[p. *4v]
origineel
Korten Inhoud, en aan eenschakelinge van alle de Zinne-beelden, zo als ze na een volgen.
GEraakte Zielen! die van verr' de flikkeringen
Ziet, van
Gods innig Rijk
, vast door de nev'len dringen
Van d'algemeene sleur (den geestelijken nagt)
En die God daar op 't hert ten tempel en ter woning
Hebt toegewijd, op dat Hy daar in heersche als Koning,
Bediend u van de Schets, terwijl g' op 't lighaam wagt.
1.
Een Schets, die u doet zien, hoe
't afgetrokken ooge
Des dwasen Schutters, 't werk verydeld van den Boge
;
Daar elk de schaad'lijkheid der onkunde uit dan zien.
2.
Die u doet zien; hoe 't losse en dwase
eenzydig keuren
,
Doet missen merk en einde
, en in ellende treuren,
En waar men tot behoud, moet vlugten, en tot wien.
3.
Hoe
't edelste geschep op aarden
, zelfs van allen,
Te met ontaardende,
ten quaadsten stand kan vallen:
Dat nooit als door veel pijn en smerte word herbaard.
4.
Hoe strydigheden nooit
('t zy wat mer af mag meenen)
Gelijk als vuur en vogt, te zamen regt
vereenen
,
Ook zoo geen mensch met God, ten zy van eenen aard.
5.
Hoe d'eenvoud, als ze doold, nog
eindelijk
vind
een open.
En laaff' niss' voor, 't gemoed, na lang en pynlijk loopen,
En God aldus in 't hert die buiten wierd gesogt.
6.
Hoe een
die quist weêr mist
, zeer haast, zyn edele gaven
Van God verkregen door veel leed en sweet en slaven.
Helaas! tot schande en scha te wonder slegt bedogt.
7.
Hoe dat
een stage vlijt
in arbeid, bidden, waken,
Vereyscht werd om ten top te raken
van 't versaken:
Of staat men stil, den Steen rold flux den berg af neer.
8.
Hoe God
, als 't rein verstand den will' heeft overwonnen;
Zelfs handen slaat an 't werk, van Hem in ons begonnen
En dus
Sijn beeld herteeld
, en geeft 'et 't leven weêr.
9.
Hoe een
die d'Hemel-leer door 't swerk is opgetreden
,
Nog
niet mag blyven staan
, maar zien moet na beneden,
Of d'aarde in 't oog verkleynd, en dus of hy nog ryst.
[p. *5r]
origineel
10.
Hoe
dat men 't zigbaarland moet laten, en bevaren
,
Door waar geloove, liefde en grondversakings baren,
De zalige overkant
, die ons de wysheid wijst.
11.
Hoe
dat een Reyser
op den weg ter vaste ruste
Moet altyd voort en voort
, schoon 't hem wel anders luste,
Om eens
veel ruimte en heil
te zien,
na smal en steil
.
12.
Hoe
dat men onbesogt en onbedogt, de paden
Tot God waant kort en sagt:
en, gaande, dus beraden,
Zig ziet misleid: maar vind by Hem nog heul en heyl:
13.
Hoe
dat men tegen Stroom van alle schepselen, dringen
Moet na den Oorsprong toe
, den Schepper aller dingen,
Om zo te rusten, in ons wezens Grond-begin.
14.
Hoe
(schoon men jong en teer in strijden is, en kragten
En ligt geraakt om veer)
men kragt mag van Hem wagten
,
Die ze elk
, wie daar om bid,
stort
van den hemel
in
.
15.
Hoe God
, door lijden
ons van 't aardsche weet te rukken:
Gelijk men Rotsen scheurd
en slaat met kragt aan stukken,
Na dien 't natuurlijk-vast maar door geweld en scheyd.
16.
Hoe me egter waarlijk los moet wezen
, zal men spoeden:
En dat nog zeyl nog wand, nog gunst van wind en vloeden,
Iets baat, daar 't Schip nog vast voor wal of ander leyd.
17.
Hoe
dat een ziel
, nu los,
moet altyd opwaard spoeyen
,
Of 't rusten zal terstond haar meer en meer vermoeyen,
VVyl valsche lust en rust nooit vaste ruste baard.
18.
Hoe zulk een vrye ziel van stoffelijkheid ontheven:
Op 't lugje van Gods geest
, word hemelwaard gedreven,
En
hoe
veel
minder aard
met
zo veel meerder vaard
.
19.
Hoe dat die loutre ziel,
Gods heldre liefde-stralen
Ontfangt, en weêrglans geeft, zo haast alsse in haar
dalen:
Gelyk ze doen,
in al wat voor haar open staat
.
20.
Hoe dat
die ziel
dus
leerd
door waarlijk ondervinden,
De kragt en goedheid Gods en Jesus haars beminden.
En ziet
dat zelf-geniet, voor 't onderzoeken gaat
.
21.
Zy ziet de schadelijkheid der ongetoomde zinnen;
[p. *5v]
origineel
Dies keerdse weynig uit, maar houd haar kragten binnen:
Hoe pijnlijk en
hoe bang
, ook
d'eerste prang
mag zijn.
22.
Een zoete en sterke trek (vergode zielen eygen)
Doet haar altyd na God (haar ware Noorden) neygen.
En zegt dus,
elk het zijne, ik trekke en zoek' na 't mijn
.
23.
Zy zoekt en vind en keurd God, als het alderbeste,
Ze ontsluyt haar hand en grypt, versmaênde d'ydle reste,
Die luyd keels zelver roept.
Maar een van tween of geen
.
24.
Zy spiegeld haar
met lust
in God
, de Bron der ligten:
Die aller levens Zon, daar zuyvere gezigten
Haar ligt uitscheppen, ook tot nut van 't algemeen.
Dien gadeloosen glans: dien onbeswalkbren luyster,
Bestralende haar grond
, verdrijvende alle duyster,
Rijst op ten vollen dag, na 't lieve morgen-rood.
En dan zweeft
deze ziele
en
leeft in 't waar genieten
Van Gods uytvloênde kragt
, dieze in haar neêr voeld schieten,
En haar het leven geeft,
na voorgegane dood
.
25.
Een dood:
die 't Vlees
(wel noode, en egter)
moeste lyden
,
Moest lijden 't zy met hand en voeten af te snyden.
Of 't hindrende oogen-lid, te rukken uyt het hooft,
Den gansch ontaarden aard van kragten te berooven,
Het ingeschapen vuur, te dompen sonder dooven,
Een vrugt van dat me aan God en sijnen Zoon gelooft.
Dus word dit Werk aan een
geschakeld als een keten:
Van Sangen, goed van stof, van lessen, nut geweten,
Die leersaam, kort en klaar, opwekkelijk zijn en zoet.
't Zy rijm of rijmeloos, 't bestaat in al zijn deelen
Uyt perlen eêl gesteente en dierbre pronk-Juweelen,
Van een regtschape ziel en Godgezind gemoed.
C.v.E.