werdt, alle vlack naer buijght, sulx men bij valsch gebruijck, vallen heet.
110Uijt Bloemkens, muggen, mieren, en sieren sal ick mij lessen trecken. Want der kleinste schepselen tot noch toe ongesiene deelen zijn nu bekent gewerden, door hulp van onze vergroot-Brillen.
111Het dorre sand en sal ick niet onbesien laten, want door die Brillen bevindtmen dat elck greintjen als een grof gesteente is, waerdigher dan deghene die de menschen met de meeste moeijte bekomen.
112Maer seggen de luijden, men kan dat bijder ooghe niet mercken.
113Ick antwoorde: Siet des nachts scherpelick opwaerts door de Planeet-hemelen (diemen seght dat in haere beweghinghen een
soete ouereenstemminghe maken) tot inde vaste sterren. daer vindt ghij een' glinstering gelijckmen in het sand vanden oeuer doet, daer de sonn op schijnt.
114En mogelick gebeurt het door de groote verrheit (wie heefter soo naer bij geweest dat hij 'twederlegge) dat de schoonste ende snelste der sterren bij ons voor eene der geringste werdt gekeurt. soudt daerom waer zijn?
115Hangt het fraey van een geschrift off 'tsoet van een gesang aen een, mogelick gebreckigh, oogh oft oore?
116Emmers door de scherpsinnighe vonden van de(n?) voornoemde(n?) Brillglasen doorkruijpen wij all het geringste. Bewijsende dat het ghene men tot noch toe groot of klein heeft genoemt, inder daed noch groot noch klein en is.
117Ende onderscheidende alles met onse ooghen, als oft wij 't met handen tasten, wandelen door eene tot noch toe onbekende wereld van kleine schepselen oft het een niew ondeckt gedeelte van den Aerdbodem waere.
118Het ghene tot noch voor klein en weinigh is aengesien, seggen wij soo groot en veel te zijn, dat het ghene tot noch toe voor
groot en veel is gehouden, klein en weinigh daerbij is te houden.
119Bij voorbeeld: Een stadspoorte, soo wijse nu sien, is maer een splete bij een splete door het vergroot-glas gesien, die sich als een onmatighe Poort verthoont.
120Ende alsmen met sulcken Brill een vande 360. graden besagh: men souder ruijmte voor wel 1000. mijlen vinden in plaets van 15.
121Hoe onendtelick is dat bedencken, daer het minste altoos noch deelbaer is in minder. Mijn aendacht voert het tot God toe.
122Beuinde ick endtelick dat dat diepe insicht mij vervele, ick dael wat nederwaerts.
123Ick gae bedencken de deftighe gestaltenisse des Hemels, der wolcken, ende insonderheit der sonne, die, als Dauid seght, als een Princelick Bruijdegom uijt sijn Camer komt, dewijle de Hemelen een tale spreken die alle volckeren verstaen, ende ick leere uijt het vermaen des eenen daghs tot den anderen de eere verbreiden van God almachtigh die des onverstandighen verstandt aen sijn getrouwe wet scherpt.
124Noch wat leegher dalende sal ick mij vermeiden onder het verscheiden geschall der vogelen ter eeren van sijnen schepper singende.
125(Is de mensch wel soo danckbaer die dit alles beheert?)
126Noch leegher vind ick de viervoetighe dieren, en leer van haer menigherhande goede dinghen daer sij ons in ouertreffen.
127Noch isser veel meer af te halen. maer men versuijmt het. ende de meeste luijden treden daer door henen, besigh en ouerladen met haere menschelicke bekommeringhen, om geld, om eergiericheit, om wraeck en diergelijcke.
128Ondertuschen leght all die kostelickheit alleen onder der Landluijden voeten; maer ick salder altoos ijet voor ons beiden af thuijs sien te brenghen.
Marge: Hactenus Vornae. Noordgeest 18. Junij 1638.
129Ende Ist dat mij oock in die eenighe wandelinghe ledighe luijden ontmoetende ongemoeijt willen laten (want daer en is niet quellijckers noch gevoelijckers dan in sijn gesochte eenigheit gestoort te werden) soo dat ick mijne Gedachten bijden anderen vergaderen moghe,
130Ick salse in dicht verknoopen en bekuijpen.
131Ick magh wel lijden datmen mij dan voor een' dichter aen sie. want mogelick sult ghij eenighen smaeck in mijn' wercken vinden, oft de nakomelingen; en prijsen dat ick getracht hebbe ijet ongemeens voort te brengen.
132Inder daed, ick hate de lafficheit vande gemeene dichterij, en poogh'er tegens in te gaen.
133Vier trappen tell ick van onderen op, Spreken, Seggen, Rijmen en Dichten. dese en onderscheiden de gemeene dichters niet; soo meenen sij wat volkomens te weghe gebracht te hebben als sij ijet gedicht hebben dat pas voor spreken of ten uijtersten voor een gemeen seggen magh uijt gaen.
134Maer daer werdt wat anders vereischt tot een volmaeckt Gedicht, namentlick de eigenschappen die hier volghen.
135Dat zijn de deughden vande oprechte dicht-konst, daer ick van verre naer trachte, maer die ghij van naer bij begrijpt; verstaende te recht, hoe het krachtighe en 'taengenaeme tsamen een volmaeckt gedicht moeten uijtmaken.
136Ghij weet hoe onredelick sommige quade Rijmers inde gunst
vande wereld zijn.ende die tweederhands.
137D'eerste pronckt met een' gesochte duijsterheit als oft hij in Cijfer schreef. schijnende gelesen ende niet verstaen te willen zijn.
138Ende Wie magh de pijne van door duijstere woorden henen te soecken dat mogelick geuonden zijnde der moeijte onwaerdighst wesen sal?
139Moet ick een Gedicht met arbeid lesen daer ick mij in soeck te verheugen?
140De tweede daer teghen komt heel effen en slecht uijt, en door sijn' lafficheit werdt hem mijn smaeck nauwlix gewaer.
141Laffe dichter, ick walghe van uwen lauwen gladden Rijm, en uw soeticheit vergramt mij.
142Maer ghij Sterre sult mij nu met reden uijt mijn' eighen reghelen veroordeelen.
143Doch ten minsten in mijn' plompicheit dien ick voor een' slijpsteen aen andere. en de meesters en zijn altoos de gauste niet in 'tuijtvoeren vande konsten die sij voortleeren.
144Men siet gebreckelicke Genesers voorde siecke verschijnen. het stiermanschap werdt te lande geleert. Iae de vierboeten leiden den zeeman van 'tstrand af.
145Soo kan ick als een houten wegh-wijser, als een schip-wrack op een plaet, voor een waerschouwing dienen. Iae een Bolbaken is maer een' leghe Tonne.
146Maer hoe heughelick sal 'tmij daertegen wesen, soo v mijn werck bevalt? naer uwen lof sal ick aller leseren berisping verachten. Hoewel, ick gelooue, elck sal willen goed vinden tghene ghij niet en veracht.
147Soo derve ick stoffen, door dien mijn' Gedichten door u gevijlt en verholpen sullen werden als die van Lucanus door Polla Argentaria, sijn wijf, wierden. door dat behulp sullen mijn' wercken het verroesten ende versueren vanden tijd ontgaen.
148Soo mij nu quaed, windrigh, of regenachtich weder de wandeling buijten belett. hebb ick binnens huijs een' anderwandeling te doen.
149Onder mijn' Boecken.
150Daer moet men mij binnens huijs soecken, als in mijn aengenaemste tijdverdrijf.
151Doch laet lieuer seggen wanneer ick daer ben, dat ick uijt ben, want inder daed, inde Boecken zijnde houde ick mij uijt en verre van alle andere besigheid.
152Iae mijn volck moghen seggen, dat ick met een deel Heeren te spreken hebbe. want Boecken zijn vrij-heeren die elck het sijne deruen seggen sonder groot of klein te verschoonen.
153En mijn volck die mij soo doende vande stoorers van mijn kort vermaeck verlossen, sullen maer de waerheit seggen.
154Voorwaer een kort vermaeck: want treckt van mijn leuen den tijd die ick meest buijtens huijs, aen mijn beroep binnens huijs aen allerhande dinghen moet spillen, hoe weinigh schiet ouer tmijnen vrijen verdoene!
155En als mij dat geluck gebeurt, hoe graegh moet ick het nutten, en hoe quellick ist daer van geruckt te werden!
156Hier vind en geniet ick all wat mij lust, en elck een deser Heeren spijst mij om 'tseerst.
157Eerstelick vinde ick daer de Kerckelicke schrijuers die mij Gods woord voorhouden: soo ten breedsten uijtgeleght, dat het de teere leerlingen sonder moeijte konnen begrijpen.
158Maer hoe salmen ten einde vanden twist ende geschillen komen, die onder haerluijden, sonderling tuschen ons ende de Roomschgesinde in swang zijn? ende hoe salmen die verblinde menschen opden wegh der waerheid helpen!?
159Weest noch lang-moedigh, ô God, ouer de onnoosele ende misleijdde. maer hoe lang wilt ghij 'twesen ouer den ghenen die haer beter wetende, misleiden?
160Volgen de Boecken van Rechtsgeleertheit. die mij ten dienste staen als soo veel Raedsheeren, 'tzij ick te eischen oft verweeren hebbe; met hun beraede ick mij uijt allerhande soorten van Rechten, als daer zijn Lex et Princip. placita, Plebiscita, S. Consulta et Magistratuum edicta, Responsa prud. Conseutudo.
161Vind ick daer niet tmijnen voordeel beantwoordt de uijtlegginghen der doctoren zijn van soo verscheiden besluijt, datmen altoos bij den eenen oft den anderen geholpen kan werden. ende met de meeste stemmen kanmen't veeltijds wegh draghen.
162Maer God verbiede dat ick mij tegens recht ende reden soude willen behelpen met eenighe der keiserlicke onredelicke wetten, die de wetgeuers haerseluen oft ijemand anders te geualle hebben uijtgegeuen.
163Lieuer will ick gebreck lijden dan mij door slimme trecken verrijcken.
164Oock soo ijeder een eerst met sijn eighen gemoed te rade gingh, en stelden allen eighen sucht onder de voet, het langhe gepleijt waer haest af.
165In plaets van ons ter vierschale te haesten om den behoeftigen op 'tlijf te vallen, souden wij schier ons aller billixte recht ten scherpsten niet willen uijtvoeren.
166Maer de machtigste will soo qualick aen 'twijcken.
167Maer, sal ijemand seggen, soo wij ons met de Rechtsgeleertheit niet en moghen behelpen, waertoe breecktmender ons het hooft mede, in 'tbeste van onse jaeren, wanneer wij de krachten hebben om ijet beters te leeren?
168Antwoord: sij sal mij strecken om mij, den mijnen ende den verdruckten ter nood te helpen verdedighen, soo ick oijt tot het Rechterampt verheuen werde.
169Ô Rechterampt, dat soo begeert werdt door alle soodanighe die off onbedacht oft met quaed opsett uijt haeren middelmatighen staet soecken te versitten tot eenen hoogeren daer sij haere begeerlickheit in mogen voldoen, mog'lick off ick bij gebreck van beter tot uw beroepen werde;
170Maer ick salder niet geern toe komen.
171Want een Rechter moet waerheit spreken, en wie kent de waerheit?
172O Heere, ende alleen waerachtighe God, die ons dus blindeling naerde waerheid siet grijpen en grabbelen,
173Erbarmt u over den ghenen die 'tsich moeten onderwinden, losser drijuende dan de naelden vande scheeps-compassen, die doch, all soeckende, in 'teinde haere noordsterre genaken ende gelijck als kussen.
174Ende O Rechters meesters van ons Goed en Bloed waer 't noch met uluijden mede soo gestelt, dat ghij endtelick de gesochte waerheid trefte!
175Maer wat moet de mensche strijds in 'tgemoed hebben, die te rugge denckende aen een vonnis ouer goed of Bloed gegeuen,
alnoch inde duijsterheit van sijn verstand leght en twijffelt, off hij Recht gesproken heeft, dan oft de beklaeghde op een onwaerachtighe ende maer uijtgepijnighde bekentenisse veroordeelt is geweest!
176Stout, Swaer ende gevaerlick bewind, des God alleen machtigh is, waer is de redelicke mensche die sich met een middelmatigh leuen te vreden houden konnende, naer u soude willen trachten?
177Naer dese ernstighe ende swaermoedighe gepeinsen lust mij mijn' sinnen wat te verfraeijen. ende ick sied'er de Boecken toe hierneffens staen, die ghij, Sterre, beter als de ervarenste verstaet.
178Namentlick de schrijuers in medicine.
179Vande oude hebb icker weinighe, vande jonghe veel.
180Soo gaet het met de wereld. hoe sij ouder werdt hoe sij meer klaps krijght. oock gaetse in duijghen vallen, daer af rammelen de stucken, meer als in haer jonghe kracht, doe de wetenschappen in weinighe ongepronckte woorden werden beschreuen.
181Heden en werdter niet niews geschreuen; all dat onse langwijlighe schrijuers doen en is maer d'oude spijse met niewe slappe saussen te verwarmen.
182Maer wij, soo het u goed dunckt sullen ons aende oorspronckelicke meesters houden.
183Ende vermaken ons eerst met het schepsel vant menschelicke lichaem te ondersoecken ende daer in
184De zenuwen;
185'Tgebeente;
186De aderen, met de open en toegaende vellekens daerin geuonden, het Bloed op houdende ende aflatende, naer 'tnoodigh is.
187De Arterien, daer het geestichste Bloed door schiet.
188De Herssenen,
189Het Herte, oorspronck van Pols en leuen.
190De Longen, dicht bij 'therte geleght om het te koelen.
191De Leuer, gelijckende een webbe van ontallicke aderkens.
192De Maghe, die mij soo licht vervuijlt.
193De Gall, diens hitte de maghe verwarmt.
194De Milte, die mij veeltijds soo quellijck sonder ander oorsaeck maeckt.
195De Nieren, die het onnutte vocht als een weij, van 'tbloed scheiden, ende nederbrenghen doorde enghde van de waterganghen tuschen nier en Blaes, in dewelcke wij de felste pijnen van 'tgraueel voelen, barende gelijck steenen kindertjens; als die uijt de steenen groeijden die Deucaleon ende Pijrrha naerden vloed ouer rugh wierpen om de wereld van niews met mannekens en wijfkens te versien.
196De Blase.
197Τὰ ἀιδο῀ια
198De Darmen.
199Ende endtelick de kleine Aderen langs 'tingewand. Venae Mesaraicae, die all het nutte uijt de laetste verteering suijghen.
200Dat's 'tkortbegripp van een mensch, de kleine wereld geheeten; die een Cristophor. Columbus omzeiler vande groote wereld, qualick om zeilen soude, alsmense ten breedsten uijt mat.
201Maer hoe weinighe onkundighe van dit maexel nemen de moeijte van het te doorsoecken.
202Soo komt het datmen ons medicijnen bijder tast geeft. en 'teene lid voor 'tander quelt.
203Want Die noijt mensch en sach openen, derft elck binnenlidt met een Briefken het sijne toe schicken; oft eenen sleur van gewoonte oft sijn giericheit te geualle.
204Oock en kent sulcken doctor de kruijden die hij voorschrijft niet anders als bij ouergift van ouders tot ouders, oft bij sijn medicijnboeck oft, voor 'tnaeste, bij sijn kruijdboeck met platen van een jong schilder versien.
205Ons aengaende wij en zijn van dat Ambacht niet. nochtans isser ons en ijeder een aen gelegen te kennen watmen ons ingeeft.
206Ghij dan, thoont mij wat den doctor heeft voorgeschreuen, ick sal u all het ghene dat daer genoemt staen doen handelen, smaecken, riecken en sien in de doosen van Simpelen die ick vergaert hebbe om die kennisse te bekomen verthoonende bij stucken ende monsterkens all watmen inden Apotheeck vindt.
207Het zij dan zaden, Bladen, vruchten ende Bloemen die bewaerbaer zijn,
208Of Houten, schorschen en wortelen.
209Of Gommen en Terpenthijnen, met diergelijcke.
210Of Gedierten ende gedeelten derseluer.
211Oft Gesteenten, diemen te hoogh acht.
212Oft onderaerdsch gewasch. mineralia.
213Alles sal ick t'uwer begeerte leueren, ende uw krachtighe memorie sal de swackheit vande mijne daer in te baet komen ende wij sullen malkanderen indachtigh houden van alle deser dingen Gedaente, Eigenschap, oorspronck, oorsaeck en reden en Gebruijck.
213Maer het gebruijck sullen wij van allen meest behertighen, ende soo ons bij nacht ofte ontijden ijetwes schielijcks ouerkomt, daer wij sonder gevaer oft onlijdelicke pijn den doctor niet toe en konnen wachten,
214Sal d'een off d'ander van ons de hand aen 't Apothekers werck slaen; ende 'tghene wij ons seluen soo uijt onse eigen droogisterije ingeuen, sal ons min walghen dan 'tghene ons van buijten werdt gebracht.
215Maer in langhe en moeten wij 's niet van doen hebben. En verveelt het u daeraf te hooren spreken, ick salder u af helpen ende brengen u tot de laden van mijne Reuck-wercken.
216Want Men vinde het goed of quaet, ick vermaeck mij in 'tkonstighe 'tvermeng van kostelicke reucken, daer de thiende mensch geen werck af en maeckt. en ondersoeckse met sulcken aendacht als of mijn welvaert hing aen het scherpe oordeel van een geparfumeert Leder daer van de Spaensche alleen de konst te rechte verstaen.
217(Hoe souden de Beesten staen sien dat een beest sijn soo beroockte ende bereuckte vell weder aen trock!)
218Soo sal ick dan de hand aen 'twerck slaen, en stampen en menghen de Muscus, den Amber (diens schimmel sijn bloessem heet, ende hem ten hoogsten kostelick maeckt) ende de Ciuette, diens oorsprongh ick mij wederom hier als wel eer in 'tCostelick mal schame te noemen.
219Ghij, Sterre, sult uw tijdverdrijf nemen in 'trecken vande Essentien uijt allerhande simpelen ende Bloemen.
220Danck hebbe mijnenthaluen de man, die het werck van de Leuer naerbootsende het scheiden der nutte vande onnutte stoffen bijde instrumente vande Alchijmie heeft geuonden.
221Ende wie dat sich dan inde soete distillatie van Cruijden ende Bloemen met het scheiden der dingen niet te vreden en houdt, magh sich begeuen tot het vergaderen van onvergaderbare stoffen, namentlick tot het Goud maken.
222Ons aengaende, Sterre, wij leuen om de schepselen in haer eigen gedaente te genieten.
223Wilse sich de mensch onderstaen te verwisselen, dieder niet eighens aen en heeft?
224Laetse ons God afbidden, ende hem voorde gifte dancken! Tis onbehoorlick meer als genoegh te eischen van soo milden hand.
225Endtelick, 'tis all valsche munt die wij God den Heere nae slaen. Laeter ons de hand af houden.
226Waerdighe konst van Alchijmie, die maer van d'onverstandighe veracht en werdt, die den verstandighen gegeuen zijt, om het goede uijt het ongoede ende ouerighe te siften ende soo den siecken in 'tinnemen min te doen walghen, de aengenaemheit bijden oorboor voegende;
227Ick en gae niet bij een gestadigh vier sitten waken op hope van een Goud te maken, daer ick mijn goed siluer aen spille.
228Werd ick niet rijck als door dien wegh, soo blijf ick lang Arm.
229Maer mijn' begeerlickheit en streckt niet hooger, als om de gulde krachten uijt allerhande hierbouen gemelde simpelen te trecken, ende daer door, alle gebreken te voorkomen oft genesen.
230Sterre, Laet ons haer dan dat diere Goud niet benijden, dieder haer welvaert, haer gesondheit, haer eer ende gerusticheit aen te te kost leggen.
231All dat ick uijt de Alchijmie sal soecken te halen (soo ickse mij oijt onderwinde) sal 'tbetrachten van mijn volkomen gesontheid wesen.
232Tot noch toe hebb ick gesproken vande Boecken der medicijnen, die sich (te recht oft niet) onderwinden den menschen haere Gestaltenisse te leeren, ende haer leuen te behouden.
233Volghen nu de Boecken der ghene die meesters van dese meesters zijn, namentlick de Politiquen, die daer handelen ende overweghen de verscheidene manieren van 'tbeleid der Ghemeene saecke.
234Het zij dan in Monarchia, onder eenen Prince.
235Oft in Democratia, onder 'tgesagh der gemeente.
236Oft in Oligarchia, onder 'tbeleid van weinighe.
237Oft in Aristocratia. onder 'tbewind vande beste van 'tLandt.
238Alle dese verscheiden schrijuers verschijnen voor mij met dat selue stracke gesicht, daer sij de konst mede handhauen vande wereld te regieren, en begeeren van mij gehoort te wesen.
239Ick hoorse van oosten, westen, zuijden ende noorden, en elck will sijns lands oud gebruijck gepresen hebben, als daer het selue lang bij bestaen hebbe.
Noordgeest. 19 Iunij 1638.