
Maakt u op en gaat henen; want dit land en zal de ruste niet zijn: om dat het verontreinigd is, Mich. 2.10.
EEn zaad dat droog op de zolder bewaard word, en zal
geen Blom of ander
Zaad voortbrengen, 't en zy dat
het door versterving in d'aarde, zijn
eerste uitwendige we-
zen verlieze; door welk verliezen de onzienelijke verbor-
ge kracht des zaads zich vertoond, en levendig geworden
zijnde,
onder den zegen van zonneschijn en regen, opwast
uit de aarde na den
hemel, en so schonen vrucht te voor-
schijn brengt, als de wijze en goede Schepper daar uit ge-
ordonneert heeft te zullen verschijnen, en onze ogen zo
menigmaal
gezien hebben.
Even zo is het met den mensch, zo lang hy op zijn zel-
ven blijft, in zijn eigen natuurlijke en aardsche wil, zo kan
in
hem die schone, geestelijke en goddelijke vrucht van
het lieffelijke
nieuwe schepsel niet te voorschijn komen,
noch uitspruiten, alhoewel de
verborge kracht Gods, tot
zulx al in het gemoed des menschen opgesloten
legt.
Maar, komt dat mostaart-zaadje eens van zijn eigenwil
af te staan, en
kan het door Gods genade resolveren, om in
den vrugtbaren akker van
verlooghening zijns zelfs te val-
len, zo komt daar haast een ander wezen te voorschijn;
namelijk,
een lieffelijk, groenend, goddelijk spruitje, be-
lovende volkome vrucht van de heerlijke Wedergeboor-
te; en dagelijx bedoud wordende van de gunstrijke he-
mel, en beschenen van de nooit ondergaande zonne des
Heeren der
heerlijkheid, zo wast het gedurig op, en
word groter en sterker, maar
't neemt ook met eenen, hoe
langer hoe meer af, in opzicht van zijn
eerste uitwendige
grove wezen, 't welk eindeling geheel versterft en
ver-
gaat, tot dat er niets meer van te vinden en zy, en dus
groeit
het op tot de volkomen wasdom en rijpheid, bren-
gende zeer schone, aangename, en overvloedige vruch-
ten te voorschijn: vruchten van een sterk geloof en ver-
trouwen: vruchten van een ongeveinsde en brandende
liefde, en van
een zeer levendige en vrolijke hope, waar-
door het wel honderd en duizendfout beloond word, voor
't
verliezen en afgaan van zijn zelven.
En daarom behoorde de mensch met al zijn kennis en
krachten, zo veel
mogelijk was, van zich zelven uit te
gaan, en na God en zijn heilige
wille, zo als Hy ons die
genadelijk in zijn woord geopenbaart heeft,
toe te neigen
en heen te gaan, en niet te ontzien zijn eerste quade
we-
zen, al was het op een zeer smertelijke en pijnelijke wij-
ze, te verlaten, om dat toch anders van ons geen goede
vrucht in
ewigheid kan te voorschijn komen.
O weige Konink! die gezegt hebt:
Voorwaar, voorwaar, indien het tarwe-graan in de aarde
niet en valt ende sterft, zo blijft het zelve alleen: maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht
voort. Die zijn leven lief heeft zal het zelve verliezen: en die
zijn leven baat in deze waereld, zal het zelve bewaren tot het
ewige leven,
Joh. 12.24, 25.
Kom ons te hulp; want
daar is ons menschen niet eigender, als
ons zelven aan al-
les te leven, aan goed en aan quaad, aan meê en aan te-
gen, aan geestelijke en aan naturelijke dingen.
Help ons, Heere! en verlos ons van ons zelven geheel
en al. Want als Gy
ons door uwe genade, al verlost hebt
van dat grove en boze leven in de
zonden en ongerechtig-
heid, en overgebracht hebt, na een zekere mate, tot het
leven in
het goede, zo zou onze schalke en altijd-zich-zel-
ven-zoekende natuur, op een heimelijke wijze, zich wel
weder hier
in willen openbaren, door zo veel bedekte
wegen en liftige strikken.
En derhalven, ô Herder onzer zielen! zo behoed en be-
waar ons voor ons zelven, op dat wy U doch in alles op-
rechtelijk en eenvoudig mogen leven, en Gy alzo, in een
ewig
afsterven onzes zelfs, ons eenig en ewig leven word.
Dan zullen wy eerst weten wat het te zeggen is:
Indien
dan de Zone u zal vry gemaakt hebben, zo zult gy
waarlijk vry zijn,
Joh. 8.36.
En wederom:
Dat Gy voor alle gestorven zijt, op dat de genen die
leven, niet meer haar zelven en zouden leven, maar Dien die voor
haar gestorven en opgewekt is,
2 Cor. 5.15.
Allerliefste Heere Jesus! mochten wy door uwe goed-
heid tot die stand eens komen! zy is zo beminnelijk, en zo
lieffelijk, en 't is zulken levendigen schets van 't hemel-
sche leven, daar men niet anders zal konnen, als geheel en
al
voor uwen Vader, en voor U leven: En volgens die
weinige ondervindinge,
die wy daar van hebben, zo kon-
nen wy wel begrijpen, dat in U en uwen Vader onder-
worpen te zijn, al des menschen heil en zaligheid gelegen
is; om
dat dan alle quaad, dat is, al des menschen eigen
en vleeschelijke wil
rust, die nooit anders als quaad kan
zijn, en 't eenige quaad is, en
dat op dat rusten en stil zijn,
uw goddelijk werk, vol zegenrijke
stromen van allerhan-
de zaligheden en heil, in en op sodanigen ziele moeten
nederdalen; nadien het uwe lust is wel te doen, en U zel-
ven, met alle die des ontfankelijk zijn, gemeen te maken.
In
welke gemeenzaamheid (ô Fonteine des levens!) het
ware leven
des menschen is.
Wy hopen dan op uwe goedheid, dat ook ons dit wa-
re leven, noch eenmaal genadelijk zal worden geschon-
ken, en wy met alle Heiligen (onder haar een geringst
lidje maar
zijnde van dat grote en heerlijke lichaam) U
worden toegevoegt, om ewig
uwen hogen en heiligen lof
te zingen, met alle hemelsche heirscharen,
voor alle uwe
weldaden aan ons bewezen, en inzonderheid voor de te-
genwoordige weldaad, die dan op zulk een levendigen
wijze zal
genoten worden, en daar uit niet anders als
verheerlijken en loven zal
konnen ontspringen: O Heere!
laat ons toch dit zalig einde, door uwe
grote barmhertig-
heid bereiken. Amen.