terug  begin  verderprepost
[p. 193]

Hoofdstuk 4
Types van collaboratie

De verscheidenheid in de collaboratie is bijzonder groot. Dat is ook goed te zien in het hoofdstuk dat nu volgt: niet minder dan acht verschillende types van medewerking met de bezetter komen hier ter sprake. Daarbij gaat de aandacht eerst naar de veroordeelden aan wie slechts één misdrijf tegen de uitwendige veiligheid van de staat ten laste is gelegd. In deze groep zijn vier subtypes onderscheiden. Dan verschuift de analyse naar de collaborateurs die voor twee of meer delicten zijn gestraft. Ook in deze categorie zijn vier types te onderkennen.1

1. Politieke collaboratie

De berechting van de politieke collaborateurs is allesbehalve probleemloos verlopen. Er moest gevonnist worden op wankele rechtsgronden. Het regeringsbeleid van zijn kant was gekenmerkt door lange aarzelingen, door tweedracht en verwarring. Mede daardoor kwam de verwerking van de tienduizenden dossiers bijzonder traag op gang.

Juridisch gezien beschikten de militaire rechtbanken over een hele reeks instrumenten om politieke medewerking met de Duitse indringer als een misdrijf te betitelen. De belangrijkste zijn: de wet van 22 maart 1940 ter bescherming van de nationale instellingen en artikel 118bis van het strafwetboek. Er is hoofdzakelijk met artikel 118bis swb gewerkt. In zijn omschrijving van het te vonnissen delict was deze wettekst echter erg vaag en hierin

[p. 194]



illustratie



illustratie

[p. 195]

ligt een eerste bron van moeilijkheden. Het artikel stelde woordelijk strafbaar: ‘het dienen van de politiek of de plannen van de vijand, het deelnemen aan de vervorming door de vijand van wettelijke instellingen, het aan het wankelen brengen van de trouw van de burgers jegens de koning en de staat en het voeren van propaganda gericht tegen de weerstand’. Met deze opsomming kon de krijgsauditeur een uitermate brede waaier van betwistbare gedragingen vatten: omgang met Duitsgezinden, lidmaatschap van het vnv, aanvaarding van een Duitse literaire onderscheiding, onwettige uitoefening van een schepenambt, oprichting van een (nieuwe) Orde van Geneesheren, hulp bij de uitbouw van de grote agglomeraties, lidmaatschap van de Dietsche Militie-Zwarte Brigade* of van de Formations de Combat van Rex* ... Geen wonder dat op basis van deze ruime omschrijving een omvangrijke groep van betichten is gevormd: Gilissen telde 177.217 dossiers waarin sprake was van politieke collaboratie, de combinaties met wapendracht niet eens meegerekend.2 Dat was ongetwijfeld - gegeven de middelen waarover de rechtbanken konden beschikken - een onoverkomelijk aantal. Maar belangrijker was de vraag of het wel wijs was zo ver te gaan in de bestraffing van het incivisme. De krijgsauditeurs kwamen bijgevolg voor een netelige opdracht te staan: wie moesten ze vervolgen en wie niet?

Dat de collaborerende gouverneurs, burgemeesters, schepenen, topjournalisten en de leidinggevende vnv'ers en Rexisten voor de rechters dienden te verschijnen was te verwachten. Het probleem zat elders, bij de gewone leden van de pro-Duitse bewegingen, en dat was verreweg de grootste groep van betichten. Al op 23 november 1944 adviseerde Ganshof de krijgsauditeurs de vnv-leden voorlopig niet te vervolgen, tenminste als hun geen andere delicten aan te wrijven waren. In een omzendbrief van 26 maart 1945 (‘strictement confidentielle’) herinnerde hij hen daaraan en schreef: ‘Il convient d'adopter la même attitude vis à vis des membres de Rex.’ Twee maanden later, op 17 mei 1945, zond hij volgend bericht: ‘Doivent être, pour les poursuites dirigées contre leurs membres, mis sur le même pied que v.n.v. et Rex: 1) L'Agra* (Mouvement national-socialiste wallon); 2) De Vlag.’ Ganshofs pleidooi voor deze afwachtende houding is te begrijpen: hij wist dat de politici een besluitwet in voorbereiding hadden waarin voor de kleine vissen een alternatieve berechting was voorzien. Op 19 september 1945 was het dan eindelijk zover: de besluitwet inzake de burgerlijke epuratie werd uitgevaardigd. Ondertussen - vijftien maanden lang - verbleven tienduizenden leden van vnv en consoorten in een juridisch vacuüm. Sommigen waren opgesloten in afwachting van hun berechting. Zij die lid waren geweest van Rex, DeVlag en Agra vielen bovendien tot in de lente van 1945 buiten de door Ganshof gepredikte onthouding en konden bijgevolg gevan-

[p. 196]

genisstraffen oplopen. Dat gebeurde ook. Een paar voorbeelden. Op 21 november 1944 kreeg Georges N., groot-invalide van 1914-1918, van de Aarlense krijgsraad een, weliswaar korte, vrijheidsstraf omdat bewezen was dat de betrokkene tussen 1942 en 1944 lidgeld aan Rex had betaald3; diezelfde dag werd Marguerite T. met twee jaar opsluiting bedacht wegens haar lidmaatschap van het Deutsche Sprachverein*4; te Charleroi was er op 18 januari 1945 drie jaar gevangenisstraf voor Walter P. omdat hij ‘...qui, avant la guerre, faisait déjà partie du vnv a, à dater de 1942, adhéré au mouvement De Vlag...’.5 En eigenlijk boden de omzendbrieven van Ganshof geen waterdichte bescherming tegen een berechting door de militaire rechtbank. Zo veroordeelde de krijgsraad van Kortrijk op 29 december 1944 René V., ‘aannemende verzachtende omstandigheden spruitende uit zijn goed verleden’, tot vijf jaar gewone hechtenis omdat hij lid was van het vnv en bovendien ‘...tijdens het inrukken van het Duitsche leger te Lauwe, in het openbaar, heeft verklaard: “Onze verlossers zijn daar. Dat is mijnen besten dokter, nu zal ik rap genezen zijn. Ik wachtte er al twintig jaar achter. De Engelschen zullen nooit komen, zij zijn te groote leegaards...”.’6 Het krijgshof van Brussel volgde op 15 mei 1945 eenzelfde redenering in de veroordeling van een vnv-lid: ‘Het feit van gedurende de jaren 1941, 1942 en 1943, met kennis en besef, lid te zijn geweest van het v.n.v., is eene daad van medeplichtigheid aan de misdaad van 's vijands politiek of plannen in de hand te hebben gewerkt, wanneer de toetreding bewezen is door de betaling van het lidgeld en de tegenwoordigheid in sommige vergaderingen van de partij.’7 In vele andere gevallen werd daarentegen gewacht op de aangekondigde maatregelen van de regering. De afwezigheid van solide en, vooral, ondubbelzinnige rechtsgronden heeft hier bijgevolg grote ongelijkheid doen ontstaan.

De traagheid waarmee de politieke overheid te werk ging was voor de krijgsauditeurs niet de enige bron van onzekerheid. In de eerste twaalf maanden na de bevrijding hebben de politici in de kwestie van de burgerlijke epuratie een zigzagkoers gevaren. Dat verhaal is te lezen in de hoofdstukken 1 en 3 van deel 2. Oorspronkelijk was men van plan een niet zo grote groep van vnv'ers en soortgenoten in de burgerlijke zuivering te betrekken. De meeste meelopers zouden vrijuit gaan. In dit licht valt een passage uit het tweede rapport van Ganshof, begin juni 1945, aan de minister van Justitie goed te begrijpen. Hij schrijft over de aangekondigde zuivering: ‘Cette procédure pourrait sans doute être appliquée à plus de dix mille cas

[p. 197]

parmi les plus graves.’8 Ganshof voorzag dus dat in de burgerlijke epuratie zo'n tienduizend eerder zware gevallen van politieke collaboratie zouden gegrepen worden. Een paar maanden later bleek, bij de uitvaardiging van de besluitwet van 19 september 1945, dat de regering met een veel grotere gestrengheid wou optreden. Daar hadden de krijgsauditeurs niet op gerekend. De besluitwet zou trouwens nog vele vragen onbeantwoord laten. Dat valt onder meer af te lezen uit het feit dat het auditoraat-generaal het nodig zal vinden in zo'n dertigtal omzendbrieven de tekst uitvoerig van uitleg en interpretatie te voorzien.

De politieke collaboratie voor de strafrechter

Van de zowat 55.000 personen die door de krijgsraden en -hoven zijn veroordeeld zijn er ongeveer 24.000 waarvan politieke collaboratie in de aanklacht voorkwam. Bij 14.000 daarvan was naast politieke steun aan de bezetter ook wapendracht, verraad, verklikking of economische collaboratie in de betichting opgenomen. Zij komen later in dit hoofdstuk apart ter sprake. Aan de anderen (10.000 in getal) is alleen politieke hulp aan de Duitsers ten laste gelegd. Van 650 onder hen (een representatief staal) hebben wij gegevens verzameld. Daaraan wordt hier aandacht besteed.9

Onze studie brengt een paar opmerkelijke zaken aan het licht. Zo valt op dat bijna één kwart van deze bevolking (22%) uit vrouwen bestaat. Dat is aan de hoge kant. Er zijn verhoudingsgewijs ook veel Vlamingen: 67% van de vonnissen en arresten zijn in het Nederlands opgesteld. Dat is te begrijpen: de pro-Duitse bewegingen waren in Vlaanderen sterker uitgebouwd dan in het zuiden van het land.

Het heeft een hele tijd geduurd, zo leert tabel 3.7 ons, vooraleer de berechting van deze collaborateurs goed op gang is gekomen. Van de 650 cases in onze steekproef zijn er twaalf maanden na de bevrijding nog maar 63 door de krijgsraden en -hoven behandeld. Dat is nog geen 10%, Betrekt men in de berekening ook de vele mannen en vrouwen voor wie, iets later, de burgerlijke epuratie de weg van de boetedoening zou zijn, dan zakt dat cijfer zelfs tot 3%. In het najaar van 1945 was, met andere woorden, de beoordeling van wie 's vijands politieke plannen had gediend eigenlijk nog niet begonnen (ter vergelijking: op dat moment is al bijna één derde van de militaire collaborateurs gevonnist).

Eerder werd al gezegd dat deze trage start veroorzaakt is door het getreuzel van de politici. Er is nog een andere verklaring. Vaak ontbrak het de krijgsauditeurs aan elementaire kennis over en inzicht in de politieke colla-

[p. 198]

Tabel 3.7 Politieke collaborateurs voor de strafrechter
Verloop van de berechting

% cum%
okt.-dec. 1944 0.1% 0.1%
jan.-mrt. 1945 2.6% 2.7%
apr.-juni 1945 3.3% 6.0%
juli-sept. 1945 3.5% 9.5%
okt.-dec. 1945 8.0% 17.5%
jan.-mrt. 1946 10.4% 27.9%
apr.-juni 1946 15.3% 43.2%
juli-sept. 1946 12.0% 55.2%
okt.-dec. 1946 12.4% 67.6%
jan.-mrt. 1947 9.8% 77.4%
apr.-juni 1947 10.3% 87.7%
       
juli-dec. 1947 5.6% 93.3%
       
na december 1947 6.1% 99.4%
       
onbekend   0.6% 100.0%
__________ _____ __________ _____
totaal   100.0%  
    (n=650)  

boratie. Wat wisten zij bij de bevrijding van de organisatie en werking van, bijvoorbeeld, het collaborerende vnv? Hoe moesten zij de exacte betekenis van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders bepalen? Welke pro-Duitse activiteiten had het Comiteit voor Dietsche Actie ontwikkeld? Hadden Duitsgezinde schrijvers de trouw van de burgers jegens de koning en de staat wel degelijk aan het wankelen gebracht? Het verbaast niet dat Ganshof maandenlang in tal van omzendbrieven de krijgsauditeurs geduldig heeft moeten uitleggen hoe de politieke collaboratie feitelijk in elkaar zat. Zonder al deze informatie dreigden vele dossiers immers onafgewerkt te blijven liggen. Zo bevat omzendbrief 973 van 4 november 1944 een uiteenzetting van ‘...les principes essentiels qui sont à la base du régime politique belge et qui le distinguent du régime national socialiste que l'ennemi s'est efforcé d'introduire en Belgique occupée’. Een maand later (14 december 1944) zet Ganshof de verschillen tussén beide regimes in een omvangrijke synoptische tabel en schrijft: ‘Ce tableau vous permettra aisément de déceler dans les cas particuliers qui vous seront soumis les éléments constitutifs de l'infraction prévue

[p. 199]

par l'article 118bis du Code Pénal...’ De derde januari 1945 volgt een lange omzendbrief waarin de vorming van de grote agglomeraties van commentaar wordt voorzien. Hierbij duikt een procédé op dat later nog geregeld zal terugkomen: de opname van briefwisseling tussen de Militärverwaltung en Belgische collaborateurs. Naast de circulaires ontvingen de auditeurs ook honderden nota's van de Centrale Documentatiedienst van het auditoraat-generaal. Soms echter was ook hier de nodige informatie niet aanwezig. In omzendbrief 1544 van 29 december 1945 (vijftien maanden na de bevrijding!) bekent Ganshof: ‘Je reconnais avec vous qu'il est quelquefois difficile de dire d'une manière précise à partir de quelle date exacte les diverses formations dont il s'agit peuvent être considérées comme des auxiliaires de l'occupant. Nous ne disposons pas, en effet, de toute la documentation qui peut prouver ces activités.’

Tegen de beslissing van de krijgsraad kon in beroep worden gegaan, zowel door de openbare aanklager als door de beschuldigde. In één op de vijf gevallen van politieke collaboratie is dit ook gebeurd. Dat is, in vergelijking met wat wij elders zullen aantreffen, aan de lage kant. Of de beoordeling van de beroepsinstantie afweek van de beslissing van de krijgsraad is in onze studie niet onderzocht. Het Belgisch Staatsblad vermeldt deze informatie niet in de uittreksels die het publiceerde. Gilissen heeft deze kant van de zaak wel bekeken. Hoger beroep leidde blijkens zijn gegevens tot volgend resultaat: in 18% van de gevallen was er verhoging van de strafmaat, in 36% bevestiging van het oorspronkelijk vonnis, in 46% vrijspraak of vermindering van de sanctie.10 De overstap naar een hogere instantie loonde blijkbaar de moeite.

In 18% van de vonnissen en arresten is een criminele straf - dit is minstens vijf jaar vrijheidsberoving - uitgesproken. Via extrapolatie kan men berekenen dat deze relatief zware sanctie in totaal 1.830 incivieken heeft getroffen aan wie alleen politieke collaboratie is ten laste gelegd. In 230 van deze gevallen was de uitspraak levenslange opsluiting of de doodstraf. Drie mannen en één vrouw zijn geëxecuteerd. Alle veroordeelden - ook zij die een correctionele straf opliepen - werden bovendien levenslang van hun politieke en burgerlijke rechten beroofd.

Het is niet zo eenvoudig om over de bestraffing van deze vorm van collaboratie een oordeel uit te spreken. Aan de ene kant lijkt zij overdreven. Per slot van rekening gaat het vaak om mensen aan wie alleen Duitsgezindheid verweten kan worden. Uit de uitspraken van de militaire rechtbank van Turnhout lichten wij hiervan twee voorbeelden. Op 31 oktober 1945 veroordeelt deze krijgsraad Florimond D. tot zeven jaar gewone hechtenis, ‘...overwegende dat beschuldigde lid was van de Duitsche Flämische Ar-

[p. 200]

beitsgemeinschaft; dat hij een van zijn bedienden trachtte over te halen lid van deze beweging te worden; dat in zijn bureel op den dienst der ravitaillering het portret van Reimond Tollenaere hing (...); overwegende dat er ten voordeele van beschuldigde verzachtende omstandigheden bestaan spruitende uit zijn goed verleden en zijn gevorderden ouderdom....’11 Dezelfde dag krijgt Peter-Jozef V. vijf jaar hechtenis, ‘overwegende dat V. penningmeester van de “De Vlag”, te Mol, geweest is; dat uit de behandeling der zaak niet is gebleken dat hij veel uiterlijke propaganda zou gemaakt hebben noch ook dat de “De Vlag” te Mol veel invloed uitoefende; dat hij aanduidingen gaf toen de straten witgekalkt werden met opschriften voor het Legioen Langemarck; dat de brieven door hem geteekend boven zijn handteekening de groet Heil Hitler vermeldden...’12 Aan de andere kant zitten in deze groep ook mannen die lid zijn geweest van de Dietsche Militie-Zwarte Brigade, van het Veiligheidskorps van het vnv, van het Verweerkorps van De Vlag en van de Formations de Combat van Rex - stuk voor stuk organisaties waarbinnen de grens tussen collaboratie en gemeenrechtelijke misdrijven erg dun was.13

Er vallen een paar merkwaardige verschillen in de straftoemeting te signaleren. Bij de mannen ligt het aandeel van de criminele straffen gevoelig hoger dan bij de vrouwen: 20% tegenover 11%. Zeer waarschijnlijk is hierin de ongelijke positie van beide groepen in de wereld van de politiek (de lokale besturen, de ambtenarij, de Duitsgezinde bewegingen) weerspiegeld. Belangrijker evenwel is de regionale variatie. Tabel 3.8 geeft het aandeel van de criminele straffen in de rechtsgebieden en in de twee taalgroepen. De verschillen in de strafmaat zijn toch wel opmerkelijk: van 9% criminele straffen in de zone van het krijgshof van Gent tot 32% voor de Nederlandstaligen in de sector van het Brussels krijgshof. Het ontstaan van de regionale variatie in de strafmaat is een zeer ingewikkeld probleem. Het zal opnieuw de kop opsteken wanneer de berechting van verklikking en de militaire collaboratie aan de orde is. Daarom lijkt het ons aangewezen om deze complexe problematiek straks in een afzonderlijk hoofdstuk de ruime aandacht te geven die zij verdient.

Tal van discussies over de bestraffing van de collaboratie draaien rond de vraag of er in Vlaanderen harder is opgetreden dan in Franstalig België. Ook Gilissen heeft daaraan in zijn trendzettende publikatie van 1951 vele bladzijden besteed. In tabel 3.8 zit de boodschap dat deze probleemstelling vermoedelijk niet relevant is, althans wat de berechting van de politieke col-

[p. 201]

laborateur betreft. Het zijn niet de verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië die opvallen. Het is de variatie binnen de Vlaamse regio die de meeste vraagtekens oplevert. In het noorden van het land lopen de scores van 4%

Tabel 3.8 Politieke collaborateurs voor de strafrechter
Regionale verschillen in de strafmaat*

% criminele straffen
kr. Ieper 4%
kr. Brugge 19%
kr. Kortrijk 13%
kr. Gent 4%
totaal kh. Gent** 9%
   
kr. Antwerpen 24%
totaal kh. Antwerpen** 23%
   
kr. Leuven 56%
kr. Mechelen 16%
kr. Brussel Nl. 38%
totaal kh. Brussel Nl.** 32%
   
kr. Hasselt 8%
kr. Tongeren 15%
totaal kh. Luik Nl.** 10%
   
kr. Bergen 26%
kr. Charleroi 27%
kr. Brussel F. 21%
totaal kh. Brussel F.** 23%
   
kr. Aarlen 21%
kr. Luik 43%
totaal kh. Luik F.** 21%
______________________________ _____
Franstalige veroordeelden 22%
Nederlandstalige veroordeelden 17%
Alle veroordeelden 18%

[p. 202]

Tabel 3.9 Politieke collaborateurs voor de strafrechter
Evolutie van de strafmaat

% criminele straffen
tot maart 1945 33%
apr.-juni 1945 45%
juli-sept. 1945 43%
okt.-dec. 1945 17%
jan.-mrt. 1946 16%
apr.-juni 1946 18%
juli-sept. 1946 14%
okt.-dec. 1946 10%
jan.-mrt. 1947 5%
apr.-juni 1947 15%
     
juli-dec. 1947 24%
     
na december 1947 35%
_______________ _____ _____
totaal   18%

in Ieper en Gent over 19% in Brugge en 24% in Antwerpen naar 56% in Leuven. Ten zuiden van de taalgrens is de waaier wat smaller, maar hij is er: 21% in Aarlen, 26% in Bergen, 43% in Luik. Zulke verschillen zullen ook in de bestraffing van de andere delicten aangetroffen worden. Wij komen er later uitvoerig op terug.

Eén jaar na de bevrijding is voor deze groep van collaborateurs 10% van de vonnissen en arresten geveld. In de twaalf maanden die volgen wordt het ritme aanzienlijk opgedreven: begin oktober 1946 is al 55% berecht. Tabel 3.9 toont welke evolutie de strafmaat ondertussen ondergaat. Eerst is er een lichte stijging (van 33% criminele straffen in de eerste zes maanden naar 45% en 43% in het tweede en derde kwartaal van 1945). Wellicht is hier het effect voelbaar van wat Ganshof in die periode als beleid ten aanzien van de politieke collaboratie aanprijst: vervolg alleen de grote zondaars, laat de kleine voorlopig met rust. Vanaf eind 1945 daalt de strafmaat dan op spectaculaire wijze. Dat ligt helemaal niet in de lijn van wat men verwachten kan. Inderdaad, in de laatste maanden van 1945 treedt de besluitwet op de burgerlijke epuratie in voege en dat zou het werk van de krijgsraden moeten herleid hebben tot de behandeling van de allerzwaarste gevallen. Eigenlijk zou er dus een stijging in de strafmaat moeten te zien zijn. Dat dit achter-

[p. 203]

wege blijft brengt ons tot de stelling dat de militaire rechtbanken in de loop van de tijd milder zijn geworden tegenover hen die de politieke plannen van de bezetter hadden gediend. Hier ligt dan wel een krachtige bron van rechtsongelijkheid: niet alleen de ernst van een delict woog op de strafmaat, maar ook het tijdstip waarop een zaak voor de rechters kwam. Wie kort na het einde van de oorlog voor de krijgsraad verscheen had pech. Dat waren dan meestal de mensen die niet naar Duitsland waren gevlucht of van wie het dossier niet al te ingewikkeld was - de kleintjes dus.

De weg van de burgerlijke epuratie

De meeste mensen aan wie alleen politieke collaboratie is aangewreven zijn niet door de krijgsraden gevonnist. Bijna 65% van hen is via een andere route - de burgerlijke epuratie - berecht. Onze toevalsteekproef omvat hier 1.118 eenheden: zij vertegenwoordigen ongeveer 18.000 collaborateurs, waarvan 12.000 Vlamingen.

Bijna 9 op 10 van deze mensen hebben een verval van rechten opgelopen omdat zij lid waren geweest van een partij, beweging of organisme van politieke, culturele of syndicale aard ‘... terwijl het algemeen bekend was dat die partijen, bewegingen of organismen de politiek, de propaganda of de plannen van den vijand in de hand werkten...’ (zoals de besluitwet van 19 september 1945 het formuleert). Het uittreksel van de inschrijving dat in het Belgisch Staatsblad verscheen, vermeldt ook de gewraakte organisatie. Op basis van deze informatie is te berekenen dat ongeveer 8.000 vnv'ers, 2.800 leden van DeVlag, 2.800 Rexisten en 1.250 nsdap'ers* langs deze weg gestraft zijn. Een interessant detail: tweehonderd Belgen zijn van hun rechten beroofd op grond van art. 3.4 van de epuratiewet. Dat artikel straft de ouders die hun kinderen, zelfs stilzwijgend, de toestemming hebben gegeven om lid te worden van een Duitsgezinde vereniging. Zevenhonderd anderen ondergingen hetzelfde lot omdat zij, in de termen van art. 3.6, ‘individueel, hoe dan ook, eenige propagandistische bedrijvigheid’ ten behoeve van de bezetter aan de dag hadden gelegd. Dat is een wel erg vage grond voor bestraffing.

2. De verklikkers

Van politieke collaboratie naar verklikking is een grote sprong. Beide delicten verschillen immers op tal van punten grondig van elkaar. Ambitie, overtuiging of een mengeling van beide: dat is het wat vele politieke medestanders van de bezetter bewogen heeft. Men kan daar nog begrip voor opbrengen. In het geval van verklikking was het motief vaak van een heel andere aard: het was winstbejag bij de mensenjagers, wraak bij de gelegen

[p. 204]

heidsverklikkers. Aangifte aan de vijand wekt totale afkeer op. Er is een tweede verschil: het gaat om een ander soort van mensen. Zo is het aandeel van de vrouwen in deze categorie van collaborateurs wel bijzonder groot. In onze steekproef zitten 289 personen aan wie alleen verklikking ten laste is gelegd, 170 daarvan zijn vrouwen. Dat is bijna 60%, verreweg het hoogste cijfer in de hele reeks van collaboratiedelicten. Toch is de geringe aanwezigheid van mannen in deze groep wat misleidend. Verklikking kwam nog in vele andere vonnissen en arresten als aanklacht voor, maar dan in combinatie met wapendracht, verraad en politieke of economische hulp aan de vijand. En in dat geval ging het dan bijna uitsluitend om mannen. Dat doet ons vermoeden dat de veroordeelde vrouwen tot het type van de incidentele aanbrengers behoren. Het motief ligt dan in de privé-sfeer: een familievete, een burenruzie. Verklikking is in een nog andere betekenis een geval apart: bijna 70% van de uitspraken is in het Frans opgesteld, slechts 30% in het Nederlands. Dat is het perfecte spiegelbeeld van wat wij in de vonnissen en arresten inzake politieke collaboratie te zien kregen. Deze bevinding ondersteunt de stelling dat de collaboratie in de twee taalgroepen verschillend van aard was: veelal politiek in Vlaanderen, meer apolitiek in het zuiden van het land.

Ook op het stuk van de rechtsgronden zijn er verschillen. Voor politieke collaboratie was slechts één enkele sanctie voorzien, de doodstraf. In het geval van verklikking was de strafmaat variabel want verbonden aan de gevolgen van het delict. Op loutere aangifte, zonder verdere consequenties voor de verklikte, stond opsluiting. Wanneer het slachtoffer een vrijheidsberoving van meer dan één maand had opgelopen, werd de sanctie verhoogd tot dwangarbeid van tien tot vijftien jaar. Was het gevolg ziekte, verminking of dood dan kon de verklikker de doodstraf krijgen.

Gilissen heeft berekend dat er na de oorlog 32.845 dossiers met verklikking als enige aanklacht zijn opgesteld. In 5.830 gevallen werd er ook metterdaad vervolgd. Dit is, in verhouding tot het aantal aangelegde dossiers, aan de lage kant: slechts 18%. Uiteindelijk zijn 4.101 mannen en vrouwen veroordeeld.14 Er is dus vrijspraak geweest voor 30% van de mannen en vrouwen die met verklikking als enige aanklacht voor de rechters zijn verschenen. Dat is het hoogste cijfer voor alle delictsoorten. Toch is dat te begrijpen. Inzake verklikking was het bewijs moeilijk te leveren: het was nodig het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de aangifte en wat het slachtoffer eventueel overkomen was. Men mag gerust aannemen dat precies daarom sommige verklikkers de dans ontsprongen zijn.

In het verloop van de berechting van deze mensen vallen twee zaken op. Er is, ten eerste, zelden bij verstek veroordeeld (slechts in 9% van de uit-

[p. 205]

spraken). Dat is niet te verwonderen: voor vele van de betichten - meestal vrouwen - was een vlucht naar Duitsland uitgesloten. Er is anderzijds erg vaak beroep aangetekend tegen het vonnis van de krijgsraden: één derde van de veroordelingen werd in een krijgshof geveld. Dat heeft te maken met de complexiteit van deze zaken en met de zware bewijslast die op de krijgsauditeurs rustte. Volgens Gilissen leidde het beroep op een hogere rechtbank tot volgende resultaten: bevestiging van het vonnis in 47% van de gevallen, verhoging van de straf in 15% en strafvermindering in 38% van de dossiers.15

De bestraffing van de verklikking heeft de passies soms hoog doen oplaaien. Zo was het wellicht geen toeval dat de allereerste twee terechtgestelden. Herten en Hogeveen, veroordeeld waren wegens het aangeven bij de vijand van de moordenaar van een collaborateur. Irma Laplasse, een van de vier vrouwen die tijdens de repressieperiode terechtgesteld werden, was ook al wegens verklikking van een aantal weerstanders veroordeeld.16 Er was het geval van vnv-senator Van Dieren, die na een lange tocht langs de gerechtelijke instanties (krijgsraad Brussel, krijgshof Brussel, hof van cassatie, krijgshof Gent, hof van cassatie, krijgshof Luik) uiteindelijk vrijgesproken werd van de beschuldiging van verklikking van auditeur-generaal Ganshof van der Meersch. Vrijgesproken werden ook de burgemeester van Luik en de procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik van de beschuldiging dat zij door het overmaken van lijsten van communistische verantwoordelijken aan de vijand een daad van verklikking hadden gesteld. Tot zware straffen daarentegen werden weerstanders veroordeeld die na mishandeling of dreiging daarmee hun kameraden verklikten en achteraf met Duitse politiediensten samenwerkten. Zij hadden, zo vonniste de rechtbank, de plicht om al het menselijk mogelijke te doen om hun kameraden te beschermen.17

Toch werd verklikking, tenminste als dat de enige aanklacht was, over het algemeen niet zo streng gestraft. Het aandeel van de correctionele straffen bedraagt hier 72%. Dat betekent dat in zeven op de tien gevallen verklikking met een sanctie van minder dan vijf jaar opsluiting werd bedacht. Deze cijfers liggen in de buurt van wat bij de bestraffing van de politieke collaboratie is genoteerd. Wellicht komt dat als verrassend over. Is aangifte aan de vijand dan niet veelal een ernstiger delict dan het verlenen van politieke bijstand aan de bezetter? Misschien wel, maar alleen was het voor de rechters niet zo gemakkelijk om met de vereiste bewijzen voor de dag te komen.

Mannen hebben hier vaker een criminele straf opgelopen dan vrouwen

[p. 206]

(33% versus 24%). Franstalige verklikkers zijn zwaarder gestraft dan hun Nederlandstalige lotgenoten (31% tegenover 21%). Een verklaring voor deze verschillen ontbreekt. Het is goed mogelijk dat de variatie niet aan de rechters ligt, maar aan het feit dat de strafbare daden erg uiteenlopende gevolgen voor de slachtoffers hebben gehad en dus ook verschillend zijn getaxeerd. Tabel 3.10 laat zien dat de straftoemeting ook varieerde van regio tot regio. Uitschieters naar boven zijn de rechtsgebieden Antwerpen (36% criminele straffen) en Brussel-Frans (34%), uitschieter naar beneden is Brussel-Nederlands (13%). Opnieuw moeten wij het antwoord op de vraag naar het waarom schuldig blijven.

Tabel 3.10 Verklikkers voor de strafrechter
Regionale verschillen in de strafmaat

% criminele straffen
krijgshofgebied Gent 20%
krijgshofgebied Antwerpen 36%
krijgshofgebied Brussel-Nl. 13%
krijgshofgebied Luik-Nl. 20%
   
krijgshofgebied Brussel-F. 34%
krijgshofgebied Luik-F. 27%
______________________________ _____
Franstalige veroordeelden 31%
Nederlandstalige veroordeelden 21%
Alle veroordeelden 28%

In de berechting van de politieke medestanders van de bezetter is zowat één jaar na de bevrijding een opmerkelijke wijziging opgetreden: de gemiddelde strafmaat daalde aanzienlijk. Eenzelfde beweging zal ook waar te nemen zijn in de behandeling van de militaire collaborateurs. Ten aanzien van verklikking is deze trend echter achterwege gebleven. Dat is de boodschap die in tabel 3.11 te lezen staat. In het voorjaar van 1945 gaat de strafmaat stijgen om zes maanden later weer te dalen, maar niet voor lang en ook niet in dezelfde mate als dit voor de andere delicten het geval is geweest. De verklaring hiervoor ligt vermoedelijk in de juridische context. Voor de militaire rechters bood de inhoud van artikel 121bis swb, dat de strafmaat voor verklikking verbindt met de gevolgen van het strafbare feit, de gelegenheid om van meet af aan de kleine aangevers van de grote te scheiden. Met betrekking tot de andere delicten was deze mogelijk-

[p. 207]

Tabel 3.11 Verklikkers voor de strafrechter
Evolutie in de strafmaat

% criminele straffen
tot maart 1945 17%
apr.-juni 1945 32%
juli-sept. 1945 29%
okt.-dec. 1945 26%
jan.-mrt. 1946 11%
apr.-juni 1946 19%
juli-sept. 1946 32%
okt.-dec. 1946 15%
jan.-mrt. 1947 30%
april-juni 1947 22%
juli-dec. 1947 36%
na december 1947 58%
__________ _____ _____
totaal   28%

heid afwezig, werd in het begin strenger gestraft en is na enige bezinning een correctie opgetreden.

3. Militaire collaboratie

‘La collaboration militaire, dans laquelle même les collaborateurs les plus passionnés de l'ennemi au cours de la guerre précédente ne s'étaient pas engagés, fut particulièrement importante et grave au cours de cette guerre-ci. Elle fut infiniment plus considérable qu'en France par excmple.’ Dat schrijft auditeur-generaal Ganshof begin oktober 1945 in een rapport aan de minister van Justitie.18 Hij zet daar ook een cijfer op: bij de krijgsauditeurs zijn op dat moment al bijna honderdduizend dossiers aangelegd in verband met wapendracht in dienst van de vijand. Een half jaar later zal hij bij zijn minister trouwens aandringen om niet al te veel commentaar te leveren bij het verschijnsel van de militaire collaboratie: ‘Le Pays n'a, semble-t-il, aucun intérêt a mettre trop publiquement l'accent sur la gravité et l'étendue de cette collaboration avec l'ennemi.’19

De plaatsvervangende schaamte van de auditeur-generaal is te begrij-

[p. 208]

pen. Militaire collaboratie was de meest verregaande vorm van medewerking met de bezetter. Bovendien bezat ze een zeer hoge graad van zichtbaarheid: de daders ervan hadden zich vaak in uniform vertoond. En in het geval van de politionele diensten was er de nauwe vervlechting met de meest gehate kant van de bezetting: de jacht op ondergedoken werkonwilligen en de terreur tegen echte of vermeende verzetslieden.

Het zal wel nooit te achterhalen zijn hoeveel Belgen er precies in Duitse dienst wapens hebben gedragen.20 Ganshofs cijfer van eind 1945 lag te hoog: tegen vele betichten waren twee of meer dossiers opgesteld. Pas op het einde van de repressie - dat is medio 1949 - is het mogelijk allerlei dubbeltellingen uit de tabellen weg te zuiveren. Er zijn op het stuk van de militaire collaboratie, zo rekent Gilissen dan uit, 76.470 zaken aan de krijgsauditeurs voorgelegd.21 In iets meer dan de helft van deze gevallen is uiteindelijk een strafrechtelijke of een burgerlijke sanctie opgelegd. Vermoedelijk zijn er ook enkele duizenden wapendragers aan het Belgisch gerecht ontsnapt: ze hebben de oorlog niet overleefd of zijn gewoonweg onbekend gebleven. Bijgevolg is met enige zekerheid geweten dat minstens 42.000 landgenoten onder Duitse vlag hebben gediend.

Zeker is ook dat de militaire collaboratie, zoals tabel 3.12 in detail laat zien, zeer verscheiden van aard is geweest.

De meest extreme vorm van wapendracht is te vinden bij wie toetrad tot de strikt-militaire formaties. Gilissen telde in deze categorie 14.717 dossiers en 10.615 veroordeelden. Maar ook binnen deze eerste groep vallen nog heel wat distincties te maken. Er zijn de Waffen-ss'ers die al in september 1940 het Duitse leger vervoegden. Zij legden de ss-eed af en waren op alle fronten inzetbaar. Het Vlaams Legioen* daarentegen werd pas gevormd kort voor de Duitse inval in Rusland (juni 1941) en engageerde zich uitsluitend voor de strijd tegen het communisme. Ten slotte zijn er de collaborateurs die op het einde van de oorlog, vaak na hun vlucht uit België, in een gevechtseenheid zijn getreden.

De tweede groep omvat de leden van paramilitaire formaties zoals de Organisation Todt*, de Fabriekswacht* en de nskk. Zij vormen de grootste categorie: er zijn hieromtrent 35.809 dossiers aangelegd, 16.305 mensen zijn door de krijgsgerechten veroordeeld en nog eens enkele duizenden hebben in het kader van de burgerlijke epuratie een ontzetting uit de rechten opgelopen.

[p. 209]

Tabel 3.12 Wapendragers tegen België*

(a) (b) (b)/(a)
aantal dossiers aantal veroordelingen
militaire formaties
(Waffen-ss, Légion Wallonie, Vlaams Legioen, Kriegsmarine e.a.)
14.717 10.615 72%
       
paramilitaire formaties      
Organisation Todt 11.094 3.122 28%
nskk 8.280 3.829 46%
Fabriekswacht 5.928 3.352 47%
Vlaamse Wacht 5.628 3.129 56%
Garde Wallonne 3.960 2.423 61%
Eisenbahnwache 624 352 57%
Gardes d'usines 295 98 33%
Totaal 35.809 16.305 47%
       
paramilitaire formaties van politieke aard      
Dietsche Militie-Zwarte Brigade 3.570 564 16%
Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen 931 111 12%
Totaal 4.501 675 15%
       
politionele diensten      
Feldgendarmerie 2.826 1.310 46%
Sicherheitspolizei 2.130 301 14%
Geheime Feldpolizei 246 160 65%
Totaal 5.202 1.771 34%
       
diversen      
(hoofdzakelijk in Oostkantons) 16.241 2.465 15%
       
algemeen totaal** 76.470 31.831 42%

[p. 210]

Uniformdragers waren er, ten derde, ook in de milities van vnv (Dietsche Militie-Zwarte Brigade), De Vlag en Rex. Velen onder hen zijn niet voor een krijgsraad verschenen, maar werden gestraft via de burgerlijke epuratie.

In een vierde groep zitten de Belgen die toegetreden zijn tot Duitse politiediensten, waaronder de Feldgendarmerie*, de Geheime Feldpolizei* en de Sicherheitspolizei*. Onder deze rubriek vermeldt Gilissen 5.202 dossiers en 1.771 veroordeelden. (Een restcategorie - 16.241 dossiers en 2.465 veroordeelden - bestaat hoofdzakelijk uit inwoners uit de Oostkantons die vrijwillig of gedwongen in het Duitse leger zijn ingelijfd.22)

Alles bij elkaar werden zo'n 38.000 à 39.000 Belgen gestraft omdat ze de wapens tegen hun land hadden opgenomen. Over hoe zij zijn berecht was tot op heden weinig bekend. Met deze studie van vonnissen, arresten en epuratiebeslissingen is de leemte nu gedeeltelijk weg te werken.

Militaire medewerking met de bezetter is in zeer vele gedaantes voorgekomen. Eén bron van verscheidenheid ligt, zo is al gezegd, in de aard van de wapendracht: er is een groot verschil tussen de man die hier te lande een Duits vliegveld hielp bewaken en de Belgische Waffen-ss'er die een paar jaar aan het Oostfront heeft gevochten. Aanzienlijke variatie is er ook nog in een andere betekenis: in één op de drie gevallen was militaire bijstand niet de enige aanklacht maar werden de betichte meerdere collaboratiefeiten aangewreven. Hiermee is in onze analyse uiteraard rekening gehouden. Zo zijn de veroordeelden die militaire collaboratie combineerden met politieke hulp aan de vijand apart gezet. Zij vertonen nogal wat specifieke kenmerken en worden later van dichtbij bekeken. Ook een afzonderlijke categorie vormen de gestraften aan wie naast wapendracht bovendien verraad (art. 15 van het militair strafwetboek) of verklikking of gemeenrechtelijke misdrijven ten laste zijn gelegd. Deze groep komt in het vijfde deel van dit hoofdstuk ter sprake.

Nu zijn dus de ‘alleen-maar-wapendragers’ aan de beurt. Men kan hen in twee categorieën opsplitsen. De meesten zijn door de krijgsraden en -hoven veroordeeld. Onze steekproef omvat 1.179 van deze gevallen. Zij zijn representatief voor een groep van gestrafte uniformdragers die ongeveer 18.000 eenheden groot is en één derde van alle veroordeelde collaborateurs omvat. Zij krijgen in het eerstvolgende stuk de volle aandacht. De overigen zijn in het kader van de burgerlijke epuratie berecht. Daarvan zijn er zo'n 269 in ons onderzoek opgenomen. Zij vertegenwoordigen nog eens iets meer dan 4.000 militaire medestanders van de bezetter. Zij komen in het tweede stuk ter sprake.

[p. 211]

De militaire collaboratie voor de strafrechter

Wapendracht was een zaak van mannen: hun aandeel in deze groep van bestraften bedraagt 98%. Verwonderlijk is dat niet: toetreding tot zowat alle formaties was aan mannen voorbehouden.

Bij de veroordeelde vrouwen gaat het meestal om meisjes die als verpleegster bij het Duitse Rode Kruis* hebben gewerkt. Op 28 september 1945 krijgt Marie D. in de krijgsraad van Nijvel drie jaar opsluiting omdat zij zich in oktober 1943 in het drk geëngageerd had.23 Een Tongers meisje dat pas in 1944 tot het drk was toegetreden wordt op 26 november 1945 een gevangenisstraf van één jaar opgelegd.24 Begin december 1945 veroordeelt de Gentse krijgsraad de 21-jarige Elisabeth V. uit Sint-Amandsberg tot veertien maanden gevangenisstraf om ‘...als Belg, de wapens te hebben opgenomen tegen België of dezes bondgenoten, namelijk als Burgerlijke Verpleegster in dienst van drk’.25 Een half jaar later (op 29 augustus 1946) zal de krijgsraad van Antwerpen dienstneming bij het drk daarentegen uitdrukkelijk niet meer beschouwen als een geval van militaire collaboratie. Enkele vrouwen werden gevonnist omdat zij actief zijn geweest in een politionele dienst van de bezetter. In weer andere gevallen werd wapendracht wel erg ruim geïnterpreteerd. Zo is een kapster uit Kemzeke door de krijgsraad van Gent veroordeeld omdat zij als werkvrouw bij de Organisation Todt ‘de wapens tegen België had opgenomen’.

De militaire collaborateurs aan wie geen ander delict werd aangewreven, waren bovendien erg jong: 57% van deze veroordeelden was in 1920 of later geboren en bijgevolg op het einde van de oorlog ten hoogste 24 jaar oud. Van nog eens een kwart lag de leeftijd bij de bevrijding tussen de 25 en de 35 jaar. Het aandeel van de 45-plussers bedroeg daarentegen slechts 5%.

Het beroep dan. Hier is er een probleem: de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde vonnissen en arresten vermelden één keer op drie het beroep van de betrokkene niet. Enige omzichtigheid in de analyse van de gegevens is dus geboden. In de gevallen waarover informatie ter beschikking is, behoort 74% tot de arbeidersbevolking. Het aandeel van zowel de bedienden als de zelfstandigen bedraagt iets minder dan 9%, dat van de studenten 4%. De rest (ook 4%) staat als zonder beroep geboekt.

De spreiding van dit type van gestraften over de twee taalgroepen (62% Nederlandstalige en 38% Franstalige veroordeelden) wijkt slechts weinig af van het beeld dat de talentelling van 1947 liet zien (56% uitsluitend of meestal Nederlandssprekend, 44% Franssprekend). Dat doet vermoeden

[p. 212]

dat de werving van wapendragers in het noorden van het land niet veel beter is gelukt dan in het zuiden.

 

De berechting van de militaire collaborateurs is bijzonder snel van start gegaan. In de allereerste vonnissen van de krijgsraden luidt de beschuldiging steevast: dienstneming bij de vijand. Op 29 september 1944 al veroordeelt de krijgsraad van Namen, die de spits afbeet, drie jonge collaborateurs tot zware straffen: het zijn Waffen-ss'ers. In Vlaanderen is de krijgsraad van Antwerpen het eerst met een serie vonnissen klaar: op 3 oktober 1944 worden vijf collaborateurs tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. Weer zijn het allen wapendragers. Naar schatting zijn in de eerste drie maanden na de oorlog alles samen zo'n 2.000 vonnissen en arresten uitgesproken. In drie op de vier gevallen ging het om militaire medestanders van de bezetter. Dat de krijgsgerechten zich in het begin vooral met wapendragers inlieten mag geen verbazing wekken. Over de strafbare feiten bestond in het geval van de meeste verdachten nauwelijks twijfel: zij waren meestal in uniform gezien. Over het algemeen was het dossier helemaal niet ingewikkeld - zeker niet in de gevallen waarin militaire bijstand de enige aanklacht vormde. Waar de opsporing problemen gaf werd bij verstek gevonnist. Een gevolg hiervan is dat medio 1945 al bijna één kwart van deze mensen was veroordeeld (zie tabel 3.13). Dat was minder dan verwacht en verhoopt, maar toch nog minstens dubbel zo veel in vergelijking met de andere delictgroepen. Van de politieke collaborateurs, bijvoorbeeld, was op dat ogenblik slechts 6% gevonnist. Dit relatief hoge berechtingsritme had verstrekkende gevolgen op het vlak van de straftoemeting. Verder in dit hoofdstuk zal te lezen zijn dat na zo'n half jaar een moment van bezinning in de repressierechtspraak aanbrak. De strenge bestraffing maakte plaats voor een mildere, meer gematigde benadering. Vele wapendragers hebben daar niet van geprofiteerd omdat ze erg vroeg voor de rechters zijn verschenen.

Eén op de vijf veroordeelden is in hoger beroep gevonnist. Blijkens de gegevens van Gilissen week de beslissing van het krijgshof zeer vaak af van de oorspronkelijke uitspraak: in 43% van de gevallen was er vrijspraak of vermindering van de sanctie, in 18% daarentegen verhoging van de strafmaat.26

 

Dienstneming bij de vijand werd meestal streng gestraft. In ongeveer vierduizend gevallen is de doodstraf of levenslange hechtenis uitgesproken.27 En ook bij 175 van de 242 geëxecuteerde collaborateurs was wapendracht een

[p. 213]

Tabel 3.13 Wapendragers voor de strafrechter
Verloop van de berechting

% cum%
okt.-dec. 1944 6% 6%
jan.-mrt. 1945 10% 16%
apr.-juni 1945 6% 22%
juli-sept. 1945 6% 28%
okt.-dec. 1945 7% 35%
jan.-mrt. 1946 11% 46%
apr.-juni 1946 14% 60%
juli-sept. 1946 12% 72%
okt.-dec. 1946 8% 80%
jan.-mrt. 1947 6% 86%
apr.-juni 1947 4% 90%
       
juli-dec. 1947 3% 93%
       
na december 1947 7% 100%
__________ _____ __________ _____
totaal   100%  
    (n=1.179)  

element in de akte van beschuldiging. Natuurlijk ging het hier meestal om mensen die naast militaire hulp aan de vijand ook andere misdrijven hadden gepleegd. Toch is de doodstraf uitgevoerd in twintig gevallen waarin louter en alleen militaire bijstand aan de Duitsers werd gevonnist.

Welke straffen hebben ‘onze’ 1.179 alleen-maar-wapendragers opgelopen?28 Voor één op zeven was de uitspraak levenslange hechtenis of doodstraf. In één derde van de vonnissen is een vrijheidsberoving van vijf tot twintig jaar uitgesproken. Dat betekent dat in de helft van de gevallen een criminele straf is opgelegd. Het is niet gemakkelijk om over het gewicht van deze bestraffing een oordeel uit te spreken. In vergelijking met het aandeel van de criminele straffen voor politieke collaboratie (18%) en verklikking (28%) ligt het tarief hier relatief hoog. Daarbovenop kwam de levenslange ontzetting uit de rechten, voorzien in artikel 123sexies van het swb, die met élke criminele én correctionele straf verbonden was. Bovendien veroorzaakte de veroordeling door een krijgsgerecht een lawine aan andere sancties, die

[p. 214]

over het algemeen een langdurig effect hebben gehad. Zo was het feit dat een veroordeelde geen bewijs van burgertrouw kon bekomen een zware handicap in het leven na de gevangenis. Zelfs het ouderlijk gezin van de jonge Waffen-ss'er, Vlaams-Legioensoldaat of Fabriekswachter deelde in de klappen. Artikel 3.4 van de besluitwet van 19 september 1945 inzake de burgerlijke epuratie voorzag dat wie ‘...zelfs stilzwijgend, heeft toegelaten dat zijne kinderen van minder dan 18 jaar, zelfs zoo zij ontvoogd waren, uitgenomen door huwelijk, deel uitmaakten...’ van zo'n formaties eveneens ontzetting uit de rechten kon oplopen.

Dat de vrouwen een louter secundaire rol gespeeld hebben in de gewapende hulp aan de vijand komt ook tot uiting in de straftoemeting: bij hen bedraagt het aandeel van de crimineel-gestraften slechts 5%. Een veel ingewikkelder probleem rijst bij de interpretatie van een andere vaststelling: aan Franstalige uniformdragers is vaker een criminele straf opgelegd dan aan hun Nederlandstalige lotgenoten. De cijfers zijn respectievelijk 55% en 46%. Dat verschil was ook Gilissen al opgevallen. Hij kon, schreef hij in 1951, moeilijk aannemen dat de militaire rechters tegenover Franstaligen strenger opgetreden waren dan tegenover de Vlamingen. Er moest een andere verklaring zijn. Zijn stelling is dat de Franstaligen vooral tot de strikt militaire formaties (zoals de Waffen-ss) zijn toegetreden, terwijl aan Vlaamse kant de wapendracht hoofdzakelijk van paramilitaire aard is geweest.29 Dat verschil in de ernst van het delict zal zich, zo is zijn redenering, uiteraard hebben doorgezet in de strafmaat. Maar echte bewijzen kon hij niet leveren. Uiteraard niet, want de strafmaatcijfers over Vlaanderen en Franstalig België hadden hem op het verkeerde been gezet. Tabel 3.14 geeft duidelijk aan dat de regionale verschillen niet ter hoogte van de taalgrens ontstaan, maar zich eerst en vooral binnen elk gewest voordoen. Kijk naar de situatie in het noorden van het land: betrekkelijk weinig criminele straffen (34%) in de zone van het Gentse krijgshof, zeer veel (83%) in de Vlaamse sector van het krijgshof van Luik. Een kleine rekensom maakt een en ander nog duidelijker: wie de Oost- en Westvlaamse vonnissen en arresten niet meetelt komt voor Vlaanderen op een hogere strafmaat uit dan voor Wallonië. Een close up van de krijgsraden levert een nog scherper beeld op: tussen Brugge (32%) en Hasselt (93%), tussen Luik (46%) en Doornik (85%) gaapt een grote kloof. De vraag is eens te meer: hoe komt het dat de rechtbanken op zo verschillende wijze militaire hulp aan de vijand hebben berecht? In het laatste hoofdstuk van deel 3 wordt naar een antwoord gezocht.

 

De berechting van militaire collaborateurs is snel op gang gekomen. Medio

[p. 215]

Tabel 3.14 Wapendragers voor de strafrechter*
Regionale verschillen in de strafmaat

% criminele straffen
kr. Brugge 32%
kr. Kortrijk 36%
kr. Gent 35%
totaal kh. Gent 34%
   
kr. Turnhout 78%
kr. Antwerpen 50%
totaal kh. Antwerpen 54%
   
kr. Mechelen 50%
kr. Brussel.Nl. 40%
totaal kh. Brussel Nl. 46%
   
kr. Hasselt 93%
kr. Tongeren 80%
totaal kh. Luik Nl. 83%
   
kr. Nijvel 83%
kr. Bergen 76%
kr. Charleroi 65%
kr. Doornik 85%
kr. Brussel F. 28%
totaal kh. Brussel F. 59%
   
kr. Namen 63%
kr. Luik 46%
totaal kh. Luik F. 50%
______________________________ _____
Franstalige veroordeelden 75%
Nederlandstalige veroordeelden 56%
Alle veroordeelden 63%

 

1945 is al zowat een kwart van de vonnissen geveld. Dan vertraagt het ritme: voor de rest van de uitspraken hebben de krijgsraden bijna vier volle jaren nodig. Een interessante vraag is dan of de strafmaat in de loop van deze tijd grote wijzigingen heeft ondergaan. Het antwoord ligt vervat in tabel

[p. 216]

Tabel 3.15 Wapendragers voor de strafrechter
Evolutie van de strafmaat

% criminele straffen
okt.-dec. 1944 93%
jan.-mrt. 1945 87%
apr.-juni 1945 69%
juli-sept. 1945 37%
okt.-dec. 1945 38%
jan.-mrt. 1946 22%
apr.-juni 1946 41%
juli-sept. 1946 37%
okt.-dec. 1946 30%
jan.-mrt. 1947 39%
apr.-juni 1947 37%
     
juli-dec. 1947 44%
     
na december 1947 77%
__________ _____ _____
totaal   49%

3.15 en is onthutsend: het aandeel van de criminele straffen - de zwaarste strafcategorie want zij houdt minstens vijf jaar hechtenis in - in de vonnissen en arresten daalt van 93% in het vierde kwartaal van 1944 naar 37% in de zomer van 1945.30

Ligt de aanzienlijke daling in de strafmaat aan een mogelijke ‘voorafneming’ van de ernstige gevallen? Om dat te onderzoeken hebben wij groepen gevormd van zo identiek mogelijke dossiers en hierin de evolutie van de vonnissen en arresten bekeken. Het probleem blijft: de wijziging in de straftoemeting is ook binnen elk type van militaire collaboratie opgetreden. Zo zien we dat de Waffen-ss'ers en consoorten die voor oktober 1945 gevonnist worden in 90% van de gevallen een criminele straf krijgen. Nadien zakt dat cijfer tot 42%. In de berechting van de leden van paramilitaire organisaties is de ommekeer nog opvallender: 73% criminele straffen in de eerste negen maanden na de bevrijding, 17% in de rest van de repressieperiode.

Er is een andere uitleg mogelijk. Kort na de bevrijding zijn vele wapendragers bij verstek veroordeeld. Ze vochten nog aan het Oostfront of waren

[p. 217]

naar Duitsland gevlucht. Het is geweten dat verstekvonnissen veel strenger waren dan de uitspraken die in aanwezigheid van de beklaagden vielen: meestal werd de maximumstraf toegepast. Dat is ook zichtbaar in onze steekproef: het aandeel van de criminele straffen bedraagt 92% in verstekgevallen en slechts 38% in de vonnissen en arresten die op tegenspraak zijn geveld. Nu is het zo dat het aan