
Ende God schiep den Mensche na zijnen Beelde, na den Beelde Gods schiep Hy hem. Gen. 1.27.
Ten dage als God den Mensche schiep, maakte Hy hem na de gelijkenisse Gods. Gen. 5.1.
ALs de menschen zo vervallen en ontaard waren, dat
ze alle gezondigd
hadden, en de heerlijkheid Gods
derfden, zo wilde de Menschlievende
Vader niet dat
zijn dierbare schepselen, van Hem geschapen om zijn
kinderen te zijn, langer van Hem vervreemd zouden blij-
ven; maar Hy zond zijn eigen Zoon, op dat zy alle aan
Hem zouden
geloven, om niet gerechtvaerdigt worden
door de verlossinge in zijn
bloed, en bevrijd zijnde van
de vreze des doods door de hope des ewigen
en zaligen
levens, eindelijk tot het bezitten zelf van het ewige le-
ven, door de opstandinge uit de doden en de deelachtig
wording
der verheerlijkte lichamen, zouden overgaan.
Zou nu de mensch namaals tot dat vreedsaam, hemels
en heilig leven
konnen ingaan, zo moest in hem daar toe
een bequaamheid des herten
zijn: hy moest verlost zijn
van de verderfelijke eige wil, en gewillig
en diep gebogen
onder zijn Schepper zijn, nadien in dat hemelsch
konink-
rijk niet anders als de hoogste vrede en allerliefelijxte ver-
eeniging in ewigheid zijn zal. Hy moest ook vol liefde tot
God en
zijn even mensch zijn; en verlost van alle haat,
toorn, nijdigheid en
afgunstigheid, of anders zou het
geen lieffelijke en hemelsche
byeenwoning konnen uit-
maken, maar 't zou een hel zijn en poel van gruwelen, ge-
lijk het hier op aarde by de meeste alzo gevonden word.
En daar uit blijkt, hoe nodig het is, dat wy in dit leven
een goed begin
hier van maken, en uit al ons vermogen
arbeiden, om in die verniewinge
des gemoeds voor alle
dingen te vorderen, ten einde wy bequaam
worden om
by onzen God en Vader, en met Hem, ja door en in Hem
te
konnen leven, en alzo verandert te worden, van heer-
lijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren geest: Ge-
wisselijk, al wie op deze Rotse boud, zal niet wankelen in
ewigheid, nadien de reine van herten God zullen zien.
En warelijk, dat hemelsch leven hier al naby te komen,
is zeer
lieffelijk, want zal het hierna zalig en gelukkig zijn,
daar deel aan
te hebben, zo is hy hier de zaligste en geluk-
kigste, die daar nu het digste by is.
Maar, ô vyanden, ô vyanden van onze zaligheid! hoe
garen zoud gy ons wijs maken, dat het met ons na dit le-
ven wel zou zijn, schoon wy hier geen deel gehad had-
den in de noodsakelijke reinigheid des herten: dat wy
namaals met
heiligheid zouden bekleed worden, alhoe-
wel wy die hier niet hadden nagejaagt noch verkregen:
dat wy dan
vol liefde en vrede zouden gevonden worden,
daar wy hier in haat en
twist geleeft hadden: dat wy dan
God, het Lam, alle geheiligde,
rechtvaerdige en reine
geesten tot ons lief gezelschap zouden vinden en
ewig ge-
nieten, niet tegenstaande wy hier niet veel werk van haar
hadden
gemaakt.
O neen ô neen! de tijd van verandering des herten is nu
en
niet dan. Dan zal wel alles verhoogd, verheerlijkt, ge-
louterd en voor ewig vast en onbeweeglijk gemaakt wor-
den, buiten alle aandoening der vyanden; maar hier
moet dat ware
mostaart-zaatje van dien groten Boom al
gezaait zijn, en zijn wasdom,
zo als het in deze tijd van
God door zijnen Zoon ons geordonneert is,
bekomen
hebben: anders heeft de Heere gezegt: uit u en
worde geen
vrucht meer in ewigheid.
O zware sententie! waardig om van dit ogenblik zo
voor te vrezen, dat
wy, wetende die schrik des Heeren,
ons bewegen laten tot het gelove, en
door een ware ver-
niewing des herten onze zaligheid werken met vrezen
en met beven.
Laat ons nu arbeiden, om met Gods hulpe zodanige te
worden, als wy dan
zullen wenschen te zijn; laat ons
hier beginnen hemelsch te leven in
dit aardsche vleesch,
als Enoch, die met God wandelde; als Moses, die
zig
hield als ziende den Onzienelijken: als d'Apostelen en zo
veel
duizend vrome Christenen gedaan hebben, hier haar
selven bereidende, om
deel te konnen hebben in de Erve
der Heiligen in 't licht, door hier
deel te hebben aan hare
heilige gestalte des gemoeds.
Gewisselijk, uit zulk een grond welden die aangename
woorden: Ik hebbe begeerte om ontbonden te worden en met
Christus te zijn, want dat is zeer verre het beste: Ik heb den
goe
-
den strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik
heb 't geloof be
-
houden; voorts is my weggeleit de krone der
rechtvaerdigheid.
Den wille Gods gedaan te hebben, word
gevoegd met het
wegdragen der zalige beloften, en het zien Gods, met
het
najagen van vrede en heiligheid; ja de grondslag van Gods
koninkrijk, is Gerechtigheid: en die ten leven wil ingaan,
moet de
geboden houden.
Maar, om dat het den ontaarden en onversturven
mensch, zeer zwaar valt
deze dingen te behartigen, zo is
nodig, dat hy van de geboden, gebeden
maak, en den Hee-
re vurig en onophoudelijk bidde, dat het zijne goedheid
gelieve
krachten te geven, om den weg zijner geboden te
konnen lopen, en dat Hy
zelf ons herte doch wil louteren
en reinigen, verniewen en hermaken tot
een Tempel
zijns goeden Geestes, op dat Hy alzo in ons wone en wan-
dele, en wy met Hem in zijnen Zone Jesus Christus, ge-
meenschap hebben en houden in ewigheid.
O! dan zullen we navolgers Gods zijn, als geliefde
kinderen, en
volmaakt, gelijk onze hemelsche Vader vol-
maakt is.