
Die gestorven is, die is gerechtvaerdigt van de zonde. Indien wy nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wy, dat wy ook met Hem zullen leven. Rom. 6.7, 8.
HEt leven is ons alle naturelijk eigen en aangenaam,
de Dood
verschrikkelijk en vreselijk. Voor sijn leven
zo lang te kampen als men
kan, komt met de ingeschape
neiginge overëen. Het leven in
smert en pijn vrywillig
over te geven, is ons tegen. En dewijle wy alle
zo zeer
diep ingedompeld leggen in 't leven der nature, en 'er een
groot geweld gedaan moet worden, zal men daar van uit
gaan, zo komen
'er ook zo weinige tot de overgank in het
geestelijke leven, dat uit
God is; 't welk nooit in vigeur
en kracht opgaat, (schoon 't het ware
menschelijke leven
is) voor dat het zondige en eigenwillige in ons
ondergaat,
en dat alzo niet wy, maar de Heere, door sijn heilig
woord
en geest, in ons leeft en regeert.
Hierom moet noodsakelijk in de ziele, in welke het
Koninkrijke Gods van
gerechtigheid, vrede en blijdschap
zal opgerecht worden, dit ondergaan
en versterven voor-
gaan, waar door de mensch te niet word, aan al dat gene
't welk
hy t'onrecht aan sich had genomen, en het alles
opdraagt en overgeeft,
aan den genen die het warelijk toe-
komt.
En voorwaar, gelijk om in het zalige Koninkrijk der
Hemelen namaals te
komen, van noden is, dat de men-
sche den aardschen rok van vleesch en bloed, die dat Ko-
ninkrijk niet beërven konnen, aflegge en sterve (ja de He-
re zelve zegt: en moeste de Christus niet deze dingen
lijden,
[dat is, voor ons ook eindelijk de Dood sterven] en alzo in
sijne heerlijkheid ingaan?) zo is even zo nodig, dat hy
de
zonden, en 't lighaam der zonden, afsterve op een geeste-
lijke wijze, zal hy hier in dat geestelijke Rijk komen.
Den gene nu die sich zelven afgestorven is, zal niet meer
sijne wil,
maar alleen de Goddelijke plaats geven. Geen
eigen verkiezinge meer
volgen, maar alleen rusten in het
Goddelijke welbehagen, en altijd van
herten met Christus
konnen zeggen: Vader, niet mijne
wille, maar de uwe geschiede.
En daar zijn zo vele redenen, waarom wy ons zo in al-
les behoorden af te sterven, en ons geheel aan God over te
geven;
niet alleen om dat wy van ons zelven niets en heb-
ben, en dat ons lighaam, ziel en geest God toekomt en ei-
gen is, en wy derhalven onrechtvaerdig zijn, als wy den
Heere het
sijne onthouden: maar ook om dat de Heere
oneindig wijzer is als wy, om
dat Hy ons veel grondiger
kend als wy, en ons ongelijk liever heeft,
als wy ons zel-
ven konnen hebben, en derhalven konnen wy duizend-
maal veiliger aan zo wijzen, machtigen en goeden Vader,
ons
overgeven en vertrouwen, als aan ons zelven, die zo
onvoorzichtig zijn
in al onze voorzichtigheid, zo dwaas in
alle onze wijsheid, zo swak en
nietig in alle onze sterkheid.
O gelukkig afsterven! daar men van 't geringe vleesch
tot de dierbare
geest, van de vervloekte aarde tot den ge-
zegenden hemel, en van het nietige schepsel tot den alge-
noegsamen Schepper overgaat. Maar ach! alleronzaligst
leven! daar
't leven een grouzame dood veroorzaakt, en
alles 't geen noch eenige
vreugde zou willen toebrengen,
in alsem en bittere bitterheid gedurig
opbreekt. Laat ons
dan hier leren sterven dat zalige sterven, om hier
al te be-
ginnen te leven dat zalige leven.
O Heere Jesus! ontferm U onzer, en help ons, op dat
uw bloed niet
vergeefs voor ons gestort zy, Amen, amen.
Einde.