‘Normal man will not be political man much of the time’.
V.R. Lorwin, (1966), p. 187.
De studie van de politieke participatie en non-participatie is een goed ontwikkelde tak in de politiek-sociologie. De eerste onderzoekingen kwamen kort na de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, dit is voor de meeste Westerse landen in het begin van de twintiger jaren1. Men wou toen een antwoord zoeken op de vraag hoe de staatsburgers de politieke rechten, die zij vaak na lange strijd verworven hadden, actualiseerden. Tussen de beide wereldoorlogen nam het verkiezingsonderzoek een hoge vlucht. De interesse voor de ‘deelneming van de velen in de besluitvorming der weinigen’ (zoals J.A.A. Van Doorn de politieke participatie omschrijft2) zou in de laatste twee decennia niet afnemen, wel integendeel. Vanaf 1950 trok de zg. verenigingsmoeheid in de sector van de politieke, de sociale en de culturele verenigingen de aandacht. Recent heeft ook de luidruchtige intrede van sommige nieuwkomers in de politieke arena de sociaal-wetenschappelijke aandacht voor het politiek optreden van de staatsburgers nog doen toenemen.
Bekijkt men de studies, die na de tweede wereldoorlog gemaakt werden, dan wordt men getroffen door de eensgezindheid waarmee
de auteurs de non-participatie als kenmerkend voor het politieke leven van de meeste Westerse landen beschouwen. Niet alleen in België, maar ook in de buurlanden wijzen surveys en enquêtes, opiniepeilingen en tellingen de passieve burger als een dominant type op het politieke erf aan3. Er is dus een kans dat wij in deze literatuur de elementen van theoretische en empirische aard vinden, die wij nodig hebben. De ontginning van deze literatuur dient evenwel voorafgegaan te worden door een onderzoek van de sociologische principes waarop zij steunt. De conclusies van de studies, die nu ter sprake zullen komen, hebben immers slechts geldingskracht ten aanzien van dat gedeelte van het politiek gedrag dat door de empirische ingreep van de navorser aan een analyse werd onderworpen. Men doet er dan ook goed aan zich af te vragen welk soort participatie en non-participatie in de te bespreken onderzoekingen geregistreerd werd en met welk meetinstrument. In elke studie van de politieke participatie of passiviteit steekt bovendien een visie op het functioneren van de democratie; deze visie kan op een sociologische en/of politieke grondslag gesteund zijn. Zij is aanwezig, ook wanneer de socioloog er bij het rapporteren van zijn bevindingen stilzwijgend aan voorbijgaat. Door interviewvragen neer te schrijven of electorale statistieken te gebruiken raapt de onderzoeker immers elementen van het politiek gebeuren bijeen en toont daarbij onmiskenbaar aan dat hij een voor hem relevante band ziet die de diverse elementen, waarnaar hij zijn aandacht richt, met elkaar verbindt. Door
een sociale problematiek als deze van de politieke passiviteit in dergelijke onderzoeksrennen te vertalen, maakt de socioloog dit fenomeen tot een vertrouwd gegeven, tot een sociologische problematiek en vandaar tot een specifieke opdracht voor hem.
Het is goed te weten hoe in de studies, waarmee wij in de volgende pagina's vertrouwd zullen geraken, het probleem van de politieke non-participatie tot een sociologisch en dus onderzoekrijp vraagstuk werd omgebouwd. Het valt niet altijd mee om in die geschriften door te stoten tot de fundamenten, waarop de rest rust. De auteurs plaatsen immers niet altijd de verkeersborden die het de lezer mogelijk moeten maken zijn weg tot het grondpatroon te vinden4. Wat hierna volgt is dan ook te zien als een eerste graafwerk dat meteen toch een aantal aanduidingen zal geven over de reikwijdte én de grenzen van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek van de politieke passiviteit.
De politieke non-participatie is een verschijnsel dat men meestal niet rechtstreeks meet; wat geregistreerd wordt, is de niet-aanwezigheid of de geringe aanwezigheid van een aantal gedragingen, waarvan de onderzoeker veronderstelt dat zij als indicatoren kunnen gelden van politieke activiteit. Men kan het zich zó voorstellen dat de socioloog die een studie over de politieke participatie en de passiviteit onderneemt, zijn aandacht in principe kan richten naar een zeer groot aantal aspecten van het politieke gedrag, waarmee een bijna even groot aantal combinaties te maken is. De keuze die hij uiteindelijk maakt, is niet toevallig. Hij laat zich richten door wat hij in het participatieverschijnsel als sociologisch belangrijk ervaart en daarbij gaat hij uit van een visie op het functioneren van de democratie.
Het eerste contact met de buitenlandse studies brengt de Belgische socioloog wel even in verwarring: in vele onderzoekingen beperkt men
zich tot de studie van één indicator, die zich bovendien moeilijk leent tot vergelijkingen met de Belgische situatie, namelijk de (vrije) deelname aan de verkiezingen. Lipsets befaamde schets van de ‘Political Man’ is hiervan een voorbeeld: in de allereerste bladzijde van dit boek schrijft de auteur dat het zijn bedoeling is na te gaan ‘... the factors which affect men's participation in politics, particularly their behavior as voters...’5 Maar ook als men de empirische studies bekijkt, waarin méér dan de electorale participatie onderzocht werd, kan men constateren dat onder de noemer ‘participatie’ slechts een beperkt aantal aspecten van het politieke gedrag verzameld werden en, ten tweede, dat vaak éénzelfde combinatie terugkomt. Dit valt af te lezen van de synoptische tabel (op bladzijde 53) waarin een twintigtal indiceringen van het begrip ‘politieke participatie’ bijeengebracht zijn. In vele gevallen is de grootste aandacht gegaan naar de deelname aan de verkiezingen (uitbrengen van een stem, aanwezigheid op kiesmeetings, deelname aan de campagne van een partij, kandidaatstelling, bijdrage aan het propagandafonds). In tweede orde is er de deelname aan partijactiviteiten (lidmaatschap, aanwezigheid op vergaderingen, deelname aan de campagne van een partij, geldelijke steun, kandidaatstelling bij verkiezingen, opnemen van een bestuursfunctie, schrijven naar gekozenen...). In mindere mate worden ook het lidmaatschap aan parapolitieke groeperingen en discussies met leden van het gezin, de buurtgemeenschap en de arbeidsgroep waartoe men behoort, als aspecten van het participatiegedrag in het onderzoek opgenomen. In deze eerste opsomming wordt al duidelijk dat voor vele sociologen het participatieverschijnsel hoofdzakelijk te maken heeft met een ‘praktijk’ die zich afspeelt rond de verkiezingen en de activiteiten van de politieke partijen.
Ook waar discussies en politieke leesgewoonten worden onderzocht, ligt - althans in de Amerikaanse studies - het accent meestal op de electorale gebeurtenissen. In de Franse en Duitse studies is er meer
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | ||
| GA- DOU- REK |
(+) | + | + | + | Le- gende: |
||||||||
| ROK- KAN/- VA- LEN |
+ | + | + | 1. Deel- name aan de ver- kiezin- gen. |
|||||||||
| RE- MOND (1962a) |
+ | + | + | 2. Lid- maat- schap van een partij. |
|||||||||
| BIRCH | + | + | + | 3. Aan- wezig- heid op elec- torale mee- tings. |
|||||||||
| TOR- GER- SEN |
+ | + | + | + | + | 4. Deel- name aan de ver- kie- zings- cam- pagne. |
|||||||
| DU- VER- GER (1955) |
+ | + | + | + | + | + | |||||||
| MIL- BRATH- /KLEIN |
+ | + | + | + | + | + | + | 5. Gel- delijke steun- ver- lening aan een partij. |
|||||
| STEI- NER (1964) |
+ | + | + | 6. Kandi- da- tuur- stel- ling bij de ver- kie- zing- en. |
|||||||||
| REI- GROT- ZKI |
+ | + | + | ||||||||||
| MOS- CO- VICI |
+ | + | + | + | + | 7. Uit- oefen- en van een poli- tiek man- daat. |
|||||||
| DU- PEUX (1960) |
+ | + | + | + | 8. Uit- oefen- en van een be- stuurs- func- tie in een partij. |
||||||||
| AG- GER- /OS- TROM |
+ | + | + | + | + | + | |||||||
| ROK- KAN/- CAMP- BELL |
+ | + | + | + | + | 9. Lid- maat- schap van een para- poli- tieke vere- niging |
|||||||
| HAR- TEN- STEIN/ LIE- PELT |
+ | + | + | + | + | + | + | 10. Dis- cussie over poli- tiek on- der- werp met fa- milie, buren, vrien- den. |
|||||
| WOOD- WARD/- RO- PER |
+ | + | + | + | + | + | + | ||||||
| AL- LARDT/ PE- SO- NEN |
+ | + | + | + | + | + | 11. Lezen van poli- tieke arti- kelen, beluis- teren van poli- tieke radio- pro- gram- ma's, be- kijk- en van poli- tieke t.v.- pro- gram- ma's. |
||||||
| LANE (1959) | + | + | + | + | + | + | + | + | + | ||||
| AL- MOND/ VER- BA |
+ | + | + | + | + | + | + | ||||||
| STEI- NER (1961) |
+ | + | + | + | + | + | + | 12. Het stu- ren van brie- ven of peti- ties aan poli- tici of over- heden. |
|||||
| MEY- NAUD/ LAN- CE- LOT |
+ | + | + | + | + | + | + | + | + | + |
openheid op een politiek gedrag dat niet direct langs de geijkte wegen, verloopt.
Tot dezelfde bevinding komt men bij het analyseren van de onderzoekingen, waarin ook cognitieve, affectieve en evaluatieve aspecten van het politiek gedrag in rekening werden gebracht: de aandacht gaat naar de verkiezingen, de politieke partijen, de politici6.
In de prioritaire om niet te zeggen exclusieve behandeling van de electorale en partijpolitieke activiteiten ligt de aanwijzing dat vele auteurs hun analyse uitsluitend gericht hebben op de gestolde vormen van de politieke praxis7.
Deze merkwaardige gerichtheid van de belangstelling is te stelselmatig aanwezig om aan een toevallige samenloop van omstandigheden te wijten te zijn. Wellicht is er een methodisch-technische verklaring te geven: vele auteurs nemen noodgedwongen hun toevlucht tot simpele indices, zoals de deelname aan de verkiezingen, omdat het onderzoek-technisch instrumentarium waarover zij beschikken, hen niet toelaat het complexe verschijnsel van de politieke participatie veelzijdiger te ontleden8. Er kan evenwel ook uitgezien worden naar een dieperliggende oorzaak. Bij het in operationele termen omzetten van het begrip ‘politieke participatie’ gaan de auteurs uit van een visie op de werking van de democratie in het algemeen, op de positie van de staatsburger in het bijzonder. Als zo systematisch de klemtoon valt op de gestolde vormen van de politieke praxis, clan heeft dit zonder twijfel te maken met het onderliggende beeld van het functioneren van de democratie. Onze opdracht bestaat er dan ook in deze visie(s) te reconstrueren en te onderzoeken op hun sociologische en/of ideologische grondslag.
Men weet dat de eerste participatiestudies kort na de verruiming van het algemeen stemrecht werden opgezet met de bedoeling het politieke gedrag van de nieuwe stemgerechtigden te onderzoeken. De resultaten
brachten een felle schok teweeg in wetenschappelijke kringen. Men was immers bij de studie van het kiesgedrag nog uitgegaan van een visie op de democratie, die doordrenkt was van rationalistische en utilitaristische elementen: de homo politicus ‘... zou in afzondering zijn berekeningen opstellen over de beste middelen om zijn doeleinden te bereiken.’9 Bovendien was het de gewoonte de rol van de individuele staatsburger zó centraal te stellen in de blauwdrukken van de politieke democratie dat men kwam tot het formuleren van onrealistische, utopische en overdreven verwachtingen ten aanzien van de burger, waarvan men dacht dat hij spontaan een grote activiteit op het politieke erf zou ontwikkelen10. Nu bleek al gauw uit het verkiezingsonderzoek dat aan ‘... geen van de belangrijkste voorwaarden voor een democratisch kiesgedrag werd voldaan. De belangstelling voor en de deelname aan het politieke leven bleken uiterst gering; de kiezers waren opmerkelijk slecht geïnformeerd over de alternatieven in de verkiezingsstrijd; de rationaliteit van de uitgebrachte stem was in vele gevallen aantoonbaar afwezig.’11 De onderzoeksaandacht zou aldus al zeer vroeg op het probleem van de politieke passiviteit worden getrokken.
De cijfers waarmee de Amerikaanse verkiezingssociologen de onhoudbaarheid van de klassieke opvatting van de democratie aantoonden, waren een wat late bevestiging van de bevindingen van Mosca, Michels en Pareto die al vroeger constateerden dat de staatsburgers niet zo belangstellend, redelijk en geïnformeerd zijn - zelfs niet in een stelsel van algemeen stemrecht - als men verwachtte12. Het merkwaardige is nu dat de klassieke democratie-opvatting, zij het gehavend en geamendeerd, zou overleven; niet alleen in de handboeken van staatsburgerlijke opvoeding13, maar ook, ‘onderhuids’, in de werkmodellen van vele sociologen. Daarnaast ontwikkelde zich ook een meer realistische visie op de werking van het democratisch regime. Hier ging meer aandacht naar de politieke instituties en de voorwaarden waarin zij functioneren. Bij de perspectiefwijziging speelden de opzoekingen en
beschouwingen van B. Berelson een voorname rol. Berelson was tot de voor zijn tijd verrassende vaststelling gekomen dat, hoewel de individuele burger weinig of niet betrokken was op het politieke gebeuren, het democratische regime niettemin tot grootse prestaties in staat was. Ter Hoeven schrijft: ‘De traditionele theorie had zich teveel op de individuele kiezer geconcentreerd, doch blijkbaar te weinig aandacht gehad voor de politieke organisatie.’14
Beide werkmodellen hebben aanleiding gegeven tot een hele trits van studies, surveys en enquêtes. Eén kenmerk evenwel is gemeenschappelijk: de reductie van het participatieverschijnsel tot electorale en partijpolitieke gedragingen. Hoe vanuit verschillende overwegingen bij het operationaliseren éénzelfde weg wordt ingeslagen, dient nu meer in detail te worden onderzocht.
In een recent geschrift spreekt Van Doorn zijn verwondering uit over de grote belangstelling van de sociologen voor de verschijnselen van de participatie en passiviteit der burgers; andere, meer institutionele, aspecten van het politieke bedrijf blijven vaak in de schaduw. Hij wijt deze eenzijdige aandacht voor het politiek optreden van de individuele burger aan de nog steeds levendige invloed van bepaalde traditioneel-individualistische kenmerken van de klassieke democratische idee; ‘door deze idee wetenschappelijk te onderbouwen en als uitgangspunt te kiezen van de studie van het democratisch stelsel, doet men echter - bewust of onbewust - een keuze die blijk geeft van een bepaalde kijk op het functioneren der democratie: men legt het zwaartepunt bij de kiezersmassa. Het spel der belangengroepen en de structuur der politieke partijen worden in dit beeld secundair.’15 Deze individualistische opvatting van de democratie verraadt een werkmodel dat Almond en Verba rationalistisch en activistisch noemen16. Ook Habermas heeft kritiek uitgeoefend op dit werkmodel. Wat men zo vaak onderbrengt in het begrip ‘politieke participatie’, zo schrijft
deze auteur, heeft de trekken van een anthropologische constante aangenomen; het resultaat is een ‘Fetischisierung der staatsbürgerlichen Teilnahme am politischen Leben’17. Vele sociologen hebben zich in hun optiek niet weten los te maken van een negentiende-eeuwse versie van het politieke leven. Wat de stemgerechtigde burgers tot op het einde van de vorige eeuw typeerde, was het feit dat hun rollen in de sfeer van het privé-leven tegelijkertijd (i) scherp te onderscheiden waren van hun rol in het politieke domein, maar (ii) ook voldoende elementen bevatten om hen met kennis van zaken te laten optreden in het politieke leven. In de uitoefening van hun dagelijkse bezigheden konden zij immers leren welke belangen zij op het politieke terrein dienden te verdedigen. De problemen, waarvoor op het politieke erf oplossingen werden geformuleerd, waren bovendien verwant met de kwesties waarmee zij in het beroepsleven geconfronteerd werden. De stap van het privé-leven naar het politieke terrein kon spontaan gezet worden18. De omstandigheden waarin de stemgerechtigde burger van de vorige eeuw pendelde tussen zijn privé-bestaan en het politieke leven, zijn nu evenwel totaal verdwenen. De verdeskundiging van het politiek, bedrijf enerzijds en de differentiatie in het arbeidsproces anderzijds maken het de meeste burgers heden onmogelijk op dezelfde wijze als vroeger politieke competentie te verwerven en ook de spontane bereidheid tot politiek optreden is verzwakt, omdat het motief ervoor (namelijk het waarnemen van belangen in de politieke sfeer) nog zo zelden optreedt. Niettemin vertonen sommige waarnemers de neiging om deze verandering van de ‘meanings of politics’19 over het hoofd te zien: ‘Theorie und Praxis politischer Pädagogik erheben nun heute die bei-
den Momente, die der Staatsbürger gleichsam mitbrachte, Verständnis und Handlungsbereitschaft, (...) zu den staatsbürgerlichen Qualitäten der Informiertheit und Aktivität.’20 Bij het omschrijven van de componenten van de politieke rol wordt dus in feite uitgegaan van het postulaat dat er niets wezenlijks veranderd is in de relatie van de burger tot de politiek.
Dat bij de concrete uitwerking van de participatiestudies, die in het teken van het hier geschetste werkmodel ontstonden, zozeer de klemtoon op het kiesgedrag valt, is niet te verwonderen. In een studie van de omstandigheden waarin de verruiming van het algemeen stemrecht in enkele Westerse landen heeft plaatsgehad, komt Rokkan tot de bevinding dat het ‘uitbrengen van een stem’ geleidelijk de vorm heeft aangenomen van een rechtstreekse communicatie en confrontatie tussen de individuele burger en de overheid21. De invoering van de anonieme stembrief en van de geheime stemming heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Het ‘privé-karakter’ van het stemmen zou inhouden dat het individu afstand kan nemen van zijn niet-politieke rollen, zoals zijn gezins-, buurt- en arbeidsrollen, om in alle exclusiviteit te kunnen handelen in zijn positie van staatsburger. De ‘één man, één stem’ - gedachte, die centraal stond in de strijd voor het algemeen stemrecht, ging uit van éénzelfde individualistische visie op de democratie. De verkiezingen verschijnen zo als het moment bij uitstek waarop de individuele burger zijn onvervreemdbare rechten van co-producent van het politiek beleid realiseert. In dit licht wordt het begrijpelijk waarom in het rationalistisch-activistisch democratiemodel zo'n grote belangstelling voor de electorale activiteiten bestaat.
Deze gerichte interesse komt eveneens tot uiting in de wijze waarop de sociologen die van het betrokken model uitgaan, het democratiseringsproces interpreteren. Zij willen de verdere democratisering van het politieke leven verwezenlijkt zien door het verbinden van méér politieke macht aan de stem van de kiezer en/of door de afbouw van de restrictieve maatregelen, die het ‘één man, één stem’-beginsel aantasten. Een voorbeeld: in eigen land heeft W. Dewachter zijn pleidooien voor een verdere democratisering van de Belgische politiek
hoofdzakelijk gericht op het electoraal gebeuren. Hij pleitte onder meer voor een bij wet gesanctioneerde verplichting tot het inrichten van polls volgens het voorkeurstelsel en voor alle partijkiezers22, voor de afschaffing of de neutralisering van de hoofdvakstem bij de parlements- en provincieraadsverkiezingen23 en voor een rechtstreekse verkiezing van de eerste-minister24. Een dergelijke perspectiefversmalling is niet zonder risico's: men loopt het gevaar de relativieit van de verkiezingen uit het oog te verliezen; in het huidige systeem van politieke besluitvorming vormen de verkiezingen slechts één bundel inputs onder vele.
Bekeken in het licht van een democratiemodel waarin de zelfwerkzaamheid van de individuele burger zozeer wordt onderstreept, verschijnt de aanwezigheid van een wijdverbreide politieke passiviteit als een ziekteverschijnsel. Bij het zoeken naar een verklaring voor de nonparticipatie heeft men hier begrijpelijkerwijze graag beroep gedaan op Michels' ijzeren wet van de oligarchisering. In zijn voetspoor is men de oorzaak van de politieke passiviteit gaan zoeken in de onvermijdelijke neiging van politieke en sociale organisaties om, vanaf een vroege fase in het organisatorisch ‘rijpingsproces’, alle macht te leggen in de handen van een kleine groep leiders, die zich dan door coöptatie bestendigt. Deze oligarchische tendens is een organisch (en fataal) verschijnsel: politieke en sociale organisaties evolueren snel en onvermijdelijk van stimulus tot obstakel voor de directe politieke activiteit van hun leden. Drie factoren worden verantwoordelijk gesteld voor deze wetmatige evolutie. Een eerste factor heeft betrekking op de metamorfose van het leiderschap: de elites worden ‘... van leiders tot heersers, van idealisten tot realisten, van utopisten tot arrivisten, van democraten tot autocraten’25. Met deze gedaanteverwisseling verplaatst zich ook de kern van de beslissingsbevoegdheid van de ‘basis’ naar de ‘top’ om daar blijvend geankerd te worden in de kring van de leiders. De inertie van de ledenmassa is een tweede element; het wordt na verloop van tijd door de leiders gecultiveerd tot volgzaamheid en disci-
pline. Tenslotte is er de weerslag van ‘het organiseren’. Van deze factor zal men zeggen dat hij de meest ingrijpende oorzaak van het proces van oligarchisering is. Met dit laatste punt komt men trouwens terecht in een hoofdstroom van de sociologie, namelijk daar waar de spanningsrelatie tussen organisatie en democratie is onderzocht26. De onverenigbaarheid van organisatie (als gedragsstructurerend mechanisme) en democratie is in het verleden vaak afgeleid uit de sociologische waarneming van de systematische promotie van de organisatie tot einddoel waarbij de interne logica van een partij of een beroepsvereniging op drastische wijze verandert: de leiders schuiven de oorspronkelijke doeleinden op de achtergrond en brengen de groei en bloei van de vereniging als prioritair doel op het voorplan. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het optreden van de leden herleid wordt tot uitingen van trouw aan het organisatie-apparaat. De leden, die in hun politiek gedrag een referentie naar de oorspronkelijke te-realiserenwaarden inbouwen, lopen de kans als spelbrekers en ‘devianten’ te worden uitgestoten.
Men zou kunnen zeggen dat het probleem van de politieke passiviteit en van haar toename niet door sociologen is uitgevonden. Het is aan de orde gesteld in kringen die dit verschijnsel als een hinderpaal voor de verwezenlijking van hun politieke opties ervaren. Men gaat slechts praten over de politieke passiviteit op het moment dat men er zich zorgen over maakt, zo schrijft J. Calvez27. Wie is bezorgd? Het antwoord op deze vraag is belangrijk want als men weet wie treurt om de politieke onverschilligheid van de staatsburgers, ontdekt men tegelijkertijd de ethische en ideologische principes die aan de oorsprong liggen van het gebruik van termen als ‘onverschilligheid’ en ‘apathie’. Volgens Calvez gaat er achter de klachten over de geringe interesse voor het politieke leven vaak een soort nostalgie naar de directe democratie schuil28.
De sociologen hebben het probleem van de politieke passiviteit als
onderzoeksobject opgenomen, hiertoe stilzwijgend of uitdrukkelijk uitgenodigd door een verontruste groep in de samenleving. Sommigen hebben zich - zoals in de voorgaande alinea's bleek - niet weten te bevrijden van het uitgangspunt in de probleemformulering van de opdrachtgevers. Onbewust hanteren zij het directe democratiemodel als een sociologisch werkmodel29.
Het democratiemodel dat daarnet ter sprake kwam, heeft zelden een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de Amerikaanse sociologen, wel op hun Europese collega's. Bij het bekijken van de Amerikaanse literatuur kan men constateren dat daarin de verschijnselen van de politieke participatie en de passiviteit veeleer onderzocht worden in hun relatie tot het functioneren van de democratische instellingen. Men wil weten onder welke condities de politieke activiteit van de burgers de stabiliteit van het democratisch regime ten goede komt en onder welke omstandigheden niet30.
1. Hoe wordt in deze optiek het probleem van participatie en passiviteit gesteld? Meestal beschouwt men de politieke democratie als een naar evenwicht tenderend systeem. De stabiliteit hangt rechtstreeks af van de mate waarin het systeem een - zij het dan labiel - evenwicht
weet te realiseren. In vele participatiestudies is een zoeken naar de evenwichtbrengende factoren waarneembaar. Een van de krachten die op dit evenwicht van een democratie-in-werking ingrijpen, is de wijze waarop haar burgers deelnemen aan het politieke leven31. Het komt er dus op aan de voorwaarden op te sporen waarin een democratie een optimale participatie kan realiseren.
Het spreken in termen van evenwicht laat vermoeden dat er andere factoren zijn, waarmee de politieke participatie in contrapunt wordt gezet. Nu kan men vaststellen dat er in de literatuur sporen te vinden zijn van een tweetal krachten, waartegenover het optreden van de burger ‘op de balans wordt geplaatst’.
Enerzijds zijn er auteurs, die de participatiekansen van het individu groot genoeg willen zien om aldus de legitimiteit van het democratisch regime mogelijk te maken maar niettemin van oordeel zijn dat een te ruime armslag voor de burger de politieke spanningen ten zeerste zal doen toenemen waardoor de cohesie van het systeem teloor zal gaan. Een opvallend exponent van deze visie is S.M. Lipset. Hij schrijft in ‘Political Man’ onder meer wat volgt: ‘A principal problem for a theory of democratic systems is: Under what conditions can a society have “sufficient” participation to maintain the democratic system without introducing sources of cleavage which will undermine the cohesion?’32 Met deze opgave voor ogen gaat Lipset tenslotte twijfelen of een activering van de niet-participerende burgers de democratie wel ten goede zou komen, want de non-participanten blijken nu niet bepaald de voor een democratie gunstige eigenschappen te bezitten33. Zij zouden daarenboven ook in andere sectoren van het maatschappelijk leven minder goed geïntegreerd zijn. Dit bleek onder meer uit de onderzoekingen van R. Lane die daarom juist zijn analyse afsluit met
een afwegen van de voor- en nadelen van een grotere politieke participatie34. Sommigen hebben dus het gevoelen dat een ongecontroleerde verruiming van de participatiekansen individuen in de wereld van het politieke zal binnenloodsen waarvan de breed-maatschappelijke en de strict-politieke oriëntatie niet in overeenstemming is met het voor een democratisch regime gunstige waardensysteem. Vanuit deze optiek suggereren deze auteurs dan ook regelmatig dat een goede staatsburgerlijke opvoeding een efficiënte maatregel van preventieve aard kan zijn om de evenwichtsstorende invloed van een activering der burgers te neutraliseren.
Een consequentie van deze benadering kan zijn dat men slechts dat handelen als politieke participatie zal beschouwen waarvan verwacht kan worden dat het een bijdrage zal leveren tot de stabiliteit van het democratisch regime. In feite komt dit meestal neer op een op de voorgrond halen van de politieke activiteit en oriëntatie van sommige statusgroepen. Op die wijze sluipt een ‘class bias’ in de indicering van participatie en non-participatie: alleen datgene wat men in die groepen aan politiek handelen aantreft, wordt gepromoveerd tot ‘politieke participatie’35. De vraag ‘hoeveel’ en ‘weJk soort’ participatie gunstig is voor een democratie verhult in feite een zekere vrees voor het politieke optreden van de arbeiders, de vrouwen en de jeugd.
Een variante van het ‘stabiele democratiemodel’ legt de nadruk op de eis het democratiestelsel een voldoende mate aan doeltreffendheid te bezorgen, want politieke systemen kunnen slechts overleven wanneer zij een bevredigende mate van effectiviteit realiseren36. Hier zal men de participatiekansen begrensd willen zien om de experten en de professionelen van het politieke bedrijf voldoende armslag en ‘immuniteit’ te geven, zodat zij voor zeer complexe vraagstukken de meest ‘rationele’ oplossingen kunnen tot stand brengen. Reeds in de dertiger jaren werd deze visie verdedigd door B. Berelson. Bij hem kan men ook
lezen dat de politieke passiviteit over het algemeen een goede voedingsbodem is voor een doeltreffend en doelmatig politiek beleid. Berelson was immers bij zijn studie van de democratische staat tot de bevinding gekomen dat de politieke instituties het best functioneren in situaties, waarin de snelheid van de sociale veranderingen kan worden afgeremd, waarin de maatschappelijke tegenstellingen kunnen worden ingeperkt, waarin de sociale en economische structuur stabiel kan worden gehouden en waarin tenslotte, gesteund kan worden op een brede consensuele basis37. Het ligt voor de hand dat in een dergelijk model niet de passiviteit maar wel een grote politieke bewogenheid als probleem beschouwd wordt, omdat een intense belangstelling voor het politieke leven het sluiten van compromissen bemoeilijkt en het gunstige klimaat voor de uitbouw van een effectief beleid vertroebelt. Terecht concludeert Ter Hoeven dat de voorwaarden waarin Berelson de democratische staat optimaal ziet functioneren, doordrongen zijn van geleidelijkheid en beperking en zeer zeker ook van een impliciet elitisme38. Hier is de referentie naar een politieke participatie die zou ontspringen aan de democratische gedachte, als het ware overschaduwd door een quasi-exclusieve aandacht voor de vereisten van de organisatorische doelmatigheid, die in de democratische staat zeker niet kan ontbreken. Het model van Berelson is dààrom juist, zegt Ter Hoeven, zeer onvolledig. De nadruk op geleidelijkheid en beperking sluit in dat weinig rekening kan worden gehouden met de eisen van emanciperende groepen: ‘De politieke apathie levert tenslotte slechts een schijnaanpassing, die bij voortduring wordt bedreigd door plotselinge uitbarstingen van de benadeelden en de onterfden.’39
Berelsons perspectief leidt nog tot een andere consequentie. In ‘Voting. A Study of Opinion Formation in a Presidential Campaign’40 onderstreept hij de functionele voordelen van een soort arbeidsverdeling op het politieke erf waarbij de enen (de ‘activisten’) in ruil voor hun grotere bekwaamheid en toewijding ook meer invloed zouden
kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming. De andere partners in het politieke spel (de ‘indifferenten’) zouden dan de waakzame toeschouwers kunnen zijn. Deze suggestie is terecht aangevochten. Zoals Lane opmerkt schuilt er een onaanvaardbaar postulaat in Berelsons voorstel: hij stelt het zo voor dat de groep der indifferenten een even representatieve steekproef vormt als de interviewpopulatie waarmee hij werkt41. Dit is niet correct: de onverschilligheid komt vooral voor in de lagere statusgroepen, in de vrouwelijke bevolkingsgroep en in de landelijke gebieden. De arbeidsverdeling die hij voorstelt, zou vooral de nieuwkomers in de politiek aan een positie van passieve toeschouwer vastkluisteren. Het aantrekkelijk pleidooi dat sommige sociologen ter verdediging van de non-participatie houden, verdoezelt de harde kern van een door M. Duverger gehouden rekwisitoor: ‘Toute “dépolitisation” favorise l'ordre établi, l'immobilité, le conservatisme.’42
Het aanleggen van een inventaris van de politieke participatie en non-participatie der burgers wordt in het licht van dit werkmodel belangrijk geacht, omdat het een toets kan zijn van de mate waarin een individu in zijn gedragingen, kennis en overtuigingen georiënteerd is op en gebonden is aan de principes en activiteiten van de democratische staat, zoals deze in een gegeven samenleving in een meer vaste vorm is gestold. Dit is de reden waarom deze sociologen hun belangstelling uitsluitend richten op de partijpolitieke en electorale activiteiten van de burgers; de partijen en de verkiezingen zijn immers bij uitstek de gevestigde, geformaliseerde en gelegaliseerde instellingen waarlangs de democratische controle dient te verlopen. De non-participanten zijn in een dergelijk model individuen die en marge van het partijpolitieke leven leven, ofwel omdat zij het partijpolitieke gebeuren als een voor hen vreemde wereld bekijken, ofwel, omdat zij ‘rebelleren’ (dit is: gebruik maken van niet-conforme middelen tot politieke beïnvloeding). Het gemeenschappelijke model dat vele sociologen bij hun onderzoekingen tot een identieke keuze van participatie-indices brengt, is er dus een waarin de politieke participatie gedacht wordt als een bijdrage aan de instandhouding van een gegeven democratisch bestel, waarvoor zij
als socioloog de meest gunstige functioneringsvoorwaarden willen opsporen43.
Het participatiebegrip, dat in deze studies wordt gebruikt, is statisch en daarom maar ten dele bruikbaar. Het rekent in termen van een optimale betrokkenheid van individuen en groepen op het politieke gebeuren omdat het een gegeven en gevestigd democratisch systeem verabsoluteert. Hierdoor wordt het vooral een instrument waarmee alleen de afstand tussen een gewenste en een feitelijke toestand kan worden nagegaan. Op die manier loopt de socioloog het risico het standpunt en de onvermijdelijke ‘kortzichtigheid’ over te nemen van de beleidsverantwoordelijke, die steeds de neiging heeft vooral een therapie van de ‘onaangepaste’ staatsburger en niet van de politieke structuren op te stellen. Er is aldus geen openheid op de mogelijkheid dat de democratische beginselen andere structuurvormen kunnen aannemen.
2. Het strakke ‘stabüiteitsdenken’ heeft in de praktijk van het empirisch onderzoek ook geleid tot redeneringen die methodologisch aanvechtbaar zijn.
Eén ervan houdt verband met het feit dat sommige auteurs zich bij de studie van de deelname der burgers aan het politieke leven niet alleen beperken tot de inventarisatie van de electorale en partijpolitieke participatie maar bovendien in hun observatie slechts de uiterlijk waarneembare gedragingsaspecten van de participatie betrekken, zoals het gaan stemmen, het bijwonen van een partijvergadering, het lid worden van een partij, e.d. Nu kan het vanuit methodologisch standpunt wel te verantwoorden zijn dat men bij empirisch onderzoek van het participatieverschijnsel alleen activiteitsindices in rekening brengt.
Het is ons evenwel opgevallen dat een aantal sociologen de activiteit die zij registreren, interpreteren als interesse voor de politieke gebeurtenissen, als intense betrokkenheid op datgene wat zich in het politieke leven afspeelt en zelfs als positieve waardering van de democratische instellingen. De inactieve burgers worden door hen dan bestempeld als apolitiek, apathisch en niet-geïntegreerd44.
De redenering die hieraan ten grondslag ligt, is eenvoudig. Men weet dat in het werkmodel dat hier besproken wordt, een voor de stabiliteit van de democratie gunstige invloed wordt toegekend aan een politieke participatie, die ‘binnen de perken blijft’ (dit wil zeggen: die verloopt langs de geformaliseerde en gelegaliseerde kanalen). Empirische onderzoekingen hebben deze positieve relatie aan het licht gebracht en bevestigd. Deze constatatie leidde op haar beurt tot een riskante extrapolatie: het individu, dat gaat stemmen of lid wordt van een partij of propaganda maakt voor een kandidaat-deputé, betuigt daarmee zijn instemming met het democratisch regime zoals hij het ziet functioneren; een dergelijke ingesteldheid ten aanzien van de democratische instellingen kan hun stabiliteit slechts bevorderen.
Reeds in 1950 hebben Riesman en Glazer gewaarschuwd voor een al te simplistisch en overhaast gelijkstellen van activiteit en interesse of van activiteit en positieve waardering. Een inventaris van activiteiten werpt weinig of geen licht op de zin, die de handelende individuen aan hun gedragingen toekennen, zodat men er bijvoorbeeld niet zou in slagen die gevallen te dedecteren, waarin een activiteit om apolitieke doeleinden is opgezet45. Anderen vinden hierin geen bezwaar. Zo meent Hoogerwerf de politieke participatie te mogen definiëren zowel ‘... in termen van politieke doeleinden als in termen van het toe-
passen van politieke middelen voor al dan niet politieke doeleinden.’46. Daartegenover staat de opvatting van Riesman en Glazer wel degelijk in oppositie: ‘If one of the hypotheses one wishes to consider is that such “apolitical” political activity is on the increase, or widespread, an emphasis on formal political activities as the index to apathy will be of little use.’ 47 Himmelstrand laat trouwens opmerken dat een efficiënte aanwending van pers, radio en televisie kan leiden tot een zeer grote deelname aan de verkiezingen terwijl tegelijkertijd een omvangrijk aantal kiezers slechts in geringe mate geïnteresseerd is in de politieke inzet ervan48.
Het advies van Riesman en Glazer is door een aantal sociologen opgevolgd. Zij zijn in hun onderzoek van participatie en non-participatie een weg ingeslagen waarvan zij menen dat hij tot de noodzakelijke verbreding van de optiek kon leiden. De pogingen tot perspectiefverruiming bestaan meestal hierin: rechtstreeks, dit is door onderzoek van houdingen en opinies, de politieke oriëntatie ‘achter’ de politieke activiteit te registreren49. In aansluiting op Riesmans oppositie tegen de traditionele op activiteitsindices gebaseerde benadering van de politieke participatie hebben deze auteurs dus een uitweg gezocht door een stel mentale componenten in het onderzoeksdossier op te nemen. Was dit wel het meest adequate middel om de beperkte visie van de door hen aangevochten auteurs te doorbreken?
Soms leidde dit tot studies, waarin het hele onderzoek werd opgehangen aan een benadering van het participatieverschijnsel in zijn mentale vormgeving: houdingen, kennis, gevoelens, voorstellingen en evaluaties. L. Van Outrive heeft de kentheoretische kwetsbaarheid van dergelijke participatiestudies aangetoond50. Het ware dus een beter alternatief de activiteitsindices zó te ontwikkelen dat in een registratie van gedragingen ook de daaronder liggende betekenis ervan naar voren treedt. Dit veronderstelt uiteraard een drastische verruiming van de optiek, waarop de observatie is gebaseerd.
De oplossing, die Riesman en Glazer hebben gepredikt, is nog om een andere reden met voorzichtigheid te behandelen. Men, mag aannemen dat zij de stap in de richting van de mentale componenten hebben gezet op grond van de noodzaak de politieke activiteiten, waaraan politieke motieven ten grondslag lagen, te onderscheiden van deze met een apolitieke ‘binnenkant’. Blijkbaar hebben zij zich daarbij niet voldoende gerealiseerd dat politieke motieven ook gestalte kunnen krijgen in op het eerste gezicht althans niet-politieke gedragingen51. Wie deze correctie aanvaardbaar acht, staat dan meteen voor een wel moeilijke maar niet te negeren opdracht: het empirisch net, waarmee men het participerend handelen wil vatten, zó te construeren dat ook ogenschijnlijk niet-politieke activiteiten in de analyse betrokken worden. Deze perspectiefverruiming lijkt ons niet realiseerbaar wanneer men vertrekt van een werkmodel dat te zeer de klemtoon legt op een ruimte- en tijdsgebonden vorm van politiek-democratisch handelen; openheid op het participerend handelen in al zijn facetten onderstelt in de eerste plaats een ontstijgen aan de zwaartekracht van het gefixeerde democratiemodel.
Een tweede methodologische implicatie van het ‘stabiliteitsdenken’ dient nu ter sprake te komen.
Men heeft zich in deze participatiestudies ook gebogen over het probleem van het grote aantal non-participanten dat in de meeste Westerse landen kan worden aangetroffen. De diagnose die dan ontwikkeld wordt, draagt uiteraard de stempel van de sociologische visie op het functioneren van de democratie. Het eigene van deze visie is gelegen in het prioritair stellen van de stabiliteitsbehoeften van het democratisch regime. Hieruit vloeit voort dat men de oorsprong van de politieke passiviteit zelden in het politieke regime zelf zal leggen. Veeleer zal men het passieve individu op mogelijke oorzaken onderzoeken. Dit brengt mee dat zovele participatiestudies zijn opgebouwd rond de
vraag: ‘wie zijn de participanten, wie de non-participanten?’ De analyse spitst zich dan toe op de verschillen in participerend handelen tussen individuen in ongelijke rolsituaties. De positionele kenmerken, die het meest als onafhankelijke variabelen werden gemanipuleerd, zijn zowel toegeschreven (geslacht, leeftijd, ethnische groep) als verworven (burgerlijke staat) of een mengvorm (sociale status, religie, woonzone). Er is dus in deze geschriften een gedachtenconstructie opgetrokken die een relatie stelt tussen een aantal verklarende micro-variabelen (rollen en posities) en een te verklaren variabele van micro-politieke aard (een bepaald soort politiek gedrag). In de termen van S. Rokkan is dit een ‘micro-micro constructie’52. Deze constructie heeft in het politiek-sociologisch onderzoek van participatie en passiviteit een status van vanzelfsprekendheid verworven. Over de relevantie van deze benadering wordt niet meer getwijfeld; het in relatie stellen van politieke gedragingen tot een aantal positievariabelen - als een vorm van verklarende analyse - is een quasi-ritueel geworden. Onze methodologische commentaar bij deze verklaringswijze is gesteund op het gedetailleerd overzicht van de onderzoekingen, dat in onze studie ‘De nietaanwezige staatsburger’ is opgenomen53. Hier volgt slechts een beknopte weergave van onze vroegere bevindingen.
Het is al lang bekend dat de politieke passiviteit niet gelijkmatig verdeeld ligt over de sociale kaart van een land. In sommige bevolkingsgroepen is de politieke non-participatie erg groot, in andere komt zij minder voor. In vele studies is gebleken dat in de meeste Westerse landen een volgende ‘topografie’ kan worden aangetroffen: vrouwen nemen minder deel aan het politieke leven dan mannen, de jongeren (20 tot 30 jaar) en de ouderen (meer dan 50 jaar) minder dan de intermediaire leeftijdsgroep, de inwoners van landelijke zones minder dan de stedelingen, de lagere status-groepen (d.w.z. met geringe opleiding, laag inkomen en een beroep waarin alleen handarbeid voorkomt) minder dan de hogere. Wij beperken ons hier tot een kort overzicht van de resultaten, die betrekking hebben op de verschillen in het participerend handelen van mannen en vrouwen en van de diverse leeftijdsgroepen.
De uitvoerigste studie over de deelname van de vrouw aan het politieke leven is het werk van M. Duverger. In opdracht van de U.N.E.S.C.O. heeft hij, een vijftiental jaren geleden, de situatie in enkele Westerse landen beschreven. Hij komt daarbij tot de bevinding dat de vrouwen wel in mindere mate dan de mannen deelnemen aan de verkiezingen, maar dat dit verschil niet zo groot is als soms wel eens wordt beweerd54. De politieke passiviteit van vele vrouwen zou zich, volgens Duverger, vooral manifesteren in een geringe vertrouwdheid met het politieke gebeuren en in een minieme deelname aan de activiteiten van partijen en pressiegroepen. De andere studies, waarin het politiek optreden van mannen en vrouwen vergeleken wordt, brengen meestal alleen maar een bevestiging van Duvergers bevindingen55. Additionele informatie wordt verstrekt door R.E. Lane die erop wijst dat de politieke interesse van de Amerikaanse vrouw in feite méér gericht is op lokale beleidsproblemen (vooral met betrekking tot school en onderwijs) en op de personen die in het politieke veld werkzaam zijn. Dezelfde auteur toont ook nog aan dat méér vrouwen dan mannen het gevoel hebben over te weinig politieke competentie te beschikken om met succes gebruik te maken van de middelen die een democratie ze ter hand stelt56.
Die vaststellingen hebben heel wat lofwaardige verklaringspogingen uitgelokt, de ene al aantrekkelijker dan de andere. Eigenlijk bewegen ze zich alle in het domein van de rolverdeling tussen man en vrouw. De verscheidenheid, die in de literatuur toch nog aangetroffen wordt, is dan te wijten aan het feit dat de verklaringen op verschillende niveaus van algemene toepasbaarheid liggen.
De zware taak die een vrouw in haar gezin heeft, grendelt haar politieke mogelijkheden in ernstige mate af, zo luidt een eerste stelling. Niet alleen is er in vele gevallen een overspannen tijdsbudget, waarin nog weinig ruimte overblijft voor extern-familiale aangelegenheden57. Ook houdt het levensritme van een gezin voor de vrouw weinig kansen in om politieke ervaringen op te doen58, of om allerlei verruimende contacten te leggen59. Lipset meent dat, waar deze besloten horizon doorbroken kan worden (door arbeid buitenshuis of door
hulp in het huishouden), de vrouw ook méér op het politieke terrein terechtkomt60.
Voorgaande verklaring mikt hoofdzakelijk op de politieke indifferentie van gehuwde vrouwen. Opvallend is het feit dat ook ongehuwde vrouwen in mindere mate een politieke activiteit ontwikkelen. Vandaar een tweede reeks verklaringselementen, waarin gesteld wordt dat de vrouw altijd een ondergeschikte rol in het politieke leven is opgedrongen. In vele landen heeft de vrouw nog niet zolang geleden stemrecht verkregen en deze verlate opname in het kiezerskorps heeft nog altijd een remmende invloed op de mobiliseerbaarheid van de oudere vrouwen61. Volgens Duverger werd de politieke ondergeschiktheid van de vrouw vroeger verantwoord door een verwijzing naar haar onbekwaamheid. Nu zou men de verrechtvaardiging van de bestaande toestand veeleer gaan zoeken in een soort functionele arbeidsverdeling tussen man en vrouw: ‘... il s'agit de montrer que la politique est, par sa nature, un domaine essentiellement masculin dans lequel les femmes ne doivent être admises qu'à titre exceptionnel et dans les domaines strictement limités’. De ‘moeder-aande-haard’-slogan is een extreme uiting van deze stelling. Een meer subtiele redenering wint langzamerhand veld: ‘... la femme hors du foyer, la femme dans l'activité sociale et civique, la femme dans la vie politique, mais à condition qu'elle s'y confine dans des problèmes maternels, éducatifs, familiaux - dans la “politique du foyer”, pourrait-on dire’62. Duverger stelt dan vast dat de vrouw op het politieke vlak met ongelijke wapens in competitie treedt met de man en vergelijkt haar positie in dit verband met die van de jongeren die zich een plaats in het politieke leven willen bevechten.
Over het algemeen brengen de vrouwen weinig bezwaren in met betrekking tot de rollen die haar in het gezin en in het politieke leven worden geboden63. Het kan ook moeilijk anders in een samenleving waarin alle socialiseringsinstituten samenspannen om de vrouw te overtuigen van haar vrouwelijkheid: ‘... si elles acceptent que la politique demeure essentiellement une affaire d'hommes, c'est que tout les y pousse: tradition, vie familiale, éducation, religion, littérature.’64. Maar is het ook zo dat in de Westerse cultuur politieke activiteit en ‘vrouwelijkheid’ als onverenigbare elementen worden beschouwd? Een en ander schijnt wel in die richting te wijzen. In het gezinstype, dat wij kennen, nemen de vader en de moeder een specifiek deel van de rollen en het leiderschap op zich. De rol en het leiderschap van de vader hebben een ‘instrumenteel’, die van de moeder en een ‘expressief’ karakter65. De vader verschijnt
als de ‘boss-manager’, de rechter en de uitvoerder van sancties. Door het beroep, dat hij buiten het gezin uitoefent, treedt hij in een intens contact met de buitenwereld. De moeder speelt veeleer een bemiddelende en verzoenende rol. Het gezin is voor haar het tehuis voor het belangrijkste deel van haar sociale relaties66. Het politieke leven echter wordt gekenmerkt door het conflict, de competitie, de strijd om de macht en de efficiëntie bij het nastreven van het gestelde doel. Deze kenmerken zijn moeilijk te verzoenen met de traditionele gezinswaarden (affectiviteit, eenheid, geborgenheid, aandacht voor ieders eigen persoonlijkheid), die de vrouw dient te beschermen. In de mate dat de vrouw geörienteerd blijft op het gezin en zijn traditionele waarden, is er een culturele drempel, die haar van het politieke leven scheidt67.
Er zijn op zijn minst twee ernstige redenen waarom het politieke optreden van de leeftijdsgroepen een zekere differentiatie zou kunnen vertonen. Elke generatie is in een specifieke maatschappelijke context tot politieke rijpheid gekomen; de verscheidenheid in het participatiegedrag kan dus reeds te wijten zijn aan generatieverschillen. Bovendien verkeert elke leeftijdsgroep in een andere combinatie van levenssituaties, die stuit voor stuk een oriënterende invloed op het politieke gedrag kunnen uitoefenen. De vergelijking van de leeftijdsgroepen behoort terecht tot het vaste scenario van de participatiestudies.
Over de verscheidenheid in het politiek optreden van mannen en vrouwen bestaat weinig twijfel. De bevindingen met betrekking tot de politieke participatie van de leeftijdsgroepen zijn niet zo ondubbelzinnig. Volgens G. Dupeux is de politieke activiteit in Frankrijk het kleinst bij de jongeren, het grootst bij de ouderen. Het tegendeel zou waar zijn voor wat de politieke interesse betreft68. R. Rémond meende uit de electorale statistieken te mogen afleiden dat de oudere kiesgerechtigden in Frankrijk het talrijkst ter stembus komen69. De meeste auteurs komen echter tot de vaststelling dat de leeftijdsgebondenheid van de politieke participatie beantwoordt aan de volgende formule: 21-30 j. < 31-50 j. > 51 j. en meer. Er is dus geen sprake van een rechtlijnige stijging of daling, maar van een gebroken curve, waarvan de enige piek in de middencategorie gelegen is. Lipset heeft deze golfbeweging in de electorale
gegevens van vele Westerse landen teruggevonden70; anderen brachten identieke enquêteresultaten met betrekking tot de politieke interesse in het algemeen71.
De commentaren bij de zojuist geschetste bevindingen brengen weinig gewaagde hypothesen. De geringe politieke participatie van de jongeren zou volgens sommigen te wijten zijn aan het feit dat zij nog niet helemaal zijn opgenomen in het dichte net van sociale relaties, dat de volwassenenwereld kenmerkt. De dalende politieke interesse van de ouderen zou haar oorsprong vinden in een geleidelijke aftakeling van de sociale contacten72. In feite wordt de politieke participatie in deze veronderstellingen gemanipuleerd als één aspect van een algemeen integratiepatroon dat zich ook in andere domeinen van het maatschappelijk leven manifesteert. Soms wordt ook wel eens gewezen op de positieverschuivingen die de overgang van de ene naar de andere leeftijdsgroep met zich meebrengt. De leeftijdscategorie ‘31-50 j.’ zou nu juist gekenmerkt worden door de opname van een aantal posities die van die aard zijn dat de interesse voor de politieke problemen ten zeerste gestimuleerd wordt: ouderschap, een definitief beroep, bezit...73.
Merkwaardigerwijze is er weinig aandacht voor de mogelijke generatieverschillen die de oorzaak zouden kunnen zijn van het feit dat de klassieke golfbeweging niet in alle landen en op elk moment opgemerkt kan worden. Het is ook opvallend dat de verscheidenheid naar leeftijd niet gezien wordt als gevolg van een competitie tussen groepen die bijlange niet over dezelfde politieke wapens beschikken. Bovendien wordt niet voldoende in het oog gehouden dat alle auteurs alleen interesse hebben voor de traditionele politieke activiteiten. Er wordt dus geen rekening gehouden met het feit dat de interesse van de jongeren wel eens langs niet conforme weg uitgedrukt zou kunnen worden74.
Zonder twijfel is de vergelijkende studie van liet participerend handelen van individuen in afwijkende rolsituaties niet zonder belang. Het overzicht van een aantal onderzoeksresultaten heeft dit wellicht kunnen aantonen. De vraag is echter hoe het in rekening brengen van deze positievariabelen naar de methodologie toe beschouwd dient te worden.
Daarom wordt nu de methodologische ‘grammatica’ van deze werkwijze onder de loep genomen. Vercruljsse brengt als zijn mening
naar voren dat men met deze werkwijze staat voor een verfijning van het beschrijvend moment in het onderzoek; hij gebruikt de term ‘sociaal-ecologische ordening’ om het onderscheid met de verklarende analyse scherp te stellen75. Maar ook waar het aan bod brengen van sociale status, leeftijd e.d. bij de studie van participatie en non-participatie als een ordening van gegevens en bijgevolg niet als een stap in het vastleggen van causale verbanden wordt beschouwd, staat men nog voor de opgave een verantwoording te geven voor de keuze van deze positievariabelen en de verwaarlozing van andere. Dit is des te meer geboden, daar in de literatuur is aan te tonen dat zo vaak teruggegrepen wordt naar een vaste serie persoonskenmerken en dat bovendien bij het hanteren van deze kenmerken een vaste voorafbepaalde classificatie wordt aangehouden76.
Wij kunnen ons evenwel niet van de indruk ontdoen dat in vele participatiestudies de aanwending van de positievariabelen vooral is beschouwd als een eerste en soms definitieve stap in de verklarende analyse. Nu zijn er enkele bezwaren aan te voeren tegen de wijze waarop deze analyse vorm heeft gekregen.
Een eerste bezwaar77 heeft betrekking op het feit dat in de meeste studies alleen een analyse in eerste orde is gedaan. Het traditionele scenario ziet er immers zo uit: (i) eerst wordt nagegaan of het participerend handelen van burgers in ongelijke status-, leeftijds- of woonsituaties bijvoorbeeld een zekere differentiatie laat zien; (ii) het bekomen resultaat wordt dan vergeleken met wat in andere studies in een identieke bewerking is verzameld. Nu is het goed mogelijk dat de correlatie die tussen een dezer positievariabelen en de mate van politieke activiteit wordt vastgesteld, slechts schijnbaar is, namelijk als ze op een derde factor teruggaat. Zo kan de statistische band tussen de politieke activiteit en het behoren tot een hogere statusgroep het gevolg zijn, niet van de socio-professionele kentrekken van deze groep, maar van het feit dat de bekleders van een dergelijke statuspositie vooral in stedelijke en grootstedelijke zones woonachtig zijn. Een toetsing op schijnbaarheid is dus steeds geboden.
Er is echter een belangrijker bedenking te maken. Zoals Vercruijsse heeft aangetoond, berust de aan de sociaal-ecologische variabelen toegekende analytische kracht op de veronderstelling ‘...dat verschil in persoonskenmerken een verschil van positie in de sociale structuur en dientengevolge een verschil in gedragingen, meningen en houdingen doet optreden’78. De positievariabelen, die met grote regelmaat ter identificatie van participanten en non-participanten en ook ter verklaring van participatie en non-participatie worden ingeroepen, zijn evenwel extern-politieke variabelen: zijn hebben betrekking op posities in andere systemen dan het politieke, zoals de sociale stratificatie, het gezin en het economisch systeem. De verklarende kracht ten aanzien van een politiek gedrag, die hen wordt toegekend, is dus helemaal niet vanzelfsprekend. Hun relevantie in het politiek-sociologisch onderzoek dient te worden aangetoond. Deze methodologische verantwoording is zelden in de betrokken sociologische geschriften te vinden.
Sommigen beschouwen het beschrijven van de statistische band tussen een bepaald soort participerend handelen en een aantal rolsituaties als een eindpunt in hun verklarende analyse79. Elders is er wel de opvatting dat de verwijzing naar de rolsituaties slechts hypothesevormend is, maar weer is er dan geen systematische of expliciete reflectie over de theoretische schakels tussen een extern-politieke variabele als de leeftijdspositie bijvoorbeeld en een politiek gedrag80. De socioloog die de reikwijdte én de grenzen van deze analyses kennen wil, dient zelf op zoek te gaan naar wat Rokkan de ‘underlying logic’ heeft genoemd81. Hij kan zich daarbij laten leiden door de kritische beschouwingen van Bendix en Lipset in hun van 1957 daterend ‘trend report’ over de politiek-sociologie en door de daarop gebaseerde bedenkingen van Ahtik82.
Wij citeren eerst uitvoerig V. Ahtik: ‘Pour que l'on puisse passer, à partir de la simple constatation qu'il y a une certaine corrélation entre catégories socio-professionnelles et participation socio-politique, à la conclusion que les catégories socio-professionnelles expliquent la participation socio-politique, il faut accepter de façon implicite un certain postulat. Ce postulat consiste à soutenir que le comportement de l'individu est déterminé par les situations objectives sur lesquelles il ne peut exercer aucune emprise (c'est le cas du sexe), ou une action négligeable (cas de la catégorie socio-professionnelle).’83 Terecht voegt de auteur er aan toe dat het betrokken postulaat het menselijke gedrag reduceert tot een simpel antwoord op een objectieve situatie.
Dit brengt hem tot de vaststelling: ‘La conséquence ultime, c'est la négation de l'analyse sociologique.’84 Maar is het nu werkelijk de bedoeling van de geviseerde sociologen het postulaat van een door objectieve situaties gedetermineerd gedrag tot het hunne te maken? Bendix en Lipset zijn van mening dat een ‘close reading’ van vele politiek-sociologische geschriften althans die indruk wekt: ‘Nevertheless, this assumption of determinism is implicit in the many studies which have analysed the political process in terms of who the leading contenders are, rather than in terms of what they do.’85 Zij mikken, zo komt het ons voor, in de eerste plaats op de vele studies waarin is nagegaan wie de participanten en wie de non-participanten zijn. Eén van de gevolgtrekkingen, waartoe deze vaststelling leidt, verdient bijzondere aandacht. Bendix en Lipset stellen dat in de aangevochten studies het politieke als een epifenomeen behandeld wordt ‘... in the sense that the ideas and actions of men are thought to be determined in the long run by the changing organization of production...’86. Waar het politieke in een methodologisch maneuver gereduceerd wordt tot een epifenomeen, verdwijnt ook op slag de mogelijkheid een politieksociologie uit te bouwen. Het politiek gedrag gaat dan helemaal op in bijvoorbeeld het socio-professioneel gedrag.
Bendix en Lipset opperen wel zelf de mogelijkheid dat sommige auteurs de oriënterende kracht van een socio-professionele positie, van
een leeftijdspositie of van een statuspositie op het politiek gedrag niet hebben gelegd in de autonome werking van de objectieve situaties waarin deze posities vorm krijgen. Zij zouden aldus het streng en strak determinisme, dat zojuist werd opgeroepen, niet hebben aangehangen. De onderliggende logica in het verbinden van extern-politieke rolsituaties en politieke activiteit zou dan zijn dat de burgers groepsgewijze of individueel komen tot een reflectie op de objectieve situaties; reflectie, waaruit dan zou groeien een bewust-worden van wat hun politieke belangen zijn want ‘... the effort to relate voting trends to various regional, ethnic, occupational and economic subgroups of the population has a rationale only if it is assumed that these groupings are also interest-constellations of a certain if varying cohesiveness...’87 In deze optiek zou het behoren tot een economische of socio-professionele of levensbeschouwelijke categorie tegelijkertijd inhouden een behoren tot een groep met specifieke politieke belangen. Weten tot welke categorieën een burger behoort, is aldus ook weet hebben van het soort politieke activiteit, die hij ontwikkelt, want de burger zal zó handelen dat de politieke belangen waartoe zijn extern-politieke rolsituaties aanleiding geven, optimaal behartigd worden. Men kan deze propositie ook omdraaien en dan neemt zij voor ons een vertrouwde vorm aan: wil men weten wat de oorzaak is van een bepaald soort participerend handelen, dan komt het er op aan te weten wie de participanten of wie de non-participanten zijn. Tot zover de gedachtenconstructie, die Bendix en Lipset in vele politiek-sociologische studies hebben waargenomen. Zij duiden deze redenering aan als de ‘interest theory of political behavior’88.
Maar ook in deze versie roept de aanwending van sociaal-ecologische variabelen in een analyse van de politieke participatie en nonparticipatie nog vragen op.
Men zal zich herinneren dat, naar aanleiding van de bespreking van Habermas' kritiek op het rationalistisch-activistisch democratiemodel, de gedachte is ontwikkeld dat de burger tegenwoordig niet meer in de gelegenheid is op directe wijze zijn politieke belangen te onderkennen. Het politieke bedrijf is immers erg complex geworden. Het is dus niet
zo zeker dat de burger steeds handelt vanuit een klare visie op zijn belangen als producent of consument, als man of vrouw, als jongere of oudere, als katholiek of als vrijzinnige... In het handhaven van de door Bendix en Lipset geschetste ‘interest theory’ zou wel eens een aanwijzing kunnen liggen dat sommige sociologen er niet toe komen de diepgaande veranderingen in de wereld van het politieke in hun analyse op te nemen.
Het belangrijkste bezwaar is evenwel dat ook hier het politieke gedrag te veel verschijnt als een verlengstuk van het economisch, socioprofessioneel of levensbeschouwelijk gedrag. Ook voor Habermas is dit onaanvaardbaar: ‘Wo die politischen Bewegungen buchstäblich blosser Reflex der ökonomischen wären, wäre eine Untersuchung der Subjekte und ihres demokratischen Potentials nicht nur überflüssig, sondern auch sinnlos.’89 Het politieke kan niet gereduceerd worden tot een epifenomeen van andere systemen90.
Het komt ons voor dat de vele methodologische implicaties, waarvan zojuist sprake, in het oog dienen te worden gehouden bij het interpreteren en evalueren van de empirische gegevens, die met behulp van extern-politieke sociaal-ecologische variabelen werden vrijgemaakt. Het is wellicht goed even aan te tonen wat er gebeurt als men al te enthousiast of te mechanicistisch omspringt met een statistische relatie tussen partijpolitieke voorkeur en socio-professionele positie of tussen partijkeuze en levensbeschouwing. De ontwikkeling van de electorale sociologie in eigen land biedt hiervan enkele markante illustraties, zoals nu wordt uiteengezet.
De eerste onderzoekingen naar de sociologische samenstelling van de electorale aanhang der Belgische partijen91 hadden aan het licht gebracht dat in de verschillende gewesten van het land een relatie bestond russen de socio-profes-sionele structuur en de stemmenverdeling. Ook de verwantschap tussen vrijzinnigheid (meestal gemeten aan de mate van ‘absenteïsme’ in de zondagsmissen) en voorkeur voor de liberale of socialistische partij was - zij het dan met minder overtuigende gegevens - zichtbaar gemaakt. Te onthouden valt dat vooral De Smet en Evalenko de ambitie hadden deze statistische relaties zó te formuleren dat zij het karakter kregen van een wetenschappelijke wet. Met betrekking tot de band tussen socio-professionele situatie en partijkeuze kwamen zij tot een drietal wetten, die er in de door W. Dewachter geamendeerde versie als volgt uitzien: (i) ‘naarmate het aandeel arbeiders en bedienden in de totale bevolking toeneemt, vertoont de verkiezingsuitslag van de linkse partijen (K.P.B, en B.S.P.) de neiging tot verbeteren’; (ii) ‘naarmate het aandeel arbeiders en bedienden in de bevolking toeneemt, neemt ook het aandeel arbeiders en bedienden toe dat voor de linkse partijen stemt’ en (iii) ‘Het kiezerskorps van de linkse partijen komt in hoofdzaak uit de sociale categorieën van de loon- en weddetrekkende arbeiders. De stemmen voor de linkse partijen van de kiezers uit andere sociale klassen zijn beperkt in aantal’92. Ons interesseert hier vooral de commentaar, waartoe deze louter statistische vaststellingen aanleiding hebben gegeven.
J. Dhondt laat er in zijn geschriften geen twijfel over dat de relatie tussen de mate van zondagsmispraktijk in een kiesarrondissement en de sterkte van de katholieke partijen zó moet worden begrepen dat ‘kerkelijkheid’ de causale factor is. Kerkelijkheid en politieke voorkeur voor een katholieke partij gaan niet alleen hand aan hand, het tweede vloeit voort uit het eerste. In dit postulaat ligt het determinisme, waarover Bendix en Lipset spraken. Het brengt Dhondt tot een tweetal riskante voorspellingen. Hij redeneert als volgt: ‘... het is volkomen duidelijk, dat de nataliteit in het Vlaamse land vermindert. Deze vermindering valt niet voor rekening van de steden en van de onkerkelijke gezinnen (waar de nataliteit reeds voorheen laag was) maar wel voor rekening van de dorpen en van de katholieke gezinnen. Op grond van deze overweging zou men dus kunnen voorzien dat het evenwicht russen katholieke en vrijzinnige partijen, dat bestaat sedert 1919, in de toekomst zou gebroken worden ten gunste van de laatste’. Een andere prospectie luidt als volgt: ‘... we hebben hierboven vastgesteld, dat de kiezers op de arbeiderspartijen zeer overwegend arbeiders zijn (en in mindere mate bedienden), en we nebben ook vermeld dat de arbeiders- en bediendenstand zich ontwikkelt naar
onkerkelijkheid. Omgekeerd schijnen burgerij en middenstand zich te bewegen naar hogere kerkelijkheid. Hieruit kan men als toekomstbeeld afleiden, dat de arbeiderspartijen de partijen van de onkerkelijken zullen worden, of ze dat wülen of niet’93.
In zijn inleiding op het rapport van De Smet en Evalenko schreef H. Janne dat de door hen vastgestelde wetmatigheid niet in deterministische zin geïnterpreteerd mocht worden; zij mocht in genendele worden beschouwd als ‘... un conditionnement de caractère mécanique’94. In vele commentaren op het werk van De Smet en Evalenko is vast te stellen dat het advies van H. Janne ofwel niet is gelezen ofwel niet is opgevolgd. Zo schrijft J. Defay in ‘Socialisme’: De Smet en Evalenko hebben aangetoond dat ‘... le vote socialiste est l'expression politique de la condition salariale’95. Weer is de socio-professionele positie, waarin de kiezer verkeert, gepromoveerd tot de uiteindelijke oorzaak van zijn electoraal gedrag. Ook hier leidt het postulaat tot de voorspelling dat de toekomst voor de socialistische partij grote beloften inhoudt. De industrialisering en de verstedelijking brengen met zich een verdere concentratie van de arbeidersen bediendenbevolking mee; de tweede wet van De Smet en Evalenko leert ons dat deze beweging méér werknemers in het socialistische kamp zal brengen96. Wanneer een arbeider eraan denkt het A.C.V. te ruilen voor het A.B.V.V., dan staat hij voor ‘... un débat de conscience, la solidarité de classe s'affrontant en lui à la solidarité religieuse’. Defay houdt het blijkbaar niet voor mogelijk dat een arbeider op een bepaald ogenblik het A.C.V. of de C.V.P. kan verkiezen omdat hij in het katholieke blok een aantal diensten (onderwijs, ziekteverzekering...) op voor hem bevredigende wijze ziet functioneren, dit is om redenen van beleidspolitieke aard. De auteur komt tenslotte tot een aantal adviezen aan de socialistische leiders, die op scherpe wijze illustreren welke consequenties kunnen voortvloeien uit een simplistische manipulatie van extern-politieke situatievariabelen. Een voorbeeld: Defay is voorstander van een landbouwpolitiek die ruim 70 % van de landbouwuitbatingen zou uitschakelen. Hij redeneert als volgt: ‘L'afflux de 125.000 ex-fermiers dans les rangs des salariés, sans compter les grossistes et les intermédiaires, augmenterait de près de 5 % l'importance de la classe salariée dans la population. Cette réforme aurait donc pour résultat (...) d'améliorer au bout de quelques années la conscience de classe de 5 % environ. L'audience socialiste auprès des salariés passerait ainsi de 49 à 54 % en Flandre et de 75 à 80 % en Wallonie, la moyenne nationale s'élèverait de 60 à 65 % environ et porterait sur une classe
salariée passée elle-même de 71 à 75 %. Le résultat électoral prévisible serait alors pour le parti socialiste de 48,6 % des voix (0.75 x 0.65 = 0,486), ce qui lui permettrait d'espérer la majorité absolue au Parlement’97.
Wellicht ware het best aan de extern-politieke positievariabelen, waarvan in ettelijke studies is vastgesteld dat zij een - zij het dan statistisch - verband vertonen met het participerend handelen, een verwijzingsfunctie toe te kennen. Het is immers goed mogelijk dat het positioneel vergelijken van staatsburgers (dit is naar beroepspositie, leeftijd, geslacht, opleiding, levensbeschouwing e.d.) een uitstekende voorbereiding is op het dedecteren van de politieke krachten die participatie en non-participatie veroorzaken. In de literatuur kan men trouwens hier en daar een stap in deze richting aantreffen. Zo is de correlatie tussen het wonen in een landelijk gebied en een vrij grote onverschilligheid ten aanzien van het politieke wel eens bij hypothese verklaard door een verwijzing naar de specifieke verschijningsvorm van de politieke partijen en belangenverdedigende verenigingen in een rurale gemeente98. Lipset van zijn kant heeft in ‘Political Man’ elementen aangebracht die het differentieel participatiegedrag van individuen in verschillende rolsituaties op rekening brengen van de ongelijke toegang tot de politieke informatie die zij verschaffen99.
De sociologie van de politieke participatie en passiviteit, waarover tot nog toe rapport is uitgebracht, ontleent haar spankracht grotendeels aan een paar werkmodellen waarin de invloed van ‘ideologische insluipsels’ aantoonbaar is. In het ene model primeert de aandacht
voor de kwaliteit van de democratie; in het andere wil men de condities opsporen waarin het democratisch regime een bevredigende mate van stabiliteit verwerven kan. Deze waardegebondenheid is geen uitzondering in het politiek-sociologisch onderzoek100. Hoe dienen wij er ons tegenover op te stellen? ‘Both the quality and the stability of democracy are manifestly normative concerns’, schrijft A. Lijphart; hij voegt er evenwel onmiddellijk aan toe: ‘However, when these people - who are both democrats and scholars - attempt to establish relationships between types of democratic systems and democratic stability and/or quality, they are engaged in empirical analysis.’101 Het gaat dus niet op het model staan van een bepaalde democratie-opvatting a priori aan te klagen als een overschrijden van de grenzen van de sociaal-wetenschappelijke welvoeglijkheid. Het valt nog te bekijken of de empirische analyse er uiteindelijk aan kracht door verliest. Dit schijnt nu wel degelijk voor sommige studies het geval te zijn.
De methodologische kwetsbaarheid van een aantal studies is uitvoerig ter sprake gekomen. Ook op de beperktheid van hun reikwijdte op het stuk van de verklaring van de politieke passiviteit is reeds gewezen. In de onderzoekingen waarin de verklaring van de politieke nonparticipatie wordt gelegd in een aantal extern-politieke posities van de non-participanten, staat het verschijnsel van de politieke passiviteit als zodanig eigenlijk niet ter discussie; alleen zijn gradatie wordt onderzocht. Door het leggen van de klemtoon op de vergelijking van de staatsburgers in ongelijke rolsituaties, blijft het fenomeen van de politieke passiviteit zélf in de schaduw. De verklarende kracht van de studies die onder punt A behandeld werden, wordt ernstig ondermijnd
door de empirische ongeloofwaardigheid van het werkmodel waarop zij steunen. De politieke praxis heeft de kaders van het directe democratiemodel al geruime tijd verlaten. Het beroep op de ‘ijzeren wet’ van R. Michels, ter verklaring van de aanwezigheid van grote aantallen non-participanten in het politieke leven, heeft nochtans zijn relevantie niet verloren. Het lijkt nog altijd aantrekkelijk de passiviteit te wijten aan de oligarchische besluitvorming in de politieke organisaties, waarin de volgzaamheid en de lijdzame trouw aan het organisatie-apparaat als ‘burgerdeugden’ worden aangekweekt. Al dient ook hier rekening te worden gehouden met de ernstige twijfels die hier en daar met betrekking tot het determinisme in de stellingen van R. Michels gerezen zijn. Vanuit een steeds breder wordend tijdsperspectief wordt nu stilaan de historische gebondenheid van de ‘ijzeren wet’ onderkend102.
Deze sociologie van de politieke participatie en non-participatie bevat wellicht tal van interessante aanzetten, maar is niettemin niet overtuigend. Het is dan ook tijd het perspectief dat voorlag bij het opzetten van het literatuuroverzicht, drastisch te verruimen, zodat ook sociologische geschriften aan bod kunnen komen waarin het verschijnsel van de politieke passiviteit weliswaar niet centraal staat, maar waarin toch voor onze studie relevante hypothesen ontwikkeld worden.
Zodra men het enge kader van de eigenlijke participatiestudies verlaat, stuit men op politiek-sociologische beschouwingen over de werking van de politieke democratie, waaraan ook hypothesen met betrekking tot het optreden van de staatsburger ontleend kunnen worden. Wij brengen nu een overzicht van een gedeelte van deze literatuur. De hypothesen, die ter sprake zullen komen, kunnen in twee groepen worden ondergebracht. In een eerste reeks hypothesen wordt de politieke passiviteit in relatie gesteld tot recente ontwikkelingen in de politieke democratie; de politieke non-participatie verschijnt hierin als een nieuw en eigentijds verschijnsel. In een tweede reeks worden gegevens
aangevoerd waaruit kan blijken dat de politieke passiviteit in vele landen geen nieuw, maar een quasi-permanent fenomeen is.
1. Onze aandacht gaat eerst naar de sociologische literatuur die is ontstaan naar aanleiding van de discussie over de zg. aftakeling der politieke ideologieën.
Dit debat is nog open: sommigen zijn van oordeel dat alleen de ideologieën van negentiende-eeuwse oorsprong in de mist van het verleden verdwijnen; anderen zijn ervan overtuigd dat elke vorm van ideologische visie aan kracht verliest. Het zijn ook deze laatsten, die gewezen hebben op het verband tussen het proces van desideologisering en de politieke passiviteit in de Westerse landen. Zij redeneren als volgt. De politieke ideologie fungeerde vroeger als een soort passepartout, waarmee een individu de politieke gebeurtenissen voor zichzelf inzichtelijk kon maken. Zij kon door de kracht van het simplifiëren in de plaats treden van de - meestal onbereikbare - precieze kennis der politieke dossiers, want ‘le caractère systématique des idéologies donne une grande cohérence à l'interprétation de la vie politique, ce qui n'est pas le cas pour la masse d'informations à “l'état brut” livrées au citoyen.’1 De huidige evolutie zou nu juist inhouden dat ideologische beginselen nog weinig houvast bieden, noch voor de politicus bij het omschrijven van de beleidsopties, noch voor de kiezers bij de beoordeling van het beleid. Zo ontstaat een ‘ideologisch vacuum’, waarvan de gevolgen door H. Daalder worden beschreven: een minder hechte band tussen leiders en geregeerden en een argwanende onverschilligheid of hoogstens tijdelijke interesse van de kiezer2.
Laten wij deze discussie nu meer in detail bekijken. Zij is tot op heden in verwarde en verwarrende omstandigheden gevoerd. Meestal,
zo schrijft A. Lijphart, ‘... wordt met ideologieën voornamelijk de ideologieën van links en rechts - Marxisme en laissez-faire - bedoeld...’3, maar soms ook wordt gesteld dat ‘elke’ vorm van ideologische aanspraak in het politieke leven kracht en appèl aan het verliezen is. Het gaat wel degelijk om twee verschillende interpretaties waarvoor uiteenlopende argumenten worden ingebracht.
Nemen wij eerst de tweede interpretatie. Zij is onder meer door G. Védel aan de orde gesteld. Deze auteur laat zijn redenering aanvangen bij de vraag ‘... la culture contemporaine ne serait-elle pas en voie d'évacuer la catégorie du politique?’4 Hij mikt met deze vraag op de tekenen van een kwalitatieve uitholling van het politieke (‘la perte d'une substance’) in een aantal hoogontwikkelde landen. Voor hem is het eigene van de politiek - naast het ontwikkelen van een synthese-activiteit - de aanwezigheid in het kiezerskorps van een globale visie op de collectieve beslissingen die te nemen zijn, en van een waardenschaal die een beoordeling van de inhoud van deze globale visie toelaat; kortom, er moet sprake zijn van een ideologische benadering van de collectieve problemen. Védel constateert dat een aantal culturele aspecten van de Westerse samenleving op het eerste gezicht gekenmerkt worden door een onverenigbaarheid met dergelijke globale interpretaties van de maatschappelijke problemen. Vroeger, zo schrijft hij, was het de gewoonte ‘... à aller du politique au technique, du global au concret. La position politique était une sorte d'axiomatique de laquelle les solutions aux questions particulières se déduisaient comme des théorèmes: selon qu'on était de droite ou de gauche, on adoptait de façon quasi-nécessaire telle attitude sur l'école, sur le désarmement, sur l'enseignement du latin ou sur la peine de mort’5. Dit is niet meer zo. De globaliserende approach van de politieke partijen is het, die aangevochten wordt. Men wil vele problemen stuk voor stuk aangepakt zien vanuit een telkens aangepaste deskundigheid6. Niet alleen G. Védel heeft gewezen op de snel afnemende politieke relevantie van alle globaliserende visies op de maatschappelijke vraagstukken. Men kan die vaststelling ook aantreffen in de
geschriften van de Nederlandse politoloog H. Daalder, onder meer waar hij schrijft: ‘Stijgende maatschappelijke complexiteit en groeiende politieke druk voor collectieve voorzieningen versterken de omvang, de ingewikkeldheid en de gespecialiseerdheid van het staatsingrijpen’ en geven aldus aan een pure ideologische reflex nog weinig houvast7.
Maar ook voor H. Daalder vervagen in de eerste plaats vooral de ideologische tegenstellingen, die sinds de 19e eeuw de politieke conflicten hebben gevoed: ‘Het veilig stellen van posities, wederzijdse gewenning en groeiende verdraagzaamheid, alsmede seculariserende tendenties hebben de scherpe kanten van de religieuze controversen afgesleten. Doorgezette industrialisatie, een groeiende maatschappelijke geleding, en stijgende welvaart, hebben de klassentegenstellingen minder simplistisch en minder bitter gemaakt...’8 In eigen land heeft M. Chaumont als zijn mening naar voren gebracht dat de oorzaak van het verval van sommige ideologieën te vinden is in een aantal fundamentele veranderingen in structuur en werking van de industriële maatschappij: ‘... nos sociétés industrielles sont moins économiques, c'est-à-dire moins exclusivement structurées en fonction des statuts économiques que les sociétés en voie d'industrialisation, celles du 19e et du début du 20e siècle’. Het sociale bestaan van de burger wordt aldus minder en minder geconditioneerd en gedomineerd door zijn economische positie. Een correlarium hiervan is de voortschrijdende differentiatie in de sociale rollen, die een ware deglobalisatie van het sociaal bewustzijn tot gevolg heeft. De consequenties voor de werfkracht van sommige ideologieën blijven niet uit: ‘Comme les idéologies les plus puissantes se rapportent à la condition socio-économique, qui devient une condition parmi d'autres, elles n'englobent plus la totalité de la personne sociale...’9 De klassesolidariteit, die in haar allesomvattende werfkracht wellicht het belangrijkste steunpunt was voor het mobiliseren van de staatsburgers, verdwijnt. Meteen manifesteert zich ook ‘... une démobilisation partielle du citoyen’10.
Waar is deze mutatie in het politieke leven waarneembaar? Het meest opvallend - zeggen sommigen - is het feit dat de politieke partijen veel moeite moeten doen om, bijvoorbeeld bij het naderen van de verkiezingen, aan te tonen dat hun visie op de maatschappelijke problemen grondig afwijkt van die van hun opponenten. In feite gaan in de meeste Westerse landen de partijen uit van erg verwante visies op de toekomstige welvaartsmaatschappij11. Himmelstrand meent dat de aftakeling der ideologieën zich nog op een andere wijze kan manifesteren. Allereerst kan hij zich niet van de indruk ontdoen dat in de inhoud van manifesten en programma's nog wel ideologische tegenstellingen te voorschijn komen, maar dat ‘... there may be much less dissensus on the level of specific political decisions. This might indicate that ideology has little influence over practical politics’. Hij is er trouwens ook van overtuigd dat het aantal expliciete verwijzingen in de politieke arena naar waarden en symbolen, die in de traditionele politieke ideologieën een ereplaats bekleden, steeds geringer wordt. In de plaats daarvan komen de politici meer en meer voor de dag met argumenten van puur technische en feitelijke aard12.
Wat is er in de plaats gekomen? Volgens A. Potter kan in de bevolking een ‘basic consensus of opinion that discourages proposals for structural change’ worden aangetroffen13. Met deze fundamentele consensus als achtergrond ontstaan er evenwel voor elk concreet politiek probleem tijdelijke tegenstellingen met even tijdelijke concurrerende groepen, waarvan de samenstelling de vroegere klassen- en religieuze opposities totaal overschrijdt. Uiteindelijk, zo vat Lijphart de argumenten met betrekking tot de eerste interpretatie van het desideologiseringsproces samen, zou de ‘end of ideology’ dan betekenen ‘... de convergentie van ideologieën, de groei van een ideologische consensus, of (nog een stapje verder) de opkomst van een nieuwe, algemeen aanvaarde ideologie’. Wat hem in deze gedachtengang nogal dubieus lijkt is ‘... de veronderstelling, dat deze nieuwe ideologie, die de synthese is van de verouderde antithetische ideologieën, het einde
van de ideologische dialectiek zou zijn’14. In deze twijfel gaat hij aanleunen bij R. Dahl, die in ‘Political Oppositions in Western Democracies’ de verschillende aanzetten schetst tot ‘hergroepering’ van verspreide visies op de maatschappelijke problemen rond wat de ‘ideologische kernen’ van morgen zouden kunnen zijn15. R. Dahl ziet een drietal aanzetten. Vooreerst is er de kans dat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat zal leiden tot een aantal gelijkheidsideologieën, die, zoals A. Lijphart schrijft, met elkaar in conflict zullen komen met als inzet de verdeling van de welvaart16. Er is ook de mogelijkheid dat de internationale problemen, de vragen van oorlog en vrede, van armoede en ontwikkeling, aan de basis zullen liggen van nieuwe ideologievorming in de landen van het Westen. Tenslotte stipt Dahl aan dat de evolutie van de democratie in de richting van een ‘New Leviathan’17 een sterke, ideologisch-gevoede oppositie zal oproepen18.
G. Védel heeft trouwens wel oog gehad voor de mogelijkheid dat de huidige versplintering van de ideologieën op de voet gevolgd wordt door de neiging tot ‘réglobalisation’ der problemen en oplossingen. Alleen zal in vergelijking met vroeger de weg in de toekomst in omgekeerde zin worden afgelegd: van het concrete of het specifieke naar het globale. Hij besluit: ‘Partir du politique, c'est-à-dire du global, ou y remonter, ce n'est sans doute pas la même chose et la mutation est de taille (...) L'“évacuation” de la catégorie du politique que l'on envisageait plus haut n'est point définitive. Chassée par la porte, la politique revient par la fenêtre...’19
Dat er van de huidige evolutie der ideologieën een invloed uitgaat op het politiek optreden van de staatsburger, is zo goed als zeker. Men
weet echter te weinig over deze evolutie om met zekerheid te kunnen zeggen in hoeverre de politieke passiviteit erdoor veroorzaakt is.
2. Men vindt in de politiek-sociologische literatuur ook nogal wat descripties van het zg. proces van verzakelijking van het politieke leven20. Ze kunnen als volgt worden samengevat. In het politieke leven treden technische overwegingen meer en meer op de voorgrond. Daartoe gedwongen door de toenemende complexiteit van de maatschappelijke problemen die in de handen van de overheidsinstanties worden gelegd, grijpen de beleidsverantwoordelijken meer en meer naar een puur instrumentele behandeling der politieke vraagstukken. Deze ontwikkeling was reeds ingezet vóór 1940, vooral met het oog op het opdrijven van de effectiviteit van het democratisch stelsel. Na de tweede wereldoorlog werden alle inspanningen gericht eerst op de wederopbouw van het economisch en sociaal potentieel, later op het tot stand brengen van ‘... een nieuw type welvarende en veilige samenleving, dat onder de naam van welfare state of verzorgingsstaat de geschiedenis zal ingaan’21. Het oogmerk is een stabiel, levenskrachtig en productief politiek systeem. De doelrationaliteit22 doet haar intrede in de verste uithoeken van de wereld van het politieke.
Deze verzakelijking heeft het gehele politieke bedrijf grondig gewijzigd. De vormen waarin het proces zich manifesteert, zijn zeer talrijk. In de literatuur ziet men de aandacht vooral gaan naar een drietal aspecten, waarvan algemeen vermoed wordt dat zij op zeer bijzondere wijze het gedrag van de burger beïnvloeden. Het betreft de toenemende activiteit van professionelen en experten, de reorganisatie in
bureaucratische zin van partijen en belangenverdedigende verenigingen en de nieuwe rol van de communicatiemedia.
De professionalisering in de politieke sector heeft vele gezichten. Zij houdt onder meer in dat de partijen, de belangenverdedigende organisaties en de overheid een beroep doen op experten en wetenschappelijke ambtenaren bij het formuleren en het oplossen van maatschappelijke problemen23. Maar ook de verkozen politici vertonen de neiging zich technisch te bekwamen in een of ander specifiek domein om te kunnen denken en ageren op het niveau van de in dienst genomen specialisten. Zo worden politieke beslissingen, die vroeger een activiteit van vele burgers eisten, nu verkregen in en door een routinematige inspanning van beroepskrachten24. Thoenes schetst deze situatie op boeiende wijze in ‘De elite in de verzorgingsstaat’ en stelt dat nu weinig of geen plaats meer is voor een democratische controle, waarin de burger een eersterangsrol zou kunnen spelen: deze controle is in vele gevallen nutteloos en vaak onmogelijk geworden25. Een deel van de machtsuitoefening onttrekt zich immers totaal aan de directe beïnvloeding door de kiezers, namelijk daar waar de publieke administratie door haar monopoliepositie in het verzamelen van kennis en technisch inzicht initiatiefnemend gaat optreden. Deze evolutie plaatst een domper op de activiteitsdrang en -mogelijkheden van de burger. Geconfronteerd met de complexiteit van het politieke beleid en met de competentie van zovele experten zal de burger - zo schrijft men - in het politieke veld een arbeidsverdeling accepteren waarbij hij de rol van passieve toeschouwer opneemt.
De vertechnisering van de politieke sector krijgt niet alleen vorm in het prioritair statuut van de experten, maar ook in de gestadige ombouw in bureaucratische zin van de politieke en sociale organisaties.
De schaalvergroting in hun beleidsopdrachten, de draagwijdte van de beslissingen die in de economische en sociale programmatie de krachtlijnen van de nabije toekomst vastleggen en nog andere verantwoordelijkheden meer hebben de politieke partijen gedwongen een structuur aan te nemen waarin - om het in nog te nuanceren termen te formuleren - de tussenkomst van de burger vaak gereduceerd wordt tot een bevestigingsritueel. In de mate dat zij betrokken worden in het geïnstitutionaliseerd overleg, nemen de belangenverdedigende organisaties (de vakbonden, dè mutualiteiten...) identieke structuurvormen aan.
Verzakelijking houdt professionalisering en bureaucratisering in, maar ook de rol van de communicatiemedia veranderde gelijktijdig. Het politiek beleid is een wijdvertakt actieveld geworden; dagelijks geeft het aanleiding tot tientallen berichten, die door pers, radio en televisie op de nieuwsmarkt worden gegooid. De informatie over de politieke gebeurtenissen wordt evenwel vaak en vrac gebracht en is niet meer geordend in ideologische Schablonen. De meeste dagbladen hebben onder druk van de evolutie in het communicatiewezen een depolitiseringskuur ondergaan. Volgens sommige sociologische waarnemers heeft deze ontwikkeling geleid tot een situatie waarin de lezerstaatsburger als het ware kapituleert voor de berichtgeving en uiteindelijk terecht komt in een soort politiek agnosticisme26.
3. In de literatuur zijn ook verwijzingen te vinden naar een derde macro-factor, die verantwoordelijk geacht kan worden voor de aanwezigheid van non-participatie in de politieke sector. Het betreft hier eigenlijk twee ontwikkelingen die zeer verwant zijn. Reeds in 1950 wees D. Riesman op het feit dat een groeiend aantal burgers de politiek en de staat benaderde vanuit een ‘consumer orientation’27. Volgens Riesman dient dit op rekening te worden geschoven van het amorf karakter van de Amerikaanse machtsstructuur. De burger is slechts zelden in staat het subtiele spel der politieke krachten te doorgronden en zou zijn interesse daarom louter naar de output van het
politiek bedrijf richten; het input-proces laat hij links liggen28. Voor anderen stelt de burger zich meer als consument van het politieke beleid op, omdat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat hem daartoe uitnodigt: ‘... la diffusion du welfare state fait passer dans la sphère des droits sociaux, ce qui dépendait autrefois de la faveur des puissants ou des organisations politiques’29. Deze neiging wordt volgens sommigen ondersteund door het proces van privatisering, dat een der meest opvallende produkten heet te zijn van de ‘mass society’30. M. Chaumont biedt de volgende omschrijving: ‘... le repli des individus sur leur milieu social très proche, repli qui s'accompagnerait (...) d'une redécouverte des grands thèmes de toute vie humaine: l'amour, le bonheur, la mort (...) La relative abondance de la société industrielle serait ainsi à l'origine d'une conscience de soi et des autres dominée par une problématique personnelle’31. Pers, radio en televisie zouden dit proces accentueren. Deze communicatiemedia hebben immers een cultuurpatroon geïntroduceerd waarin de nadruk valt op een stel privé-waarden (liefde, welvaart, geluk, jeugd...). In het mensbeeld, of beter in het gedragspatroon dat in deze cultuur gepropageerd wordt, is het politieke marginaal.
4. Tenslotte maken sommige auteurs allusie op het feit dat steeds meer aspecten van het nationaal beleid op beslissende wijze vorm krijgen in supra-nationale instellingen. Daalder merkt daarbij op: ‘Waar over leven en dood, zowel als over dagelijkse levensbehoeften, elders wordt beschikt, kan de kiezer moeilijk van mening zijn, dat zijn aandacht of inspanning veel ter zake doet.’32 Bovendien mag verwacht worden dat in een wereld, die zich in stand houdt dank zij een precair ‘evenwicht van de terreur’ en waarin de politiek zo grondig de levenskansen van eenieder determineert, de burgers tot het besluit komen dat het omwille van de gemoedsrust veel beter is zich er niet mee bezig te houden33.
5. Het eigene van de literatuur die tot nog toe onder punt A behandeld werd, is haar beschrijving van veranderingen in het politieke veld, die onomkeerbaar lijken. Meteen verschijnt de politieke passiviteit erin als een onafwendbaar verschijnsel dat de politieke stelsels in het Westen in hun toekomstige ontwikkeling blijvend zal vergezellen.
Elders wordt een andere toon aangeslagen. Men voert daar dan gegevens aan waaruit zou kunnen blijken dat de huidige evolutie doorkruist zal worden door nieuwe ontwikkelingen, die een neutraliserend effect zullen hebben op de actuele neiging tot non-participatie; men zou dus slechts kunnen spreken van een conjunctureel en niet van een structureel apolitisme. Kenmerkend voor deze geschriften is het gebruik van het anomiebegrip. Dit concept wordt soms in de praktijk van het sociologisch onderzoek aangebracht als een soort deus ex machina, waarvan een sterke verklarende kracht zou dienen uit te gaan. Nu valt het wel eens voor dat de aanwending van het anomiebegrip in feite neerkomt op een taxonomische ingreep: een te bestuderen verschijnsel wordt aangeduid met de term ‘anomie’ zonder dat een sociologische explicita tie volgt34. Dit euvel is ons inziens vermeden in de geschriften die nu ter sprake komen.
Voor P. Ter Hoeven dient de politieke apathie in verband te worden gebracht met de anomische situatie waarin een goed deel van het politieke stelsel terecht is gekomen. De non-participatie is het subjectieve correlarium van de politieke anomie: ‘Anomie treedt op, indien normen en waarden worden aanvaard, welke geen realistische maatstaven voor het handelen (meer) zijn (...) De normen en waarden zijn niet langer meer “seinsadäquat” (...) Hiervan zijn de kiezers niet onkundig. Er is onbehagen gegroeid over de machteloosheid van de kiezer. De anomie roept ontgoocheling op, tenslotte eindigend in het ontwijken van de politiek.’35
Hoe is de anomische situatie op het politieke vlak ontstaan? Er zijn een tweetal interpretaties voorhanden. Zij hebben wel het uitgangspunt gemeenschappelijk. Dit luidt als volgt. Door allerlei ontwikkelingen is het appeal van de democratische mythe in het laatste decennium erg toegenomen; de gedachte, dat elkeen op gelijkberechtiging
kan rekenen, ook op sociaal-economisch vlak, heeft hooggespannen verwachtingen gewekt ten aanzien van de democratie. Nu stelt men juist vast dat de evolutie van het politieke bedrijf het tegenwoordig (nog) niet toelaat de democratisering in de geesten te beantwoorden met een verdere democratisering van de instellingen.
Het is bij het meer in detail beschrijven van deze evolutie dat de interpretaties uiteenlopen.
Aan de ene kant legt men de nadruk op het falen van de politieke partijen. In landen als België en Nederland zijn de partijen ontstaan en tot ontwikkeling gekomen op het substraat van de tegenstellingen tussen de verschillende levensbeschouwelijke groepen en tussen arbeiders en bourgeoisie. Zolang de politieke problemen in hun harde kern gevoed werden door de spanningen tussen deze contrasterende subculturen bleken de partijen voor de burgers de optimale toegangsweg te zijn tot de beleidsinstanties. Maar heden ten dage hebben tal van maatschappelijke vraagstukken elke band met de vroegere spanningen verloren. De traditionele partijen spelen hierdoor een belangrijk stuk van hun politieke relevantie kwijt. De verwachtingen van de burgers kunnen aldus vaak door de partijen niet meer op bevredigende wijze worden beantwoord. Ook vele belangengroepen (zoals de syndicale organisaties in ons land en in Nederland) zijn geijkt naar het ideologische patroon van de partijen. Hun politiek optreden is dan ook zelden een adequaat alternatief. Ter Hoeven, door wie deze gedachtengang grotendeels werd geïnspireerd, heeft bovendien in zijn empirische onderzoekingen kunnen aantonen dat de intrede van nieuwe belangengroepen in de politieke arena door de obstructie van de monopoliehouders zeer belemmerd wordt. Vervangingsmechanismen komen aldus slechts traag op gang36. Voor vele staatsburgers, die geloof hebben gehecht aan de democratische mythe, is dit wellicht een frustrerende ervaring, die in de meeste gevallen het ontwijken van de politiek tot gevolg heeft37.
De tweede interpretatie beweegt zich op een ietwat breder vlak. Hier zal worden aangevoerd dat de anomische situatie ontspringt aan
het feit dat één aspect van de politieke ontwikkeling, de democratisering, fel achterop is geraakt in verhouding tot een tweede, namelijk de rationalisering38. Hoogerwerf neemt de Nederlandse toestand als voorbeeld. Hij constateert dat, na de invoering van het algemeen Stemrecht, geen noemenswaardige stappen in de richting van een verdere democratisering werden gezet. De rationalisering evenwel is in een snel tempo voortgezet: ‘Aanwijzigingen daarvoor zijn onder meer de groei van de overheidsuitgaven en de wetenschappelijke ondersteuning van het overheidsbeleid. Ook bij de politieke partijen ziet men verschijnselen van rationalisering. Men denkt minder dan voorheen in termen van beginselen, tradities en leiders en meer in termen van politieke doeleinden en middelen.’39 Zodra deze decalage door een gedeelte van het kiezerskorps wordt onderkend, ontstaat de kans dat er wijzingen optreden in het politieke gedrag van sommige staatsburgers. Hoogerwerf denkt hier op de eerste plaats aan de ‘... diverse vormen van politiek protest, variërend van het stemmen op kleine en nieuwe partijen tot demonstraties, hier en daar gepaard met enig geweld’40. Ter Hoeven van zijn kant vat zijn betoog samen in de stelling dat de politieke democratie geklemd is geraakt in een tangbeweging. De ene helft van de klem wordt gevormd door de ontwikkeling, die reeds vroeger ter sprake is gekomen onder de begrippen ‘verzakelijking’ en ‘rationalisering’. De auteur toont aan dat één bepaalde verschijningsvorm van deze evolutie in onze tijd snel aan belang wint, namelijk de dringende noodzaak het politiek beleid in zeer grote mate te laten steunen op lange-termijn-planning: ‘Er is dus nodig (...) een type van beleid dat voor een grote serie jaren de wensen en de eisen gaat vastleggen. Daardoor krijgen die een bindend karakter, zodat andere sectoren in de samenleving hiermede ook rekening kunnen houden.’41 Een reorganisatie van de politieke besluitvorming met als doel een
meerjarige planning te ontwerpen en uit te voeren houdt onder meer in dat de genomen opties worden afgeschermd tegen al te bruuske wijzigingen in de voorkeuren van de kiezers en de belangengroepen. Men kan zich goed voorstellen dat ook hier maatregelen zullen worden genomen, die de traditionele vormen van democratische controle enigszins ontkrachten. Aan de andere kant is er de reeds geconstateerde groei van de democratische verwachtingen; dit is dan de andere helft van de klem ‘... dat de eisen tot inspraak van de bevolking steeds verder toenemen en veelal betrekking hebben op een relatief korte duur. Men kan dus een tegenstrijdige tendentie constateren. Vanuit de problemen gedacht is vier jaar veel te kort, vanuit de staatsburgers gedacht is vier jaar veel te lang’42. In de mate dat aan de tweede beweging minder tegemoet wordt gekomen dan aan de eerste ontstaat weer de kans dat een gedeelte van de burgers zich noodgedwongen van de politiek afkeert.
De vraag kan gesteld worden of de net behandelde hypothesen wel degelijk afwijken van de proposities waarin de politieke non-participatie als iets onafwendbaars verschijnt. Er zijn, ons inziens, meerdere punten van verschil. Het belangrijkste evenwel heeft betrekking op het feit dat auteurs als Ter Hoeven en Hoogerwerf de zekerheid uitspreken dat de anomische situatie maar tijdelijk is, omdat ook in het verleden identieke toestanden zó werden omgebouwd tot een nieuw evenwicht tussen de processen van rationalisering en democratisering was bereikt. Hoogerwerf schrijft: ‘De vraag mag langzamerhand wel eens gesteld worden of men zich van de relatie tussen rationalisering en democratisering niet een onjuiste voorstelling heeft gevormd als gevolg van een te beperkt tijdsperspectief. Perioden van rationalisering en democratisering lijken elkaar af te wisselen... (...) Op langere termijn gezien, kan men in vele politieke stelsels zowel een voortschrijdende democratisering als een groeiende rationalisering opmerken.’43 Eenzelfde correctiemogelijkheid wordt ook door Ter Hoeven in het voo