terug  begin  verder

tweede bedrijf, eerste (en enige) toneel

klaas, kees
(De schipper tegen zijn knecht)
klaas
 
Wel, Kees, wat nu? Ik ben zo moe van al dat sloven
[p. 115]
 
En dwalen door de stad; dat kun je niet geloven!
 
Maar hoe loopt dit nu af? Waar mag dat arme wijf
 
Beland zijn?
kees
 
Och, ze heeft haar zinnen, alle vijf,
815
En zelfs nog een erbij: de vrouwelijke loosheid.
 
Ze zal 't wel klaren.
klaas
 
Maar 'k ben bang voor groter boosheid
 
Dan bij ons is bekend. 't Is hier een kluchtig volk,
 
Ondiets, lichtzinnig, vals en Waals. En zonder tolk
 
Kan men zich van het een in 't ander huis niet redden.
820
Kan Trijn daartegen op? 't Onnozel wicht!
kees
 
'k Wil wedden
 
Dat Trijn nu zit te zingen en zich amuseert.
 
Ze heeft een knappe smoel en ze heeft ook geleerd
 
Met stadsvolk om te gaan, uit 't Boekje der Manieren.
 
Zo'n vrouw wordt graag gezien in allerlei kwartieren.
825
Ze is mooi uitgedost; en dat schikt elke man.
 
Ho, ho, baas, moertje zit bij 't glaasje en de kan;
 
Dat is zo zeker als de paap zijn evangelie,
 
Die gister stond te preken. O, Sint-Peterselie!
 
Wat husselde die vent van alles door elkaar!
830
Zo'n domme preek heb ik nog nooit gehoord, voorwaar:
 
Zijn bakkes ging van tik en tikketak, als 't touwtje
 
Van 't zwaard, bij straffe bries.
klaas
 
Maar Kees, waar is mijn vrouwtje?
 
Mijn vrouwtje, Kees, mijn wijf, mijn liefste - Kees, geef raad!
[p. 117]
kees
 
Wat? Huil je, baas?
klaas
 
Is 't vreemd dat ik een traantje laat
835
Om zo'n lief ding, zo'n schat?
kees
 
Nee, maar wat kan het baten,
 
Of je veel huilt? We zouden haar nogmaals in straten
 
En stegen kunnen zoeken, maar 't is al lang nacht.
 
We hebben al zoveel gezocht uit alle macht,
 
Dat het geen zin meer heeft. Zal ik je eens wat zeggen?
840
Kom, laten we gerust ons hoofd op 't kussen leggen
 
En neem een slok of rook een pijpje tot besluit:
 
Er is geen ding dat iemands oogjes beter sluit.
 
Geloof me, Trijn komt thuis, voor 't kraaien van de haan.
klaas
 
'k Weet niet of ze vannacht nog uit mijn kop zal gaan.
kees
845
Ik hoop van wel, baas, er loopt vrouwvolk zat te lonken.
 
'k Heb er al een op 't oog, als Trijn mocht zijn verdronken.
(Tot het publiek)
 
En zo een slok of twee, dat kan me wel verblijden.
 
Hoe zegt men dat ook weer? ‘In alles vindt men lijden,
 
Maar met een goede maaltijd en een glaasje nat,
850
Vergeet men zijn verdriet.’
klaas
 
Komaan, Kees, troost me wat.

terug  begin  verder