
By U, ô God! is de Fonteine des levens; in uw Ligt zien wy het Ligt, Psal. 36.10.
Jesus zeide: Ik bet het Ligt der waereld: die My volgt, en zal in de duisternisse niet wandelen, maar zal het Ligt des Levens hebben, Joh. 8.12.
NAdien de Heere onze God, door sijn ondoorgronde-
lijke goedheid, sich zo garen gemeen maakt aan de
ziele des
menschen, die in een levendig geloof en liefde
tot Hem komt, ja sich zo
weinig onthoud van de zoda-
nigen, als de Zonne kan nalaten hare Stralen in de open
en klare
Lucht te schieten, of een vloeijend Water, te
lopen in een Vat dat
recht onder de vloed staat, of de Lugt
te vervullen, den genen die haar
den Mond opend, en
daar door die in sich trekt; volgens zo vele
getuigenissen
der H. Schrift; zie
Psal. 25.12, 14.
Wie is de man, die den Heere vreest? Hy zal hem
onderwijzen in den Weg die hy zal hebben te verkiezen. De
verborgendheid des Heeren is voor de genen die Hem vrezen; ende
sijn verbond om hen die bekent te maken.
Psal. 84.12.
God de Heere is een Zonne ende schild, de Heere zal
genade en eere geven: Hy zal het goede niet onthouden den genen,
die in oprechtigheid mandelen.
Derhalven zo moet het gewisselijk volgen, als de ziele
de genade, het
gevoelen en de vertroostinge Gods, niet
met 'er tijd, in een zekere
mate, volgens 't believen Gods,
gewaar en word, dat 'er dan gebrek van
geloof, liefde, ge-
hoorzaamheid, of gelatenheid de oorzaak van zy, die, als
een Wolk
of Nevel voor de Zon, belet dat 'er Stralen niet
neder konnen schieten;
en daarom mag niemand iets an-
ders, als alleen sich zelven, de schuld geven van deze Dui-
sternisse, maar hy moet oprechtelijk onderzoeken, waar
de oorzake
zit, die hem zo aangename en lieffelijke liefde
Gods doet derven; en hy
dient ernstig daar na te staan,
om met de hulpe Gods, die oorsaken weg
te doen,
of anders gedenken, hoe ellendig de staat sijner ziele
zy, in zulk een jammerlijke afgescheidenheid van
God; en met eenen, hoe
hy zelf daar de oorsaak van
is, als een die sijn Venster sluit voor de
aangename
Zon des hemels, en daarom in ellendige
duisternisse
blijft; als een die sijn Vat gestopt houd in den
algemeenen
Watervloed, en derhalven groten dorst lijd; als een die
sijn
Mond sluit voor de Lucht, en uit die oorsaak in veel ban-
gigheid leeft.
En men behoorde geen ander teken van den staat sijner
ziele te begeren,
om te weten hoe het met ons gelegen is,
en vast te stellen, als ons
zulke duisternissen ontmoeten,
dat wy dan met ongeregelde liefde onzes
zelfs, of der
schepselen, bezeten zijn, en dat minder of meerder,
na
dat wy de geestelijke Zonne, of veel of weinig genieten:
even
gelijk iemand merkt, dat het venster minder of meer-
der toe is, na mate dat hy op den klaren middag, het Licht
min of
meerder, in sijn kamer gewaar word.
En dit is een kort en klaar teken, en onzer velen be-
hoorden met recht beschaamt te worden, die nooit of zel-
den de nabyheid en vriendelijke ontmoetingen Gods ge-
waar worden, daar dat nochtans het gene is daar wy alle
toe
moesten komen.
En wy mogen ons zelven wel vragen: of wy ooit in op-
rechtigheid en gelatenheid, ons aan den Heere geheel heb-
ben overgegeven, en niet terstond ook enigsins sijn gunsti-
ge liefde-stralen, zijn gewaar geworden? gewisselijk, wy
zullen
moeten getuigen, dat ons die op d'overgifte gevolgt
zijn, als de
schaduwe het lighaam, en dat wy nooit sijn
vriendelijk aanschijn hebben
moeten derven, dan wan-
neer wy zelf door overtredinge, ons van God vervreemd
hadden.
Daarom is 'er al voor zo vele jaren gezegt; O
Israël! uw verderf is uit u. En wy mogen, noch
konnen de
schuld, en ware oorsaak van duisternisse en ontrekkinge
der genade Gods, niemand wijten, als ons zelven.
Want de Heere onze God, en kan sich, volgens sijn
liefhebbenden aard,
niet onthouden van sijn schepsel wel
te doen, als maar het schepsel
sich zo aanstelt, dat het wel
gedaan kan worden, en dat het Gods
weldaden niet van
sich weert en wegwerpt.
En nadien wy alle, dit zo menigmaal onvoorzichtelijk
gedaan hebben, en
dat wy echter moeten getuigen, dat
Gods Liefde-zon daarom sich niet
geheel en heeft ontrok-
ken, noch ons in onze eigen-veroorsaakte duisternissen la-
ten zitten, 't welk Hy zo rechtvaerdig hadde konnen doen,
maar
ons sijn lieffelijke Dageraad, en d'aangename Stra-
len sijner goedertierenheid al wederom heeft laten aan-
breken, en ons zo onophoudelijk genodigt, dat wy, als
kinderen
des Lichts, in sijn Licht zouden wandelen, zo
zijn wy door zulk een
overgrote lankmoedigheid, en on-
uitsprekelijke goedheid, zo krachtig en zo sterk over-
tuigt van deze waarheid, dat ons niets klaarder is als dit;
en
met enen, zo dient het ons tot een allersterkste beweeg-
reden, om daar na te staan, dat wy eens tot dien wensche-
lijken stand mogten komen, dat wy ons zelven nooit meer
in de weg
en stonden, en ons door overtredingen en zon-
den van dat alverquikkende en heilige Licht Gods voort-
aan nimmer en beroofden. Dan zouden wy niet alleen
een dubbelden
Dag, maar een ewigen en altijd-durenden
hebben.
Dan zou onze Zonne niet meer ondergaan, en onze Mane en zou haar licht niet intrekken; want de Heere zou ons tot een ewig licht wezen, en de dagen onzer treuringe zouden een einde nemen, Esai 60.20.
O ewige God! en eenig licht onzer ogen! bestraal ons
duister gemoed, en
geef ons in uw aangenaam dag licht te
wandelen, waar in wy U, ons
zelven en de schepselen,
eerst recht beschouwen konnen,
Want by U is de fonteine des levens, in uw licht zien
wy het Licht,
Psal. 36.10.
Op dat wy
van alle duisterheid des herten verlost zijnde,
de heerlijkheid des Heeren met ongedekte aangezigten
als in een spiegel aanschouwende, na het zelve Beeld in gedaante
verandert worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des
Heeren Geest,
2 Cor. 3.18.