De wereld, zoals wij die kennen, loopt vast. De gegevens van dit moment zijn al onaanvaardbaar: meer dan 700.000 werklozen, blijvende stagnering van de investeringen.
De regering voelt zich gedwongen stap voor stap het bouwwerk van de sociale zekerheid ‘af te slanken’. Internationaal is er de bewapeningswedloop, die eigenlijk alleen maar mis kan lopen en die geld, arbeid, kapitaal en grondstoffen vastlegt voor op zijn best nutteloze apparatuur.
De ruimte om beleid te voeren is voor een klein land kleiner dan ooit. Elk Nederlands beleid dreigt zichzelf te reduceren tot aanpassing van onze nationale gegevens aan de internationale feiten. De poging tot schaalvergroting om daarmee vat op de ontwikkeling te krijgen, de Europese Gemeenschap, loopt dood op de onwil van de deelnemende landen om het avontuur van bovennationale beslissingen aan te gaan.
Zo ziet het kader eruit waarin wij nadenken over arbeid. Nadenken over arbeid schijnt te nopen tot pessimisme. De tijd van de vanzelfsprekende volledige werkgelegenheid is voorbij. De meeste westerse landen hebben werkloosheidspercentages van rond de 10 en niemand weet op welk niveau het dal van de depressie zal liggen. Er is niet alleen geen consensus over een weg uit de depressie, maar de visies lopen méér uiteen dan ooit. Hoe staat het eigenlijk met de kansen op herstel van de volledige werkgelegenheid?
Sinds de Tweede Wereldoorlog is volledige werkgelegenheid door de geïndustrialiseerde landen als politieke doelstelling ge-
accepteerd. De politieke doelstelling was na de misère van de jaren dertig noodzakelijk. Zij was ook realistisch, gegeven de Keynesiaanse revolutie in het economisch denken.
In de oorlog ontwikkelde William Beveridge zijn gedachten in Groot-Brittannië. In de Verenigde Staten schreef Alvin Hansen het rapport: ‘After the war full employment’. Het Britse White Paper on Employment Policy, gepubliceerd in mei 1944, was de eerste formele aanvaarding door een natie van de fundamentele doelstelling om een hoge en stabiele graad van werkgelegenheid te handhaven. De Zweedse sociaal-democraten hadden de doelstelling van volledige werkgelegenheid al eerder aanvaard. De Amerikaanse ‘Employment Act’ van 1946 (‘An Act to declare a national policy in employment, production and purchasing power, and for other purposes’), legde evenzeer getui genis af van het vaste voornemen van de Amerikaanse regering om te zorgen voor een ‘condition under which there will be affluent useful employment opportunities, including self-employment, for those able, willing and seeking to work and promote maximum employment, production and purchasing power’.
Er was een grote mate van consensus ontstaan tijdens de Tweede Wereldoorlog dat volledige werkgelegenheid de grote opgave was voor de westerse democratieën van na de oorlog en dat het een haalbare doelstelling was. In zekere zin functioneerde de oorlog als een laboratorium om de nieuwe theorieën van economisch bestuur uit te testen.
In het streven naar werkgelegenheid konden zowel het streven naar voortdurende materiële vooruitgang als het beleven van het arbeidsethos dat inherent was aan het industriële kapitalisme, worden gerealiseerd. De Keynesiaanse methodiek om beide, arbeidsethos en economische vooruitgang, te realiseren verzoende bovendien het verlangen naar een actieve overheid met het vertrouwen in de mogelijkheden van de ondernemingsgewijze produktie. Zodoende kon het streven naar volledige werkgelegenheid de basis worden voor een historisch compromis tussen de grote politieke stromingen in ons land. Wisselende coalities van christen-democraten, sociaal-democraten en liberalen bouwden aan de verzorgingsstaat, waarin de gedachten van Beveridge en Keynes vorm kregen.
De politieke bereidheid om volledige werkgelegenheid te realiseren was aanwezig, de economische kennis en het instrumentarium om dit te doen was evenzeer beschikbaar. Vijfentwintig jaar economische groei en - in de meeste landen - volledige werkgelegenheid schenen dit te bevestigen. Het probleem scheen fundamenteel opgelost. Misschien mag men zeggen dat het deze opvatting was, die een belangrijke rol speelde bij de uitbouw van onze verzorgingsstaat: uitkeringen mochten best hoog zijn, want de niet-actieven vormden slechts een kleine minderheid van de bevolking.
Het probleem scheen fundamenteel opgelost. Van die opvatting moeten wij terugkomen. Sinds het midden van de jaren zestig is de groei van de werkgelegenheid in de industrie afgenomen en na 1973 zette de afbrokkeling in. Tot 1979 was er een eerst volledige, maar later gedeeltelijke compensatie van de stagnerende industriële werkgelegenheid door de groei van de publieke en vooral de kwartaire sector. Daarna zette de groei van de werkloosheid (in Nederland relatief sterk) in. De snelst groeiende beroepsbevolking van West-Europa wordt geconfronteerd met afnemende werkgelegenheid. Thans is het werkloosheidspercentage van 10 al overschreden. Voorspellingen van een afname van de werkloosheid zijn beduidend schaarser dan die van verdere groei. De vraag rijst of volledige werkgelegenheid in de toekomst nog haalbaar moet worden geacht.
Er is een relatie tussen de groeivoet van de economie en de mate waarin volledige werkgelegenheid kan worden gerealiseerd. Men kan zich ook een alternatief groeimodel voorstellen, in de richting van meer arbeidsintensieve produktie, waarin ook bij tragere groei volledige werkgelegenheid kan worden gerealiseerd. De kansen op een herstel van de hoge tot zeer hoge groeipercentages van de jaren zestig mogen voorshands niet hoog worden aangeslagen. Noch de WRR-rapporten noch het Interfutures-rapport van de oeso geven veel hoop.1,2
Het Interfutures-rapport acht herstel van de groeipercentages in de orde van grootte van 5 procent per jaar voor de periode tussen nu en het einde van de eeuw vrijwel onmogelijk. Het rapport ziet sociale remmen op de groei: institutionele sclerose, veranderende waardepatronen en een geringer vermogen van re-
geringen om hun politiek te coördineren. Zonder een wezenlijke verandering in regeringsbeleid in Noord en Zuid ziet men de huidige trage of matige groei voortduren met blijvende structurele werkloosheid in de komende vijftien jaar. Het rapport waarschuwt met nadruk tegen zo'n scenario en voorspelt sociale en politieke problemen zowel in de rijke landen (toch al in de problemen vanwege de verouderende bevolking) als in de arme landen waar de absolute armoede voortwoekert.
Ook het wrr-rapport, ‘De komende vijfentwintig jaar’, laat weinig hoop blijken op een snellere groei en volledige werkgelegenheid in Nederland. In de WRR-scenario's komt ook de vraag aan de orde of een snellere economische groei wel mogelijk is en gewenst.
Over de fysieke mogelijkheden is het Interfutures-rapport niet zo somber. Noch de beschikbaarheid van grondstoffen, noch de verdere belasting van het milieu ziet men als echte hinderpalen. Wat betreft de grondstoffen ziet men mogelijkheden van substitutie in geval van groeiende schaarste. En wat betreft het milieu ziet men technieken, die bij produktiegroei het milieu ontzien. Maar - en op dat punt valt Interfutures de wrr bij - in sommige dichtbevolkte delen van de wereld zal dit niet opgaan en zullen kostbare infrastructurele maatregelen nodig zijn. Bovendien mag men aannemen, dat de grotere gevoeligheid van de bevolking voor het milieu een zelfstandige rol zal spelen die leidt tot beperking van de mogelijkheden voor economische groei.
Daarbij komt natuurlijk, dat sinds de jaren zestig nieuwe ‘post-materialistische’ waarden een rol zijn gaan spelen in de samenleving; waarden die niet zo bevorderlijk zijn voor economische groei. Voor groepen in de rijke landen is de relatieve belangrijkheid van economische inspanning en van arbeid gedaald ten opzichte van zaken als de zorg voor een schone omgeving en meer idealistische doelstellingen (cultuur, geestelijke waarden, etcetera). Dit betekent, dat niet iedereen nog bereid is de prijs van economische groei te betalen.
Het Sociaal en Cultureel Rapport 1980 releveert dat in Nederland tussen 1966 en 1975 inderdaad een dergelijke verschuiving in het denken van de mensen plaatsvond. Veel vrije tijd werd
in 1966 nog door 43,8 procent het minst belangrijk gevonden, in 1975 was dat gedaald tot 24,8 procent. In 1975 oordeelde 86 procent der ondervraagden dat zij hun gezin belangrijker vonden dan hun werk. Levenssferen, zegt het scp, die meer direct op de eigen persoon betrekking hebben, vindt men belangrijker dan arbeid.3 In Amerika wijst Etzioni op een soortgelijke ontwikkeling.4 Hij ziet noch politieke, noch economische vernieuwing zolang deze trend aanhoudt. Mensen die al te zeer bezig zijn met het eigen innerlijk en geen interesse hebben voor de materiële waarden, zijn niet de lieden die ons aan herindustrialisatie zullen helpen. Het lijkt verstandig er voorshands van uit te gaan, dat in de komende (afzienbare) periode gerekend moet worden met wat tragere economische groei.
Verandert inmiddels de relatie tussen groei en werkgelegenheid niet door de nieuwe technologie? De Raad voor de Arbeidsmarkt (rva) kwam tot een cijfer van 95.000 weg te mechaniseren banen in de komende acht jaar. De Nationale Software Vereniging (nsv) schrijft in een reactie hierop, dat tot 1990 zeker 200.000 banen weggeautomatiseerd zullen worden. Het rva-on- derzoek zou onvoldoende aandacht hebben besteed aan de gevolgen van administratieve automatisering bij de overheid. In de ogen van de nsv wordt de potentiële groei van werkgelegenheid in de computerindustrie sterk overschat. Automatiseren is nu eenmaal arbeidsplaatsen uitschakelen.5
Het aardige is natuurlijk dat de nsv een bedrijfstak vertegenwoordigt, die er zo'n vijftien à twintig jaar geleden nog niet was. De computer soft-ware industrie is het voorbeeld van werkgelegenheid die er pas kon komen toen de ‘hard-ware’ de behoefte eraan opriep. Het lijkt nog niet helemaal uitgesloten dat de automatiseringsdeskundigen, omdat ze midden in de ontwikkeling zitten, de ontwikkeling overschatten. Per definitie werken zij niet in sectoren die niet of moeilijk te automatiseren zijn. Toch moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat er bij groeiherstel sprake zal zijn van ‘job-losing growth’, een
groeimodel waarbij economische groei gepaard gaat met afnemende werkgelegenheid. Dit geldt dan zowel voor de industrie als voor grote delen van de dienstensector.
Dit hoeft echter niet te gelden voor de hele economie. Fourastié voorspelde al in 1950 een ontwikkeling waarbij de hoge produktiviteit van de produktie van goederen zou leiden tot een verminderende werkgelegenheid in die sector.6 Maar het effect daarvan zou worden opgevangen door de groeiende dienstensectoren. Lengellé werkte deze gedachtengang uit, maar hij constateerde dat een deel van de dienstensector net zo gevoelig is als de industrie voor mechanisering en uiteindelijk automatisering.7 Hij spreekt van een ‘restsector met trage produktiviteitsgroei’, die de werkgelegenheid zou brengen voor degenen die door de toepassing der technologie overtollig dreigen te worden. Sindsdien is er een ontwikkeling in het denken over deze trend te constateren. Fourastié is zich gaan realiseren dat de opmars van automatisering en robotisering ertoe kan leiden, dat er domweg onvoldoende werk zal zijn voor de mensen in de actieve leeftijdsgroepen, tenzij ieder mens minder uren per jaar en minder jaren in een leven werkt.8 Hij kwam zodoende tot zijn ‘veertigduizend uren’.
De veronderstelling, dat de dienstensector ruimte zou gaan bieden voor al die aantallen mensen waarvoor elders geen produktieve plaats meer is, is ook aangevochten door schrijvers die een heel andere ontwikkeling waarnemen. Zij wijzen erop, dat de hoge loonkosten, belastingen en distributiekosten ertoe leiden, dat de (gezins)huishoudingen de produktie van met name diensten zelf ter hand nemen. Naarmate de produktiviteit en dus de welvaart stijgt, moet een groter deel van de groeiende vrije tijd worden gebruikt om zichzelf de diensten te verschaffen, die vroeger ambachtsman of professionele dienstverlening verzorgden. Het gevolg zou zijn, dat het volume gevraagde betaalde arbeid afneemt, maar dat tegelijkertijd het volume aan onbetaalde arbeid groeit.9 Onder die onbetaalde arbeid valt dan uiteraard ook het vervullen van functies in maatschappelijke en politieke organisaties (vakverenigingen, politieke partijen, actiegroepen enzovoort). Het lijkt mij echter overdreven om ervan uit te gaan, dat deze onbetaalde arbeid de hele winst aan vrije tijd te niet zou doen, zoals sommigen menen.10
In de jaren na 1963, toen de werkgelegenheid in de industriële sector al was opgehouden met groeien, bleek met name de kwartaire sector nog in staat te zijn het grootste deel van de nettoaanwas van de beroepsbevolking op te nemen. Er zijn nu eenmaal veel onderdelen van deze sector waar het gaat om persoonlijke diensten, om persoonlijke zorg die onvervangbaar is. Na 1979, toen de financiële crisis zich liet voelen, was deze ontwikkeling niet meer mogelijk. Bij zeer trage groei ontbreken de financiën om de kwartaire sector in voldoende mate te laten groeien om én maatschappelijke behoeften te bevredigen én mensen aan zinvol en kwalitatief hoogwaardige arbeid te helpen. Niet de snelle ‘job-losing growth’ bedreigt ons, maar de trage groei met hetzelfde effect.
Het lijkt relevant en nuttig om na te denken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van werkgelegenheid bij trage economische groei. Gedurende de jaren zestig was de wenselijkheid van vertraging van de economische groei en zelfs het realiseren van nul-groei een belangrijk thema in de economische, maar nog meer in de politieke discussie. Zowel met het oog op de gevolgen voor het sociale klimaat, de ecologie, de grondstoffen- en energiesituatie als in verband met de relatie tot de arme landen vonden enkelen een keuze voor nul-groei te adviseren.
Bij mijn weten heeft geen regering tot nu toe vrijwillig gekozen voor een nul-groei scenario; de lage groeicijfers (en in een aantal gevallen zelfs nul-groei of negatieve groei) worden door de nood der omstandigheden opgelegd aan de economieën en de regeringen. In de praktijk leerden zij hoezeer onze economische en sociale instituties, zoals ze in de na-oorlogse periode ontwikkeld zijn, georiënteerd zijn op en afhankelijk zijn van snelle economische groei. Voor de hele samenleving is het moeilijk te wennen aan de beperkingen die een traag groeiende economie aan de samenleving oplegt. Bezuiniging op alle terreinen van overheidszorg blijkt onontkoombaar. Matiging van de inkomensontwikkeling is uiterst wenselijk. Beide lopen uit op moei-
lijke en pijnlijke ingrepen. Nog pijnlijker is de bij stagnerende groei onmiddellijk oplopende werkloosheid. Trage groei vertaalt zich onmiddellijk in stagnatie van de ontwikkeling in de werkgelegenheid. Gegeven het (nog) snel groeiend aantal actieven leidt dit tot een toenemende werkloosheid.
Uiteraard is de werkgelegenheidsontwikkeling afhankelijk van de ontwikkeling van (1) de totale produktie en (2) de produktiviteit per hoofd.
Er is een relatie tussen de jaarlijkse groei van de totale produktie en de groei van de produktie per hoofd (produktiviteit). Groei van de produktie gaat gepaard met een hogere bezettingsgraad van het produktieapparaat en dus groeiende produktiviteit. Bovendien gaat groeiende produktie gepaard met nieuwe investeringen, gebruik makend van nieuwere technologie en - dus ook weer - groeiende produktiviteit. Een oeso-studie kwam tot de conclusie, dat de conjunctuur tussen een derde en twee derde van de daling van de produktiviteit tussen 1974 en 1978 kan verklaren.11 Toch blijft er zodoende volgens een ilo-studie een onverklaarde rest, een soort trendfactor die dalende produktiviteit inhoudt.12 Wellicht speelt de groeiende betekenis van de dienstensector daarbij een rol.
Er is een betrekkelijk simpele relatie tussen produktiegroei en werkgelegenheid: minder groei leidt tot meer werkloosheid. De cijfers in de tabel zijn duidelijk:
| 1960-'63 | 1973-'80 | 1980-'81 | |
|---|---|---|---|
| groei in procenten per jaar | |||
| Bruto nationaal produkt (volume) | 5 | 2,5 | 0,5 |
| Werkgelegenheid | 1,1 | 0,8 | 0,5 |
| Bruto nationaal produkt (prijzen) | 4 | 9,5 | 7,5-8 |
| niveau laatste jaar | |||
| Werkloosheid | 3 | 6 | 7,5 |
De cijfers laten niet alleen maar het verband zien tussen groei bnp en werkgelegenheid, maar laten evenzeer vermoeden hoeveel de werkloosheid zou zijn gestegen als de produktiviteit niet zou zijn gedaald. Hoe hard is de relatie tussen economische groei en werkgelegenheidsgroei? Is het mogelijk een groeimodel te ontwikkelen, waarbij er ook bij trage groei volledige werkgelegenheid zou zijn? Met andere woorden: is het mogelijk om de arbeidsintensiteit van de produktie te vergroten? Immers, óf wij zien kans de economische groei te herstellen als middel om weer volledige werkgelegenheid te bereiken; dit wordt nagestreefd in het huidige regeringsbeleid (ruimte scheppen voor de marktsector door bezuiniging en loonmatiging), in het model-Schouten en andere varianten. óf wij moeten ons neerleggen bij een lager groeiscenario. In dat geval zijn er twee alternatieven:
| 1 | bij gelijke arbeidsintensiteit van de produktie werken aan verdeling van de beschikbare arbeid en |
| 2 | verhogen van de arbeidsintensiteit van de produktie. |
Er is een langere-termijntrend naar arbeidstijdverkorting. Bij de trendmatige verhoging van de produktiviteit kan men kiezen voor het gedeeltelijk gebruik daarvan voor verkorting van de arbeidsduur in plaats van voor reële inkomensverbetering. Bij trage groei of stagnatie impliceert dit dat verlaging van de reële loonkosten nodig is, om te voorkomen dat arbeidstijdverkorting via stijgende loonkosten slechts leidt tot (op zijn mooist) handhaving van dezelfde werkgelegenheid.
Bij substantiële arbeidstijdverkorting is een nogal rigoureuze loonbeheersing noodzakelijk. Een centrale overeenkomst over meerdere jaren zou dan wenselijk zijn. Daar staat weer tegenover dat de mogelijkheden voor en effecten van arbeidstijdverkorting van onderneming tot onderneming en van bedrijfstak tot bedrijfstak verschillen. Een sterk gedecentraliseerde aanpak lijkt daarom gewenst. Bij verregaande vormen van arbeidstijdverkorting lijft het probleem liggen van de mensen met de laag-
ste inkomens, vooral als zij de enige kostwinner in het gezin zijn. Maatregelen om de laagstbetaalden te ontzien zijn kostbaar en werken weer in de richting van meer nivellering. Bij de bijna algemene consensus over de ongewenstheid van verdergaande nivellering aan de voet, lijkt dat niet voor de hand te liggen. Meer individueel gerichte maatregelen tot verdeling van de arbeid zoals deeltijdarbeid en betaald educatief verlof hebben dit nadeel niet. Zij passen ook (dat geldt met name voor deeltijdarbeid) in een arbeidsmarkt met meer flexibiliteit.
Een bezwaar van alle vormen van verdeling van de arbeid is, dat de basisproblematiek van de recessie niet wordt aangevat: de structurele onevenwichtigheden in de wereldeconomie. Daarbij komt dan nog de moeilijke omkeerbaarheid van de herverdeling van de arbeid bij economisch herstel.
Men kan zich overigens terecht afvragen of de tijd voor een anders gestructureerde arbeidsmarkt dan de onze niet dichterbij komt. De industriële maatschappij werd onder meer gekenmerkt door de opkomst van de nieuwe maatschappelijke groepering van de arbeiders. Die mensen namen aanvankelijk, als nieuwe groepering zonder macht, een positie van volkomen machteloosheid in. Eén van de aspecten daarbij was de arbeidstijd. In de pre-industriële samenleving was de arbeidstijd in de landbouw een natuurlijk gegeven met afwisseling van zomer en winter. In het ambacht waren strenge gildenregels, getemperd door de vele heiligendagen. De industriële samenleving had geen tijd voor zoveel heiligen, de industrie moest draaien zolang dat mogelijk was, zonder de beperkingen van licht en donker of gildenvoorschriften. De vakbeweging bevocht de in de cao vastgelegde gestandaardiseerde arbeidstijd, met de achturige werkdag als lang gekoesterd ideaal.
Nu komen er meer en meer functies, waarbij de gestandaardiseerde arbeidstijden zin verliezen, doordat de arbeidstijd diffuus wordt of moeilijk te begrenzen (journalistiek, wetenschappelijke arbeid, de beschikbaarheid in geval van nood bij een geautomatiseerd proces). De hele problematiek van de bescherming komt anders te liggen, wanneer er enerzijds wettelijke maxima zijn voorgeschreven en anderzijds velen minder dan de gestandaardiseerde acht uren of op andere dan de normale arbeidstijden
werken. Er is een arbeidsmarkt in ontwikkeling die een grote variatie in regelingen kent: arbeidscontracten die geen voorgeschreven uren kennen, maar die beschikbaarheid voorschrijven of taken; contracten met deeltijd in vele variaties en dergelijke. Zo'n arbeidsmarkt zou vermindering of vermeerdering van de vraag naar arbeid gemakkelijker kunnen opvangen dan de huidige, waar nog overwegend de gestandaardiseerde arbeidstijden gelden.
Naarmate het voorkomen van méér verdieners per gezin of samenlevingsverband normaal wordt, is een bescherming van de arbeidstijd in neerwaartse richting overbodig. Deeltijd en tijdelijke arbeid zijn de eerste symptomen van een veel meer gevarieerde en ook veel flexibeler arbeidsmarkt dan de huidige.
Sinds de publikatie van het eerste rapport van de Club van Rome is er een discussie over de mogelijkheid en wenselijkheid van een produktie die niet alleen het milieu ontziet en zuinig is met grondstoffen en energie, maar ook meer arbeidsintensief is. Er is een zekere relatie tussen arbeidsintensiteit en energie-inten- siteit: meer energieverbruik, minder arbeid en omgekeerd.14 De hogere energiekosten kunnen daarom leiden tot een meer arbeidsintensieve produktie. De mate waarin dit het geval is, hangt uiteraard af van de hoogte van de lonen. Voorshands heeft de schokmatige verhoging van de energieprijzen in 1973 en 1979 vooral de economische activiteit verminderd en een depressie op gang gebracht.
Is het mogelijk en - vooral - wenselijk om de arbeidsintensiteit van de produktie door daarop gerichte maatregelen te vergroten? Een verlaging van de kapitaalintensiteit zou ingaan tegen de trend van de ontwikkeling van de laatste honderdvijftig jaar. Het Nederlandse loonbeleid dat er in de na-oorlogse periode en vooral na 1963 op gericht was om de inkomensverhoudingen te nivelleren ‘van onderop’ via een relatief hoog minimumloon, heeft uiteraard de tendentie tot kapitaalintensieve produktie versterkt.
Warren Johnson voert een krachtig pleidooi voor een ver-
minderende kapitaalintensiteit.15 Zijn redenering wordt ingegeven door de bekende zorgen over de niet-economische kosten van economische groei. Hij stelt dat wij gewend zijn geraakt aan een economie die is gekarakteriseerd door hoge reële lonenen lage prijzen voor energie en grondstoffen. Ons probleem is, naar zijn oordeel, dat we moeten wennen aan het omgekeerde, een situatie waarin reële lonen in verhouding tot prijzen van energie en grondstoffen moeten dalen. In zulke omstandigheden ziet hij mogelijkheden voor een (toch al door hem nodig geoordeelde) ontwikkeling naar een meer arbeidsintensieve produktie. Hij denkt net als de ‘blueprint for survival’ uit de jaren zestig aan een wereld met betrekkelijk kleine, overzichtelijke, zichzelf verzorgende, sober levende gemeenschappen. In zulke gemeenschappen wordt minder energie verspild, leven mensen weer onder minder spanning, is het milieu schoon en verdwijnt werkloosheid. ‘Werkloosheid,’ zegt hij, ‘volgt industrialisatie als een schaduw.’ (Een opmerking om over na te denken.)
In Johnsons ogen kan er, zonder een beleid zoals hij dat voorstelt, gemakkelijk een nieuwe dualistische economie ontstaan die wordt gekenmerkt door een uiterst produktieve industrie waar mensen werken bij hoge reële lonen. Daarnaast zijn er blijvend veel werklozen en is er een nooddruftige sector van kleinbedrijf en ambacht die voortdurend in de problemen is vanwege de te hoge lonen en de druk van belastingen en sociale premies omdat er zulke grote aantallen niet-actieven zijn.
Ik heb het gevoel dat Johnson een soort anti-utopie opbouwt om zijn utopie beter in stelling te brengen. Toch lijkt de huidige ontwikkeling, meer dan mij lief is, op zijn anti-utopie. Het aantal niet-actieven groeit in benauwende mate, er vindt een koude sanering plaats in de industrie en kleinere ondernemingen komen niet van de grond door loonkosten en hoge sociale lasten. Zijn dualistische economie heeft inderdaad veel te maken met de hoge reële lonen in de hoog-produktieve, internationaal georiënteerde industrie. Zo'n industrie kan zich hoge reële lonen permitteren; lonen die indien zij maatgevend worden voor de gehele economie, de ontwikkeling van zowel de midden- en kleinbedrijven als van de kwartaire sector frustreren. De hoge reële lonen en de grote sociale overhead van de welvaartsstaat
maken arbeidsintensieve diensten in handel, ambacht en kwartaire sector te duur. Dit betekent voor veel commerciële diensten dat zij uit de economie verdwijnen: mensen gaan het ‘zelf doen’ of het werk wordt gedaan door mensen die toch al een inkomen hebben (via een partner of een uitkering). De hoge kosten van de persoonlijke diensten drijven deze diensten naar het zwarte circuit.
Sinds in de jaren dertig Keynes de mogelijkheid om door loonsverlaging uit de depressie te komen, in twijfel trok vanuit het koopkracht- en (dus) afzetargument, is de argumentatie om door lagere lonen de depressie te overwinnen meer omstreden dan vroeger het geval was. Toch rijst de vraag of Johnson niet gelijk heeft in zoverre dat het de reële inkomenshoogte is, die het patroon van werkgelegenheid en van werken en niet-werken bepaalt. Magaziner en Reich verklaren de relatief sterke groei van de werkgelegenheid in de Verenigde Staten gedurende de laatste tien jaar uit het lage minimumloon aldaar.16 Ook Johnsons vrees is uit die stand van zaken te verklaren. In Nederland werkt het zogenaamde transfermechanisme, waardoor een verhoging van de lonen in een deel van de economie snel wordt gevolgd in andere delen van de economie; harder en completer dan in de Verenigde Staten, gegeven het relatief hoge en aan regelingslonen gekoppelde minimumloon.
Anders dan Johnson zou ik de ontwikkeling van een hoog ontwikkelde industriële sector niet willen ontmoedigen. Wél kan het goed zijn te voorkomen, dat wat mogelijk is in enkele zeer produktieve bedrijven op het gebied van de lonen, in alle bedrijfstakken en in de gehele economie wordt gevolgd. Men zou daarbij kunnen bedenken, dat in de agrarische samenleving de mogelijkheden voor de lonen in de landbouwsector bepalend waren voor de lonen overal elders in de economie. Tot in de jaren vijftig kan men in de zogenaamde Gemeenteklassificatie daarvan sporen aantreffen.
Het sprak eigenlijk vanzelf, dat in de vroeg-industriële samenleving de mogelijkheden in de industrie bepalend werden voor de lonen elders in de economie. Maar het industriële tijdperk neigt ten einde. In de komende na-industriële samenleving zul-
len de mogelijkheden elders in de economie bepalend worden voor de industrie. De sectoren waarin de werkgelegenheid het sterkste groeit, zullen bepalend worden voor de mogelijkheden in de (uit het oogpunt van werkgelegenheid) inkrimpende sectoren. Het nieuwe in deze overgang is dat, anders dan bij de over-gang van de agrarische naar de industriële samenleving, toen een sector met grotere mogelijkheden van loonbetaling z'n entree maakte, nu juist sectoren met beperkte mogelijkheden op dit terrein voor de werkgelegenheidsgroei moeten gaan zorgen. Dat vraagt een daarop ingesteld inkomensbeleid. Men kan zo'n beleid op twee manieren vormgeven:
| a | loonbeheersing in de dynamische industriële sector. Een niet zo gemakkelijk beleid dat in de jaren van de sterke economische groei niet lukte; de inflatie was lange tijd een indicatie van het verschil in produktiviteit tussen de internationale sector en de nationale (diensten- en ambachtelijke) sectoren; |
| b | een model is denkbaar, waarbij er een permanente inkomens-overheveling is van de hoog produktieve internationale sector naar de weinig produktieve diensten- en ambtenarensectoren. (Een heffing in de ene en een subsidie in de andere sector.) |
De ontwikkeling van een hoog produktieve, dynamische sector en een grote kwijnende sector kleinbedrijf alsmede een groeiend aantal niet-actieven, vormt een hoogst onaantrekkelijk perspectief dat moet worden voorkomen. Een algemene loonsubsidie voor het midden- en kleinbedrijf lijkt een aantrekkelijker hulp-middel dan voortdurend stijgende aantallen niet-actieven, bij een in omvang toenemend zwart of grijs circuit.
Vergeleken met de vroeg-industriële maatschappij is de laat-industriële of vroeg-na-industriële maatschappij zeker al een samenleving waarin grote nadruk valt op wat mensen doen in hun vrije tijd. Zal deze tendens zich voortzetten en welke consequenties gaat dat hebben?
Werk, in de zin van betaalde arbeid, is in tweeërlei opzichten in kwantitatieve zin minder belangrijk geworden. Mensen beginnen op een latere leeftijd toe te treden tot de beroepsbevol-king en ze treden er eerder uit. Op zich kan men vaststellen dat het hele begrip ‘beroepsbevolking’ hoort bij een industriële samenleving. De pre-industriële samenleving kende niet de scherpe scheiding van vandaag tussen werken en niet-werken. In de agrarische samenleving werkte zowel in de landbouw als in ambacht en handel het gehele gezin mee, maar toch waren werk en vrije tijd, werk en spel, werk en liturgie niet zo scherp gescheiden als nu het geval is. Niet alleen de scheiding tussen werk en niet-werk, maar ook die tussen bevolking en beroepsbevolking was vloeiend. Pas in de context van een industriële samenleving ontstaat de ‘segregatie’ tussen leven en werk. De pre-industriële samenleving kende niet, zoals de onze, dé confrontatie van ‘work’ en ‘leisure’, omdat het werk zoveel ‘vrijetijds’-elementen in zich had als de samenleving zich maar kon veroorloven.17 Op het hoogtepunt van de Industriële Revolutie was de arbeid onder invloed van de Protestantse werkethiek gedraineerd van zulke vrijetijdselementen terwijl vooral de arbeidersbevolking niet tegenover werktijd vrije tijd had staan van enige betekenis. In de industriële samenleving ontstaat zowel het onderscheid tussen bevolking en beroepsbevolking, als het onderscheid tussen arbeid en vrije tijd in de zin waarin wij dat kennen.
De industriële samenleving kende een sterke mobilisering van de samenleving ten behoeve van de arbeid. Produktie was een alles beheersende zaak. De strijd tegen de armoede had een absolute prioriteit, de prestatie-ethiek spoorde iedereen daartoe aan voor zover men niet reeds door de honger tot de arbeid werd gedreven. Dit betekende: op zeer jeugdige leeftijd beginnen met werken en pas ophouden als werken niet meer mogelijk was. De beroepsbevolking maakte in het laatste deel van de negentiende eeuw dan ook een hoog percentage uit van de totale bevolking.
Met de groei van de produktiviteit en de daarmee ontstane welvaart worden niet alleen de inkomens hoger, maar kunnen ook de arbeidstijden worden verkort. Allereerst in de zin dat de kinderarbeid als een sociaal kwaad werd herkend; men ging zijn
arbeidsleven later beginnen. Ook in de zin, dat er een absolute limiet kwam aan de leeftijd waarop gewerkt wordt. Daarnaast is er de geleidelijke afneming van de arbeidstijd per dag. De laat-industriële, vroeg-na-industriële maatschappij wordt gekenmerkt door een relatieve demobilisering van de arbeid. In zijn Les 40.000 heures schetst Fourastié een geloofwaardig toekomstbeeld van mensen, die nog maar zes procent van hun leven aan arbeid besteden.18
Maar er is meer: de arbeid verandert. Steeds meer gaat de arbeid in de moderne technologie het karakter aannemen van controle, het waarnemen van informatie die de apparatuur biedt, om zo nodig bij te sturen. Zulke arbeid vraagt geen fysieke inspanning, wel oplettendheid, en zelfs geen fysieke nabijheid (zie de ruimtevaart).
Enerzijds dus een toenemende hoeveelheid vrije tijd. Anderzijds toeneming van het aantal vrijetijdselementen in de arbeid. In een groeiend aantal gevallen wordt arbeid ‘beschikbaarheid’, dat wil zeggen beschikbaarheid van kennis en informatie op de tijd en de plaats waar die nodig zijn.
Juist die niet noodzakelijke fysieke aanwezigheid heeft mensen aan het denken gezet. Dit kan het inbouwen van vrijetijds-elementen in de arbeid betekenen. Het kan uiteraard ook het omgekeerde betekenen: informatie naar de werker vanuit het be-drijf kan hem thuis bereiken. Toffler ziet zich daardoor een nieuwe vorm van ‘thuiswerken’ ontwikkelen, met alle daaraan verbonden voordelen (ook de aan huis gebonden persoon die de kinderen verzorgt, kan zijn of haar werk doen) en nadelen (hoe ziet zo'n arbeidscontract eruit?).19
Bij zulke vormen van arbeid (zoals men zich die in de industrie, maar ook in de dienstensector en bij de overheid kan den-ken) verliest het begrip ‘arbeidstijd’ veel van zijn inhoud. ‘Be-schikbaarheidstijd’ of ‘bereikbaarheid’ zijn dan veel relevanter, 's Avonds dienst doen sluit een bridgeavondje thuis of kijken naar de televisie niet uit. Bovendien, minstens zo belangrijk als het werk, is het voortdurend op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in het werk. Werk en leven zullen meer dan ooit onderling samenhangen. Reeds nu kan men vaststellen dat elke werkorganisatie tegelijkertijd een lerende organisatie, een edu-
catieve instelling moet zijn, wil zij blijven functioneren in een veranderende samenleving.20
Hoe men ook aankijkt tegen het veranderende karakter van werktijd en vrije tijd, het is een feit dat vrije tijd belangrijker wordt in de komende samenleving. Dat betekent dat ook de vraag van de arbeidsethiek aan de orde behoort te komen. De ‘Protestantse werkethiek’ is vooral een vroeg-industriële ethiek en de ethische begeleiding van de relatief sterk mobiliserende werking van de beginnende industrialisatie.
De huidige depressie vormt eigenlijk niet het geschikte klimaat voor een herbezinning op de arbeidsethiek. Werklozen hebben noch de middelen, noch de psychologische omgeving om te genieten van het niet-werken.21 Werkloosheid kunnen zij moeilijk anders zien dan als een plaag.
Toch is het duidelijk, dat in de komende jaren diep nagedacht moet worden over een herwaardering van arbeid en vrije tijd, over hun onderlinge verhouding en over de noodzaak tot amendering van de arbeidsethiek.
Jenkins en Sherman spreken van de komende ‘leisure shock’, de schokkende ervaring van een nieuwe manier van leven.22 Een sociale schok, die onvermijdelijk is; niet een korte, scherpe en nare schok, maar één die uiteindelijk stimulerend en plezierig zal zijn. Die schok (of ‘shock’) is vooral het gevolg van het verlaten van de gebondenheid aan de heersende arbeidsethiek.
Na de Tweede Wereldoorlog komt er een sociologie van de vrije tijd naar voren. Had men voordien vrije tijd altijd bezien als een begrip dat niet los van de allesbeheersende betekenis van de arbeid kon worden bezien, nu gaat men het daaruit losmaken.23
Elton Mayo constateerde in zijn klassieke Hawthorne studie, dat het gedrag buiten het werk een reactie is op de werksituatie. Een ‘société de loisir’, een vrijetijdsmaatschappij zou er heel anders uitzien. Daar treedt arbeid als de centrale vormgever van leven en denken van de mens terug. Vrije tijd emancipeert zich als het ware van de dominerende invloed van de arbeid. Dit sluit niet uit dat vrije tijd naast passieve recreatie (televisie kijken is het grote voorbeeld) en actieve recreatie ook werk omvat. Vrije tijd geeft de gelegenheid voor gekozen activiteit. Gezinstaken
vallen daaronder, maar ook andere verplichtingen die op grond van overtuiging of plezier worden ondernomen (vakbonds-werk, kerkewerk, enzovoort). Economische motieven kunnen hierbij een rol spelen. Vaak wordt er in hobby's, in doe-het-zelf activiteiten hard gewerkt in de vrije tijd.24 Daarnaast is er de belangrijke wereld van de educatieve activiteiten. Een interessante vaststelling doet Jary die stelt dat volgens de officiële ideologie volwasseneneducatie doelstellingen heeft, die gelegen zijn in het dagelijks werk, maar dat in de praktijk zulke cursussen worden ervaren als vrijetijdsbesteding met eigen intrinsieke voldoening voor de cursist.25
Het Sociaal en Cultureel Rapport 1980 geeft cijfers over de besteding van de vrije tijd. Het Rapport stelt vast, dat de ontwikkeling van de particuliere welvaart belangrijker is voor het patroon van de vrijetijdsbesteding dan de omvang van de vrije tijd. De invloed van een aantal uren korter werken acht men klein. Bovendien stelt het rapport vast, dat de vrijetijdsbesteding nu meer invloed uitoefent op de betaalde arbeid, dan omgekeerd. Wel geldt dat mannen die een baan hebben, meer onbetaalde arbeid verrichten dan mannen zonder baan. Onbetaalde arbeid is meestal geen alternatief voor beroepsarbeid, doch is daaraan complementair. Werken in een betaalde baan activeert mensen. Werkloosheid heeft veeleer een demoraliserende en apathiserende werking-voor mensen.
Indien de technologische ontwikkeling leidt tot een verdere verkorting van de arbeidstijd en een verdere beperking van de participatiegraad in het werk, dan is daarmee de ‘société de loisir’ nog niet gerealiseerd. Daarvoor is een grotere omwenteling nodig dan een verandering in het aantal uren betaalde arbeid per dag. Nodig zou dan zijn voortzetting van de reeds bij jongeren aangeduide trend van een verschuiving van de belangstelling en levensvulling van de loonarbeid naar ‘gekozen activiteiten’ - of dat nu sport, educatie, kunstzinnige vorming, doe-het-zelf en hobby's of andere vormen van vrijetijdsbesteding betreft. Een voor de huidige depressie relevante vaststelling lijkt mij, dat zo'n société de loisir aan twee basisvoorwaarden zal moeten voldoen:
| 1 | de mensen moeten een inkomen hebben, hoog genoeg om in dit soort activiteiten te participeren; |
| 2 | het voorzien in de gelegenheden - sportvelden en zalen, on- derwijs- en vormingsfaciliteiten, ruimte en materiaal voor kunstzinnige vorming, werkplaatsen - kost geld. |
Een maatschappij die aan het bezuinigen is op de basisvoorzieningen van de verzorgingsstaat, is zeker aan de infrastructuur voor een vrijetijdsmaatschappij nog niet toe. Economisch herstel is een noodzakelijke voorwaarde voor het realiseren van een dergelijke infrastructuur.
Werk geeft niet alleen inkomen. Werk zorgt er ook voor dat mensen een plaats in de samenleving hebben, dat zij in een groep mensen zijn opgenomen, dat hun leven structuur heeft ('s morgens om half negen de deur uit en om vijf uur weer thuis). Omdat bij werkloosheid die groep ontbreekt en de structuur er niet is, werkt werkloosheid zo apathiserend. Wanneer werk minder belangrijk wordt, moeten ‘arbeidsvervangende activiteiten’ ontwikkeld worden om mensen weer het houvast te geven dat een groep en een gestructureerd leven bieden.
Er bestaat geen werkgelegenheidsprobleem, er is slechts een inkomensprobleem. Zou men het woord ‘slechts’ weglaten, dan geeft deze slogan de problematiek redelijk weer. Er is immers geen gebrek aan werk. Werk wordt niet om zichzelf ondernomen, het wil voorzien in een behoefte. Er is geen sprake van dat alle menselijke behoeften waarin door arbeid kan worden voorzien, reeds zouden zijn vervuld. Zou men een lijst maken van op zichzelf redelijke maar nog onvervulde behoeften, dan zou blijken dat er in die zin geen tekort is aan werk. Het probleem is gelegen in de betaalbaarheid, onverschillig of die betaal-baarheid tot uiting moet komen op een markt of via een budget.
De neerwaartse economische spiraal zorgt ervoor dat de marktsector van onze economie stagneert en dat de publieke sector onvoldoende financiële middelen heeft om het bestaande niveau van verzorging te handhaven. Zolang deze toestand niet (bijvoorbeeld door een rentedaling of een groots opgezet plan
voor financiële steun aan de arme landen) wordt doorbroken, blijft de volledige werkgelegenheid onhaalbaar. Mooie schema's van een ‘vrijetijdsmaatschappij’ of een basisinkomen voor iedereen, helpen ons niet uit de depressie.
Anders ligt het, wanneer wij denken vanuit een langere-ter-mijnperspectief. De vraag kan immers worden gesteld of wij, op lange termijn gezien, nog wel terug moeten gaan naar een maatschappij met een zo hoge graad van mobilisatie van de produktie als het geval was tijdens de bloeitijd van het industriële tijdperk of zelfs maar gedurende de jaren vijftig en zestig.
Zie ik het goed, dan kende de voor-industriële samenleving een relatief laag niveau van mobilisatie voor produktieve doel- stellingen. Er was maar een erg kleine beroepsbevolking in de moderne zin (misschien 5 of 10 procent van de totale bevolking) maar de meeste mensen waren wel partieel of intermitterend ingeschakeld bij het produktieproces. Met de komst van het industriële tijdperk gaat dit veranderen: de moderne beroepsbevolking ontstaat. In de bloeitijd van het industrialisme waren participatiecijfers van 40 tot 50 procent geen uitzondering. Nederland heeft nu (vooral door de lage participatie van vrouwen) een uitzonderlijk lage participatiegraad van rond de 33 procent. Door de verhoogde participatie van vrouwen - een verschijnsel dat zich overigens in de gehele westelijke wereld voordoet - zien wij dat de huidige recessie niet gepaard gaat met een dalende participatiegraad. (Dit vormt één van de verklaringen voor de snelle stijging van de werkloosheid. De doorgaande groei van de participatie van vrouwen maakt de participatiegraad minder flexibel.)
Men mag aannemen dat de grotere produktie per hoofd met de daarmee samenhangende welvaart een relatieve demobilisering voor de produktie mogelijk maakt. Ik veronderstel dat de beroepsbevolking in het na-industriële klimaat tegelijkertijd wat kleiner en diffuser zal zijn. Mensen treden gemakkelijker in en uit de arbeidsmarkt, participeren daarin tijdelijk of alleen maar op basis van deeltijd. Symptomen daarvan ziet men bij jongeren en bij vrouwen al meer dan bij mannen. In het licht van de voorgaande paragraaf lijkt dit een wenselijke ontwikkeling. De hele opgave van het realiseren van volledige werkgelegenheid krijgt
onder zulke omstandigheden een wat ander aanzien. Wel voor iedereen die wil een baan, maar niet iedereen wil altijd en niet iedereen hoeft een full-time baan.
Maar arbeid is niet alleen een mogelijkheid om een bijdrage te leveren voor het maatschappelijke produktieproces, voor zelfontplooiing en voor contacten met mensen. In onze maatschappij is arbeid tegelijkertijd het belangrijkste distributiemechanisme voor inkomen. De vrijheid om tot de arbeidsmarkt toe te treden en er weer uit te gaan zou optimaal zijn als arbeid en inkomen zouden worden ontkoppeld. Wij zien nu al dat mensen die (bijvoorbeeld via een partner) reeds beschikken over een inkomen (gehuwde vrouwen), gemakkelijk pendelen tussen betaalde arbeid en huishouden.
Ontkoppeling van arbeid en inkomen is voor veel mensen in de Nederlandse maatschappij al een feit. Niet minder dan 1,8 miljoen mensen in de actieve leeftijdsgroepen (vijftien tot vijfenzestig jaar) ontvangen de een of andere uitkering. Nog niet drie maal zoveel maken de beroepsbevolking uit. Deze vorm van ontkoppeling mag dan onder de huidige omstandigheden onvermijdelijk zijn, als permanente voorziening is het een onhoudbare zaak. Het is zelfs de vraag of bij zulke grote aantallen uitkeringen het systeem op korte termijn als zodanig kan voortbestaan. De werkloosheidsuitkeringen zoals wij die thans kennen, zijn ontworpen voor een samenleving met wisselende werkloosheid van korte duur. Niet voor een maatschappij met langdurige massawerkloosheid (dus met een vraag naar arbeid, die geringer is dan de som van het aantal aangeboden arbeidsuren, gegeven de vraag naar inkomen).
Het meest radicale voorstel om te komen tot (gedeeltelijke) ontkoppeling is dat van een Gegarandeerd Jaar Inkomen (GJI). Het stelsel heeft de volgende voordelen:
| 1 | Het leidt tot zelfselectie van werklozen en ontneemt daarmee aan werkloosheid het negatieve karakter. |
| 2 | Het basisinkomen kan mensen vrijmaken voor het vrijwilligerswerk. |
| 3 | Het basisinkomen bevordert het stichten van kleine bedrijven. |
| 4 | De Bijstand- en ww-uitkeringen vervallen en daarmee de stigmatiserende werking van zulke uitkeringen. |
Daartegenover staat:
| 1 | Het stelsel motiveert niet tot werken. Vooral arbeid die als negatief of sociaal minder gewaardeerd wordt gekwalificeerd, zal niet langer beschikbaar zijn. Een vorm van sociale dienstplicht wordt onvermijdelijk. |
| 2 | Omdat het stelsel algemeen is, zijn de kosten zeer hoog. Het ppr-rapport ‘Basisinkomen’ komt tot 126 miljard. Een deel daarvan komt in de plaats van bestaande uitkeringen (70 miljard). Maar de rest moet extra opgebracht worden. Ik deel het optimisme van het ppr-rapport in dat opzicht niet. |
Het lijkt verstandig het plan in gedachten te houden tot een toekomst, waarin de financiële ruimte wat groter is dan nu. Zoals ik reeds eerder zei: de société de loisir, waarin het goed zou passen, is geen oplossing voor en niet realiseerbaar in de recessie. Het is eerder een luxe dan een noodoplossing.
Er bestaat bij niet-economen een bijna instinctmatige afkeer tegen het gebruik van het begrip ‘arbeidsmarkt’. Die afkeer wordt ingegeven door de oude waarheid dat ‘arbeid geen koopwaar is’. Arbeid is nu eenmaal én dienst aan de gemeenschap én bron van inkomen én mogelijkheid voor zelfontplooiing en maatschappelijke integratie. Zou men de allocatie voor deze belangrijke functies kunnen overlaten aan de onpersoonlijke mechanismen van vraag, aanbod en prijsvorming?
De economist heeft daar minder moeite mee. Het onpersoonlijke allocatiemechanisme van de markt heeft nu eenmaal grote voordelen boven mogelijke alternatieven. Vrije beroepskeuze, vrijheid om van baan te veranderen zijn vrijheden die bij een vrije arbeidsmarkt worden verondersteld. Inkomensverhoudingen, zoals die tot stand komen op de onpersoonlijke en niet-ge-manipuleerde arbeidsmarkt, zijn beter te accepteren dan verhoudingen die bedacht worden door machtige autoriteiten. Bovendien veronderstelt het opstellen van een volledige inkomensverdeling kennis van werk, werkinhoud, relatieve schaarste en aan-
trekkelijkheid van banen, en met name ook kennis van de veranderingen in zulke factoren, waarover weinig mensen, zelfs als zij economisten zijn, kunnen beschikken.
Een arbeidsmarkt die voortdurend bewaakt wordt door belangenorganisaties en kritisch begeleid wordt door de overheid, kan heel veel van de bezwaren van de werking van het marktmechanisme opvangen zonder de flexibiliteit, slagvaardigheid en beweeglijkheid van de markt in gevaar te brengen. De markt gaat echter uit van veronderstellingen: volledige kennis van elk van de participanten van de eigen mogelijkheden en van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt, afwezigheid van monopoloïde formaties op de arbeidsmarkt. Voorts abstraheert de markt van machtsverschillen en de ongelijke positie van mensen. In het leven van elke dag kunnen er, doordat niet voldaan is aan de voorwaarden voor het functioneren van de markt, gemakkelijk verhoudingen ontstaan die wij onrechtvaardig achten:
| 1 | De markt registreert voorkeuren van werkgevers voor mannen boven vrouwen, voor jongeren boven ouderen. Dit leidt tot loonsverschillen die geen economische functie hebben, maar slechts vooroordelen weerspiegelen. Bovendien blijkt dat de last van een tekort aan banen op zeer willekeurige wijze op de schouders van bepaalde groepen wordt gelegd. |
| 2 | Daar waar een overmaat van macht aanwezig is, kan het functioneren van de markt tot ongelukken leiden: een sterke vakvereniging kan zich uit de markt prijzen; werkgevers kunnen zwakke groepen tegen elkaar uitspelen. |
| 3 | Mensen, die met onvoldoende marktinzicht de arbeidsmarkt betreden, kunnen gemakkelijk op een doodlopende weg terechtkomen: in ongeschoold werk, zonder carrièremogelijkheden; in ongeregeld werk met ongeregelde inkomens. |
De markt kan, om kort te gaan, gegeven bestaande sociale verhoudingen, die verhoudingen accentueren en bevestigen. De ontwikkeling van de recessie en de introductie van nieuwe technologie kunnen dan leiden tot een situatie van hele buurten waar iedereen werkloos is en waar een klimaat ontstaat dat vreemd staat tegenover de arbeidsmarkt en werk. Gemakkelijk kan een polarisatie ontstaan van mensen met en mensen zonder kansen
op de arbeidsmarkt, mensen voor wie een goede opleiding en dus een goede baan vanzelfsprekend zijn en mensen voor wie een redelijke opleiding en vast werk vreemde zaken zijn, moeilijk te bemachtigen wanneer je uit bepaalde buurten, bepaalde ethnische groepen of bepaalde gezinnen komt.
De recessie die wij meemaken is al bezig de polarisatie tussen actieven en niet-actieven en die tussen mensen met en zonder kansen in schoolsysteem en arbeidsmarkt te doen ontstaan. Kr ontwikkelt zich in de grote steden, maar ook op het platteland in de door werkloosheid zwaar getroffen regio's, een cultuur die arbeidsvreemd of zelfs arbeidsvijandig is. De beschikbaarheid van sociale voorzieningen verzacht de materiële gevolgen van deze polarisatie, maar laat de gevolgen ervan bestaan.
Er vallen niet alleen bepaalde groepen geheel buiten de arbeidsmarkt, daarnaast zijn er ook groepen van mensen die een verbrokkelde arbeidservaring opdoen. Men komt terecht in een soort tweede circuit van de arbeidsmarkt, gekenmerkt door onregelmatige, slecht betaalde en sociaal niet hoog gewaardeerde arbeid. Wie daar eenmaal in terechtgekomen is, komt er moeilijk weer uit.
Te vrezen is dat juist een arbeidsmarkt als de onze, gekenmerkt door snelle technologische verandering en blijvende hoge werkloosheid, zulke scheve verhoudingen kan bevorderen. Natuurlijk is er geen betere aanpak voor deze problematiek denkbaar, dan een herstel van de volledige werkgelegenheid. Alle inspanning moet daarop worden gericht, maar voorshands mag niet op het slagen daarvan worden gerekend. Meer dan ooit is er een actief arbeids(markt)beleid nodig, waarbij eigenlijk veel meer dan alleen arbeidsmarktbeleid aan de orde is: volkshuisvesting, onderwijsbeleid, sociale-voorzieningenbeleid en arbeidsmarktbeleid te zamen moeten actief ingrijpen om het ontwikkelen van een dergelijke sociaal-economische en sociaal-culturele polarisatie tegen te gaan.
In alle westelijke landen wordt in toenemende mate gesproken
over het verschijnsel ‘informele economie’. Verschillende activiteiten ziet men vooral in de informele economie. Soms wordt het begrip als synoniem gezien met het zwarte circuit. Anderen denken daarbij vooral aan doe-het-zelf activiteiten of burenhulp. In mijn visie gaat het bij de informele economie om alle economische activiteiten buiten de officiële, geregistreerde en op geld gebaseerde economie.
In die informele economie kan men verschillende sectoren onderscheiden.
| 1 | Veel economische activiteiten spelen zich af binnen de gezinshuishouding. Zij vallen pas onder de officiële en statistisch waargenomen economie, wanneer dezelfde activiteiten door derden aan het gezin worden geleverd (wanneer de was de deur uitgaat, wanneer een huishoudster werk overneemt van de huisvrouw, wanneer een klusjesman reparaties komt uitvoeren enzovoort). |
| 2 | Ook veel economische activiteiten die zich tussen de huishoudingen afspelen vallen binnen de informele economie. Gedeeltelijk gaat het hierbij om burenhulp zonder betaling of om betaling in nature enzovoort, gedeeltelijk om het zwarte circuit (de onderlinge ruil tussen tandarts en loodgieter onder vermijding van btw en ib). |
| 3 | Veel arbeidsintensieve diensten zijn zo kostbaar geworden, dankzij sociale lasten, BTW, belasting enzovoort, dat ze niet meer betaalbaar zijn. Gevolg is dat men óf vlucht in doe-het-zelf activiteiten óf het werk laat verrichten door mensen die buiten de formele economie staan, omdat zij op andere wijze aan een basisinkomen komen (gepensioneerden, uitkeringstrekkers, gehuwde vrouwen). Gedeeltelijk gaat het hierbij om ‘zwart werken’ en om de ontduiking van belasting en sociale zekerheidsvoorschriften. |
Het is duidelijk dat veel werk onder invloed van de hoge kosten van de arbeid in de Verzorgingsstaat, in de informele economie terechtkomt. Hoewel men vaak uiterst negatief spreekt over de informele economie en vooral denkt aan de gederfde belasting, de niet betaalde sociale zekerheid en de profiterende uitkeringstrekkers, is er ook een andere kant aan de informele economie:
| 1 | Het gaat veelal om kleinschalige arbeid in een menselijke omgeving. |
| 2 | Het gaat om arbeid die vervreemdend noch vervuilend is. |
| 3 | Het gaat om diensten die zonder de informele economie zelfs niet geleverd zouden worden. |
Ik heb de indruk dat de informele economie in een ‘vrijetijdsmaatschappij’ grote kansen zou hebben. Afhankelijk van de aanpak van deze sector zou hierin een bedreiging voor de ‘formele’ economie kunnen liggen, ofwel een zinvolle aanvulling.
Het zou de moeite waard zijn na te denken over middelen om de informele economie te ‘regulariseren’. Dit zou betrekkelijk eenvoudig zijn als er een gegarandeerd jaarinkomen zou bestaan. Maar het lijkt niet uitgesloten om in het stelsel van sociale zekerheid en sociale voorzieningen, voorzieningen in te bouwen die voor deze regularisering zorgen.26
Er is geen beter werkloosheidsbeleid dan een werkgelegenheidsbeleid. Maar daarmee is nog niet het laatste woord gesproken over dat beleid. Op middellange termijn (vijf jaar) is nog geen herstel van de volledige werkgelegenheid te verwachten. Of de jaren negentig ons dat herstel wel zullen brengen, is onzeker. Het lijkt verstandig voorshands rekening te houden met een niet aanvaardbaar hoog niveau van werkloosheid. Kan een samenleving zich zo'n toestand veroorloven zonder ernstige sociale schade op te lopen?
Dat is de vraag waarmee we sinds 1973, toen de werkloosheidscijfers snel begonnen te stijgen, zitten. Een werkloosheid van meer dan 700.000 personen, een tekort aan arbeidsplaatsen dat men op een miljoen mag stellen. Werkloosheid zou al een groot probleem zijn als ze gelijkmatig over beroepen, leeftijdsgroepen, seksen en regio's zou zijn gespreid. De sterk discriminerende werking van de werkloosheid vergroot de problematiek in sterke mate.
Zijn er alternatieven voor werkgelegenheid?
1. de ontwikkeling naar een vrijetijdsmaatschappij. Hier-over werd hierboven reeds uitvoerig gesproken. Zou inderdaad op lange termijn de hoeveelheid ‘werk’ sterk verminderen, dan moet in die richting worden gekoerst.
2. vormen van integratie van de formele en informele economie. De kostbaarheid van de arbeid in de formele economie is een van de oorzaken voor de ontwikkeling van de informele economie. Doe-het-zelf, burenhulp, reparatie en onder-houdswerk door mensen met een uitkering, onderlinge ruil van arbeidsintensieve diensten, dit zijn de vormen waarin het be-staan van de informele economie steeds duidelijker onder onze aandacht wordt gebracht. Het lijkt wat dwaas om tegelijkertijd massawerkloosheid te accepteren en een deel van de informele economie met betere controle en verbodsbepalingen de kop in te drukken.
3. vormen van alternatieve werkgelegenheid. Overal in ons land, maar ook elders in de westelijke wereld, wordt geëxperimenteerd met vormen van alternatieve werkgelegenheid; dat wil zeggen werk dat weinig of niet gemechaniseerd is, milieuvriendelijk en kleinschalig en dat voldoet aan die behoeften, die door een modern bedrijfsleven over het hoofd gezien worden, of die bij de huidige arbeidskosten en ‘sociale overhead’ onbetaalbaar zijn geworden.
Het is duidelijk, dat er in deze drie categorieë n van alternatieven voor werkgelegenheid nogal wat overlappingen liggen. Het gaat in 2. en 3. altijd om werk met maatschappelijk nut, dat niet past in de moderne formele of geld-economie. Beide zouden gemakkelijk passen binnen het kader van een ‘vrijetijdsmaatschappij’. Voorbeelden van deze alternatieven zijn: memobedrijven, de ‘Nota Werk Nu’ van Van der Louw, sommige vrouwenprojecten, gesteund door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Groningse project ‘Mensen zonder werk’, het voorstel voor dienstverlenende winkeltjes van het Centrum voor Vrijwilligers in Rotterdam, initiatieven van cnv-wj, nvv-jc-projecten.
De belangrijkste hinderpalen voor deze potentieel niet onbelangrijke groeisector worden gevormd door de bepalingen van de Sociale Zekerheid, die het werken met een uitkering en het aanvullen van een uitkering met inkomen uit alternatieve werkgelegenheid onmogelijk maken; de zorg van het reguliere bedrijfsleven voor concurrentievervalsing en de neiging bij uitkeringsgerechtigden om deze vormen van activiteit als niet geheel volwaardig werk te beschouwen.
Geen organisatie heeft het moeilijker in deze moeilijke fase van overgang dan de vakbeweging. De vakverenigingsleiding ventileert permanent de mening, dat de vakbeweging geen organisatie voor loonsverhoging is, maar een wat bredere doelstelling kent. De leden geven er echter de brui aan, wanneer er niet meer te verdelen valt. Vakverenigingen verliezen leden tijdens de recessie en winnen leden wanneer de conjunctuur weer in opgaande beweging is. Evenzeer kan men vaststellen, dat werklozen slechte vakbondsleden zijn.
De opbouw van de welvaartsstaat gebeurde zeker niet buiten de vakbeweging om. Zij was gangmaker voor de ontwikkeling van sociale zekerheid, sociale zorg, het streven naar volledige werkgelegenheid. Zoals men de positie van de werknemer op de arbeidsmarkt en binnen de onderneming veilig stelde door de CAO, zo zorgde een uitgebreid arbeidsrecht en een zo goed als complete sociale zekerheid voor een veiliger maatschappelijke positie van de werknemer. De na-oorlogse groei van de welvaartsstaat liep parallel aan de groei van de vakbeweging naar invloed, bemoeienissen en naar ledental.
De vakbeweging begeleidde de ontwikkeling van de industriële maatschappij en kreeg in de voltooide welvaartsstaat zo'n hechte positie dat Goetz' Briefs een nieuw type vakvereniging zag ontstaan, de ‘befestigte Gewerkschaft’. In Nederland spraken wij graag over de vakvereniging, die ingegroeid was in het maatschappelijk bestel. Maar dat betrof dan ook een typisch arbeidsbestel gekenmerkt door een hoge graad van mobilisering
der beroepsbevolking, segregatie van arbeid en andere activiteiten en ruimtelijke concentratie van arbeid in daarvoor opgezette organisaties.
Het ziet er naar uit dat arbeid zijn centrale plaats verliest in het maatschappelijk bestel in de na-industriële samenleving. Inkomen wordt verder losgemaakt van de arbeid en arbeid gaat gedeconcentreerd worden. Het is ondenkbaar dat zo'n beweging zich door zou kunnen zetten, zonder dat de vakbeweging daarvan diepgaande gevolgen zou ondergaan.
De vakbeweging ontstond als machtsvorming van geschoolde arbeiders op de arbeidsmarkt in de industriële samenleving. Hoewel zij zich verbreedde tot sociale beweging en politieke pressiegroep, en naast ongeschoolden ook vrijwel alle andere groepen werknemers ging organiseren, bleef de vak-gerichte actie het hart van de vakbeweging.
Hoe zal de vakbeweging zich ontwikkelen bij de door mij veronderstelde veranderingen:
| - | arbeid verliest zijn centrale plaats; |
| - | de arbeidsmarkt gaat een veel gevarieerder, meer flexibel, meer geïndividualiseerd beeld vertonen; |
| - | de gestandaardiseerde lonen en arbeidstijden verdwijnen. |
In principe kan men zich twee tegengestelde ontwikkelingen denken.
| 1 | De vakbeweging verbreedt zich tot een algemene sociale organisatie die bepaalde groepen inkomenstrekkers (waaronder uitkeringstrekkers) organiseert. Zij blijft een tegen de politiek aanleunende maatschappelijke pressiegroep. |
| 2 | Zij verengt zich tot de belangenbehartiging van groepen werkenden. |
Wanneer men de gang van zaken binnen de Nederlandse vakbeweging volgt, overweegt de indruk dat de onder 1. genoemde ontwikkeling door de vakcentrales wordt nagestreefd. Toch zijn binnen de aangesloten organisaties ook tendenties in de tweede richting aanwezig. Juist de aangesloten organisaties weten hoe moeilijk het is om mensen te interesseren voor een brede sociale
beweging met noodzakelijkerwijs wat vage en erg globale doelen. Daarbij komt dat de vakbeweging haar maatschappelijke invloed vooral ontleent aan de macht, die samenhangt met de participatie in het arbeidsproces. Daarom zullen voorshands de twee tendensen wel naast elkaar blijven bestaan. Het is te vroeg een oordeel uit te spreken over de mogelijke uitkomst van de ontwikkeling. Een geleidelijke verandering van de doelstellingen en functie van de vakvereniging is daarbij net zo'n reële mogelijkheid als het ontstaan van nieuwe organisaties, die een weerspiegeling vormen van nieuwe zorgen en nieuwe interesses van de burgers. Zou de vakbeweging zich ten koste van alles houden aan de probleemstelling waarmee zij begon, de tegenstelling van kapitaal en arbeid, dan zullen de nieuwe tegenstellingen (produktie versus milieu, emancipatiebewegingen, arme landen versus rijke landen) de belangstelling voor de vakbeweging overschaduwen, met alle gevolgen daarvan.
Het ziet er niet naar uit dat de volledige werkgelegenheid, overeenkomstig de traditionele definities, in afzienbare tijd wordt hersteld. Daarvoor zou een hoge groei van de economie nodig moeten zijn, die onwaarschijnlijk lijkt. Het zou gewenst zijn, dat men nadenkt over de mogelijkheid om ook bij trage groei meer werkgelegenheid te creë ren. Arbeidsintensieve produktie veronderstelt echter lage of gesubsidieerde lonen.
Naar te verwachten is, komt er een einde aan de arbeidsmarkt met gestandaardiseerde arbeidstijden. Het begrip arbeidstijd zal voor sommige beroepen diffuus worden. Voor andere is een gamma van arbeidstijden denkbaar. Een veel flexibeler arbeidsmarkt met veelsoortige arbeidsverhoudingen lijkt in zicht te komen.
De plaats van de arbeid in de samenleving en voor het individu gaat minder belangrijk worden. Gaan wij naar een vrijetijds-maatschappij? Daarvoor is méér nodig dan arbeidstijdverkorting. Een dergelijke maatschappij veronderstelt hoge inkomens en een goed voorziene staatskas.
In de komende na-industriële maatschappij gaat de band tussen arbeid en inkomen onvermijdelijk losser worden. Ook de functie van het stelsel van de sociale zekerheid gaat veranderen. In de mate van de financiële mogelijkheden moet worden gestreefd naar enige vorm van basisinkomen ter vervanging van het sociale zekerheidsstelsel.
Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de zogenaamde informele economie, de niet geregistreerde en buiten de officiële geldeconomie functionerende economische activiteiten. Men kan er een symptoom in zien van de, mede door belastingen en sociale premies, te dure arbeid. Maar men kan er ook uit concluderen dat er ruimte blijft voor kleinschalige menselijke activiteiten, waarin de mens als persoon weer tot zijn recht komt. Nagedacht moet worden over mogelijkheden om de informele economie niet te verbieden maar te ontdoen van het odium van geheel of gedeeltelijk gebaseerd te zijn op wetsont-duiking.
Fundamentele veranderingen van het arbeidsbestel zijn te verwachten. Het is ondenkbaar dat zulke veranderingen plaats zouden kunnen vinden zonder de positie van de vakbeweging sterk te wijzigen. Het is nog niet duidelijk welke toekomst er is voor de vakbeweging. Het meest waarschijnlijk lijkt de ontwikkeling in de richting van een, minder aan de arbeidsmarkt gebonden brede sociale beweging.