terug  begin  verder
[p. 119]

derde bedrijf, eerste toneel

trijn
trijn
(Wordt langzaam wakker; begint overeind te komen, geeuwt vaak en rekt zich, met haar ogen dicht)
 
Brrr - brrr - ik wil me liefst - nog wat te ruste leggen,
 
Maar - 'k ben te dun gedekt. - Brrr - Klaas, 'k moet je wat zeggen.
(Ze tast naar hem)
 
Ben j' al op, man? Zo vroeg? - Wie heeft dit bed gespreid?
 
Brrr! 't Stro ligt boven en de lakens zijn verspreid,
855
De kussenslopen nat... Heeft het vannacht geregend?
 
Maar zijn mijn kleren droog, dan ben ik wel gezegend.
(Ze doet een oog open en kijkt omhoog)
 
Dat 's gek, het luik staat open? - Kees, doe dat luik toe.
 
Kees, Kees - waar zit die uil? - Ik ben het schreeuwen moe.
(Ze gaat op haar knieën zitten en reikt als het ware naar het luik)
 
Ik zal 't zelf moeten doen. - O, Christus! - Foei, wat donder,
860
Wat is me dat hier, zeg! Wat stinkt het in 't vooronder,
 
Alsof 't een mesthoop was...!
(Ze wrijft haar ogen uit)
 
'k Heb veel gedroomd, voorwaar,
 
Maar dat is nu gedaan. - Dat dak, die vensters daar,
 
Die kan ik zien. - We liggen aan de kaai, ik zie 't,
 
Of aan de meerpaal vast. Mijn oog bedriegt me niet.
865
Ik zie de poort waar 'k gister onder heb gelopen,
 
Dezelfde loodsen. - Ja, ik heb mijn ogen open.
 
Och, Lieve Heer, wat ben ik in mijn droom geschrokken,
 
't Was of een boze geest mij 't land in had getrokken.
 
Wat kwelde mij die prij, die toverheks, die, die...
870
Maar 't was geen droom! 't Is echt gebeurd, naar ik nu zie.
 
Dat varken! Get! Ik lig hier in de koeienmest.
 
O Zaanse Dominee, je hebt het mooi verpest,
 
Je had nog zo beloofd dat je die hekserij
 
Zou weren met je kunst en bidden zou voor mij.
[p. 121]
875
Nu is het weer item, en erger dan tevoren.
 
't Is waar, de vroedvrouw zei: 'k ben met de helm geboren.
 
Maar kruipt die toverij een mens onder de leden?
 
Dan sta 'k er niet best voor!
(Ze begint zich te bekijken)
 
- O, heilige gebeden
 
Van alle christenen! Ik ben behekst, verderrie,
880
'k Herken me zelve niet. - Och, Klaas, je had een merrie,
 
En nu krijg je een hengst of ruin op stal, misschien.
 
Wat vreselijk! Ik lijk wel net een vent. Laat zien,
 
Dit is een broek - en dit een wambuis met zijn knopen.
 
Hoe is 't met mijn gezicht? 't Is nog niet uitgelopen,
885
Ik voel geen baard. Dat 's goed. Maar dat kan nog gaan blijken;
 
Ik ben een jonge man, één die maar pas komt kijken.
 
Maar 'k heb een hoedje op! Wat dit ook mag beduiden,
 
Het is miraculeus! Je zou de klokken luiden
 
Om zo veel hekserij. Een vrouw die in één dag
890
Een man geworden is! Klaas! 'k Wou dat je het zag.
 
Maar als hij 't zag, dan viel er heel veel uit te leggen!
 
Hoe dwaas zou hij staan zien. Maar dan zal ik hem zeggen:
 
‘Kijk naar jezelf.’ Wellicht heeft 't zelfde toverwijf
 
Haar spel ten eind gespeeld en heeft Klaas nu mijn lijf
895
En ik dat van mijn Klaas. Dat zou de zaak wel sussen.
 
Wat zou mij 't liefste zijn, als ik moest kiezen tussen
 
Een man of vrouw. 'k Weet nog dat tussen man en wijf
 
Daar ruzie over kwam, en herrie en gekijf,
 
In een Zaandamse kroeg; elk wou de wijste wezen
900
En vond dat d' ander al 't geluk kreeg toegewezen.
 
Ik koos toen voor de man en bood zelfs bier bij hopen
 
Om voortaan in een broek en wambuis rond te lopen:
 
En dat komt er nu van: we hebben onze wensen
 
En Onze-Lieve-Heer verhoort somtijds de mensen,
905
Nog voor ze omzien. Wel, ik zou eens willen weten
 
Of onze Klaas nog Klaas, of al Klazien moet heten.
 
Ik hou me aan de ruil, het spook mag mij beklijven.
 
Als het me zalig is, wil ik Klaas Gertse blijven.
[p. 123]
 
Maar als ik dat dan was en bleef, dan moest elk ding
910
Ook zijn zoals het hoort, eer ik het onderging:
 
Wat drommel, laat eens zien - of mijn deel ook mijn deel is.
(Zij onderzoekt zichzelf)
 
Wel hé! en toch ben ik nog steeds trijntje kernelis.
 
- Een windei! Jeminee, een windel! Trijn is Trijn.
 
- Maar wacht eens, zou het niet Kernelis Trijnse zijn?
915
- Welnee, waarachtig. - Kijk, de Trijn staat nog vooraan,
 
Als gisteren - Maak ik dat liever ongedaan?
 
Maar nee: waar niets is, daar verliest de heer zijn recht.
 
Spil, spul en ballen kwijt! - Nee, het staat er niet echt,
 
Daar is niets aan te doen. O sakkerelement!
920
(Vergeef me, Lieve Heer, ik ben het zo gewend)
 
Als Klaas Klazien nog is, zoals ik daarnet dacht,
 
Dan passen we niet goed meer bij elkaar vannacht.
 
Dat 's toch geen huwelijk!
(Met gevouwen handen)
 
Mijn liefste tovervrouwtje,
 
'k Vergeef je voor mijn deel, maar een Klaas met een vouwtje,
925
Daar heb ik niet veel aan. - Maar hoe dan ook, we gaan
 
De nieuwe broek uitdoen en d' ouwe rokken aan!
 
Hoed af! Muts op! Ik wil van bovenaf beginnen.
 
Vooreerst de haren los. - Ben ik nog bij mijn zinnen?
 
Waar is mijn muts? - Waar is mijn lijfje? Waar mijn jak?
930
Waar zijn mijn rokken dan? O, wat een ongemak!
 
Waar zijn mijn borstrok, hemd, mijn kousen? Heer mijn tijd!
 
Mijn sloffen zijn er ook niet! Ben ik alles kwijt?
 
Mijn speldenkussen en mijn beurs, mijn sleutelbos!
 
O feeks! En in mijn beurs, daar vond je zomaar los
935
Veel goud en zilvergeld, als ik het goed bereken.
 
Mijn zilv'ren vingerhoed, die moet er ook in steken:
 
Een stomme trien ben ik. Dit is geen toverij,
 
Maak dat het volkje wijs. Voor mij is 't roverij,
 
Daar lijkt het veel meer op. Hoe Klaas dit op zal vatten,
940
Dat vraag ik me wel af. Als men hem zegt dat katten
 
Soms katten zijn, soms vrouwen; een wolf dan eens man,
 
En dan weer wolf; en dat zij ergens - maar waar dan? -
[p. 125]
 
Tezamen vrolijk zijn en van pleziertjes leven
 
En dat er op het eind een groepje van die teven
945
Elk op een bezemsteel en met de billen bloot
 
De schoorsteen uit laveert, de een helpt aan zijn dood,
 
De ander aan de galg, een derde aan een vrijster -
 
Dan lacht mijn Klaas daarom en zegt: ‘Dit is te bijster!
 
Wat maakt men 't volk toch wijs. Het is een stel gebroed,
950
Een hoopje galgenaas, voor 't hels vuur opgevoed,
 
Van brandmerken voorzien door allerhande heren,
 
En hoerenbazen, koppelaars, en wat nog meer, en
 
Besteedsters, heelsters, konkelaars en dobbelaars
 
Kwakzalvers, heidens volk met kindjes op hun aars,
955
In dekens en zwart haar gewenteld en gewonden:
 
Dat volk kan toveren en haalt in een paar stonden
 
Je duiten uit je beurs, je kleren van je lijf
 
Of 't hocus-pocus was.’ - Als je zag hoe je wijf,
 
Je arme Trijntje, Klaas, gelegd is in de luren,
960
Zou je niet zeggen, Klaas: ‘De duivel of zijn buren
 
Zijn aan haar lijf geweest, de hoeren van de stad
 
Die hebben veer na veer getrokken uit haar gat.’
 
Je mag het zeggen, man, en 'k moet het zelf ook zeggen,
 
Al weet ik, bij get, niet waar ik de schuld moet leggen.
965
O schelmen, wie j' ook bent, o varkens, waar j' ook woont,
 
J' hebt een verradershart aan Knelis' kind getoond,
(Ze huilt)
 
Ja, een verradershart, dat zeg ik. Vrienden, buren,
 
Och mensen, kijk toch uit.

derde bedrijf, tweede toneel

hanneken-uit, trijn
hanneken-uit
 
't Is nu bijkans drie uren,
 
De dageraad breekt aan; mijn taken zijn gedaan,
970
'k Ben hees en droog geschreeuwd, ik mag naar huis toe gaan
[p. 127]
 
En slapen een goed gat in deze dag. Wa's dit?
 
Het lijkt wel of een spook (God zegen ons) daar zit!
 
Wat is het? - 't Is een mens. - Het is een vent die krijt
 
Of is 't een hond die huilt? - Ik hoop dat hij niet bijt.
975
Wat voor een beest ben ik! Het is een knaap die 'k zag.
 
Wat is er, vent? Kom spreek, of hedde geen ontzag?
 
Wanneer een officier u aanspreekt, zwijgde dan?
 
Hedde gij geen fatsoen? Gedraag u als een man.
 
Zie daar eens, bij mijn ziel, het is een jonge knakker,
980
Met een heel lief gezicht. Zeg, vriend, waar is uw makker?
 
Wat zitte hier alleen? Het lijkt mij een lakei
 
Te zijn, of zoiets als een page of allebei,
 
Van ene kale Don. Ik zie het aan zijn kleren:
 
Aan zo'n livrei herkent men dat soort arme heren.
985
Hedde uw geld verspeeld, met kous en schoenen toe?
trijn
 
Ja, 'k ben berooid en kaal, maar, vriend, ik weet niet hoe.
 
Weet jij 't niet?
hanneken-uit
 
Wat een spraak! Zeg eens, wat is uw natie?
 
Laat zien, het was geen Spaans, dat heeft een ander gratie.
 
't Was ook geen Italiaans. Waarschijnlijk 't Luikse Waals!
990
Een wonderlijke taal, dat valse koeterwaals.
 
Parlez, je parle à vous.
trijn
 
Ik wil niet meer ‘à vous-en’.
 
Ik dank je voor je bier.
hanneken-uit
 
Hij zegt iets over kroezen,
 
Als ik het goed begrijp. Het lijkt zo ongeveer
 
Op Nederlands, maar op het Engels nog iets meer.
995
Zou het een Staartman zijn? Sir, can you Engels spreken?
[p. 129]
trijn
 
Wat zeg je?
hanneken-uit
 
Dat is Diets, bij Gods heilige weken,
 
't Is Hollands, 'k had het wel gedacht. Zeg, goede man,
 
Hoe kom je hier terecht? (Zoveel ken 'k er nog van.)
trijn
 
Ik heb een goede man, Klaas Gerritse bij name,
1000
Maar zelf ben ik dat niet. Zij die mijn kleren namen
 
En me daarvoor dit plunje hingen aan mijn gat,
 
Betoveren je oog.
hanneken-uit
 
Monsieur, hoe zegde dat?
trijn
 
Ik ben Monsieur noch man. Of mijn broek groen of geel is,
 
Dat zegt helemaal niets, want ik ben Trijn Kernelis.
hanneken-uit
1005
Wat zijde?
trijn
 
Een man, zoals je zuster en je moer.
hanneken-uit
 
Een vrouwmens! Laat eens zien.
trijn
 
Ga weg, ik ben geen hoer;
 
Zo eentje ben ik niet. - Ik zeg: laat me met vrede,
 
Of ik zal j' op mijn dood onder mijn voeten treden.
 
Wat is dat hier toch?
[p. 131]
hanneken-uit
 
Ja, zijde zo boos van aard?
1010
Dat kon ik toch niet weten, da' g' een vrouwmens waart.
 
Ik mag toch zeker weleens naar die boezem gluren:
 
Da's 't Antwerpen gewoon. Kom, wat een zotte kuren,
 
Ik wil uw borst eens zien, dat staat een mens toch vrij?
trijn
 
Ga weg, jij malle gek, al is er niemand bij,
1015
'k Wil niet. - Maar als je denkt dat ik hier sta te liegen,
 
Kom, voel dan maar van buiten, 'k wil je niet bedriegen.
(Ze laat hem aan haar borst op haar wambuis voelen)
 
Waar lijkt dit 't meeste op, je vaars spul of je moers?
hanneken-uit
 
't Is, zo waar als ik leef, een vrouwke! Mes amours!
 
Mijn lieveke, mijn kind, 'k wil u mijn lichaam lenen
1020
En uwe dienaar zijn.
trijn
 
Ik vraag alleen je benen:
 
Leen me die voor een poos en help me hiervandaan,
 
Eer dat de zon opkomt (ze lijkt al op te gaan).
 
Het volk is naarstig hier, ze lopen vroeg ter kerke.
 
En als men mij zou zien, de slimsten zouden 't merken,
1025
En dan kreeg ik een troep met jongens aan mijn staart.
hanneken-uit
 
Zeg me, mijn harteke, waar dat ge gaarne waart;
 
'k Zal uwe leidsman zijn, al moest ik naar mijn dood gaan.
 
Och arme, moete zo met die fraai voetjes bloot gaan?
 
Is 't ver? Waar moete zijn?
trijn
 
'k Ken hier geen ene straat
1030
't Is ergens bij een poort, ik weet niet waar die staat.
[p. 133]
hanneken-uit
 
Sint-Joris? Keizerspoort?
trijn
 
Nee.
hanneken-uit
 
Kipdorp?
trijn
 
Geen van alle.
hanneken-uit
 
Is 't aan de waterkant?
trijn
 
Dat 's klaar, sta niet te kallen!
 
Klaas Gerrits heet mijn man, en 't is een schipper, baas,
 
Die ligt hier met ons schip; 't is een goed man, mijn Klaas,
1035
Als je hem kende.
hanneken-uit
 
Zo. We zullen het wel vinden.
trijn
 
Ja, al is 't volop dag, ik wandel als een blinde.
 
'k Vertrouw je en ik hoop dat ik 't mij niet beklaag;
 
Toch spijt het mij van al de moeite die 'k je vraag.
 
Heb j' ook een vrouw?
hanneken-uit
 
Och ja, een heel galante moeier,
1040
Fraai en bizar gekleed en met haar haar vol poeier.
trijn
 
Zo, Jonkvrouw Klappermans!
[p. 135]
hanneken-uit
 
Da's hier zo de manier,
 
't Is hier al Jonkvrouw, hoog en laag.
trijn
 
Wel, was ze hier,
 
Dan gaf ik haar een les; nu zal ik jou die leren:
 
Ziet ze er wat goed uit en draagt ze mooie kleren,
1045
Laat haar dan niet alleen door vreemde straten gaan.
 
Maar hou haar in 't vizier. Want hoe 't mij is vergaan,
 
Vertel dat maar aan haar: je ziet het voor je ogen.
 
O beste klapperman, 'k ben schandelijk bedrogen!
 
Hier woont een boos geslacht van vrouwvolk.
hanneken-uit
 
Da's wel waar.
1050
Ik zou meer rust genieten, als het zo niet waar.
 
Elk huiske heeft zijn kruiske.
trijn
 
Ja, dat 's 't ouwe spreekwoord
 
Maar als je hier of daar een klucht van deze week hoort,
 
Of in de kranten leest, hou over mij je mond.
 
'k Wil zorgen dat mijn man dit nooit te weten komt.
1055
Dan weet jij het alleen. En één is geen, nietwaar.
 
En als ik gauw vertrek en weer naar huis toe vaar,
 
Dan is 't uit. Mag ik je vertrouwen?
hanneken-uit
 
Ja, dat mag.
 
Ik ben de klapperman bij nacht, en niet bij dag;
 
Daar kunde staat op maken. Kind, als ik zou melden
1060
Al wat ik in de nacht gezien heb, ik vertelde
 
Van hier tot Brussel en dan kwam 'k er nog niet door:
 
Maar 'k klap alleen maar 's nachts, daar krijg ik gage voor.
[p. 137]
trijn
 
'k Krijg blaren op mijn voet; ik kan bijna niet meer.
hanneken-uit
 
Dat dacht ik al. Courage!
trijn
 
Is het nog ver, meneer?
hanneken-uit
1065
Nee, nog een boogscheut ver, een honderd passen. Zie,
 
Daar ziede reeds van ver de masten. Wete niet
 
Hoe dat uw vlag is?
trijn
 
Ja, ik zal die wel herkennen:
 
Daar ligt ons schip. Goddank, dat we tot hier al bennen.
 
Nou, goeie dag, meneer, en grote, grote dank.
hanneken-uit
1070
't Is graag gedaan, mijn kind. Maar hedde nu een plank
 
Om hier aan boord te gaan?
trijn
 
Ik kan er zo op stappen,
 
De schippersvrouwen doen het zonder plank of trappen.
 
Adieu.
hanneken-uit
 
'k Wens u goei rust!

derde bedrijf, derde toneel

hanneken-uit
hanneken-uit
 
'k Wil zeggen: met haar man!
 
't Zou een mirakel zijn, als ze 't zo klaren kan.
1075
Ik ben ervan verlost, en van een vuil temptatie.
 
God Seminis, wat had dat vrouwke me een gratie:
[p. 139]
 
Ik kreeg zo'n vreemd gevoel. Maar dat is nu gedaan.
 
'k Kan zonder zonden huiswaarts naar mijn Liesbet gaan.

derde bedrijf, vierde toneel

trijn, kees
trijn
(Ze roept zachtjes)
 
Kees - Kees - Kees, ben je dood? Wat duivel, is dat slapen!
1080
Kees, zeg ik.
kees
 
Huh! - Wie daar?
trijn
 
Kijk toch. - Zie de gek gapen.
kees
 
Wat moet je? Schaam je om zo vroeg, voor dag en dauw
 
Te lopen bedelen! Vent, scheer je weg, en gauw,
 
Of 'k zal je met een flink pak slaag wel mores leren.
trijn
 
Ik bedel niet.
kees
 
O nee? Wat wil je dan beweren?
1085
Je grinnikt er nog om. Jij hondsvot! Buiten boord!
 
Dat raad ik je als vriend. Of wil je stokvis? Voort!
trijn
 
Stil, Kees, kijk wat je doet. Ik ben geen bedelaar.
kees
 
Mijn schip af, snel! Vooruit! Of 'k ram je in elkaar!
[p. 141]
trijn
 
Ik vraag waarachtig niets, ik gaf je liever wat.
kees
1090
En ik jou, kijk, pak aan! Dat 's een voet in je gat.
trijn
 
Zie bij wie je dat doet!
kees
 
Bij wie dan wel, bandiet!
trijn
 
Kees, luister nou.
kees
 
Eruit! Meer uitstel krijg je niet.
trijn
 
Kees Krijnse.
kees
 
Ja, dat 's waar, zo heet ik. Maar dan nog!
 
Waar heb je dat gehoord!? Ach wat spreek ik hier toch
1095
Met zoete woordjes. Fielt, als je niet wil vertrekken,
 
Mijn baas ligt in zijn kooi en 'k durf hem niet te wekken,
 
- Hij voelt zich niet zo goed - maar hou je je been stijf,
 
Dan weet ik beter raad: hij heeft, bij get, een wijf,
 
Een blanke duivel! Niet met handen en met voeten,
1100
Met klauwen als een valk, en als het echt zou moeten,
 
Dan laat ik haar je gat bewerken, hoor!
trijn
 
Geen nood,
 
Die vrouw doet me geen kwaad; kijk, ik ben naakt en bloot
 
En 't wijfje is goedgeefs.
kees
 
Weet jij dat?
[p. 143]
trijn
 
Zou 'k 't niet weten!
 
Ze heeft me vaak een stuk - ja, van het lekkerst' eten -
1105
Van haar hand in de mijn, ja Keesje, in mijn mond
 
Gestoken.
kees
 
In jouw mond?
trijn
 
Ja, als z' hier zelve stond,
 
Ze zou 't bekennen.
kees
 
Kom, ik zal ze eens gaan roepen,
 
Maar pas op, leugenaar.
trijn
 
Je hoeft niet ver te lopen,
(Ze neemt haar hoed af)
 
Hier is ze.
kees
 
Trijn! - Bazin!
trijn
 
Stil, hou je bakkes toe.
kees
1110
Bazin!
trijn
 
Maak geen lawaai.
kees
 
Maar Trijn, jij malle koe,
 
Hoe zie je er toch uit?
[p. 145]
trijn
 
Dat zal ik wel vertellen
 
Als 't pas geeft.
kees
 
'k Word haast gek als ik je in die vellen
 
Zie pronken! Ben je 't wel? Vrouw, ben je 't, ben je 't, Trijn?
 
Hoe zou je 't wezen! Nee, dat kan toch echt niet zijn.
trijn
1115
Toe, stil maar, jij, 't kan wel.
kees
 
Jawel, wat pestilentie!
 
Hoe ben j' eraan geraakt?
trijn
 
Stil! Heb je geen patiëntie?
 
We hebben nou geen tijd; als 't kwaad weer over is
 
Vertel ik wel wat meer. Maar zeg me eens gewis:
 
Slaapt Klaas nu vast genoeg dat ik hem niet zou wekken,
1120
Als ik een beetje van zijn deken weg zou trekken
 
En bij hem kruipen zou?
kees
 
Och ja, dat denk ik vast.
 
Ik praatte'm gister zo veel slokjes in zijn bast
 
En zo veel pijpjes ook om jou maar te vergeten
 
(Want, Vrouw - 'k kan amper ‘Vrouw’ nog zeggen - je moet weten
1125
Er is om jou heel wat op 't schip te doen geweest).
 
'k Wil zeggen dat je vrij van hart gerust een veest
 
Mag laten zonder zorg. Hij zal niet wakker worden
 
Voor twaalf uur, dat staat vast. En als hij dan wat morde,
 
Doe of je gek bent.
[p. 147]
trijn
 
Wacht, 'k zal eerst dit vuile goed
1130
Gaan schudden van mijn aars, daar in het ruim.
kees
 
Dat 's goed.
trijn
 
Maar, Kees, hoe raak ik aan een hemd? Gods goede weken!
 
Mijn sleutel is perdu!
kees
 
'k Zal 't kastje openbreken.
trijn
 
Daar liggen mijn gewone kleren. Breng maar mee.

derde bedrijf, vijfde toneel

trijn
trijn
 
Dat is een brave knecht. Want zonder Kees, och nee,
1135
Was het mij niet gelukt. Daar komt hij.

derde bedrijf, zesde toneel

kees, trijn
kees
 
Hier, je goed.
 
Het kastje is weer dicht.
trijn
 
Ik dank je, Keesje zoet,
 
Ik sta bij jou in 't krijt.
kees
 
Och, laat dat zitten, vrouw.
[p. 149]
 
Maar je begreep daarnet wel wat ik zeggen wou,
 
Met al mijn boze woorden; wil je dat vergeven?
trijn
1140
Och malle gek, ik zal je een beloning geven
 
Voor deze nieuwe dienst, en voor de ouwe toe.
 
Slaap wel, ik kan niet meer, ik ben, bij get, zo moe;
 
Mijn tong hangt uit mijn mond en 't zand valt in mijn ogen;
 
Ik slaap haast waar ik sta. Kun je dit hemd wat drogen?
1145
Het komt zo vochtig, Kees, uit die verdomde kast!
kees
 
Wat nu, vrouw, ben je gek? Is dat je grootste last?
 
Kom nou, zou ik het vuur ontsteken in 't vooronder,
 
Waar Klaas ligt? Droom je, vrouw?
trijn
 
Ja Kees, en dat 's geen wonder.
(Zij gaat naar beneden)

derde bedrijf, zevende toneel

kees
kees
 
Als jij je man kalmeert, dat zou een wonder zijn!
1150
Maar jij kent vele kunstjes. Ga je gang maar, Trijn.
 
Eerst zullen ze elkaar wel in de haren zitten,
 
Maar daarna gaan ze weer als goede vrienden pitten.
 
Al ging Trijn in de fout, Klaas is goed en zij loos:
 
Het kan mij ook niet schelen. 'k Slaap nog wel een poos.

terug  begin  verder