
Niemand en kan twee Heeren dienen, want of hy zal den enen haten, en den andere liefhebben, of hy zal den eenen aanhangen, ende den anderen verachten. Gy en kond niet Gode dienen ende den Mammon. Matth. 6.24.
DEwijle de Mensch bestaat uit een inwendige en uit-
wendige mensch, en dat elk deel sijn byzondere be-
geerte, lust en liefde heeft: het eene na God, de ewigheid,
de
deugd en oprechtigheid, en 't ander na sich zelven, de
tijdelijke
dingen, de zonden en ongerechtigheid, zo ge-
beurd het, dat den Mensch op eene tijd, in beide die zo
zeer
tegenstrijdige deelen, nooit krachtig en geheel kan le-
ven, nadien het eene andere zodanig in de weeg, is dat
het nooit sich te samen kan voegen of verëenigen, en zo
weinig
gelijkheid heeft als Water en Vuur. 't Een wil het
ander niet lijden,
maar overheren, en t'onder brengen:
en daarom heeft onzen Zaligmaker,
en waren Leeraar,
gezegt:
Niemand en kan twee heeren dienen, want of hy zal den
eenen haten en den anderen liefhebben, of hy zal den eenen
aanhangen ende den anderen verachten. Gy en kond niet Gode
dienen en de Mammon,
Matth. 6.24.
En dit kan men ook zeggen
van den uitwendigen zondigen mensch,
en van den in-
wendigen geestelijken en Goddelijken mensch.
Maar hoe gelukkig zouden wy zijn, indien wy dit zo
krachtig geloofden,
dat het de verëischte vrucht der hei-
ligmakinge in onste voorschijn bracht, en ons deed over-
gaan, met alle onze krachten, tot het goede deel, en
dat wy
het zo met Maria verkoren hadden, en bleven verkiezen,
dat
die zalige uitspraak onzes Heilands ook ons ten deele
wierd, namelijk,
dat het van ons niet zou weg genomen worden;
Luc. 10.42.
Gewisselijk, het gemoed kan ook zo haast gewaar wor-
den, dat Vleesch en Geest, Duisternis en Licht, Christus
en
Belial, de Aarde en den Hemel, niet samen konnen
wonen: want als de
begeerte der ydelheid wat plaats wort
gegeven, zo gaat de begeerte en
smaak der ewigheid voor
zo ver weg. Als de aanrading van het vleesch
word opge-
volgd, zo gaat de liefelijke en aangename vrucht van den
geest
onder. Als de ogen des lighaams met een dierelijk
genoegen gaan weiden
in de schepselen, zo verdwijnt het
heilige gezicht van d'inwendige
ogen, die andersins Gods
wonderen van wijsheid, goedheid en macht in de
schepse-
len zien uitgestort, en voornamelijk in d'ontdekkinge van
de
grote werken Gods in Jesus Christus geopenbaard.
VVanneer 't gehoor,
met een vleeschelijke genegendheid,
sich laat strelen van ydele
gezangen, woorden en snaren-
spel, dan word het innerlijke en Goddelijke gehoor doof
en
onbequaam, om Gods woorden, sijn heimelijke aan-
kloppingen, en stille herte-spraak te horen. Indien de
Smaak der tonge ons tot wellust en overdaad verrukt, zo
verliezen wy
het lieffelijk smaken van de vriendelijkheid
en goedertierenheid des
Heeren, en van de krachten der
toekomende eeuwen.
Het Verstand gedurig vervuld zijnde met waereldsche
zaken, en ingenomen
met quade indrukselen van een al te
hogen waardye der vergankelijke
dingen, zo bëneveld het
de overleggende krachten omtrent het
Goddelijke en de
zaligheid der zielen zodanig, dat alles wat 'er noch
in zulk
een geval overblijft, onmachtig is om ooit tot de grond
van 't herte te konnen nederdalen; waar door dan in den
Geest
noodsakelijk veel quaad veroorsaakt word; als daar
is verstrooitheid,
hardheid en ongevoeligheid des ge-
moeds, veel schadelijke beelden, onbequaamheid en lui-
heid tot het ware inwendige gebed, 't welk nochtans de
mensch, om
in de verzoekinge staande te blijven, ten ui-
terste van noden is.
De gedachten koel-lievig dwalende, brengen zeer ras te
weeg, dat den
yver aan 't sluimeren raakt, en d'inwendige
mensch byna geheel
bezwijkt; welx leven bestaat in ern-
stige en bestendige liefde-gedachten tot dien groten God
en sijn
heilige dienst, en in het innerlijk genieten der gunst
van dien
Gezengende, waar door het herte opvlamd in hei-
lige bewegingen, en alles sich schikt om den Schepper te
verheerlijken.
Als de hertstochten der liefde, hope, vreze, blijdschap
en bedroeftheid,
sich tot het vergankelijke uitstorten, zo
worden ze afgewend van God
lief te hebben, 't vertrou-
wen op Hem alleen te stellen, sijn vreze onze achtertocht
te
laten wezen, in Hem verheugd en verblijd te zijn, en
bedroeft over onze
en anderer zonden en gebreken.
Wanneer het Herte, de plaatse daar God wil wonen,
met kopers en
verkopers vervuld is, dan houd het op een
bede-huis te zijn, en 't word
een kuil, waar in menigmaal
de ziele veel dodelijke wonden ontfangt, en
onvoorsichte-
lijk aan andere zwakke gemoederen geeft.
Indien 't gebeurt dat de aandagt vervliegt en weg raakt,
zo is men haast
uit de tegenwoordigheid Gods, en al het
heil van eerbiedigheid, ontsag,
aankleven aan Dien alleen
Goeden, en 't genieten van sijn vriendelijk
aanschijn, gaat
met eenen op de vlucht.
Dit alles hebben onzer veelen maar al te dikmaals on-
dervonden, en met veel smerten geboet. En ach!
of dit een einde
mogt neemen, door en gedurig wa-
ken, en een onverdiende gunst en kracht Gods van boven,
waar door
wy machtig wierden, om staande te konnen
blijven in den bozen dag der
verzoekinge, en alzo met on-
bewolkte ogen, de heerlijkheid onzes Heeren als in een
spiegel
gedurig mogten blijven aanschouwen: En met een
scherp inwendig ore de
woorden des Levens horende, in
't herte inlaten: met een onbedurve
ziele-smaak en tonge
de goedheid en vriendlijke vriendelijkheid Gods
proe-
vende, daar door aangezet worden om niet op te konnen
houden in
't begeren van
dronken te worden van de vettigheid sijnes huis, en
gedrenkt te worden uit de Beke sijner wellusten,
Psal. 36.9.
Het Verstand vol zijnde van God, sijn uitne-
mende eigenschappen, en die van sijn dierbare Zone Je-
sus Christus, met alles wat men daar van kan weten en
verstaan,
het als gesloten te vinden voor alle andere over-
tollige, onnutte en schadelijke wetenschappen en kennis-
sen der ydelheid en zonden. De gedachten zo Goddelijk,
verheven
en opgetogen te hebben, de hertstochten zo ge-
zuivert en tot den Schepper uitgestrekt, het Herte zo ge-
heel met God en 't goede vervult, en d'aandacht zo wel
bewaart,
dat uit dit alles eindelijk te voorschijn quam,
Een mensche Gods, volmaakt, tot alle goed werk
volmaaktelijk toegerust,
2 Tim. 3.17.
O goede Heere Jesus! verleen ons dit door uwe grote
liefde, en wy zullen
bequaam zijn, om hier een waarach-
tig begin te maken van dien ewigen Lof, die wy U en
uwen Vader in
ewigheid hopen toe te brengen. Amen.