
Hoe lange hinkt gy op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt hem na; en zo het Baäl is, volgt hem na. 1 Kon. 18.21.
NAdien 'er voor den mensch geen onwetenheid onbe-
tamelijker of schadelijker is, als die, waar door hem
onbekend is
het einde daar hy iets om doet, dewijle
dat het eerste moest zijn, 't
welk hy behoorde te weten,
om by gevolg zig in alles daar na te voegen,
gemerkt hy
zonder deze kennis niet als by geval iets na behoren
kan
uitwerken.
Zo is nog veel onbetamelijker het ware einde daar
men om is, en den
waarom van zijn schepping niet te
weten, daar nochtans alle onze uit-
en inwendige werken
daar na moeten mikken, als de Pijlen van een
Schutter
na 't Wit dat op den Doel staat: en daarom brengt deze
onwetenheid met zig een ongelofelijke schade der ziele
aan het gantsche
beloop van 't menschelijke leven.
Welk leven andersins zeer uitnemende zou zijn, in-
dien het aangeleid wierd volgens het oogmerk des Schep-
pers, die in alles wat hy ooit voortbragt, een zeer heerlijk
einde voorheeft; en met den mensch zo veel heerlijker,
als hy
voortreffelijker is als alle andere schepselen onder
de zonne. Want
daar geen van die haar Schepper ken-
nen, noch konnen kennen, daar is de mensch inwendig
en uitwendig
niet onbetuigt gelaten van dat grote voor-
werp der ziele, namelijk de Heere zijnen God, die zijn
oorsprong
is, en die den mensch verzien heeft met zo veel
bequaamheid om Hem te
konnen kennen en lieven.
Maar wat is 't? alle schepselen, van de minste tot de
meeste, zo wel de
onredelijke als de ongevoelige, berei-
ken altesamen het einde van haar leven en wezen, ook de
eige
plaatse daar zy horen, en zy keren zig derwaarts in
alle gewesten der
waereld, volbrengende zeer volmaak-
telijk alles daar zy van God toe geschikt zijn.
Allen de edele, de waardige Mensch is onwetende
van het einde daar hy om
is, en waarom hy in deze wae-
reld gesteld is, daar hy nochtans boven alle andere schep-
selen met deze kennis moest vervuld zijn: want daar wy
geschapen
zijn om den Heere onzen God uit geheel ons
herte, uit geheel onze
ziele, uit geheel onze kragt, en uit
geheel ons verstand lief te
hebben, en alzo in Hem als ons
einde geheel te rusten, zo zijn wy
dwaasselijk met onze
liefde gekeerd tot de schepselen, alwaar wy doch
nooit
ware ruste en vergenoeginge vinden konnen.
Hierom, ô hemelsche Heere! doe onze ogen open, op
dat wy onze
grote dwaasheid zien mogen, en hoe verre
wy van U vervreemd zijn; geef
ons een oprecht en boet-
vaardig herte, om onze schuld en zonden voor U van
herten te
belijden en te betreuren; verleen ons genadelijk
een sterke wil en
begeerte om voortaan op te houden van
zondigen, en leg ons krachten by
om dien ouden men-
sche in ons te kruisigen: op dat alzo de weg gebaand wor-
de, om door gehoorzaamheid uwer geboden onze zielen
te bereiden
tot het zoeken en vinden uwer lieffelijke by-
woninge en verëniginge.
O Heere! keer uw aangezicht niet af van onze mis-
maaktheid, maar ontferm U onzer ellende. Wasch ons
in het
bloed en d' offerhande uwes lieven Zoons. Onze
Vader! wy hebben
gezondigd tegen den hemel en voor
U, en zijn niet waardig uwe zonen
genaamd te worden,
maak ons als uwe huurlingen: want waarom zouden on-
ze zielen verloren gaan, onze waarde, onze dierbare zie-
len. Heere, gedenk onzer na uwe grote barmhertigheid.
Stort in ons van de wijsheid die by uwen troon is, en
bekleed ons met
ware ootmoedigheid. Laat uwe heilige
vreze ons vervullen, en uwe
tegenwoordigheid ons eer-
biedig maken. Laat uwe liefde ons tot U lokken, en alle
uwe
weldadigheden ons diep verwonderd doen staan.
Barmhertige Vader, versmelten moeten onze zielen
van verwondering over
uwe langmoedigheid, en onver-
drote lijd zaamheid, in 't verdragen van onze schandelijke
afwijkingen van U, in 't afwachten van ons wederkeren
tot U door
bekeeringe, in zo veel onopgevolgde overtui-
gingen, in zo veel wederstrevingen, in zo veel zwakhe-
den, Heere, en waar in niet al! Gelooft zy uwe oneindi-
ge liefde, geprezen en verheerlijkt uwe trouwe in ewig-
heid. Geen schepsel zal die ooit na waarde uitspreken,
want zy is
ondoorgrondelijk; alle Engelen moeten U
daar ewig voor loven, en alle
geheiligde zielen zonder
ophouden U daar voor roemen. De Heere zy
grootge-
maakt in 't binnenste onzes herte; Hy beware ons voor
alle
afwijkingen, Hy doe ons Hem hertelijk liefhebben,
en bevestige het
goede voornemen aller der genen die
Hem zoeken, Hy make onzen weg tot
Hem voorspoe-
dig, op dat wy struikelen noch vallen, maar met vaste en
wakkere
treden tot Hem met ons herte naderen, en ein-
delijk zijn lieffelijk aanschijn vinden, en ons ewig daar in
verlustigen.