De huidige ontwikkeling van de politieke democratie roept vele vragen op. Eén vraag in het bijzonder wordt voortdurend ter sprake gebracht in de geschriften, die dit politieke regime als onderwerp van discussie nemen. Zij heeft betrekking op de rol, die de staatsburger in de democratie-van-morgen zal dienen op te nemen. In vele geschriften valt een soms uitdrukkelijk, soms stilzwijgend scepticisme waar te nemen. Het vindt zijn oorsprong in de vaststelling dat op vandaag de onverschilligheid van velen het politieke leven tekent en teistert.
Er zijn al lang klachten over de wijze waarop in ons land de democratie in de praktijk wordt gebracht. De aandacht voor de politieke non-activiteit van zovele burgers dateert evenwel van nà 1960. Vroeger werd hoofdzakelijk de afnemende doeltreffendheid van de parlementaire instellingen op de korrel genomen.
Politici en politieke waarnemers hebben hun aandacht nu dus wat verlegd, van de instellingen naar de burger toe. In de beschouwingen, die zij hebben neergeschreven, duikt evenwel een constante op. Nu zoals vroeger hebben zij weinig oog voor de macro-politieke en sociale condities waarin de instellingen van de executieve en de wetgevende macht functioneren en voor het sociologisch decor waarin het politiek optreden van de burger vorm krijgt.
In een eerste paragraaf is een analyse van de naoorlogse politieke literatuur over de Belgische democratie opgenomen. In een tweede paragraaf wordt door ons onderzocht of de beschikbare gegevens over het politiek gedrag van de Belgen het standpunt van de politici bevestigen dat de non-participatie een recent verschijnsel is.
De politieke democratie is na de tweede wereldoorlog gelouterd en gesterkt wederopgestaan, zo wordt gezegd. Het vertrouwen in dit regime, dat in de dertiger jaren bij herhaling werd geschokt, was opnieuw toegenomen. Al gauw bleek echter dat de politieke vernieuwingen, die kort na de oorlog werden doorgevoerd1, niet altijd het gewenste resultaat opleverden. Na enkele jaren kwam de democratie wederom in opspraak. De discussie heeft in de beginne - zo is althans vast te stellen in de literatuur, waartoe zij aanleiding gaf2 -vooral betrekking op de geringe doelmatigheid van de wetgevende instellingen3.
Regelmatig ook wordt gewezen op een tweevoudige ontwikkeling, die de werking van de parlementaire instellingen beïnvloedt en leidt
tot wat als een feitelijk functieverlies ervaren wordt. Er is vooreerst de groeiende rol van de executieve macht in de beleidsvorming. Het parlement is niet langer meer initiatiefnemer maar tweederangsspeler4. De aandacht gaat echter nog méér naar een andere evolutie. Naast het parlement en de regering treden andere politieke formaties op het voorplan: de partijen en de sociale organisaties. Hier en daar is men geneigd de nieuwkomers als indringers te beschouwen, als ‘feitelijke machten’ die zich naast de constitutioneel-voorziene instellingen plaatsen5. Anderen zijn bereid hen als volwaardige partners in de wereld van de politieke besluitvorming op te nemen maar wijzen niettemin op enkele delicate problemen: de feitelijke machten plaatsen zich tussen kiezer en volksvertegenwoordiging6 en ontpoppen zich al vlug als ‘... les véritables détenteurs de l'autorité politique’ door de sterke druk die zij op regering en parlement uitoefenen zodat uiteindelijk het parlement niet veel meer is dan een decor waarin de acteurs verschijnen ‘... quand les jeux sont faits.’7
In de meeste geschriften vindt de diagnose een uitloper in een schets van de tegenkrachten, waarvan men een oplossing voor de ‘crisis van de parlementaire instellingen’ verwacht. Een drietal mogelijkheden worden gesuggereerd. Vaak wordt enig heil verwacht van een grondige modernisering van de volksvertegenwoordiging, onder meer door een stricte toepassing van de reglementen8, door een taakspecialisatie van Kamer en Senaat9 en door een betere voorbereiding en begeleiding van kamerleden en senatoren10. Er wordt ook aangedrongen op een diepgaande wijziging van de relatie uitvoerende macht - wetgevende macht11. Tenslotte wordt een formalisering van de rol der ‘feitelijke
machten’ gevraagd zodat hun interventies gekoppeld kunnen worden aan een grotere mate van verantwoordelijkheid in het politieke beleid. Sommigen denken hier aan een beter uitgebouwde publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie12; anderen hebben de creatie van een groot aantal advies- en overleginstanties op het oog, waarvan de consultatie een verplichtend karakter zou dragen telkens een belangrijke wet op het getouw staat13.
De lectuur van de geschriften, die tot nog toe besproken werden, leidt tot enkele opvallende vaststellingen. De verschijnselen, die tien à vijftien jaar geleden bezorgdheid wekten, zijn niet verdwenen. Wel integendeel. In de huidige discussies wordt het uiteenlopen van constitutionele voorzieningen en feitelijke machten evenwel niet meer in dezelfde mate als een ‘crisis van de democratie’ aangevoeld. De auteurs, uit wiens werken citaten werden opgenomen, namen veelal een strak constitutioneel-juridisch standpunt in bij het bekijken en het evalueren van de politieke ontwikkelingen. Doorheen hun beschouwingen verschijnen de grondwettelijke instituties voortdurend als de unieke achtergrond waartegen nieuwe tendenties moeten worden afgezet14. Zelden stuit men op enige interesse voor de macro-politieke en de sociale condities waarin die instituties goed of slecht werken en waarin concurrerende formaties ontstaan.
Een andere kentrek van de besproken geschriften: het accent is meestal gevallen op de noodzaak - bij het beoordelen van toestanden - de efficiëntie van het politiek systeem als dominant criterium aan te wenden. De kwaliteit van de politieke democratie, dit is de mate waarin zij ook een adequate verwezenlijking is van de democratische beginselen, werd zelden als probleem gesteld. Wellicht is deze goedwillige houding15 ten aanzien van de vorm, waarin de democratische principes alsdan werden geactualiseerd, gedeeltelijk te wijten aan het politiek klimaat dat door de koude oorlog in de Westerse landen werd
veroorzaakt. De vergelijking met de volksdemocratieën, die voortdurend als totalitaire regimes werden gebrandmerkt, tilde het eigen regime op het niveau van het ideaaltype der politieke democratie. Dit alles bracht mee dat in de politieke literatuur der vijftiger jaren de specifieke taak en het feitelijke optreden van de burger zelden ter sprake kwamen. Voor sommigen is hier trouwens geen enkel probleem te signaleren16.
De burger bleef dus in de schaduw. Waar hij in de discussie betrokken werd duikt reeds het merkwaardige perspectief op dat ook nà 1960 vele beschouwingen over de politieke apathie zal karakteriseren: men stelt vast dat de burger in gebreke blijft en men behandelt dit ‘gebrek’ als een psychologisch probleem, dat ook als dusdanig moet worden opgelost. Zo schrijft men: ‘De kiezers zelf komen echter ook dikwijls aan hun taak tekort. Zij interesseren zich te weinig aan de politiek en hebben een uitgesproken passieve houding (...) Het is trouwens in grote mate hun passiviteit die de oorzaak is van die stand van zaken [de afstand tussen kiezer en gekozene; L.H.]’ en wat verder: ‘... er werd tenslotte onderlijnd dat een goede democratie een werkelijke democratische houding bij al de burgers veronderstelt. Dit betekent: geloof in de democratische instellingen, afwezigheid van negatieve kritiek ten opzichte van de gezagsdragers, belangstelling voor de politieke problemen (...). Vrij algemeen wordt toegegeven dat bij vele Belgen de democratische zin niet genoeg ontwikkeld is...’17 De mogelijkheid dat de lauwheid ten aanzien van het politieke leven te wijten zou kunnen zijn aan de manier waarop de politieke elites de structuren en instellingen vorm geven, wordt niet onderkend. De gewenste oplossing voor de politieke onverschilligheid wordt dan ook steeds gesitueerd op het vlak van de opvoeding van de ‘niet-aange- paste’ burger18.
Na 1960 blijft de interesse voor de werking van de wetgevende en
de executieve macht levendig19. Tegelijkertijd is er een groeiende aandacht voor het politieke gedrag van de staatsburger. De oorzaken van deze accentverschuiving dienen nu te worden opgespoord.
De bezorgdheid, die na 1960 in een aantal geschriften van politici en politieke waarnemers tot uiting komt, schijnt veroorzaakt te zijn door wat de auteurs ervaren als een verontrustende wijziging in het politiek optreden van vele staatsburgers. De meeste waarnemers hebben het over een toenemende onverschilligheid, anderen wijzen op de negatieve houding van vele burgers ten aanzien van de politieke partijen, hun mandatarissen en de ideologie, die zij op het politieke erf verdedigen.
‘Chacun observe aujourd'hui, ou regrette’, zo schrijft A. Gilson, ‘ce qu'il est convenu d'appeler la “dépolitisation” croissante du public’. Dezelfde auteur stelt vast dat deze neiging tot apathie zowel het gedrag van de burgerij als dit van de arbeidersklasse kleurt20. De politieke onverschilligheid van de arbeiders is trouwens vaak onderstreept en betreurd21. Voor sommigen gaat het apolitisme ook gepaard met een even verontrustend acivisme22.
Soms hoort men wel eens een andere stem. In het verslagboek van de Ve Vlaamse Sociale Studiedagen over ‘Het politiek beleid’ schrijft R. Houben: ‘En nochtans is onze bevolking, zonderling genoeg, niet
a-politiek. Mag dit niet blijken uit het feit dat bevolkingsgroepen op regelmatige tijdstippen zich om louter politieke vragen in de strijd werpen, alles willen op stelten zetten en er geld voor over hebben: zij gaan staken, verliezen loon, derven winst. Denk aan de koningskwestie, de schoolstrijd... (...). Wij zijn niet een apolitiek volk, maar een gepassioneerd volk.’23 De communis opinio neemt evenwel de ‘afzijdigheid van de burgers’24 als een vaststaand feit. Een interessante nuancering bij het evalueren van de toestand kan men aantreffen in een bijdrage van V. Goffart: ‘S'il n'y a sans doute pas de dépolitisation absolue, il y a (...) des phénomènes de dépolitisation relative, soit en ce qui concerne certains groupes, soit en ce qui concerne certains canaux, hier privilégiés, de la participation, tels les partis. Par contre les associations professionnelles, culturelles ou para-politiques gagnent sans cesse en importance.’25
Over de achtergronden van de passiviteit in het kiezerskorps is men het niet eens. Sommigen grijpen terug naar een argumentatie, die ook in de vijftiger jaren als valabel werd vooropgesteld: zij stellen het apathieke individu zélf of zekere nevenaspecten van de welvaartsgroei aansprakelijk. De politieke inertie van het individu zou dan een soort beschavingsziekte zijn, waarvoor een specifieke behandeling is vereist26. Anderen hebben gereageerd tegen deze diagnose, die het falen van de burger en niet de verborgen gebreken van de politieke instellingen en de politici centraal stelt. Zij vragen zich af of de politieke indifferentie in ons land niet eerder moet worden toegeschreven aan ‘... het feit dat de politiekers er onvoldoende in geslaagd zijn de boodschap, die ze mede te delen hebben, klaar en duidelijk te omschrijven; nauwkeurig af te bakenen tot wie ze die boodschap willen richten; de aangepaste methodes te vinden en aan te wenden opdat er meer kansen tot deel-
name zouden kunnen bestaan?’27 en aan ‘... de wil en de nalatigheid van de politieke elite’28.
Een andere vaststelling, die in de besproken literatuur vaak terugkomt, betreft de ‘... anti-parlementaire stroming die ontegensprekelijk bij een niet onbelangrijk deel van de openbare opinie is te onderkennen’29, ‘... een houding, die erin bestaat, het beginsel van de democratie te verkondigen en die, tegelijkertijd de bestaande democratische instellingen kritiseert, ontzenuwt en afbreekt...’30, ‘Le dénigrement (...) quotidien, général et sans réserve [du régime parlementaire; L.H.]. Les hommes politiques sont des politiciens, les partis sont des mafias, les Chambres ressemblent à un Guignol, toute décision gouvernementale est une trahison ou une sottise’. Dezelfde auteur voegt er aan toe: ‘La désaffection pour la politique peut prendre une autre forme. Les citoyens se déprennent des idéologies’31. Ook elders is gewezen op het feit dat de traditionele ideologieën in een aftakelingsproces gegrepen schijnen32. Nauw hiermee verwant is de discussie over wat de verburgerlijking van de arbeidersklasse genoemd wordt. De term ‘verburgerlijking’ heeft evenwel een meervoudige betekenis gekregen en is aldus een dubieus werkinstrument. Steeds wijst hij naar de geringere kracht, die heden ten dage van de dogma's van de socialistische arbeidersbeweging uitgaat. In steeds mindere mate zou de socialistische ideologie door de arbeiders worden aangewend als een sleutel waarmee de realiteit te begrijpen is. In een eerste interpretatie gaat het hier om een concreet en tot de verbeelding sprekend voorbeeld van een in onverschilligheid en ‘agnosticisme’ verdwijnende ideologie. Dezelfde term wordt echter ook aangewend om het proces aan te duiden, waarbij de arbeiders langzamerhand georiënteerd geraken op de burgerlijk-liberale ideologie. De verwarring, die door een door elkaar gebruiken van de beide betekenissen kan ontstaan, komt goed tot uiting in een discussie, die ‘de verburgerlijking’ als centraal gegeven
had. J. Coenen, die in zijn reeds geciteerde studie geschreven had dat ‘... sur les points fondamentaux de la doctrine socialiste, la majorité des socialistes et des syndiqués F.G.T.B. interrogés font preuve d'une ignorance complète des principes socialistes et adoptent des points de vue totalement opposés à ceux-ci’33, wordt door Bolle de Bal aangewreven dat hij op lichtvaardige wijze omspringt met gegevens, die volgens sommige commentatoren naar een verburgerlijking van de arbeidersklasse wijzen34. Coenen verdedigt zich hardnekkig en poogt te bewijzen dat zijn studie geen enkele positieve aanwijzing in die richting bevat. Hij omschrijft de verburgerlijking echter in haar tweede betekenis: ‘... la disparition d'un mode de vie spécifiquement ouvrier par l'adoption généralisée des produits de la culture bourgeoise et la disparition de la sous-culture ouvrière au sein de la culture globale par le ralliement des ouvriers aux normes et aux modes de pensée des classes moyennes.’35 Bolle de Bal gaf de term ‘verburgerlijking’ evenwel de andere inhoud, die veel dichter komt bij de zogenaamde ‘aftakeling der ideologieën’. Het is interessant te noteren dat hij ook déze vorm van verburgerlijking niet terugvindt in de resultaten van het onderzoek van Coenen. Hij is veeleer van mening dat het verschijnsel van de verburgerlijking op de eerste plaats een probleem is van de arbeidersbeweging als organisatie en slechts in tweede orde een probleem van de arbeiders, hun houdingen en hun klasse-bewustzijn. Wat in deze discussie stellig tot uiting kwam is het onbehagen dat in politieke kringen is gegroeid bij de vaststelling dat het vertrouwde beeld, dat men zich van de staatsburger in het algemeen en van de arbeider in het bijzonder had gevormd, niet meer adequaat blijkt. Er is het besef dat het optreden van een aantal staatsburgers, of zij nu onverschillig zijn of opstandig, passief of wantrouwig, niet meer beantwoordt aan de verwachtingen.
In de tweede helft van de zestiger jaren treedt de problematiek van de politieke participatie én non-participatie nog meer naar voren. Beter nog dan in de allereerste geschriften tekenen zich in de beschouwingen twee opvattingen af. Voor sommigen is de staatsburger in de eerste
plaats een consument van het politiek beleid; zijn onverschilligheid bekampen is van hem een meer intelligente consument maken. Anderen willen de staatsburger promoveren tot een co-producent van het politiek beleid36. Bij het verantwoorden van hun opvattingen verdedigen de auteurs in feite ook een bepaalde visie op de democratie. Het vraagstuk van het politiek optreden van de burger is een venster op de veel bredere problematiek van wat men in dit land van plan is met de politieke democratie. Politieke apathie en onverschilligheid kunnen door de socioloog terecht behandeld worden als pijnpunten, waarin tal van andere problemen van ons politiek systeem aan de oppervlakte komen.
De eerste vraag, die men zich nu kan stellen om tot een preciezer diagnose te komen, houdt verband met een reeds vroeger opgemerkte bijzonderheid, namelijk het feit dat de politieke passiviteit slechts ná 1960 als een verontrustend probleem wordt beschouwd. Wat kan er rond die tijd gebeurd zijn? Een eerste hypothese ligt voor de hand: de politieke non-activiteit is in zo grote mate toegenomen dat zij een wel erg opvallend verschijnsel werd. Dit zou dan kunnen inhouden dat het aantal non-participanten is toegenomen en/of dat de al geringe deelname van sommige burgers aan het politieke leven nog in omvang is verminderd. Een andere mogelijkheid ligt besloten in de hypothese dat het optreden van de staatsburgers misschien een kwalitatieve verandering heeft ondergaan waardoor hun deelname aan het politieke leven niet zozeer is verminderd, wel andere - minder vertrouwde - vormen heeft aangenomen. Men zou de reikwijdte van deze hypothese nog kunnen verruimen door te suggereren dat de politieke passiviteit geen exclusiviteit der zestiger jaren is, maar dat ná 1960 het vertrouwen in de politieke leiders, dat met deze non-participatie gepaard scheen te gaan, geleidelijk verzwakte. Er is, tenslotte, een derde interpretatie mogelijk: niet het politiek gedrag van de staatsburgers is veranderd, wel de criteria waarmee dit gedrag beoordeeld wordt. Voor een socio-
loog is politieke onverschilligheid immers onverschilligheid-in-de-ogen van bepaalde in dit opzicht relevante rollenspelers (hier: de politici en politieke commentatoren); hij beschikt niet over een feilloos en objectief meetinstrument dat hem in staat zou stellen het politieke gedrag van een individuele burger of van een groep kiezers als ‘onverschillig’ te kwoteren. Hij dient onder meer uit te gaan van de aan veranderingen onderhevige normen, die door relevante groeperingen in de maatschappij worden aangelegd. Nu is het goed mogelijk dat men de bakens, die als referentiepunten dienden bij het bepalen van wat als een redelijke deelname aan het politieke leven kon worden beschouwd, zodanig heeft verzet dat nu als een onbevredigende participatie wordt bestempeld wat enkele jaren vroeger nog als bevredigend gold. Hier is het trouwens gepast een en ander terminologisch op punt te stellen. Met termen als ‘onverschilligheid’ en ‘apathie’ wordt een oordeel over het politiek gedrag van een individu of een groep uitgesproken; zij worden bijvoorbeeld door politici aangewend om te wijzen op de niet-aanwezigheid van een gedrag, dat uit hoofde van een stel waarden en normen verwacht kan worden. De socioloog kan slechts van ‘onverschilligheid’ en ‘apathie’ spreken als hij de referentiewaarden van de politici of van andere relevante rollenspelers overneemt. Is hij zich van deze ‘overname’ niet bewust of laat hij na dit maneuver uitdrukkelijk te signaleren, dan kan van hem terecht gezegd worden dat hij een onwetenschappelijk standpunt inneemt. Er zijn anderzijds niet zoveel termen voorhanden waaruit elk waarde-oordeel gebannen kan worden. Het is dan ook aangewezen tot een afspraak met de lezer te komen. In de loop van onze studie zullen herhaaldelijk de termen ‘non-activiteit’, ‘non-participatie’ en ‘passiviteit’ gebruikt worden. Zij dienen ter aanduiding van het politiek gedrag van het merendeel der staatsburgers; voor een verantwoording van de stelling dat de deelname van de meeste burgers (en in het bijzonder van sommige categorieën) aan het politieke leven in al zijn facetten een zeer beperkte omvang heeft, kan verwezen worden naar onze eerste studie. Wellicht wekt de benaming ‘passiviteit’ nog het minst de indruk van objectiviteit, die door ons aan de voornoemde termenreeks wordt toegekend. Het is de bedoeling dat ook deze term wordt aangewend om een beperkte mate van politieke participatie aan te duiden zonder te suggereren dat deze mate van participatie te gering, te klein of te, beperkt is.
De eerste twee hypothesen worden hier onderzocht. De derde interpretatie kan ons inziens vooralsnog niet getoetst worden.
De empirische gegevens, waarmede de twee hypothesen geverifieerd zullen worden, zijn van een ongelijke waarde. De onderzoeker kan in ons land niet steunen op veilig en voldoend materiaal. Hij kan hierin een argument vinden om de toetsing van hypotheses tot betere tijden uit te stellen. Hij kan ook een poging doen om de bestaande gegevens te verzamelen en ze in al hun onvolkomenheid te laten leiden tot impressies. In het laatste geval stelt hij zich uiteraard bloot aan de gerechtvaardigde kritiek van degenen, die een sociologisch purisme aankleven. Het leek ons toch de moeite dit risico te lopen.
Heel wat auteurs, die in de voorgaande pagina's aan het woord zijn gekomen, spraken hun bezorgdheid uit over de snelle groei van de politieke passiviteit die zij menen waar te nemen. Dat de politieke non-participatie groter wordt is ook als uitgangshypothese genomen in enkele politiek-wetenschappelijke studies. Nu is daarbij wellicht uit het oog verloren dat men in ons land niet beschikt over voldoende gegevens met betrekking tot de politieke praktijk en de politieke interesse in het verleden37. In feite kan men bij het vergelijken alleen beroep doen op gegevens, die een (onvolledig) beeld geven van evolutie in het ledental der partijen en in de deelname van de partijleden aan de voorverkiezingen, van de evolutie in de syndicalisatievoet en tenslotte van de ontwikkeling van de opinieloosheid zoals zij werd gemeten in een stel opiniepeilingen en surveys.
Het is voldoende bekend dat de Belgische partijen eerder terughoudend zijn in het verstrekken van exacte gegevens over de grootte en de samenstelling van de ledengroep. Er wordt gezegd dat hieraan overwegingen van tactische aard ten grondslag liggen, hoewel niet
altijd duidelijk is hoe belangrijk deze schroomvalligheid voor de partijstrategie kan zijn. Is het niet eerder te veronderstellen dat de partijen zelf niet goed op de hoogte zijn van de precieze getallensterkte van de eigen ledenaanhang? De sociale boekhouding, die hiervoor is vereist, zou wel eens kunnen ontbreken op het lokale of het arrondissementele vlak. Toch beschikt men over enkele verspreide gegevens.
Veel hangt af van het tijdstip dat als uitgangspunt voor evolutieberekeningen wordt aangenomen. Zo heeft het weinig zin de vooroorlogse periode als uitgangspunt te nemen: op zijn minst twee partijen (de Katholieke Partij en de Belgische Werkliedenpartij) kenden toen het stelsel van de collectieve aansluiting. Eenzelfde bezwaar geldt voor de ledencijfers van de B.S.P. tussen 1945 en 1948. In tabel I hebben de ‘vroegste’ cijfers dan ook betrekking op het jaar 1949.
| C.V.P. -nationaal* |
B.S.P. -federatie Antwerpen** |
|||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Leden | kiezers | % leden t.a.v. Kiezers | Leden | kiezers | % Leden t.a.v. Kiezers | |
| (a) | (b) | (c) | (d) | (e) | (f) | |
| 1949 | 216.008 | 2.190.898 | 9.8 | 12.473 | 151.046 | 8.3 |
| 1950 | 99.160 | 2.356.608 | 4.2 | ? | ? | ? |
| 1954 | 176.543o | 2.123.408 | 8.3 | 17.292 | 194.591 | 8.8 |
| 1958 | 250.151 | 2.465.549 | 10.1 | ? | 206.804 | ? |
| 1961 | 208.385 | 2.182.642 | 9.5 | 25.000 | 197.505 | 12.6 |
| 1965 | 150.866oo | 1.785.211 | 8.4 | 20.809 | 157.220 | 13.2 |
Een eerste algemene indruk is deze: de ledencijfers van de C.V.P.- nationaal (kolom a) zijn zeker niet constant gebleven in de loop van de beschouwde periode maar evolueren tussen twee ver uiteenliggende polen (99.160 en 250.151 leden). Er is geen sprake van een dalende of stijgende beweging. Veeleer kan worden vastgesteld dat de ledencijfers van deze partij zeer conjunctuurgevoelig zijn. In 1949, toen de aanloop werd genomen naar een beslissing met betrekking tot de koningskwestie, was het ledencijfer het tweede hoogste van de bestudeerde periode. De politieke nederlaag, die de C.V.P. moest incasseren na het voor haar toch gunstige referendum, leidde tot een massale afvalligheid. Dit dieptepunt in het ledenaantal was echter geen constant verschijnsel: in 1953 telde de partij opnieuw meer dan 175.000 leden. Ook de invloed van de schoolstrijd is waarneembaar38. Het is evenwel opvallend dat in de ganse periode de statistische verhouding leden/kiezers weinig verandering heeft ondergaan (kolom c). Alleen het jaar 1950 wordt gekenmerkt door een uit de lijn lopend cijfer: 4.2 %. Hier mag echter niet vergeten worden dat het cijfer met betrekking tot het aantal C.V.P.-kiezers teruggaat op 30 juni 1950, toen de afloop van de koningskwestie nog niet gekend was, terwijl het cijfer 99.160 het eindcijfer van het boekjaar 1950 betreft.
Er dient zich dus reeds een eerste vaststelling aan: de Christelijke Volkspartij heeft in de eerste helft van de zestiger jaren een ledenaanhang gerecruteerd, waarvan de relatieve omvang niet kleiner was dan het gemiddelde van de periode 1949-1958.
De gegevens over het aantal partijleden van de B.S.P.-federatie Antwerpen laten uiteraard niet toe een globaal beeld te schetsen van de evolutie in de socialistische partij. Toch valt uit dit beperkte materiaal af te lezen dat - althans in deze belangrijke federatie - het leden- aantal niet is gedaald, wel integendeel.
Nu is het goed mogelijk dat de Belgische partijen sinds enkele jaren geplaagd worden door een veroudering van de ledenaanhang, wat niet direct leidt tot een daling in de ledencijfers maar op de lange
duur kan resulteren in een geruisloze afval. Empirische gegevens zijn hier echter schaars. In een enquête, die in 1964 werd gehouden, bleek dat in de interviewgroep de gemiddelde leeftijd van de mannelijke partijleden 47 jaar was, die van de vrouwen 44 jaar. Bovendien hadden bijna alle leden boven de 35 jaar een anciënniteit in de partij van meer dan 10 jaar39.
In de studie waarvan daarnet sprake was, kon uit de resultaten ook worden afgeleid dat - in 1964 althans - voor één op twee partijleden het betalen van de maandelijkse of jaarlijkse bijdrage de enige activiteit in de partij was40. Het zou dus goed kunnen dat de politieke waarnemers, wiens geschriften hierboven werden besproken, van een toenemende onverschilligheid gewagen omdat zij vaststellen dat de partijleden in steeds mindere mate deelnemen aan de activiteiten van de partij. Er zijn echter geen empirische gegevens voorhanden, die zouden kunnen leiden tot precieze aanduidingen terzake. In zijn studie over de samenstelling van de kandidatenlijsten als belangrijk ‘moment’ in de wetgevende verkiezingen kon W. Dewachter wél enkele interessante cijfers verzamelen over de deelname van de partijleden aan de polls. In de B.S.P.-federaties, waar polls worden georganiseerd, gaan ongeveer de helft van de partijleden een stem uitbrengen. Dit aantal is in de periode 1949-1965 noch gedaald noch gestegen41. De opkomst is in de C.V.P. iets kleiner: hier participeren gemiddeld iets minder dan 40 % van de leden aan de poll. Er is evenmin een uitgesproken daling waar te nemen42.
Deze cijfers stemmen wel tot nadenken. In het laatste decennium is er heel wat discussie geweest over de wijze waarop in de Belgische partijen de kandidatenlijsten voor de wetgevende verkiezingen worden samengesteld. Het is gebleken dat de organisatie ervan zodanig is dat de bevoegdheden, die in enkele partijen door de statuten aan het
lid worden toegekend, grotendeels ontmanteld worden. In vele gevallen weten de partijleidingen de kandidaten, die zij zelf voorstaan, te beschermen tegen een eventuele verwerping van onderaf. Deze protectionistische procedures werden recent beschreven door W. Dewachter43. Niettemin blijft de opkomst van de leden voor deze polls zowat ongewijzigd. Misschien zijn deze burgers onbekend met het feit dat er van hun interventie meestal geen enkele politieke kracht uitgaat; misschien kennen zij wel de draagwijdte van hun tussenkomst maar blijven zij participeren aan de ritus van de voorverkiezingen.
Wellicht vraagt het enige verantwoording waarom in een discussie over de politieke onverschilligheid ook aandacht wordt besteed aan gegevens, die betrekking hebben op de evolutie van het ledenaantal der syndicaten. Het betreft hier immers groeperingen waarvan de finaliteit in de burgerlijke en niet in de politieke samenleving ligt44. Er zal later in deze studie uitvoeriger worden ingegaan op de politieke functies van de groeperingen uit ‘... cette zone intermédiaire du parapolitique où s'opère le passage de l'homme privé au citoyen’45. Het moge hier volstaan met J. Ladrière te stellen dat de organisaties, die de groepen uit de wereld van de arbeid vertegenwoordigen, in feite in hun optreden zeer dicht aanleunen bij de globale visie, die de acties van de politieke partijen kenmerkt46. Het kan dan ook gerechtvaardigd zijn de hypothese van een toename der politieke onverschilligheid te toetsen aan de hand van de evolutie van de ledenaantallen der vakbonden.
De publicaties, die J. Neuville aan de evolutie van de syndicalisatievoet heeft gewijd, bieden hier een goed houvast47. In 1967 vertegenwoordigden de leden van het Algemeen Christelijk Vakverbond en het Algemeen Belgisch Vakverbond ruim 60 % van het aantal potentiële
leden in de werknemersgroep48. Dit cijfer was het hoogste voor de ganse bestudeerde periode; het laagste (42.8 %) dateert van 1947. De gemiddelde syndicalisatievoet voor de periode 1947-1959 bedraagt 50.6 %, voor de periode 1960-1967 56.6 %. Ook in deze cijfers is dus geen bevestiging te vinden voor de stelling dat de politieke indifferentie in ons land steeds meer om zich heen grijpt49.
Over het algemeen gaan de sociologen, wiens studies in hoofdstuk I uitvoerig ter sprake zullen komen, ervan uit dat de politieke passiviteit eveneens een uitdrukking vindt in een aantal cognitieve en affectieve componenten van het gedrag50. De kennismatige modaliteit van de politieke non-participatie is waarneembaar in het weinig of niet geïnformeerd zijn over vraagstukken van politieke aard. Politieke passiviteit wordt bovendien ook zichtbaar in een geringe intensiteit van gevoelens ten aanzien van politieke problemen, instellingen en personen; een indicatie hiervan is de opinieloosheid.
Beide componenten van het politieke gedrag zijn in ons land herhaaldelijk bestudeerd geworden, zij het dan zelden op systematische wijze51. Deze onderzoeksresultaten laten wel niet toe om tot bewijs-
harde vergelijkingen-in-de-tijd te komen52 maar geven niettemin aanleiding tot een aantal impressies waarvan het belang voor de verificatie van onze uitgangshypothese niet kan ontkend worden.
Een eerste reeks gegevens heeft betrekking op de mate van kennismatige vertrouwdheid met het politieke leven. In tabel II wordt een overzicht gegeven van alle ons bekende vragen, waarmee in de naoorlogse periode werd gepeild naar de mate van politieke kennis in ons land53. De opeenvolgende cijfers suggereren dat over de verschillende jaren heen een bijna even grote groep kiezers een wel erg beperkte kennis heeft gehad over de werking der politieke instellingen. In 1964 bleven vier op de tien respondenten het antwoord schuldig op de vraag naar de legaal-voorziene periodiciteit van de wetgevende verkiezingen. In 1951 gaf een even groot aantal toe niet te weten wat het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging inhoudt. In 1964 bleek de helft van de geïnterviewden niet op de hoogte te zijn van de partijpolitieke samenstelling van de regering en de oppositie; in 1968 kon 90 % van de ondervraagden niet zeggen tot welke politieke partij politici als Terfve en Lagasse behoren. Maar ook de enquêtes, die in de vijftiger jaren doorgang vonden, registreerden dergelijke hoge cijfers van opinieloosheid. De gebrekkige politieke kennis van de kiezers is dus niet alleen van recente datum.
De significantie van bovenstaande gegevens kan echter in twijfel worden getrokken. Er valt uit de tabel immers af te lezen dat het gezichtspunt, van waaruit de politieke kennis bekeken werd, eigenlijk dit is van de professionele politicus: de vragen betreffen ofwel technische aspecten van het politieke bedrijf ofwel de personen, die beroepshalve in de politieke arena aanwezig zijn. Dit is wellicht een te enge benadering omdat zij de mogelijkheid over het hoofd ziet dat de
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | Procentueel aantal dat niel vertrouwd is met het probleem |
|---|---|---|---|
| ‘Avez-vous connaissance des déclarations faites par le ministre de la justice relative à la rééducation et à la mise au travail des inciviques?’ | 1946 | *INSOC 1946 (3-4), p. 47 | 55,9 |
| ‘Savez-vous ce qu'est la représentation proportionnelle?’ | 1951 | INSOC,1951 (6), p. 31 | 41,9 |
| ‘Etes-vous au courant du voyage effectué au Congo belge par le ministredu Congo?’ | 1959 | INSOC, 1959 (3), p. 49 | 14,8 |
| ‘Savez-vous que dans le nouveau gouvernement, il y a des ministres soussecrétaires d'Etat?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), p. 39 | 22,3 |
| ‘Croyez-vous connaître la différence entre le rôle des ministres et celui des ministres sous-secrétaires d'Etat?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), p. 42 | 60,1 |
| ‘Au moment de leur désignation, donc avant les informations que vous avez pu obtenir après leur nomination, saviez-vous plus ou moins qui sont les nouveaux ministres et les ministres sous-secrétaires d'Etat?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), pp. 52-58 |
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | Procentueel aantal dat niet vertrouwd is met het probleem of de politicus |
|---|---|---|---|
| M. d'Aspremont-Lynden54 | 67.5 | ||
| M. Dequae | 69.5 | ||
| M. De Gryse | 90.4 | ||
| M. De Clercq | 91.9 | ||
| ‘Zoudt u mij kunnen zeggen uit welke politieke partij de ministers van onze regering komen?’ | 1964 | **HUYSE, 1969, p. 102 | 45.9 |
| ‘Welke zijn de politieke partijen in de oppositie?’ | 1964 | Ibidem, p. 102 | 49.8 |
| ‘Wanneer worden er in België ver kiezingen voor Kamer en Senaat gehouden? alle 2, 4 of 6 jaar?’ | 1964 | Ibidem,, p. 103 | 41.3 |
| ‘Kunt u mij zeggen tot welke politieke partijen de volgende politici be horen?’ | 1968 | oDELRUELLE, 1970, p. 123 | |
| M. Vanden Boeynants55 | 21.8 | ||
| M. Théo Lefèvre | 28.4 | ||
| M. Terfve | 87.3 | ||
| M. Lagasse | 89.1 |
burger de politieke verschijnselen op een heel andere wijze dan de politicus zou percipiëren. Het is dààrom juist verantwoord na te gaan of er wellicht enige evolutie is waar te nemen in de gevoeligheid van de burgers voor ruimere beleidsproblemen, die door de communicatiemedia in de actualiteit worden gebracht en die hen misschien meer beroeren dan de technische aspecten van ons politiek regime. Deze verificatie heeft plaats in tabel III, die een schets geeft van de opinieloosheid met betrekking tot enkele sociaal-economische problemen. De gegevens in deze tabel laten niet toe te concluderen dat er sinds 1960 een grondige wijziging zou zijn opgetreden in de affectieve component van het politiek gedrag der Belgen. Enkele voorbeelden kunnen dit duidelijk maken. Een gelijkluidende vraag over de wenselijkheid van de nationalisatie van een aantal basissectoren, die gesteld werd in 1946, 1959,1965 en 1966, riep geen enkele opiniematige reactie op bij achtereenvolgens 29.9 %, 11.9 %, 22.9 % en 30.5 % van de respondenten. In de enquêtes, waarvan de resultaten in tabel III werden opgenomen, kwam herhaaldelijk de sociale politiek van de regering ter sprake: in 1948 had 29.3 % van de geïnterviewde kiezers geen enkele mening; in 1963 bedroeg dit aantal 15.6 %. Bij het overlopen van de resultaten valt trouwens op dat veertien op de zeventien behandelde vragen leidden tot de registratie van een aantal opinielozen, dat schommelt tussen 15 en 30 %.
Tenslotte wordt in onze argumentatie een tabel opgenomen (tabel IV), waarin de gevoeligheid van de kiezers voor sttict-politieke kwesties aan de hand van surveyresultaten uit de periode 1946-1964 is beschreven. Een eerste serie problemen wordt gekenmerkt door de afwezigheid van enige opinie bij meer dan 30 % van de respondenten: de herziening van de grondwet (1948), de mogelijkheid van vervroegde verkiezingen (1948), de onrechtstreekse verkiezing van senatoren (1954), veranderingen in de regering (1960), de relatie regering-parlement (1960) en het ambt van minister-onderstaatssecretaris (1960). De ‘topics’, die een lagere score van opinieloosheid halen, liggen - zoals de voorgaande reeks - gelijkmatig gespreid over de bestudeerde periode: stemrecht voor vrouwen (1946), de lijststem (1951), het parlementaire regime (1954), het referendum (1954), het contact tussen parlementairen en kiezers (1954), de wenselijkheid van een driepartijenregering (1960), de wenselijkheid van nieuwe verkie-
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | % opinielozen |
|---|---|---|---|
| ‘Etes-vous partisan de la nationalisation des mines?’ | 1946 | *INSOC, 1946 (2), p. 21 | 29.2 |
| ‘Etes-vous partisan de la nationalisation des entreprises d'électricité?’ | 1946 | INSOC, 1946(2), p. 22 | 29.9 |
| ‘Etes-vous partisan de l'institution d'organismes officiels chargés d'examiner les conflits collectifs d'intérêts entre employeurs et travailleurs?’ | 1947 | INSOC, 1947 (2), p. 32 | 18.5 |
| ‘Etes-vous partisan de l'organisation actuelle de la Sécurité Sociale?’ | 1948 | INSOC, 1948 (1), p. 17 | 19.0 |
| ‘Approuvez-vous ou désapprouvezvous la politique sociale du Gouvernement?’ | 1948 | INSOC, 1948 (6), p. 23 | 29.3 |
| ‘Etesrvous partisan du système actuel des allocations familiales?’ | 1952 | INSOC, 1952 (3), p. 17 | 21.4 |
| ‘Quelle est la réforme sociale qui vous paraît la plus nécessaire pour la classe ouvrière?’ | 1959 | **C.E.S. 1962, p. 275 | 28.2 |
| ‘Si on nationalisait les grosses entreprises, qui deviendraient propriété de l'état, ça irait mieux pour la classe ouvrière. Qu'en pensez-vous?’ | 1959 | C.E.S., 1962, p. 284 | 11.9 |
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | % opinielozen |
|---|---|---|---|
| ‘Approuvez-vous la politique fiscale du Gouvernement?’ | 1963 | INSOC, 1963 (1), P.9 | 16.2 |
| ‘Approuvez-vous la politique sociale du Gouvernement?’ | 1963 | INSOC, 1963(1), p. 23 | 15.6 |
| ‘Approuvez-vous la politique économique du Gouvernement?’ | 1963 | INSOC, 1963 (1), p. 17 | 23.5 |
| ‘Zoudt u mij kunnen zeggen of u de wet Leburton (ziekte- en invaliditeits-verzekering) een goede maatregel vindt of niet, ofwel of u geen opinie hebt of de zaak niet kent?’ | 1964 | oHUYSE, 1969, p. 104 | 28.9 |
| Idem maar voor ‘fiskale hervorming’ | 1964 | Ibidem, p. 104 | 51.7 |
| Idem maar voor ‘hervorming hoger onderwijs’ | 1964 | Ibidem, p. 104 | 63.1 |
| ‘Acht u het wenselijk dat de Staat bepaalde belangrijke industriesectoren zelf gaat beheren?’ | 1965 | ooC.S.O., 1966, p, 116 | 22.9 |
| ‘Qu'est-ce que vous pensez de la nationalisation de l'énergie?’ | 1966 | oooC.R.S., 1966, p. 105 | 30.5 |
| ‘Dans votre entreprise, pensez-vous que cela irait mieux si les travailleurs avaient plus à dire?’ | 1966 | C.R.S., 1966, P. 97 | 20.0 |
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | % opinielozen |
|---|---|---|---|
| ‘Etes-vous favorable au vote des femmes pour les élections législatives?’ | 1946 | *INSOC, 1946(2), p. 29 | 9.2 |
| ‘Estimez-vous opportun de procéder à une révision de la Constitution en vue d'une large décentralisation administrative, ou même d'une forme fédérale de l'Etat belge?’ | 1948 | INSOC, 1948 (1), p. 8 | 32.9 |
| ‘Croyez-vous qu'il y aura en Belgique des élections législatives avant 1950?’ | 1948 | INSOC, 1948 (6), p. 19 | 32.9 |
| ‘Pour les élections, êtes-vous partisan du système de la case de tête?’ | 1951 | INSOC, 1951 (6), p. 28 | 22.9 |
| ‘Parmi tous les régimes possibles, le régime parlementaire est-il, malgré certains défauts, celui qui a vos préférences?’ | 1954 | INSOC, 1954(5-6), p. 9 | 12.5 |
| ‘Actuellement, un certain nombre de sénateurs ne sont pas élus directement par le corps électoral, mais sont élus par des Conseils provinciaux ou cooptés par les sénateurs déjà élus. Selon vous, ce système, doit-il être maintenu?’ | 1954 | INSOC, 1954(5-6), p. 34 | 30.3 |
| ‘Etes-vous d'avis que certains projets ou propositions de lois, d'une importance exceptionnelle, devraient être soumis au référendum?’ | 1954 | INSOC, 1954(5-6), p. 40 | 17.9 |
| ‘Selon vous, les membres de la Chambre des Représentants et les Sénateurs ont-ils suffisamment de contacts avec ceux qu'ils représentent?’ | 1954 | INSOC, 1954(5-6), p. 46 | 18.3 |
| Vraagstelling | Jaar | Referentie | % opinielozen |
|---|---|---|---|
| ‘Estimez -vous que dans les circonstances actuelles, le remaniement ministériel était opportun?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), p. 13 | 38.7 |
| ‘Etes-vous partisan d'un gouvernement “tripartite”?’ | 1960 | INSOC, 1960(2), p. 23 | 22.7 |
| ‘Etes-vous d'avis qu'il eût mieux valu avoir recours à de nouvelles élections législatives?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), p. 29 | 20.3 |
| ‘Selon vous, le gouvernement tient-il suffisamment le Parlement au courant de ses actes et de ses projets?’ | 1960 | INSOC, 1960 (2), p. 35 | 41.5 |
| ‘Selon vous, cette innovation [les ministres sous-secrétaires d'Etat] estelle: heureuse, peu heureuse, malheureuse?’ | 1960 | INSOC, 1960(2), p. 46 | 57.2 |
| ‘Naar welke regering zou uw voorkeur gaan?’ (er worden zes mogelijkheden voorgesteld) | 1964 | **HUYSE, 1969, p. 124 | 15.1 |
| ‘Men hoort heel wat zeggen over de plaats van de partijen in het politieke leven. Sommigen willen de invloed ervan doen stijgen. Anderen willen die invloed verminderen. Wat is uw mening?’ | 1964 | Ibidem, p. 126 | 14.5 |
De schaarse gegevens over de politieke activiteit van de Belgische burgers in de naoorlogse periode wekken de indruk dat de hypothese van een toename der politieke non-participatie niet direct een bevestiging vindt in de cijfers. Een analyse van de kennis- en gevoelsmatige componenten van het politiek gedrag leidt tot een identieke veronderstelling.
De hypothese, die hier ter discussie voorligt, wordt bovendien ook in vraag gesteld door een aantal politieke feiten uit de zestiger jaren. Er is vooreerst de werkstaking van december 1960-januari 1961. Over haar politiek karakter bestaat weinig twijfel56. In enkele weken tijd gingen door deze staking ruim 5.150.000 werkdagen verloren terwijl in de periode 1 januari 1954-30 september 1960 ‘slechts’ 9.500.000 door staking verloren werkdagen werden geregistreerd57. Een ander politiek initiatief, de petitie van de Mouvement Populaire Wallon, bracht een niet onbelangrijk deel van de Waalse bevolking in beweging58. Tenslotte traden een aantal categorieën, die voorheen maar zelden tot enige politieke activiteit kwamen, door felle acties op het voorplan om prioriteit op te eisen voor hun problemen en standpunten: de geneesheren in hun oppositie tegen de hervormingen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de Limburgse bevolking in haar verzet tegen de sluiting van steenkolenmijnen, de landbouwers in hun reactie tegen sommige gevolgen van de Europese eenmaking en de vrouwelijke werknemers met hun eis ‘gelijk werk, gelijk loon’.
Het ziet er dus naar uit dat een nieuwe uitgangsstelling voor onze studie dient te worden geformuleerd. Zij zou als volgt kunnen luiden: de politieke passiviteit die in ons land kan aangetroffen worden, is geen exclusiviteit der zestiger jaren, wel een permanent gegeven in de Belgische politiek.
Als in de voorgaande pagina's gesuggereerd kon worden dat het politiek gedrag van vele burgers doorheen de hele naoorlogse periode
als passief te typeren valt, dan rijst uiteraard een nieuwe vraag: waarom is de lauwheid ten aanzien van het politieke leven slechts na 1960 als problematisch ervaren? Aan deze vraag wordt nu verder aandacht besteed.
Het ziet er naar uit dat het niet gemakkelijk is gegevens te verzamelen waaruit zou kunnen blijken dat de politieke passiviteit na 1960 is toegenomen. Een tweede interpretatie dient nu onderzocht te worden.
Het is goed mogelijk dat het politiek gedrag van een aantal staatsburgers een stijlwisseling heeft ondergaan waardoor hun deelname aan het politieke leven niet zozeer verminderd is, wel andere vormen heeft aangenomen. Er mag inderdaad wel gewezen worden op het risico dat de waarnemer van het politieke leven loopt, wanneer hij, zoals H. Daalder schrijft: ‘... politieke interesse en activiteit te gemakkelijk identificeert met bepaalde vormen daarvan, zoals activiteit binnen de politieke partijen of in publieke politieke manifestaties.’59 De aantrekkingskracht van de traditionele activiteiten, die de politieke partijen organiseren, is misschien wel afgenomen, maar staat niet daartegenover het groeiend succes van colloquia en studiesessies waarin strictpolitieke problemen ter discussie worden genomen? Bovendien hebben pers, radio en televisie een direct contact tussen overheid en burgers mogelijk gemaakt. Wie met deze verschuivingen niet voldoende rekening houdt kan het slachtoffer worden van gezichtsbedrog door een daling in de politieke participatie vast te stellen daar waar misschien sprake is van een verandering in de modaliteiten60.
Er is een tweede mogelijkheid: misschien is het vertrouwen in de politieke leiders, dat vroeger met de wijdverbreide non-participatie gepaard scheen te gaan, geleidelijk afgenomen? Een analyse van de electorale statistieken wijst ons inziens in die richting.
1. Zo is bekend dat het percentage blanco- en ongeldige stemmen, dat wordt uitgebracht ter gelegenheid van de wetgevende verkiezingen,
sinds enkele jaren snel stijgt (tabel V). In 1965 werd, voor wat de verkiezing van de Kamer betreft, het hoogste punt sedert de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht bereikt61. Het aantal blanco- en ongeldige stemmen bij de provincieraadverkiezingen is lange tijd stationair gebleven. In 1965 trad ook hier een plotselinge stijging op. Moet deze evolutie gezien worden als een indicatie van een groeiende onverschilligheid, zoals G. Van den Daele schrijft62? Of veeleer als het teken van een dalend vertrouwen in de politieke partijen en hun mandatarissen?; dit is tenminste de opvatting van W. Fraeys: ‘Ce mouvement croissant des bulletins blancs et nuls est un phénomène dangereux. Il traduit le désarroi, sinon l'opposition d'un nombre croissant d'électeurs à l'égard des partis politiques.’63
| Kamer: blanco- en ongeldige bulletins | Senaat: blanco- en ongeldige bulletins | |||
|---|---|---|---|---|
| Jaar | Aantal | % | Aantal | % |
| 1949 | 289.377 | 5.44 | 337.721 | 6.35 |
| 1950 | 276.469 | 5.30 | 307.352 | 5.89 |
| 1954 | 302.644 | 5.54 | 352.658 | 6.46 |
| 1958 | 272.774 | 4.89 | 320.100 | 5.74 |
| 1961 | 308.836 | 5.54 | 349.475 | 6.27 |
| 1965 | 396.915 | 7.11 | 461.577 | 8.27 |
| 1968 | 378.200 | 6.81 | 442.000 | 7.96 |
De verklaringsmogelijkheden, die zojuist werden gesuggereerd, zijn niet gemakkelijk op hun waarde te toetsen. Men is bij de interpretatie van tabel V nogal wat gehandicapt door het feit dat in de electo-
rale statistieken de blanco- en ongeldige bulletins steeds worden samengeteld. G. Van den Daele schrijft: ‘Uit ondervraging van stemopnemers blijkt, dat het vooral blanco-stemmen zijn.’64 Het is bovendien goed mogelijk dat een aantal kiezers helemaal buiten hun wil het hen toevertrouwde stembiljet ongeldig hebben gemaakt. Ook al zou het mogelijk zijn de blanco- en ongeldige stemmen, die een bewuste keuzeverzaking inhouden, te isoleren, dan nog stelt zich de vraag naar de achterliggende motieven. Hebben zij inderdaad iets te maken met een onbehagen of zelfs een vijandigheid ten opzichte van het vigerende verkiezingsstelsel, de concurrerende partijen, de voorgelegde kandidatenlijsten? Het antwoord is nog niet te geven. Wel is misschien eenaanduiding te vinden in de vaststelling dat ook in de dertiger jaren een plotselinge stijging van het aantal blanco- en ongeldige stemmen is opgetreden (voor de Kamer: van 4.97 % in 1929 naar 6.04 % in 1939). De hoogste scores uit de vooroorlogse periode worden aldus aangetroffen in een tijd, waarin de parlementaire instellingen, de traditionele partijen en hun mandatarissen aan meer dan gewone kritiek bloot stonden.
2. Er is evenwel méér ondersteunend materiaal nodig om van de hypothese van een vertrouwenscrisis meer dan een loze bewering te maken. Daarom wordt nu de evolutie van een ander aspect van het kiesgedrag bekeken, namelijk de keuze tussen lijststem en voorkeurstem. Een eerste vaststelling: de ontwikkelingslijn van het voorkeurstemmen kende een identiek verloop als deze van het blanco- en ongeldig stemmen. Tussen 1929 en 1939 nam het aantal voorkeurstemmen bij de verkiezingen van de Kamerleden toe van 16.55 % tot 27.33 %; na de oorlog daalde dit percentage opnieuw om vooral vanaf 1961 op te klimmen tot 41.55 % (zie tabel VI).
Men weet dat de partijbesturen in ons land een quasi-monopolie hebben bij de aanduiding van de kandidaten voor de gemeentelijke, de provinciale en de wetgevende verkiezingen. Zij leggen ook in zeer grote mate de volgorde in de kandidatenlijst vast. Artikel 170 van het kieswetboek nu bepaalt dat de hoofdvak- of lijststemmen ‘... toegekend worden, volgens de volgorde van de kandidatenlijst, tot het cijfer
| Verkiezing | Absoluut aantal voorkeurstemmen | % t.a.v. het totaal aantal geldige stemmen |
|---|---|---|
| 1946 | 535.189 | 22.62 |
| 1949 | 1.146.496 | 22.78 |
| 1950 | 1.007.486 | 20.38 |
| 1954 | 1.362.463 | 26.40 |
| 1958 | 1.386.187 | 26.14 |
| 1961 | 1.737.393 | 32-99 |
| 1965 | 2.023.118 | 39.04 |
| 1968 | 2.151.502 | 41.55 |
| Bron: W. Dewachter, (1967), p. 273 en (1970), p. 30. |
kiezers de neiging een voorkeurstem uit te brengen. Men zou kunnen veronderstellen dat het voorkeurstemmen gebonden is aan de bedoeling een deelstrekking in de partij naar voren te halen; zo zou het allicht ten dele te verklaren zijn waarom de B.S.P. en de Kommunistische Partij - partijen met een homogener kiezerspubliek - minder naamstemmen ‘veroorzaken’ dan de C.V.P. en de P.V.V.
| Verkiezing | C.V.P. | B.S.P. | Lib./P.V.V. | Vlaams- Nationalisten |
Communisten |
|---|---|---|---|---|---|
| 1950 | 26.80 % | 10.40 %* | 26.54 %* | - | 9.68 % |
| 1958 | 32.21 % | 14.46 %* | 36.78 %* | 28.49 % | 2.25 % |
| 1961 | 42.05 % | 19.06 % | 46.76 % | 32.57 % | 17.42 % |
| 1965 | 47.53 % | 27.25 % | 46.43 % | 39.45 % | 21.14 % |
| 1968 | 53.98 % | 28.32 % | 50.23 % | 38.08 % | 20.10 % |
| Bron: W. Dewachter, (1967), p. 276 en (1970), p. 32. |
De toename van de voorkeurstemmen, die in alle partijen waar te nemen valt, zou dan kunnen wijzen op de werking van centrifugale krachten in de partijen en/of op de oppositie tegen de rol van de partijbesturen in het verkiezingsstelsel, verschijnselen die ook het politieke klimaat der dertiger jaren hebben getekend. Een enquêteresultaat komt deze hypothese ondersteunen. Op de vraag naar de redenen, waarom zij bij de wetgevende verkiezingen gewoonlijk een lijststem of een voorkeurstem uitbrachten, gaven de geïnterviewden uit de studie, waarover verslag is gegeven in ‘De niet-aanwezige staatsburger’, onder meer als volgt antwoord:
| Mannen67 | Vrouwen | |
|---|---|---|
| lijststem omwille van: | ||
| - vertrouwen in de partij | 38 % | 22 % |
| - gebrek aan informatie over de kandidaten | 41 % | 59 % |
| - andere redenen | 21 % | 19 % |
| 100 % | 100 % | |
| (N=142) | (N=78) | |
| voorkeurstem om: | ||
| - een kandidaat of een strekking te bevoordeligen | 58% | 49% |
| - oppositie tegen partijen, lijst of lijststem tot uiting te brengen | 20 % | 11 % |
| - andere redenen | 22 % | 40 % |
| 100 % | 100 % | |
| (K-116) | (N = 47) |
De toename van het voorkeurstemmen kan hier dus - bij wijze van hypothese - geïnterpreteerd worden als één indicatie van de verminderde capaciteit der partijen om de rivaliserende fracties, waaruit zij vaak bestaan, te bewegen tot een ‘getrennt Marschieren’.
Het ontstaan en de ontwikkeling van nieuwe partijen (soms ‘splinterpartijen’) is er een andere indicatie van. Nu is het nogal opvallend dat de electorale aantrekkingskracht van dergelijke politieke formaties sinds 1960 opmerkelijk gestegen is. Brengt men de geldige stemmen, die niet naar de traditionele regeringspartijen gaan, samen dan stelt men vast dat hun absoluut aantal bij de verkiezingen van 1949, 1950, 1954 en 1958 respectievelijk 576.269, 324.316, 483.080 en 353.159 bedroeg. Hun procentueel aandeel schommelde tussen 6.5% en 11.4%. Vanaf 1961 groeit deze groep vlug aan: 499.583 stemmen (of 9.5 %) in 1961, 811.061 (of 15.6%) in 1965 en tenslotte 1.004.911 (of 19.6%) in 1968.
3. De wetgevende verkiezingen van 1961 wekten al de indruk een bepaalde periode in de politieke geschiedenis der laatste decennia af te sluiten en de tekenen te vertonen van een nieuwe ontwikkeling, waarin wellicht ook een einde is gekomen aan de electorale stabiliteit van een gedeelte van het Belgisch kiezerskorps68.
Wie de resultaten der wetgevende verkiezingen tussen 1919 en 1961 bekijkt, zal kunnen vaststellen dat de verdeling der parlementaire mandaten over de verschillende partijen in de loop der jaren geen spectaculaire veranderingen van blijvende aard heeft ondergaan, vooral niet wanneer men, zoals in de electorale sociologie alhier herhaaldelijk is gebeurd, de partijen groepeert in een katholiek en een vrijzinnig blok. Voor die periode geldt dan wat J. Dhondt na een analyse van de verkiezingsresultaten als conclusie neerschreef: ‘Men mag dus met volledige zekerheid besluiten, dat, indien de kiesmacht (en dus het aantal zetels) van elke afzonderlijke partij afwisselt van de ene verkiezing op de andere (...) de fundamentele verdeling van het kiezerskorps in katholiekgezinde en vrijzinnige partijen geenszins varieert noch in België noch in het Vlaamse land.’69 Tot eenzelfde besluit kwamen De Smet, Evalenko en Fraeys: ‘Les deux grandes tendances politiques - la gauche et la droite - se partagent depuis 1919 les suffrages du corps électoral dans une proportion qui n'a guère varié. La gauche [d.i. de groep der vrijzinnigen; L.H.] totalise toujours de 50 à 56 % des voix, tandis que la droite [d.i. de groep der katholieken;
L.H.] oscille entre 41 et 47 %.’70 Er is dus geen sprake van een geleidelijke of bruuske verschuiving der krachten. Maar ook de wijzigingen, die kunnen optreden van de ene verkiezing op de andere, zijn meestal beperkt zoals geïllustreerd wordt door de evolutie van de index der uitwendige stemmenverschuiving71.
De electorale stabiliteit in ons land berust - volgens vele waarnemers - op twee kentrekken van het politieke stelsel: (i) De continue want demografische vernieuwing van het kiezerskorps heeft weinig of geen electorale consequenties. (ii) De ‘politieke levensloop’ van de meeste kiezers wordt gekarakteriseerd door een grote keuzebestendigheid.
Na 1961 treden plots veranderingen op. De uitwendige stemmenverschuiving tussen 1961 en 1965 bereikt een voorheen ongekende hoogte: 18.40 %72. Het aantal kiezers dat een andere weg opging bedroeg hier dus tenminste 950.000. De grondige wijziging is ook goed merkbaar in de scores van de verschillende partijen (zie tabel VIII): C.V.P. en B.S.P. behalen in 1965 en 1968 cijfers, die veel lager liggen dan voor de andere naoorlogse verkiezingen; de P.V.V. bereikt een hoogtepunt.
| K.P. | B.S.P. | Diss. Soc. | Lib./P.V.V. | Diss. Lib. | C.V.P. | Diss. Kath. | Vlaams -Nat. |
Andere partijen | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1946 | 12.68 | 32.54 | 0.05 | 9.54 | - | 42.53 | - | - | 2.66 |
| 1949 | 7.48 | 29.75 | - | 15.25 | - | 43.56 | 0.09 | 2.06 | 1.81 |
| 1950 | 4.74 | 35.59 | - | 11.94 | - | 47.68 | 0.01 | - | 0.04 |
| 1954 | 3.57 | 38.62 | 0.03 | 12.97 | 0.03 | 41.14 | 0.90 | 2.20 | 0.54 |
| 1958 | 1.89 | 37.07 | - | 11.87 | - | 46.50 | - | 1.98 | 0.69 |
| 1961 | 3.08 | 36.73 | - | 12.33 | 0.07 | 41.46 | - | 3.46 | 2.87 |
| 1965 | 5.04 | 28.28 | 1.32 | 21.61 | - | 34.45 | 0.37 | 6.85 | 2.08 |
| 1968 | 3.39 | 27.99 | 0.17 | 20.87 | - | 31.73 | - | 9.79 | 6.06 |
De hypotheses, waartoe onze analyse leidde, zijn vooralsnog op een te kwetsbare empirische basis gebouwd. Er zouden inderdaad prestigieuzer gegevens nodig zijn om ze te ondersteunen. Een der vaststellingen lijkt ons evenwel te voldoen aan de bedoeling, die voorlag bij het schrijven van deze proloog, namelijk te komen tot een problematiek die in een sociologische vraagstelling vertaald kan worden. Er werd vastgesteld dat naar alle waarschijnlijkheid de politieke passiviteit van vele burgers geen exclusiviteit is van het voorbije decennium maar een kenmerk dat ook vroeger het politieke leven in ons land tekende. (Waarom deze kentrek nu eerst ontdekt en beschreven wordt, blijft wegens het gebrek aan empirische gegevens in het vage. Zeer waarschijnlijk is het begeleidend vertrouwen in de politieke leiders aan het afnemen; misschien ook is sinds kort de visie op de rol van de burger veranderd en stelt men in politieke kringen onthutst vast dat het politiek optreden van die burger op vandaag helemaal niet beantwoordt aan de nieuwe verwachtingen.) Sociologisch gezien kan het interessant zijn na te gaan hoe de blijvende aanwezigheid van een wijdverbreide passiviteit in een regime, dat zozeer de nadruk legt op de politieke rechten van de burger, te verklaren is. Net zoals het verschijnsel van de apathie de politici bracht tot commentaren, waarin ook hun visie op de feitelijke en de gewenste evolutie van het democratisch regime waarneembaar wordt, zo ook leidt de sociologische studie van passiviteit en non-participatie tot de ruimere problematiek van het functioneren van de politieke democratie.
De eerste stap, die nu gezet dient te worden, bestaat in een gedetailleerde analyse van de sociologische literatuur over de politieke nonparticipatie. Hieraan is hoofdstuk één gewijd.