
Werpt van u weg alle uwe overtredingen, waar door gy overtreden hebt, en maakt u een nieuw herte en enen niewen geest, want waarom zoud gy sterven, ô Huis Israëls! Want ik en heb geen lust aan den dood des stervende, spreekt de Heere: daarom bekeert u ende leeft, Ezech. 18.31, 32.
't IS zeer aanmerkelijk 't geen de Propheet David Psal.
14.2,
3.
zegt: Dat de Heere uit den hemel nedergezien
heeft op de menschen kinderen, om te zien of iemand verstandig
ware, die God zogte: maar zy waren alle afgeweken, t'samen
waren ze stinkende geworden, daar was niemand die goed dede,
ook niet een. O wonderlijke verkeertheid! daar
nochtans
alle menschen geschapen zijn, op dat zy den Heere
zouden
zoeken, of zy Hem immers tasten en vinden mogten.
Maar helaas! wy zijn alle van onze geboorte aan in de
gevoeligheid en 't
zoeken van rust en vermaak in 't uit-
wendige en in d' uiterlijke zinnen opgegroeit, zodanig dat
onze
aardsche en diersche mensch veel eer geleeft, en zijn
sterkte en wasdom
bekomen heeft, als de inwendige en
geestelijke, welke eerst lang daar
na in den volwassen,
groven en uitwendigen heeft begonnen door een
klein
zaadje van goddelijke kennis, overtuiging en wroeging op
te
willen wassen; maar vindende zo ouden en sterken
vyand, die met zo
groten kracht dat klein en zwak begin-
seltje tegenstaat, zo gebeurd het doorgaans aan alle men-
schen dat de oudste de overhand houd; te meer, om dat
het
opwassen van de inwendige mensch met veel pijn en
smert, ja de dood,
voor den uitwendige vergezelschapt
gaat, en die niet anders gewoon is,
als al wat van die na-
tuur is, op 't hoogste te vlieden.
Maar ô ellendige en droevige staat! daar 't Goddelijke
van 't
menschelijke, 't geestelijke van 't naturelijke en 't
ewige van 't
tijdelijke overwonnen word: daar 't nietige
het AL, het droevige het
blijde, en d' onrust de vrede
te machtig is! En 't geen alles in jammer
te boven gaat,
dat men in deze staat zich noch zo vry, zo rustig en zo
vro-
lijk vind, ja die voor de beste en uitgelezenste verkiest,
en
niet wil toelaten, dat God of mensch ons daar in ongerust
of
bekommert maken.
Grijp Gy, ô Allergoedertierenste, ons eens in 't herte,
op dat
wy van die onuitsprekelijke verkeertheid overtuigt
mogen worden, en
zien hoe wy verzadinge zoeken in 't
geen ons de weg baand om ewig te
hongeren, hoe wy laaf-
fenis zoeken in 't geen een onlesselijke dorst zal veroorza-
ken, en hoe by U alleen, en in U, is te vinden 't geen
waarlijk
vergenoegt. Heere, Heere, help ons doch, on-
ze nood is zo groot, 't kost dagelijx zo veel zielen der men-
schen. Lieve Vader, wek ons op, om U te zoeken, U
te vinden, en U
ewig te behouden, om Jesus wille.
Hier toe is ons zeer nodig uit alle onze ontfange krach-
ten te pogen een ingetogen en aandachtig leven te leiden,
nadien
de ziele daar door bequaam word om diepe ge-
dachten van God, van de dood, van 't oordeel en van de
ewigheid
te konnen voeden, en daar door een indruk en
kracht gewaar te worden om
het herte van al 't verganke-
lijke af te trekken, en zijn lust te nemen in beter dingen,
die
blijven zullen als al dit zienelijke vergaat.
Gelukkige Zielen die hier toe geraken! Laat ons haas-
ten, laat ons geen tijd meer verliezen; dit ongeblik zy een
standvastige aanvang door Gods genade om onze ziele
Gode geheel op te
dragen.