
Houd dat gy hebt, op dat niemand uw krone en neme. Apoc. 3.11.
Als nu Jeschurun vet wierd, zo sloeg hy achter uit, en hy liet God varen, die hem gemaakt heeft, en versmade de Rotsteen zijnes heils. Deut. 32.15.
ALs 'er een mensch was, die byna alles wat 'er is tot
zijn vyanden had,
welke onophoudelijk toeleiden om
hem te verderven; en dat die mensch
zelf iets in zig had,
dat door bedrog en verlokking, garen met die
dood-vyan-
den tot zijn eigen verderf aanspande; zou de zodanige
niet met
grote vlijtigheid gedurig moeten oppassen en wá-
ken, indien hy niet overrompeld en gedood wilde zijn?
zou hy niet
met duizend ogen moeten toezien, en die nei-
ginge, die in hem was, om met zijn vyanden op d' een
of d'andere
wijs over een te stemmen, zeer verdacht hou-
den? zou hy niet in grote vreze en gedurige voorzichtig-
heid moeten wandelen, en op alles nauw letten, om toch
niet
onverhoeds overvallen te worden? zou hy niet trach-
ten de veelheid, de listen en doortraptheid van die vyan-
den te kennen, en wel degelijk overwegen de schade die
zy hem
zouden konnen toebrengen? en door wat wegen
en middelen hy hare lagen
zou konnen ontvlieden en te
boven komen? Gewisselijk ja.
Met een Christen ziele nu, of die tracht een Christen
te worden, is het
even zo gesteld. Alles wapend zich als
een held om die onnosele t'
overvallen en te doden. De
waereld met al wat 'er in is, zijn vleesch
met al zijn herts-
tochten en zinnen, de Duivel met alle zijn bedriegeryen
en uit-
en inwendige verzoekingen: alles wil hem aan de
aarde vastmaken en doen
zondigen, met zorg, met ver-
langen, met hoop en vreze vervullen; 't wil hem God
doen
vergeten, en gedurig doen denken op 't vergankelij-
ke; hem door tegenspoed wanhopig en onverduldig, en
door
voorspoed, hoogmoedig en wellustig maken, en met
grote bekommering,
voor 't geen het lichaam hier waant
van noden te hebben,
gedurig in de aardsche slavernyen
bezig houden.
In hem is 't onversturve vleesch, met zijn heimelijke
neigingen,
somtijds sterk tegen den geest gekant, en zou,
met al die vyanden,
wel wat vriendschap willen maken,
ja 't heeft menigmaal, al eerder als
men 't denkt, een be-
gin daar van gemaakt, en zou de ziele doodlijk wonden,
indien dat
verderflijk werk zo wat duurde.
Hoe nodig en overnodig is ons dan te betrachten,
't geen de getrouwe
Herder onzer zielen ons belast heeft,
Marc. 13.37.
Ach wat behoorden wy dan te waken! en malkander
't gene ik tot u zegge, zegge ik tot allen,
waakt.
daar toe te
vermanen, nadien het onze zielen anders voor
ewig zal moeten kosten. 't
Zijn geen geringe schatten,
die wy te bewaren hebben, maar ewige
ziele-schatten.
't Zijn geen laffe en onkundige vyanden en rovers die
daar
op loeren, maar onvermoeide en doortrapte: 't zal niet
een
ander in onze plaatse gelden, maar een iegelijk zijn
eigen ziele, die
waardiger is als duizend waerelden.
Gy hebt ons, Heere, zo veel toevertrout, zo veel scho-
ne tijd om ze wel te besteden tot uwe eere, zo veel goede
gelegenheid om U te konnen kennen, zo veel gezond-
heid om die tot uwen dienst te gebruiken, zo veel men-
schen, die met haar woorden en schriften, ons menigmaal
door uw
genade, het herte hebben geraakt, zo veel stich-
telijke voorbeelden, van Broeders en Zusters in den Hee-
re, zo groten overvloed van uw heilig Woord, zo veel in-
nerlijke werkingen van uwen goeden geest, die ons over-
tuigde, opwekte, vermaande, bestrafte, aanporde, sterk-
te en verquikte;
Hoe menigmaal hebt Gy uw liefelijke zon over ons
doen opgaan, hoe
dikmaal hebben wy spijs en drank, zo
vaderlijk en mildelijk, van uw
hand genoten. In veel pe-
rijkelen te water en te land, in stormen en ziekten, hebt
Gy ons
wonderlijk gered en bewaard, en menigmaal
meer gegeven als wy van U
begeerd hadden.
Ach onzen goeden Vader! hier danken wy U van herten
voor, en bidden U,
dat wy bequaamheid mogen hebben,
om wel te konnen waken over zo veel
aanvertrout goed,
op dat wy het al te samen wel bewaren, en tot winst
en
woeker voor uwen heiligen Naam getrouw aanleggen,
ten einde,
als Gy zult komen, om rekening te houden met
ons uwe dienstknechten, wy
ons Pontje en Talent op
twee mogten gebracht hebben.
Heere Almachtige God! die nooit en slaapt of sluimert,
waak Gy voor ons
en in ons, op dat wy met U en door U
mogen waken. Wy hebben zo menigen
hevigen aanval
onzer vyanden op onze zwakke ziele ondervonden, en
zo menige loze en listige bekruipingen, en 't behaagt U,
ten onzen
beste, dat die noch niet voor ewig zullen op-
houden.
Wel Allerbeminnelijxte en Liefelijxte! zijt doch aan
onze rechterhand,
op dat wy niet beweegt en worden,
maar, gewapend zijnde met uwe volle Wapenrustinge, staan
mogen in den bozen dag, en, alles verricht hebbende, staande
blijven.
En wy danken U, ô Allergoedertierenste! dat Gy ons
zo
menigmaal gesterkt hebt in onze diepe zwakheden;
't zijn uwe
barmhertigheden dat wy niet omgekomen en
zijn, en 't zullen uwe
barmhertigheden blijven waar door
wy staan moeten tot den einde, Heere!
Heere!