terug  begin  verderprepost
[p. 49]

Hoofdstuk 3
De zuivering in eigen huis

De overheid was de draaischijf in de mammoetoperatie die het land moest zuiveren van ontrouwe burgers. Zij organiseerde de militaire rechtspraak en de burgerlijke epuratie en onderzocht het oorlogsgedrag van haar eigen ambtenaren. Maar zij was niet de enige scherprechter. Kort na de bevrijding is een tweede front tegen de incivieke Belgen geopend: in tal van verenigingen en beroepsgroepen is een interne zuivering doorgevoerd.

Exacte informatie over deze privé-oorlog tegen de collaborateurs is schaars. Wat er aan gegevens ter beschikking is ligt verspreid over tientallen publikaties van zeer ongelijke omvang en kwaliteit: memoires, dagboeken, verweerschriften en monografische studies over vakbonden, culturele verenigingen en beroepsorganisaties. Het scheiden van waarheid en verzinsel is vandaag nog een onbegonnen werk. Over de gevolgen van deze kant van de repressie is nog geen onderzoek gebeurd.1

Het is niet onze bedoeling deze blinde vlek op de kaart van de repressie nu in te kleuren. Wat hier ter sprake komt moet veeleer gezien worden als een verkenningstocht in terra incognita.

1. Epuritis?

In vele verenigingen is het intern gewetensonderzoek snel van start gegaan. Enkele voorbeelden: op 8 september 1944 riep de bsp voor de zuivering in eigen rangen een Nationale Ereraad in het leven; op 30 september werd in het

[p. 50]

kader van de Beurs een epuratiecommissie opgericht die onvaderlandse wisselagenten uit de beroepsgroep moest stoten; op 12 oktober sprak de Raad van de Brusselse Orde van Advocaten een eerste tuchtmaatregel uit tegen een ‘onwaardig’ advocaat; in een circulaire van 21 oktober vroeg het nationaal bestuur van het Davidsfonds alle landsvijandige leden uit de lokale afdelingen te verwijderen. Dat is maar een greep uit de vele berichten die toen in de kranten verschenen. Het ziet er trouwens naar uit dat de zuiveringswoede in de eerste maanden na de bevrijding epidemische vormen heeft aangenomen. Alleen al in de laatste week van september meldde La Libre Belgique de oprichting van zuiveringscommissies door het Belgisch Olympisch Comité en het Centre National d'Education Physique (20 september), door de Association Professionnelle Beige des Journalistes Sportifs (26 september), door de Belgische Wielrijdersbond (27 september), door de Belgische Atletiekliga en de afdeling Brabant van de Belgische Boksfederatie (28 september), door de wisselagenten van de Beurs van Brussel (30 september). Deze krant heeft het op 13 oktober 1944 over talrijke uitsluitingen van spelers door de Belgische Voetbalbond, op 22 oktober over schorsing of uitsluiting van een dertigtal boksers door de Belgische Boksfederatie en over de oprichting van een epuratiecommissie in de schoot van de Fédération Royale Belge de Tennis, op 18 november over zuiveringen in de Cercle Africain, op 2 december over de uitsluiting van schrijvers in de Club des Ecrivains Belges de Langue Française, op 9 december over een zuiveringscommissie in de Cercle Belge de Librairie en op 22 december over epuratie in de Fédération Maritime d'Anvers. In een brochure die eind december 1944 verscheen staat te lezen: ‘De Leeraarsbond van het Middelbaar Onderwijs, de Belgische Voetbalbond, de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen, de Belgische vereeniging van boekhandelaars, de Belgische journalisten, enz. enz.; ze zijn allen aan het zuiveren.’2

2. Raakpunten met de overheidsrepressie

De zuivering die de privé-sector in eigen huis doorvoerde was in vele opzichten verbonden met wat de overheid aan activiteiten ontplooide. Talrijk waren de gevallen waarin het optreden van een vereniging of beroepsgroep kan beschouwd worden als een uitloper van een beslissing die eerder door het parket of door de militaire rechtbanken genomen was. Vaak was het zo dat leden tegen wie een gerechtelijk onderzoek liep of over wie al een vonnis was geveld als gevolg daarvan uit de organisatie werden gestoten. Soms was er geen andere keuze. Een veroordeling bracht automatisch het verlies mee van de rechten die in art. 123sexies swb zijn opgesomd, en zo'n verval sloot de toegang

[p. 51]

tot enkele beroepsgroepen en tot het bestuur van bepaalde organisaties af. In de advocatuur, het notariaat en het medisch korps leidde een veroordeling door een repressiegerecht onvermijdelijk tot een verwijdering uit de beroepsgemeenschap. Maar los daarvan probeerden nogal wat verenigingen hoe dan ook hun naam te vrijwaren van enige blaam of smet door gebrandmerkte leden uit te stoten. Daarvan zijn vele voorbeelden te geven. In de bsp zijn enkele tientallen bestuurders uit de nationale en lokale partij-organen verwijderd, meestal omdat zij tijdens de bezetting de Unie van Hand- en Geestesarbeiders* hadden gesteund.3 In het Centraal Verbond der Christene Textielbewerkers besloot een vernieuwd hoofdbestuur, in zijn vergadering van 15 oktober 1944, tot de afstelling van de verbondsbestuurder en ‘...van alle propagandisten, die gedurende de oorlog de tucht niet hebben gevolgd en hun verdere medewerking aan de commissaris, onder controle van de bezetter, hebben verleend.’4 In het Davidsfonds heeft het nationaal bestuur gepoogd al ‘... diegenen te verwijderen wier aanwezigheid in de toekomst schadelijk zou zijn voor de vereniging.’ Wils spreekt van een lijst waarop de naam voorkwam van 1 hoofdbestuurslid, 1 nationaal propagandist, 63 voorzitters en secretarissen van afdelingen en gewestbonden.5

De zuivering in de organisaties van de privé-sector was dus vaak een verlengstuk van de overheidsrepressie. Maar nu en dan gebeurde ook het omgekeerde. De advocatuur, bijvoorbeeld, is aanvankelijk op eigen kracht op zoek gegaan naar Duitsgezinde leden van de beroepsgemeenschap. Soms heeft dat onderzoek geleid tot een of andere disciplinaire sanctie.6 Eenzelfde operatie is doorgevoerd bij de geneesheren, de apothekers en de wisselagenten. Met art. 1 van de besluitwet van 19 september 1945 heeft de regering de overheidsrepressie aan deze privé-berechting gekoppeld: al wie uit een van deze beroepsgemeenschappen was gestoten kreeg van rechtswege een levenslang verval van bepaalde rechten opgelegd.

Er is in de relatie tussen overheid en privé-sector nog een derde type aan te wijzen. In het vrij onderwijs werd de zuivering toevertrouwd aan de inrich-

[p. 52]

tende machten. Maar de minister van Openbaar Onderwijs hield wel toezicht op de behandeling van verdachte leerkrachten in de katholieke lagere en technische scholen, want hier was de staat als leverancier van subsidies geïnteresseerde partij. De afspraak was dat de school de minister informeerde over de opgelegde tuchtstraffen. De bewindsman liet dan onderzoeken of de strafmaat in overeenstemming was met de criteria die in het openbaar onderwijs in voege waren. Hij kon een zwaardere sanctie uitspreken. Als de school hem daarin niet volgde kon hij de subsidies intrekken. Deze procedure is beschreven in het ministerieel antwoord op een parlementaire vraag van de socialistische volksvertegenwoordiger Bracops.7 In hetzelfde document staat te lezen dat in november 1946 al zo'n 500 dossiers over onderwijzers en onderwijzeressen en een 140-tal bundels betreffende leerkrachten uit het technisch onderwijs door het ministerie van Openbaar Onderwijs waren onderzocht.

3. En het bedrijfsleven?

Auditeur-generaal Ganshof heeft in september 1946, in een rede voor het Krijgshof, een balans opgemaakt van twee jaar repressie. In deze toespraak had hij het ook uitvoerig over het oorlogsgedrag van de Belgische industriëlen. Velen gaan vrijuit, zei hij, maar anderen hebben uit zuiver winstbejag de vijand hand- en spandiensten verleend. Hen vervolgen is een ingewikkelde zaak, want het is goed mogelijk dat het gerecht daarmee de economische wederopbouw in de war stuurt. Dan komt er in zijn tekst een merkwaardige passage, die hier integraal wordt weergegeven: ‘Une des principales faiblesses de plusieurs groupes d'industriels que l'on entend souligner le plus fréquemment est que nombre d'entre eux n'ont pas pratiqué dans leurs entreprises eux-mêmes une “épuration”qui s'est faite spontanément dans la plupart des secteurs de l'activité nationale et qui eût renforcé leur autorité morale.’8 Ganshof stuurt hier een dubbele boodschap de wereld in: de privé-berechting van collaborateurs is een alternatief voor de overheidsrepressie en in het bedrijfsleven is daarvan onvoldoende gebruik gemaakt. De auditeur-generaal sprak van ‘groupes d'industriels’. Blijkbaar viseerde hij niet de kleine en middelgrote ondernemingen. Of daar via afdankingen een interne zuivering is doorgevoerd is nooit ten gronde onderzocht. Er zijn wel aanwijzingen dat sommige bedrijfsleiders hun werknemers, tegen wie een gerechtelijk onderzoek liep, uit eigen beweging of onder druk hebben weggestuurd.9

[p. 53]

Over de repressie in de privé-sector is zoals gezegd bitter weinig informatie voorhanden. Dat maakt het vellen van een oordeel ook zo moeilijk. Maar men mag er gerust van uitgaan dat er in de meeste gevallen een probleem van rechtszekerheid zal geweest zijn. Was er in de procedure die tot een sanctie leidde wel plaats voor het recht op verdediging? Was er een beroepsinstantie voorzien? Kon een tuchtmaatregel herroepen worden bij kennelijke dwaling of als de opwinding van de eerste maanden voorbij was? De kans is groot dat elk van deze vragen met een ‘neen’ moet beantwoord worden.

1In Nederland is het onderzoek veel verder gevorderd. Enkele voorbeelden van publikaties: N. in 't Veld (1981 en 1983) en J. Brauer en J. Driever (1984).

2Katholiek Verweer, 1945, p. 16.

3J. Gotovitch, 1984, p. 315.
4L. Pauwels, 1986, p. 139.
5L. Wils, 1989, pp. 256-257.
6R. Victor schrijft over de Antwerpse balie: ‘De Raad der Orde stelde onmiddellijk drie advocaten in belichting waarvan het algemeen gekend was dat zij, ofwel het uniform der vijandelijke strijdkrachten hadden gedragen, ofwel ten voordele van deze strijdkrachten hadden geronseld. Tegen meerderen werd een onderzoek geopend en negen onder hen werden tijdelijk in de uitoefening van hun beroep geschorst, in afwachting dat een definitieve beslissing over hun geval zou genomen worden. In het geheel werden ongeveer 40 leden van de balie in betichting gesteld. (...) De behandeling van deze menigvuldige gevallen heeft de activiteit van de Tuchtraad gedurende heel het gerechtelijk jaar 1944-1945 beziggehouden’ (R. Victor, 1960, pp. 485-486). De Raad van de Orde van de Brusselse Balie heeft tussen oktober 1944 en juli 1946, 26 tuchtmaatregelen genomen tegen advocaten die zich tijdens de bezetting onvaderlands hadden gedragen (Ordre des Avocats à la Cour d'Appel de Bruxelles, Décisions de principe prises par le Conseil de l'Orde, 1950).
7Bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 5 november 1946, p. 821.

8W. Ganshof van der Meersch, 1946, p. 140.
9Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de memoires van de Gentse hoogleraar L. Elaut, 1981, pp. 446-475.
prepostterug  begin  verder