De literatuur over de repressie is getekend door ambiguïteit: zij is omvangrijk maar informatief van beperkte waarde. In vele van deze geschriften zijn werkelijkheid en verbeelding immers moeilijk te scheiden. Dat is goed te begrijpen. De auteurs ervan waren meestal nauw bij het gebeuren betrokken, als participanten of als hevig bewogen toeschouwers.1 Een door subjectiviteit doordrongen inhoud is niet het enige tekort in deze publikaties. Zij zijn ook repetitief. De literatuur is als het ware in cascadevorm opgebouwd: materiële gegevens én inhoudelijke beschouwingen gaan van auteur op auteur over. Daarbij duiken twee, drie geschriften als vaste leveranciers van informatie op. Men kan ze moederteksten noemen. Aan Vlaamse zijde is dat een brochure uit 1945, van de hand van een geroyeerd magistraat, en een in 1967 in het Rechtskundig Weekblad opgenomen rede van een advocaat.2 Die merkwaardige opbouw van de literatuur laat zich ook zien in de herkomst van de populairste citaten. Zij duiken op in een van de moederteksten en komen dan jarenlang als een refrein terug.3 Kortom, wat via deze literatuur
in het collectief geheugen werd opgeslagen kan niet anders dan van gering belang zijn.
Van de zijde van de overheid is elke aanzet tot informatiegaring uitgebleven. Op geen enkel moment is een ernstige poging ondernomen om het verhaal van de berechting van de collaborateurs in officiële cijfers vast te leggen. Er is één uitzondering: het verslag van een werkgroep van de Vlaamse Raad over de sociale en menselijke gevolgen van repressie en epuratie.4 Maar herhaaldelijk staat in dit document te lezen dat, bij gebrek aan betrouwbare gegevens, met gissingen is gewerkt. Ook het zwijgen van de mensen die in de onmiddellijke naoorlog verantwoordelijkheid hebben gedragen is opvallend. Gepubliceerde memoires of (auto)biografische werken, dagboeken of archieven van sleutelfiguren uit die periode bevatten weinig of geen informatie.5 Het lijkt wel of in de memorie van deze generatie geen plaats is voor wat toen is gebeurd.
Al jaren is het in dit land niet mogelijk om over de repressie een maatschappelijk debat te voeren waarin niet emoties maar zakelijke argumenten de toon zetten. Dat is niet altijd zo geweest. De eerste jaren na de bevrijding - en dat zal velen verrassen - werd er in rustige termen gedebatteerd over de berechting van de collaborateurs. Twee zaken vallen daarbij op. De kritische beschouwingen kwamen hoofdzakelijk van juristen en zij waren het werk van Franstaligen. Tussen eind 1944 en 1950 zijn in het Journal des Tribunaux een veertigtal bijdragen verschenen waarin de gang van de repressie beoordeeld, vaak veroordeeld werd. De klachten gingen hoofdzakelijk over de nadelen van de militaire strafprocedure, over het beknotten van het recht op verdediging, over de wantoestanden in de kampen en gevangenissen en over de houding van de regering in de zaak van de economische collaboratie. Die protesten zijn ook te vinden in een rapport dat op 15 december 1945 in de algemene raad van de Federatie van Belgische Advocaten besproken werd en in het voorwoord van een in begin 1946 gepubliceerd overzicht van
de repressierechtspraak.6 Kritische bedenkingen van ethisch-politieke aard zijn verschenen in La Revue Nouvelle, in de Revue Générale Belge en in Les Cahiers Socialistes.7 Hierin werd gepleit voor redelijkheid, erkenning van de verscheidenheid aan motieven in de collaboratie en heropvoeding van de incivieken. Na 1950 zal deze thematiek de aandacht van deze tijdschriften niet langer behouden.8 Daarmee was een debat dat op veelbelovende wijze was gestart al afgelopen. Het is nog steeds niet hervat.
De wetenschappelijke bestudering van de repressie is daarom juist zo belangrijk: zij kan ons helpen bij het ‘trying to remember what we try to forget’.9 Maar ook deze bron van informatie heeft een gering debiet. Van de kant van de historici valt er, buiten de Laplasse-studies van Van Isacker, weinig te vermelden.10 De enige publikatie van sociaal-wetenschappelijke aard dateert al van 1946.11 Er zijn wel zeer veel juridisch-technische werken verschenen: een tiental monografieën, veertig artikels in het Journal des Tribunaux, een twintigtal in Revue de Droit Pénal et de Criminologie, tien in het Rechtskundig Weekblad.12 Zij zijn van groot belang omdat zij een cruciaal element van de repressie belichten: het juridisch en administratief raamwerk waarbinnen de berechting van de collaborateurs diende te verlopen (de rechtsgronden, de organisatie van de militaire tribunalen). Er is, ten slotte, één statistische publikatie: het nu al veertig jaar oude tijdschriftartikel van J. Gilissen, een onmisbaar instrument voor wie de repressie bestuderen wil.13
Wetenschappelijk gezien is de berechting van de collaborateurs in België
een vergeten verleden. Men kan daarvoor allerlei verklaringen bedenken. Archief-technisch is de studie van de repressie een bijzonder moeilijke opgave. Er is ook de huiver waarmee historici alles bekijken wat in temporeel opzicht dicht in hun buurt ligt. En toch is er iets vreemds aan de afwezigheid van academische bedrijvigheid rond dit thema. In Nederland ligt het helemaal anders. Er zijn daar op zijn minst tien volwaardige studies over de repressie verschenen. Vijf ervan bestrijken de hele problematiek.14 Drie andere boeken behandelen de zuivering in de sector van de pers, de kunst en de vrije beroepen.15 Daarnaast zijn er enkele publikaties over de plaats van de repressie in het herstel van de Nederlandse politiek.16 Vanwaar komt dan bij ons die terughoudendheid? Is het omdat collaboratie en repressie de componenten van een problematische erfenis, van een onverwerkt verleden zijn? Is het dat wat de academische wereld doet aarzelen?