
Leert my, Heere, uwen weg, ik zal in uwe waarheid wandelen, Psal. 86.11.
Ik hebbe mijne voeten geweert van alle quade paden, op dat ik uw woord zoude onderhouden, Psal. 119.101.
Ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe rechten hebbe ik my voorgesteld, Psal. 119.30.
't ZAl altijd waarheid bevonden worden 't geen onzen
Heiland zeide, dat
'er weinige waren, die den smal-
len weg des levens vonden. Ende of de genen, die ze al
vinden,
noch niet veeltijds te rug keren, of stil blijven
staan, is zeer te
beduchten: want dewijl de afpaden zo
veel zijn, de listen der vyanden
zo menigvuldig en sub-
tiel, en ons gemoed zeer lichtelijk uit sijn ernst min of
meer
wat kan geraken, zo gebeurd het niet zelden, dat de
beginselen tot
verslappinge in 't herte gezaait worden.
Ende onder alle de hinderpalen en grond-oorsaken,
waar door iemand, die
wel begonnen heeft, wederom
afdwaalt, en is geen van de geringste, dat
wy ons best niet
genoeg en doen om te volharden: wy willen dien schat
al
te goeden koop hebben, en 't en lust ons niet op alle tijden
en
plaatsen de zelfde te zijn.
Dit is een gemeen gebrek, en daarom komt 'er zo zel-
den iemand tot het rechte einde: want indien wy alle on-
ze naerstigheid aanwenden, en door klein verstand al wat
omgingen, wy zouden noch al eindelijk weder op den
rechten weg komen,
en haar zalig einde bereiken.
Want door dat kloek en vlijtig oppassen, t'allen tijden
en plaatsen, zou
noodsakelijk onze quade en zondige na-
tuur onderdrukt worden, en ten laatsten versterven; en
over zulx,
de geest met gemak over 't vleesch d'overhand
behouden: ook zou God
ontwijffelijk, om die getrou-
heids wille, helpen en genade geven, om boven alle be-
letselen te komen.
Maar helaas! hier zijn wy byna alle gebrekkelijk, om
dat wy noch
al te veel, met de verkeerde en dwaze liefde
onzes zelfs bezeten zijn,
en daarom ons ontzien te doen,
't geen wy weten, dat voorgaan moet, om
standvastig te
volharden; of ook, om dat wy, onkundig zijnde van
de
dingen, niet en meinen, dat 'er zulk een naauwen waar-
nemen sijns zelfs verëischt word, eer men ten einde kan
komen.
En voorwaar, 't is een mensch qualijk wijs te maken,
wat 'er al door te
gaan en door te staan is, 't en zy hy zelve
den weg gegaan heeft: hy en
kan niet begrijpen, dat 'er
zulk een geheelheid sijns zelfs, en zo
groten gedurigheid
en gestadigheid, zonder eenig onderlaten, vereischt
word.
Wy lezen het wel in 't Evangelium, en 't word ons daar
klaar
genoeg gezeid, maar wy nemen den weg al korter
en gemakkelijker: want
de gelijkenis van een koopman
die schone paerlen zocht; van de schat in
den akker, en
't geen de Heere gezegt heeft, Die niet
alles en verlaat, en
kan mijn discipel niet zijn, en by gevolg ook niet op
den
goeden weg volharden: dat al te samen leerd zeer klaar
dat
hier alles moet overgegeven worden.
Hierom is 'er grote ernst, waken, vasten, bidden, strij-
den en kampen van noden, en voor al, de hulpe Gods,
zullen wy
komen, daar wy garen waren.
En wat zal het ook doch anders met ons wezen? De
lusten, die ons de
dwaalwegen deden wandelen, zullen
vergaan; de knaging en wroeging zal
blijven. De vreugde
der zonden zal kort en gering zijn, de straffe
langdurig en
zwaar. De vreze voor de dood zal ons gedurig op de hie-
len volgen, en wy zullen ze niet konnen ontvlieden. De
oordelen
Gods zullen ons treffen, en menigmaal als het te
laat is.
O dat wy wijs waren! wy zouden dit vernemen, wy zouden op ons einde merken, Deut. 32.29.
Ons is heden voorgesteld het leven, ende het goede; ende de dood, en het quade. Den zegen en den vloek. Den zegen: wanneer my horen zullen na de geboden des Heeren onzes Gods: Maar den vloek, zo wy niet horen en zullen
na de geboden des Heeren onzes Gods, en afwijken van de wegen, die Hy ons heeft geboden, Deuteron. 11.26, 27, 28. en cap. 30.15.
Laat David dan en alle andere Heiligen ons opwekken
om in de wegen des
Heeren te wandelen. Hoe vermaken
zy haar daar in! hoe prijzen zy die!
en wat zoetigheid be-
tuigen zy niet daar in gevonden te hebben! zeggende:
Ik ben vrolijker in den weg uwer getuigenissen, als
over allen Rijkdom,
Psal. 119.14.
Doet my treden op het pad uwer geboden: want daar in
heb ik lust,
v. 35.
De barmhertige en milde Gever alles goeds, geve ons
alle door een ware
vurigheid des geests, dat wy nooit ver-
slappen, of moede worden in sijn heiligen dienst; dat wy
nooit
den weg sijner geboden verlaten; dat wy alle afpa-
den schuwen en vlieden, en alzo eindelijk Hem vinden,
Hem
genieten, en ewiglijk behouden. Amen.
Niet om den zwaren weg, blijft onze reis ooit naar:
Maar wan-lust in de
reis, maakt 's Heeren Wegen zwaar.