
Het volk dat in Duisternisse zat, heeft een groot Ligt gezien: en de genen die zaten in den lande en schaduwe des doods, den zelven is een Ligt opgegaan, Matth. 4.16.
GElijk de Stralen der Zonne in een welziende oge, den
Mensch dienen in
het naturelijke, om sijne werken
wel te konnen verrichten, en sich voor
aanstoten en val-
len te bewaren, zo is noch veel meer het hemelsch en God-
delijk Ligt, van kennis en genaden, het oge sijner ziele van
noden, om hem te brengen tot het gewenste einde waar
toe hy geschapen
is, en door Jesus Christus, het Licht der
waereld, in 't Evangelium
geroepen word.
Want als hem dat ontbreekt, en hy in de Nacht der on-
kunde en zonden wandeld, zo stoot hy hem, overmits het
Licht
in hem niet en is; Maar wandelende in den
Dag van Gods ge-
nade en een heilig leven,
zo en stoot hy hem niet, dewijle hy het Licht dezer
waereld ziet,
Joh. 11.10.
En daarom heeft
onze Zaligmaker niet alleen gezegt dat Hy het Licht der
waereld was, dat met sijn opkomste, als een opgaande Zon-
ne, zeer lieffelijk doorbrak, tot verlichtinge van alle, die
bequaam en begerig waren, om daar van sich te dienen,
maar ook met
eenen, dat men,
Hem navolgende, in de duisternisse niet zou wandelen,
maar het Licht des Levens hebben.
Joh. 8.12.
Stellende sijn Navolging, tot een zeker mid-
del, om van de duisternisse verlost te worden, en by ge-
volg, het Licht des Levens te bekomen. Welke Navol-
ging bestaat in
ook zelve alzo te wandelen, gelijk Hy, gezegend,
gewandelt heeft,
1 Joh. 2.6.
De Wandeling nu des Heeren, is gansch, heilig, onno
-
sel, onbesmet, en afgescheiden van de zondaren haren weg
ge-
weest, zodanig, dat geen bedrog in sijn Mond gevonden
is, en
niemand Hem van zonden konde overtuigen, de-
wijl Hy nooit gezondig heeft. Waarom ons niet nodiger
is, als dat
wy, door sijne grote kragt en genade, ook zodani-
ge tragten te worden, en daar na, met alle ontfange gaven,
in
yverige gebeden, te staan, op dat het sijne Goedheid beha-
ge, ons zulk een bequame gesteldheid des herten eindelijk
te
schenken, dat wy ontfankelijk worden van dat hooge,
dat waardige, en
alverquikkende Licht des Levens.
Want nadien 'er noodsakelijk, een zekere mate van ge-
lijkheid en overëen koming moet wezen, tusschen ons ge-
moed en dat Licht, zal het 'er in konnen nederdalen, zo
is 't
billijk, dat onze bekommering meer zy, over de ver-
krijging van die bereidinge, als enkel over het ontfangen
en
genieten van dat Licht; dewijl het twede wel zal vol-
gen, als het eerste maar wel is voorgegaan. En daarom is
ook alle
poginge, om dat Licht te hebben, zonder die
voorgaande bereidinge,
vergeefs en ydel, niet anders, als
of men trachte, dat onze hand, die
daar gansch geen be-
quaamheid toe heeft, de Zonne zou zien, daar onze ogen,
om dat zy
met de Zonne eenige gelijkheid en klaarheid
hebben, alleen, onder alle
onze leden, bequaam zijn, om
de Zonne-stralen, gelijk zy hier op aarde
schijnen, t'aan-
schouwen. Welke Ogen, nadien zy geen genoegsaame
klaarheid en
overëenkoming met de Zonne zelve en heb-
ben, daarom ook niet en vermogen die in haar volle kragt
en grote
glans zelf te beschouwen.
En dit is ook de reden, waarom de Mensch, welke Je-
sus Christus, die Goddelijke Zonne der gerechtigheid, en
dat ware Licht des Levens (die een onbevlekte Spiegel al-
ler zuiverheid is, en een Licht in 't welke gansch geen duis-
ternissen en zijn) garen aanschouwen en genieten zou, op
die
volmaakste wijze, gelijk Hy op deze waereld aan-
schout en genoten kan worden, van noden heeft, dat hy
Hem in
zuiverheid en reinheid des levens, zo naby kome,
als dit leven toelaat.
Want, gelijk men dit naturelijk Licht niet en kan zien,
als met een
klaar en zuiver oge, zo en kan ook God en sijn
lieve Zoon niet
aanschoud worden, als met een zuiver en
rein herte. Doch zulk een herte
ontbreekt ons niet zelden,
en daarom zijn wy dan als blinden, die na de
wand tasten,
en weten niet waar wy henen gaan, want de
duisternisse
heeft onze ogen verblind.
Heeft dan een lighamelijke blinde tot den Heere des
Lichts, om de
opening van sijn naturelijke ogen, zo ern-
stig konnen roepen, dat de genen die hem daar over be-
straften, als sporen waren, waar door hy aangedreven
wierd, om zo
veel te meer te roepen, en eenige meerder
hoop verkregen hebbende om
van sijn blindheid verlost te
worden, door dien de Heere Jesus
belasten, dat men den
blinden roepen zou, om die tot Hem te leiden,
sijn man-
tel konnen daar henen werpen, en tot sijn Helper lopen,
met een
wegrukkende blijdschap, en een gelovige en ern-
stige begeerte om ziende te worden,
Marc. 10.46,
&c. wat
behoorden wy
dan niet zeer begerig te zijn om van Hem te
verkrijgen,
verlichte ogen onzes verstands, om te weten welke de
hope zy van sijne roepinge, en welke de rijkdom zy der
heerlijkheid sijner erffenisse in de heiligen: en welke de
uitnemende grootheid sijner kracht zy, aan haar die geloven, na
de werkinge der sterkte sijner macht.
Eph. 1.18, 19.
Hy zelve make ons daar toe zo begerig, Hy opene onze
ogen, Hy brenge ons
tot Hem, op dat wy van sijn Licht
deelachtig worden, en daar in leven
met alle heiligen in
ewigheid, Amen.