
Och dat my iemand vleugelen, als eener duive, gave! ik zoude henen vliegen, waar ik blijven mogte. Ziet ik zoude verre weg zwerven: ik zoude haasten dat ik ontquame, Psal. 55.7, 8, 9.
AL wie den Heere volgens d'inhoud van 't Evange-
lium dienen wil, zal wel haast gewaar worden hoe no-
dig hem d'Opgetogendheid zy, als waar door hy sich be-
vind in een zekere soort van onaankleeflijkheid aan de
schepselen, in een gemakkelijkheid en vaerdigheid om
sijn gemoed op
geestelijke voorwerpsels te kunnen vesten,
en bequaam om daar een tijd
lang in te konnen volharden.
En dewijl de goederen van een
Christen geestelijk zijn, als
daar is de gevoelige gunste Gods, sijn
liefde, vrede, ver-
troosting, sijn sterkte inwendig, de hoop, de toeneminge
in de
kennis van de Goddelijke wil, en de verborgendheid
van 't Evangelium,
het smaken van de krachten der toe-
komende eeu, de beloften van d'opstanding uit den doden
en 't
ewige zalige leven, zo gevoeld hy wel dat, als 't ge-
moed gedurig met aardsche lust en beelden vervuld is, alle
deze
dingen zeer weinig kracht op hem hebben, en flaau-
we indruksels in sijn herte overlaten.
Maar hoe hy in d'Opgetogendheid gestadiger is, hoe
ook alle deze
treffelijke dingen nader en klaarder voor sijn
geest komen, waar door
sijn herte in groter liefde tot deze
ziele-schatten als dan ontfonkt
word, en opgewekt in een
ernstige lust, om die te verkrijgen, met
nevens-gaande die-
pe verwondering en hertelijke dankbaarheid over dit alles
aan den
milden Gever: En daarom is ons geboden te zoe
-
ken dat daar boven is, daar Christus is zittende ter
rechterhand
Gods, te smaken dat hemelsch is, en niet dat aardsch is, onzen
wandel in den hemel te hebben, en den Heere aan te hangen.
Deze Opgetogendheid nu bestaat in een herte te hebben,
dat een ware
genegendheid heeft tot alle de genoemde din-
gen, voelende in sich een ware kleinachting of verachting
omtrent
alles wat vergankelijk is, ontstaande uit de ken-
nis van 't grote onderscheid tusschen 't eene en 't andere;
welk
herte dan na gelegendheid en ontfangen krach-
ten, sich afkeert van 't eene en toekeert en ophest tot
het
andere, ja somtijds door Gods genade, op zulk
een levendige wijze, dat
het voor een tijd al 't ver-
gankelijke kan vergeten, als of het niet meer en was,
en sich
vind overgegaan en geheel opgeheven tot het
onvergankelijke, en dan met
waarheid uitroept, 't is my
goed na by God te zijn, ik stelle mijn vertrouwen op den Heere,
Heere, om alle sijne werken te vertellen; wien heb ik neffens U
in
den hemel? neffens U en lust my ook niet op de aarde.
Hier door word het gemoed dan krachtig gevoed, de
hertstochten
gelouterd, en 't herte meer en meer gehei-
ligd tot een Tempel des heiligen Geests. Hier door word
de
eigen-will' verslonden, de gehoorzaamheid volmaak-
ter, de kennisse klaarder, en alles heiliger en heerlijker.
De middelen nu hier toe noodsakelijk, zijn van de zijde
des menschen, zo
veel hy kan door Gods genade, de naer-
stige bewaringe der uitwendige zinnen, de matigheid, de
lijdsaamheid, de zachtmoedigheid, de bedachtsaamheid,
de stilte der
gedachten en tonge, d'ootmoedigheid, de vre-
de des herten, de vergenoegsaamheid, d'eenzaamheid,
't gebed en
de dankbaarheid; welke alle, door Gods zegen
bekrachtigt, den mensch in
een diepe aandacht stellen, zo
dat hy in een zeker NU, of gedurige
tegenwoordigheid
begind te leven, zonder gelijk voor heen, by na niet
als in
't onherroepelijk gepasseerde, ofin 't onzekere toekomen-
de met sijn gedachten bezig te zijn.
Door welke tegenwoordigheid de mensch als t'huis is,
en het kloppen aan
de deure sijns herten, horen kan, om
dien lieffelijk-kloppenden
Heiland, in te laten, en alzo
avondmaal te houden met dien zaligen
Zaligmaker.
En hier op volgen dan, na dat het de Heere gelieft te ge-
ven, van Godes zijde, die uitnemenste opgetogendheden
en
verrukkingen, waar door de Heere verheerlijkt word,
die te prijzen is
in ewigheid.
Doch schoon men deze stand hier al, voor een groot ge-
deelte, mogt bereikt hebben, zo kan men die zo lichtelijk
door
slofheid wederom wat verliezen, en eindelijk, door
niet ernstig te
waken, en in vrezen en beven voor den
Heere te wandelen, wel geheel
quijt worden.
Want de aarde legt ons zo na, 't minste dat het herte
daar van in neemt,
kan een oorzaak zijn van verslapping, en
ons onbequaam maken, om ons
herte in vryheid tot God
op te heffen. Ons vleesch wil zo garen ook
sijn deel hier
wat zoeken. De tijdelijke noodruftigheden en zorgen;
de
menschen en haar ommegang, dringen somtijds sterk aan,
om ons
van d'opgetogenheid af te trekken.
Maar, ô Heere Jesus Christus! onze Rotsteen en onze
Borgt!
onze Schild op welke wy vertrouwen! tot U is on-
ze toevlucht in onze grote nood, en in zo vele aanvallen
onzer
Vyanden. Ach Heere! dat niet onze vyanden en
zeggen: Wy
hebben haar overwonnen, en onze geestelijke te-
genpartyders sich verheugen, wanneer wy zouden wanke-
len. Dat veel eer uwe weldadigheden wonderlijk over ons-
worden, als Gy ons bewaart als het zwart des ogen-ap-
pels, en ons verbergt onder de schaduwe uwer vleugelen.
Laat uw goede Geest ons sterken, om d'opgetogendheid
lief te hebben, en
die wel te konnen beôeffenen; om me-
nigmaal met onzen geest by U te zijn, en te smaken dat
Gy, Heere!
vriendelijk zijt. Om het vergankelijke wat
te vergeten, en 't
onvergankelijke te naderen; en alzo, ge-
trouwe Zaligmaker! te ondervinden dat Gy gezegend,
ook onze
Zaligmaker zijt, die, schoon wy hier in 't lig-
haam noch omzwerven, ons Vaderland echter al nader
komen, en
dagelijx toenemen, in onze koers, door uwe
goedheid, derwaarts heen te
wenden.
Ach mogt dit zijn! mogten onze zielen zo veel genade
genieten, dat wy
enkel een ding van den Heere begeer-
den, en dat zo zochten, dat wy het ook gewisselijk ver-
kregen, namelijk,
Dat wy alle de dagen onzes levens in opgetogendheid
mogten wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des
Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in sijnen Tempel,
Psal. 28.4.
Dan zouden onze zielen als met smeer en vettigheid
verzadigd worden, en onze monden zouden U roemen met vrolijk
zingende lippen,
Psal. 63 6.
De alleen goede God, geve ons genadelijk, dat wy hier
aan deel mogen
hebben, en dat alzo sijn Koninkrijk van
gerechtigheid, vrede en
blijdschap door sijnen Geest, in
ons opgerecht worde, om daar door
verzekert te zijn, dat
het Koninkrijk van ewige zaligheid, ons heerlijk
lot,
met alle Heiligen, hier namaals zijn zal. Amen.