terug  begin  verder
[p. 28]

Trijntje Cornelis

Aen den leser.*

Hier hebb ick my ernstelick ende oprechtelick te ontschuldigen van de menighvuldige aenporringen die my all te goede vrienden hebben blijven doen, ten einde ick oock dese vodderye met de reste aen den dagh soude laten komen. Vele, mijns bedunckens, goede en wichtige bedenckingen hebb ick daer tegens aengewent, daer ick noch op stae: maer niemand en heeft willen gehoor geven. Soo geraeckt het verwerpen jongh uyt het nest, Leser, daer in ick hope ghy gedencken sult beteren slagh van Schepselen uytgebroeyt te zijn. Is u het werck een paer uren lesens en lacchens waerd, weet, tot mijn naerder onschuld, dat het my altoos geene dry volle dagen tijds en heeft gekost, uytgesondert de Byschriften, die ick lange naderhand, ende met stade, tot mijn vermaeck, ende mogelick niet sonder eenige nuttigheit van Geletterde Liefhebbers, daer by hebbe gevoeght; doch alles met die meeninge, dat het moghte een Camer-spel onder de vrienden, ende in hare Cameren blijven, ende geensins om het op Thooneelen viese en wijse, reckelicke ende onbescheidene menschen allerhanden slagh van vonissen te doen uytwerpen, sulcks een yeders recht is, maer daer aen sich niet elck een en heeft te onderwerpen. Hoe icker toe kome, Leser, hebb ick sonder geveinstheit verklaert.

*Dit ‘Woord vooraf’ is geschreven bij de eerste uitgave van Korenbloemen (1658); hier opgenomen naar de versie van de tweede uitgave (1672).
Leser: Huygens denkt niet aan een opvoering.
vodderye: bescheidenheidstopos; de klucht was hem zeer dierbaar.
met de reste: in dezelfde verzameluitgave als de andere gedichten.
Byschriften: 602 citaten uit bijbel en klassieken, die hier niet zijn opgenomen.
terug  begin  verder