
Als nieuw geboren kinderkens, zijt zeer begerig na de redelijke onvervalschte melk, op dat gy door de zelve moogt opwassen, indien gy anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. 1 Pet. 2.2, 3.
NAdien des menschen Herte, altijd eenige Rust en ver-
genoeginge begeert, om dat het een groot verdriet is,
geheel
zonder eenige vergenoeginge te leven, zo gebeurt
het, dat elk die Ruste
zoekt, daar hy ze meend te vinden,
volgens die drift of
begeerte, die hem meest drijft tot op-
volging: en hierom zijn 'er byna zo veelerhande zoekin-
gen en Rusten, als 'er menschen zijn. Doch in alle die ver-
scheidenheid komen ze echter daar in over een, dat ze haar
zelven
en haar lusten tot 'er Doelwit hebben, gelijk ze ook
daar in
accorderen, dat ze nooit de ware Rust en vinden,
die van niemand, als
van de ware God-zoekende gevon-
den en word.
Want dewijl de waereld niet kan geven als Wellust,
Eer en Schat, en de
Wellust veeltijds quellust word, de
Eer zeer nau te wachten is, en
licht gequest word, de Schat-
ten lastig te verkrijgen en te bewaren zijn, zo heeft dit al-
les zo veel moejelijke gevolgen, dat in alle die dingen,
veel
meer onrust als Rust, veel meer ongenoegen als waar
vermaak, en veel
meer strijd als vrede te vinden is; be-
halven dat den genen, die deze dingen al zeer vurig zoe-
ken, het verkrijgen menigmaal niet en mag gebeuren,
't welk dan
zo veel meer verdriet veroorsaakt, als de be-
geerte heftiger was, waardoor dan den armen mensch,
hongert
zonder eten, dorst zonder drinken, begeert zon-
der verkrijgen, quijnt en vol verdriet is, gejaagd en gedre-
ven word van berg tot heuvel, van 't een na 't ander, vol
hoop en
vreze, altijd de waereld, met al dat 'er in is, be-
driegelijk bevindende, wel veel belovende, maar weinig
of niet,
ja doorgaans veel verdriet gevende; daar noch-
tans des menschen Herte, vastheid, bestendigheid en vol-
komen vervulling in al sijn begeertens zo zeer bemind.
Doch om dat die edele begerende Vonk iets Goddelijx
is, zo wil ze sich
met recht, niet laten pajen, in een vol
genoegen, met 't geen haar toch
niet en kan verzadigen,
dewijle zy alleen ware Ruste kan vinden, in 't
geen ewig
en volkomen vermaakt, en dat niet vindende in enig
schepsel, noch in enige lust of zonden, daar ze het al ver-
geefsch in gezocht heeft, zo is ze al gedurig wat anders en
weêr wat anders begerende, niet gelovende, dat in 't geen
ze
noch niet geproeft en heeft, de zelfde onmogelijkheid
is om
warelijk verzadigd te worden, als in den overvloed
der ydelheid, die ze
nu al gesmaakt heeft.
En dit is dat ellendige jammer, waar door den mensch
(die zo zelden by
tijds waarlijk wijs word, om eenmaal de
Rust der ziele te leren zoeken
daar ze zekerlijk te vinden
is) door een dwaze hoop gedreven, sijn
leven in dit ydel
zoeken doorgebracht hebbende, zonder tot de ware
Rust
der ziele gekomen te zijn, eindelijk zo rampsalig heen
reist
na d'onveranderlijke ewigheid.
Maar wat gedachten zullen wy hebben van zulk een af-
scheiden? daar den mensch al sijn vermaak, al sijn lust en
ydelheden, die hem noch in dit lighaam zijnde, wat kon-
den verzetten, de aanstaande rampen doen vergeten, en
een valsche
vreugde verlenen, teftens moet derven, en
sich gesteld vinden in een
staat, daar alle die dingen geen
plaats en hebben.
Wat nare bangheid, knaging, vertwijfeling en ellende
dit moet
veroorsaken, is onbeschrijfelijk. Altijd te zinken
zonder ooit grond te
voelen, altijd te vrezen zonder ooit
te konnen hopen, en kan niet
anders als ach! en wee! ver-
oorsaken. En dit zal den staat moeten zijn der genen, die
hier
van daan scheiden, zonder haar begerende kracht
waarlijk tot God gewend
te hebben.
O yselijke grouzaamheid! ô nooit doordenkelijke en
schrikkelijke rampen! waardig om 'er zo voor te vrezen,
dat die vreze
een onberouwelijke bekeringe tot zaligheid
in ons alle, door Gods
genade, mogt werken.
Wie schrikt niet, als hy al sijn leven op een stuk hout,
nacht en dag,
in storm en onweêr, op de woeste baren zou
moeten omswerven?
Wie sidderd niet, als hy in een gron-
deloze poel, van vuur en zwavel, zou geworpen worden?
Maar laat ons nu zo vrezen, laat ons nu zo schrikken
en sidderen voor
den weg die derwaards leid, eer het te
laat is, op dat wy, als onze
laatste uure daar is, met alle
Heiligen Gods, van den Heere in vrede
mogen gevonden
worden. Dan zal onze ziele geen ach! en wee! maar een
liefelijke stille ruste ontmoeten. Dan zal geen bitter
en
vergeefs naklagen beginnen, maar een vrolijk en ewig ha-
leluja.
Hoe groot zal dit grote onderscheid zijn! en wie zal het
na waarheid
konnen uitspreken? Gave God, dat het ons
na sijn grootheid ter herten
ging! en stelden wy ons zo aan,
dat het de Heere ons konde geven. Hoe
sterk zouden wy
dan zijn! en met wat een brandende yver ontstoken wor-
den, om den quaden weg te vlieden, en met alle ernst ons
op de
goede te begeven!
Ach Heere Jesus Christus! het behage U ons eenmaal
daar toe te brengen!
Doch wy weten dat het U behaagd;
maar wy en zijn daar toe noch
menigmaal niet geschikt en
bequaam. Wy hebben de wegen noch niet
gewandeld,
die ons derwaards zouden leiden, en dat is d'oorsaak,
waarom wy ook noch niet gevonden en hebben, 't geen
eerst verkregen
word aan 't einde van die wegen.
Want dit belijden wy voor uwe alwetende Majesteit,
dat wy menigmaal in
ons gemoed, die lastige en moejelij-
ke omswervinge en onrust wel zijn gewaar geworden, en
hoe zeer zy
ons in de opheffinge des herten tot U verhin-
derde, maar dat wy echter door quade gewoonten, en niet
genoeg
gedode en versturve heimelijke begeerte en lust,
als in een zekere
soort van onvermogen ons bevonden, die
ons dan de bequaamheid dede
derven, om dat groot on-
derscheid op een levendige wijze te gevoelen.
Verlos ons dan, ô grote Verlosser! van die quade oor-
saken, die ons zo veel goeds en zoets verhinderen, en geef
dat wy
ons zelven, door uwe kracht, gewillig afsterven
en los maken, van alles
wat ons van U verhinderd, en
ons van U laten los maken, om alzo te
komen tot U on-
ze eenige en ewige Ruste. Amen.