
Wy moeten niet meer kinderen zijn, die als de Vloed beweegd en omgevoerd werden met alle wind der Lere, door de bedriegerye der menschen, door arglistigheid om listelijk tot dwalinge te brengen: maar de waarheid betrachtende in liefde, allesins opwassen in Hem die ons Hoofd is, [namelijk] Chistus, Eph. 4.14, 15.
AL wat jong en teer is, word lichtelijk gequetst en ge-
broken, en zo is 't ook met een mensch, die eerst uit
het vleesch
en de waereld begint uit te breken; sijn goed
en heilig voornemen is
wel, om in alles sich na den wille
Gods te schikken, en die ernstig te
beleven, maar het ont-
schiet hem noch zo licht hier of daar wat. Hy is die ma-
niere van leven zo ongewoon, en 't oude wil zo garen
weêr eens boven komen; ja hy bevind sich noch zo on-
vast en swak, als een Water dat zonder Dijken legt, 't welk
zeer
lichtelijk, door de minste Wind of Storm aan alle kan-
ten kan uitvloeijen, tot dat het een diepte in de aarde be-
komen heeft, waar in het besloten blijft.
Ende daarom moet een beginnend mensch, insonder-
heid sijn krachten der zielen, met alle mogelijke naerstig-
heid, waarnemen, en by een houden, tot dat zy in sijn
herte, als
in een diepte, vergaderd worden, en voorts aan
blijven rusten.
En niemand, dien het recht ernst is, en behoeft al te
verbaast en
verschrikt te wezen, al moet het hem veel ar-
beid en moeiten kosten, en al bevind hy, dat het hem zeer
swaar
valt, ja dat hy somwijlen struikelt en valt. Hy moet
maar
weêr kloekelijk opstaan, en voortgaan, al viel hy
menigmaal,
en niet denken van te blijven leggen, of dat
hy met Gods hulpe niet
sterker zou konnen worden.
Want gelijk een klein kindje, niet zonder struikelen
en vallen, een
volwassen mensch word, zo gaat het ook
met een ernstig beginnend
Christen, dien mede niet zel-
den zulx ontmoet, doch met de tijd moet hy toenemen,
en worden 't
geen hy te voren niet en was.
En gelijk een kindje, gevallen zijnde, schreiden weent
om opgeholpen te
zijn, en niet ophoud van wenen, tot
dat het weder opgeholpen is, en
daar henen loopt, zo
moet ook onze ziele doen tot God, als wy gevallen
leg-
gen; en eindelijk zullen wy sterker en voorzichtiger wor-
den, en door Gods kracht konnen staande blijven, zelfs
op
hobbelachtige en slimme wegen.
En dit eischt de Heere van ons, dat wy niet meer kin-
deren en zouden zijn, die als de vloed beweegd en omge-
voert worden met alle wind der lere, en met alle voor-
vallen; maar dat wy opwassen zouden aan Hem, die ons
Hoofd is,
Jesus Christus.
Laat het ons dan niet verdrieten in de beginselen wat te
sukkelen,
schoon wy ons ernstig trachten te dragen. Zon-
der begin en is 'er geen einde, zonder strijd geen overwin-
ninge, en zonder overwinninge geen kroon.
Een vrouwe, als haar ure gekomen is, heeft droefheid,
maar wanneer zy
het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt
zy de benaautheid niet meer, om
de blijdschap dat 'er een
mensche ter waereld geboren is. Dan heeft zy
haar ge-
noegen en vreugde in dat kindeken.
En zo zal 't u ook gaan, ô bange en benaude zielen!
die tot de
wedergeboorte en de voortbrenginge van het
niewe schepsel arbeid met
veel angst, wee en droefheid
over uwe zonden, om daar van verlost te
worden, en met
veel strijd en stribbeling om den wille Gods te doen en
te
lijden. Als uwe lieffelijke vrucht daar is, zult gy 'er u
meer
in verheugen als in zonen en in dochteren. Uwe
droefheid zal in
blijdschap, en uwe angst en wee in vrede
en vrolijkheid veranderd
worden.
Heeft een liefhebbende Moeder zo veel onuitblusselij-
ke genegendheid tot haar niew geboren kindje, dat ze haar
niet en
ontsiet, nacht en dag daar meê te hobben en te
tobben, om het
te voeden en wel te doen; laat ons geen
minder zucht dragen tot het
voortreffelijke Beginsel van
ons wedergeboren gemoed, om dat wel te
koesteren en
zeer zorgvuldig op te queken, en niet te ontsien,
wat zorg
en moeite daar ook aan vast is.
Is een Moeder zo bedroeft, als haar kindje eenig ge-
brek heeft of overkomt, (daar dat gebrek menigmaal al
zo
voordelig als schadelijk voor des kinds zaligheid is,)
wat behoorden wy
dan niet bedroeft en ontroerd te zijn,
als we gewaar wierden, dat ons
niewe schepsel eenig let-
sel of eenige mismaaktheid had, waar door wy zekerlijk
gevaar
lopen, van in Gods ogen ongevallig te zijn, en ver-
worpen te worden.
Zoekt en tracht een Moeder door alle middelen van
medicijnen en anders,
dat gebrek tegen te gaan en te gene-
zen, schoon ze daar veel geld en moeiten toe moet aan-
wenden: hoe moesten wy dan in zulk een geval, onze
geestelijke
Medicijn-meester, Jesus Christus zoeken, en
gewillig zijn, om sijne
gewisselijk-helpende Medicamen-
ten in te nemen, en ons gebrek door Hem te laten gene-
zen.
Ach! laat toch de liefde, zorge en moeite van een Moe-
der voor haar kind, de liefde en bekommering, die wy
voor onze
zielen moeten hebben, niet overtreffen. En zo
wy dit doen, 't is
vastelijk te geloven, dat wy na den geest
door Gods zegen, zullen
opwassen en toenemen, en ein-
delijk, na veel sukkelen, de ware Wedergeboorte beko-
men, met sijn volkomen rijpheid en ouderdom.
O allerheerlijxte vrucht! en allerschoonste geboorte!
daar het Beeld
Gods in den Mensch te voorschijn komt!
Gy zijt waardig boven alles
bemind te worden! nadien de
ewige God uw Vader is, en het heilige en
hemelsche Je-
rusalem, dat boven is, uwe Moeder!
Dat men dan maar arbeide om met de Goddelijke ge-
nade alles uit en door te staan; 't is toch om een heilige en
reine ziele, om een ewig, oneindig en zalig leven te doen,
om God te
zien, om met Christus gemeenschap te heb-
ben, en om met alle Heiligen en Rechtvaerdigen, by God
in 't
zalig licht, ewig te wonen.