
Een ding doe ik, vergetende het gene dat achter is, en strekkende my tot het gene dat voren is, jage ik na het wit tot den prijs der roepinge Gods, die van boven is in Christus Jesus, Phil. 3.14.
GElijk het den kinderen Israëls niet genoeg en was, om
in 't
land van beloften te komen, dat zy Egypten ver-
laten hadden, dewijl dat maar een begin was, om daar
heen
te geraken, zo is het ook niet genoeg voor onze zie-
le, hier-of daar om Gods wil iets verlaten te hebben, en
dan te
denken, dat het met het overige wel zal uitkomen:
O neen! dan zal onze
ziele maar in de woestijne, met het
ongelovige en trage
Israël, omkomen; zonder ooit een
voet in 't zalig land te
zetten.
Is het begin, volgens onze gedachten, voor onze zielen
heilzaam geweest,
laat ons voortvaren, 't midden zal
noch beter zijn, en 't einde
allerbest. De jaloersche en
yverige God, kan geen behagen hebben in
traagheid en laf-
hertigheid. Hy die volmaakt is, wil niet dat wy in de be-
ginselen zullen blijven rusten, maar, met zijn hulpe, tot
de
volmaaktheid voortvaren.
Als van den zaligen hemel geroepen word, dat wy al
nader zullen komen
tot dat heilig licht, zullen wy dan de
oren stoppen voor zo aangenamen
stemme, buiten welke
ons geen lieffelijker ooit kan in de oren klinken?
Dat ons
dit toch nooit gebeure!
Wanneer een allerliefhebbenste vader, zijn teder be-
mind kind uit een leeuwen kuil riep, daar het anders ge-
wisselijk zou verslonden worden, 't en ware dat het zich
daar
spoedig en zeer ver van daan maakte; en dat nu dit
kind weinig acht
gevende op zijns vaders roepen, zich ter
naauwer nood, na lang dralen,
even uit de kuil begaf, en
terstond voor de mond van 't hol gerust ging
nederzitten,
in duizend perijkelen, om eens schielijk overvallen
en
verscheurd te worden, wat zou dit voor 't vaderlijk herte
een
diepe droefheid zijn! Hoe rechtvaerdig zou ook het
kind in zijn eigen
schuld om komen, en niet te klagen
hebben, als over zich zelven, nadien
het, zo onophoude-
lijk gewaarschouwd, en zo vriendelijk geroepen, de min-
nelijke stemme zijns lieven vaders, veracht en verworpen
had?
En zo doen wy, als Gods oneindige liefde ons opwekt,
en blijft opwekken,
om het verscheurende moordnest der
zonden te verlaten, en wy
ondertusschen naauwelijx de
grofste zonden ontvloden zijnde, ons heel dichtjens op
den
oever der helle weder neder zetten; en wat onze Va-
der in onze conscientie roept, dat het daar niet zeer veilig
is
te rusten, wy echter geen gehoor en geven, maar liever
noch wat vermaak
nemen in 't vreeslijk aanschouwen
der verslindende menigte; daar wy met
een ewig afschei-
den, en angstig vlieden en vluchten, haar zo snel en ver
ontlopen
moesten, als wy immers konden; en zo wy 't
niet en doen, wie zullen wy
ons omkomen anders wijten
als ons zelven?
Ach! laat ons lopen en vlieden, zo ver wy konnen,
van alle quaad, en al
wat strijd voert tegen onze ziele.
Want hoe verder van de zonden, die
altijd met angst en
wroeginge loont, hoe nader aan de deugd, die de
ziele al-
tijd met goed en vreugde bekroont. Hoe verder van de
bedriegelijke en snode aarde, hoe nader aan de zalige he-
mel met al zijn heilige inwoonders. Hoe dieper in oot-
moed by ons zelven neêrgezonken, hoe hoger van God
uit
genade verhoogd, hoe nietiger en onwaardiger in on-
ze eigen ogen, hoe groter en aangenamer by God. Hoe
verder van
zich zelven afgescheiden, hoe dichter aan Hem
die alles in allen is.
Als de mensch eens rekenschap zou geven van de jaren,
die hy geleeft
heeft, na dat hy kennis van de Goddelijke
wil bekomen heeft; hoe zeer
hy gevordert is of niet, en
wat ondeugden hy nu al met wortel en tak
quijt is of niet?
wat godvruchtigheid hy verkregen heeft, en hoe ver
hy
daar al in gekomen is: hoe vreemd en afgesturven hy zijn
zelven
is: en hoe eigen hem de deugd en 't goddelijk leven
al geworden is: hoe
't geloof is toegenomen: of in tegen-
deel, hoe eigen hem noch de ondeugd en 't ongoddelijke
leven is.
Hoe hy noch in zijn eigen wil staat, en in 't on-
geloof of klein geloof; zo is te vrezen, dat sommigen van
ons
niet veel voortgang ten goeden, maar veel achter-
waards gaan ten quaden zouden bevinden, en dat de ern-
stige voortgangers en toenemers in 't goede, zeer weinig
zouden zijn; daar wy alle nochtans, wegens tijd en ga-
ven, zeer verre in 't goede moesten gevorderd zijn.
Wat staat ons dan nu anders te doen, als de trage han-
den en slappe knieën, in alle ernst weder op te rechten?
en
een rechten loop met onze voeten te doen, op dat het ge-
ne kreupel is niet verdraaid, maar veel eer genezen wor-
de. Onze goede Vader geeft ons ook noch tijd om yverig
en ernstig
te worden, ja Hy geeft ons den tijd nergens an-
ders toe: Ach! of wy dit wel begrepen! Hoe zouden wy
ze ook enkel
hier toe, als tot zijn uiterst einde, besteden.
O! dat wy toch niet te
laat en wenschen om een jaartje
en een maandje levens, 't geen zo menig
mensch al te laat
is overgekomen.
Zeker persoon, die zijn tijd in ydele dingen doorbracht,
als hy daar
over aangesproken wierd, gaf tot antwoord:
Wat zou men met zijn tijd doen, men moet immers wat tijdver
-
drijf hebben, de tijd is anders zo lang. Maar kort daar
na
van de Heere in 't ziek-bedde geworpen, en in die ziekte
zeer
weinig by zijn verstand zijnde, zo quam een Lee-
raar by hem, en als 'er een gebed zou gedaan worden,
zeide de
zieke (die toen voor een kort tijdje zijn verstand
weder had) maak het kort, want ik heb geen tijd, voelende
dat
zijn verstand weder haast zou weg gaan, gelijk ge-
beurde, want naaulijx het Vader onze gebeden zijnde,
zo was hy
weder buiten kennis, en sturf alzo henen.
O! hoe kostelijk was hem toen de tijd! toen was ze
niet te lang, toen
wist men wel wat men 'er mede doen
zoude, namelijk, bidden. En wie weet
hoe menig
mensch dit wel overkomt, die de schone tijd nu, in
plaats
van ze, om in 't goede toe te nemen, te besteden, zo
jammerlijk in d'ydelheid doorbrengt. De Heere verhoe-
de ons dit! Maar laat ons ook wel toezien, om het met
Gods hulpe
zelf te verhoeden.