
De ellendige en nooddruftige zoeken water, maar daar en is geen, hare tonge versmacht van dorst: Ik de Heere zal ze verhoren, Ik de God Israëls en zal ze niet verlaten. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in 't midden der valleijen, Ik zal de woestijne tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. Esai. 41.17, 18.
ALtijd onzeker om to zwerven, is een zeer grote last, en
gedurig, daar
men hoopte rust en veiligheid te vin-
den, bedrogen uit te komen, is verdrietig: en dat gebeurd
onze
Ziele, en zal ze blijven gebeuren, zo lang als wy het
zoeken daar het
niet te vinden en is: Even of iemand op
de woeste baren der zee een
altijd-durende rust zocht, om
dat ze nu of dan eens zeer effen en
liefelijk zig aan hem
had vertoond.
Alles wat men ziet is de verandering en vergankelijk-
heid onderworpen. De wil en genegendheid der men-
schen is teffens buiten onze macht, met alle waereldsche
eer,
tijdelijke goederen, en 't vermaak van 't diersche
lichaam: en
derhalven is in deze dingen geen ware of be-
stendige rust te vinden.
Maar nadien de goede en rechtvaerdige God geen hon-
ger in den mensch heeft geschapen, of Hy heeft daar ook
voedsel
voor bereid, en geen dorst, of Hy heeft daar ook
met eenen drank en
lafenis voor gegeven; zo heeft die
Menschlievende ook verzorgt in zijn
lieven Zoon, dat
die goede en sterke begeerte, die onuitblusselijke
honger
en dorst, die in alle menschen is ingedrukt en opgewekt,
om
namelijk tot vergenoeginge, vrede, rust en vreugde
eenmaal te
komen, geen overvloed van spijs en drank tot
verzadinge en zou
ontbreken.
Doch om dat die overvloed geestelijk en onzienelijk is,
en met het
dierelijke geen gemeenschap en heeft, en ook
door gehele andere
middelen en wegen verkregen word,
zo gebeurd het dat de mensch het al
averechts opvat, en
zoekt daar 't niet te vinden en is.
O Ziele, ô edele en dierbare Ziele! men gelooft dat gy
'er
zijt, en men ziet u echter niet met het lichamelijke
oge; Laat ons ook
geloven dat gy ons beste deel zijt, en
dat uwe spijs en drank, uwe
wellust en ware vreugde ook
onzienelijk en geestelijk is, en uit
onzienelijke oorzaken
ontstaan moet, en met eenen, dat die nergens
anders ge-
vonden en worden, als by Hem die gezegt heeft:
Leer van My (want Ik ootmoedig en
nedrig van herte ben) en gy zult ruste voor
uwe ziele vinden.
Matth. 11.29.
Ik ben het ware brood dat uit den hemel nedergedaald
is, die van dit brood eet, zal in ewigheid niet hongeren.
Joh. 6.
Die van 't water dat Ik geven zal, zal drinken, zal in
ewigheid niet dorsten.
Joh. 4.
O hemels Brood! vervul onzen honger. O hemels Wa-
ter! lesch onzen dorst. Die zo gewillig U zelven
meêdeeld,
als maar de mond van onze ziele open, en ons herte
bege-
rig is om U te ontfangen.
O mijn Ziele! gy hebt nu zo vele jaren te vergeefs uwe
ruste gezocht, en
zo veel dwaalpaden in en uit gewan-
deld, gy behoorde zo zat en zo moe te zijn van die ydel-
heid, dat het u walgde zelf daar eens meer aan te geden-
ken, en met een vermoeide geest, ziel en lichaam u zelven
geheel
en al aan God over te geven, in een ernstige verlo-
chening van u zelve, in een sterk geloof, in een brandende
liefde, en in een vrolijke hoop op en tot God, met een
ware
onderwerping en hertelijke gehoorzaamheid:
Want daar alleen is ware
rust en verzadinge te vinden.
Daar zal 't oneindige zig opdoen, 't volmaakte zig ver-
tonen, en ewige goederen, bevrijd van verderf en mot, u in
den
schoot uws herten overvloedig ingestort worden.
Daar zal een
vrede, die alle verstand te boven gaat, u ver-
vullen, en alle uwe begeertens rusten, door een volkome
vergenoeginge van God en 't ewige gevonden te hebben.
Daar zal uwe
liefde verzadigd worden, door uit de fon-
teine der liefde gedurig te drinken. Daar zal vaste veiligheit
en
gewisse gerustheid op onwankelbare pylaren steunen.
O Ziele, ô Ziele! ô al te diergekochte Ziele! wat
weêrhoud u nog hier van? 't zijn ongestadige, verderfe-
lijke en pijnelijke driften, onversturve wilde gedachten
en
bewegingen, 't zijn vergankelijke, kortdurende en
quellende
vermakelijkheden; 't zijn schoonschijnende,
bedriegelijke dood-appelen:
Helaas! helaas! wat zal 't
einde hier van zijn? bitterder als bitter.
Keer weêr, keer
weêr, al lang genoeg met veel
schade te vergeefs gezocht.
Liefelijke Heer en Almachtige Koning! buig onze we-
derstrevende en stribbelende wil door uwe krachtige geest
eenmaal
onder uwe rechtvaerdige Scepter; op dat wy ont-
last worden van ons zelven en teftens van alle onrust, en
overgaan tot U, die ons alleen kond ruste geven. Wy
zijn des omzwervens
moede, en wenschen deel te heb-
ben aan de ruste van uw uitverkoren volk, hier en in ewig-
heid. Vergeef ons dat wy zo lang, met een gewaand ver-
maak, de dood voor 't leven, de zonden voor de gerech-
tigheid, de Bozen en ons zelven voor U, ô Algenoegsa-
me, gezocht hebben. Uwe barmhertigheden hebben geen
einde, dat Gy
ons ook nog op dit ogenblik tot U roept.
Gelooft, gelooft zy de Heere
in ewigheid. Dat alle Enge-
len den Heere prijzen, dat die reine Geesten Hem ver-
heerlijken, Die leeft en regeert gezegend zonder einde.
Amen.