De verzorgingsstaat is een tragisch verschijnsel. Tragiek werd door H.J. Heering kernachtig omschreven als ‘het hoge pogen dat zichzelf frustreert’.1 Het was het hoge pogen van de architecten van de verzorgingsstaat om na de Tweede Wereldoorlog een samenleving op te bouwen, die op de oude bourgeois trits van vrijheid, gelijkheid en solidariteit zou zijn gebaseerd. Onrechtvaardige inkomens- en vermogensverdelingen zouden opgeheven moeten worden en plaats moeten maken voor een wettelijk gegarandeerde sociale zekerheid voor allen. Deze zekerheid zou genoten moeten worden in een democratisch bestel, waarin burgers grondwettelijk verankerde vrijheid en rechten zouden bezitten. En deze moeilijke balans tussen vrijheid en gelijkheid zou weer gebaseerd moeten zijn op maatschappelijke solidariteit, op een redelijke onderhandeling tussen de diverse partijen en belanghebbenden in de samenleving. In de jaren zeventig werd het evenwel steeds duidelijker dat de verwerkelijking van deze droom in zijn bereikte omvang onbeheersbaar en onbetaalbaar was geworden, terwijl maar weinigen van mening waren dat een optimum aan welzijn en geluk in deze samenleving was bereikt. Het hoge pogen had zichzelf gefrustreerd.
Nu de tijd definitief lijkt aangebroken waarop we van een extensieve en expansieve verzorgingsstaat afscheid moeten nemen, nu we dit hele imposante bouwwerk moeten inkrimpen om het tegen een totale instorting te beschermen, is het belangrijk om vast te stellen dat vergeleken bij andere sociaal-politieke stelsels, zoals bijvoorbeeld in het Oostblok of in de Verenigde Staten,
de verzorgingsstaten van Noordwest-Europa voor een relatief korte periode (tweede helft jaren vijftig tot einde jaren zeventig) in staat zijn geweest om inderdaad een zekere balans tussen vrijheid, gelijkheid en solidariteit tot stand te brengen - hoe fragiel de balans ook geweest mag zijn, hoe sterk zij ook vanaf de tweede helft van de jaren zestig onder de kritiek van zowel ‘links’ als ‘rechts’ kwam te staan. De nadelen van de verzorgingsstaat kunnen inderdaad met gemak worden opgesomd: voor sommigen was de vrijheid alleen maar een repressieve tolerantie, voor anderen een verlammende vrijblijvendheid; voor sommigen was de gelijkheid schijn, voor anderen grauwe nivellering; voor sommigen was de solidariteit een tegenstellingen versluierende harmonie, voor anderen een verblindende en naïeve mythe. Toch is het goed ook het hoge pogen dat in de verzorgingsstaat werd verwerkelijkt onder ogen te zien en positief te waarderen. Vervolgens is het noodzakelijk om na te gaan, hoe en waarom dit hoge pogen zichzelf heeft gefrustreerd. Aan het verklaren van het laatste poogt het volgende een bijdrage te leveren.
Ik zal argumenteren dat de verzorgingsstaat in ons land in de afgelopen twee decennia een ontwikkeling heeft doorgemaakt, die hem wezenlijk heeft doen veranderen - een transformatie van sociaal-structurele en culturele aard, die het oorspronkelijke doeleinde (de balans tussen vrijheid, gelijkheid en solidariteit als waarborg voor een ‘civilized living’, een menswaardig bestaan) grondig heeft vertekend. Juist vanwege deze transformatie kan worden gesteld, dat ook zonder de huidige economische crisis de verzorgingsstaat aan een grondige revisie zou zijn toe-geweest. De thans heersende depressie echter dwingt ons tot deze revisie en het is van groot belang haar niet te beperken tot een formele, puur economische bezuinigingsoperatie en bestuurlijke reorganisatie. Terecht roept het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 op ‘het inhoudelijke gezichtspunt te (laten) prevaleren’, om tot een ‘meer principiële verbouwing van de verzorgingsstaat’ te komen.2 Helaas heeft de verzorgingsstaat van de afgelopen decennia ons voor deze taak niet goed uitgerust. Hij heeft ons bewustzijn gebureaucratiseerd en ons blind gemaakt voor de niet-economische, sociaal-culturele, meer principiële dimensies van het leven. Het is een kennissociologisch feit dat in
een volgroeide verzorgingsstaat de inhoudelijke rationaliteit steeds meer door de formele en functionele rationaliteit overwoekerd raakt, dat principiële doeleinden steeds meer door bureaucratische procedures worden verdrongen.
Voor de onderhavige discussie is de onderscheiding tussen inhoudelijke (substantiële) en formele (functionele) rationaliteit, die afkomstig is van Max Weber en Karl Mannheim, van groot belang.3 Onder substantiële rationaliteit wordt verstaan het vermogen om de werkelijkheid waar te nemen en te ervaren als een betekenisvolle, samenhangende structuur. Dat wil zeggen, de werkelijkheid is geen wirwar van feiten en gebeurtenissen, maar een min of meer samenhangende structuur. Functionele rationa-liteit is het vermogen om, nadat de doeleinden zijn vastgesteld, op geordende (systematische) wijze te zoeken naar middelen (methoden, technieken) die deze doeleinden zo goed mogelijk kunnen verwerkelijken. Mannheim was van mening dat met een voortschrijdende modernisering de functionele rationaliteit de substantiële rationaliteit steeds meer gaat overwoekeren.4
De thans plaatsgrijpende verandering van de verzorgingsstaat moeten we niet lijdelijk als een formele bezuinigingsoperatie over ons heen laten gaan, maar we moeten die vooral inhoudelijk sturen en plannen. En daarmee mag niet gewacht worden, totdat de ambtenaren op de ministeries klaar zijn met hun financiële besnoeiingen. We staan in wezen voor een taak die vergelijkbaar is met die van na de Tweede Wereldoorlog - een taak die aan het einde van de jaren dertig al door Mannheim werd ontleed toen hij opriep om de noodzakelijke reconstructie van de samenleving bewust, dat wil zeggen met behulp van een sub-stantieel-rationele planning, aan te pakken. Toen al formuleerde hij de profetische vraag: '‘Who plans the planners?’; dat wil zeggen: wie geeft inhoudelijk richting aan hen die de doel-rationele (functionele) planning van de samenleving uitvoeren?5
Wanneer we in een vogelvlucht de veranderingen van de verzorgingsstaat vanaf de Tweede Wereldoorlog overzien, kunnen we
twee fasen onderscheiden die beide intrinsiek zijn aan de verzorgingsstaat en in elkaars verlengde liggen. Het intrinsieke karakter van deze verandering moet worden geaccentueerd, omdat de oppervlakkige mening heeft postgevat dat de huidige crisis van de verzorgingsstaat en de daarmee gepaard gaande verandering zou zijn veroorzaakt door de crisis in de wereldeconomie. Aangezien de depressie doorgaans van voorbijgaande aard wordt geacht (vergelijk metaforen als ‘het diepe dal waar we doorheen moeten’), is men tevens van mening dat uiteindelijk de verzorgingsstaat met zijn verworvenheden wel weer op de been zal komen. Het laatste kon wel eens een illusie zijn: de transformatie van de verzorgingsstaat is structureel van aard en naar alle waarschijnlijkheid onomkeerbaar. Natuurlijk is de extrinsieke factor van de economische crisis van grote invloed op de transformatie, maar een analyse van de huidige stagnatie van de verzorgingsstaat blijft aan de oppervlakte, als deze factor als de enige en primaire wordt aangewezen. Zij is een bijkomende factor die de structurele verandering, die lang voor de economische crisis van nu inzette, versnelt en intensiveert.
De eerste fase van deze transformatie bestaat uit de spectaculaire expansie van de verzorgingsstaat gedurende de tweede helft van de jaren vijftig en tijdens de jaren zestig. Deze expansie, zo zal ik betogen, leidde tot een fundamentele verandering van de verzorgingsstaat. De tweede fase bestrijkt de jaren zeventig en zal in het komende decennium haar beslag krijgen. Zij bestaat uit een noodzakelijke inkrimping die niet alleen financiële maar vooral ook culturele, maatschappelijke en politieke gevolgen zal hebben. Sociologisch gezien gaat het hier om ingrijpende in-stitutionaliserings-, ontinstitutionaliserings- en herinstitutionali-seringsprocessen. Wij zitten op dit moment in de tweede fase en zijn op weg naar een samenleving, die wellicht nog eens als de post-verzorgingsstaat zal moeten worden gekarakteriseerd.
In de jaren zestig is de verzorgingsstaat een dermate vanzelfsprekend verschijnsel geworden, dat we nauwelijks meer stilstaan bij de oorspronkelijke ideeën die eraan ten grondslag hebben gelegen. Eenmaal tot stand gebracht functioneerde de verzorgingsstaat als een technocratisch, ideologieloos systeem. Maar dat
neemt toch niet weg dat in en kort na de Tweede Wereldoorlog een nogal wijdse visie over de op te richten verzorgingsstaat opgeld deed: niet alleen zou het om de verwerkelijking van de aloude droom van vrijheid, gelijkheid en solidariteit gaan, ook zou deze droom door de drie hoofdstromen in de Nederlandse politiek in maatschappelijke werkelijkheid moeten worden omgezet.6 De liberalen dachten daarbij vooral vanuit de vrijheid, de socialisten vanuit de gelijkheid, de confessionelen vanuit de solidariteit; een ingebouwde spanning in de structuur van de verzorgingsstaat die wellicht van meet af aan te hoge eisen aan het politieke vernuft stelde. Belangrijker was echter nog een ander structureel feit. Al vanaf de eeuwwisseling concipieerde men de verzorgingsstaat als een gelijk opgaan van privé-initiatief enerzijds en een wettelijk gegarandeerde sociale zekerheid voor allen anderzijds. De verzorgingsstaat moest een gelijke vloer van sociale zekerheid voor allen scheppen, een geheel van minimum-standaarden voor een menswaardig bestaan (behoorlijke behuizing, gezondheidszorg, oude-dagvoorziening, werkgelegenheid). Vanuit deze gelijke vloer (in zekere zin een socialistisch principe) zouden de individuele burgers, al dan niet georganiseerd in vrijwillige associaties, de vrijheid moeten krijgen om op grond van eigen capaciteiten en inzet verder en hoger in het maatschappelijke leven te komen (in zekere zin een libera-listisch principe). De overheid zou voor deze vloer garant moeten staan en voor het overige het maatschappelijke leven zoveel mogelij k aan het privé-initiatief van de burgers moeten overlaten. Een ‘gemengde economie’ leek daarvoor de meest voor de hand liggende oplossing.
Voor deze formule was het belangrijk dat een breed middenveld van verenigingen en organisaties tussen overheid en individuele burgers - in ons land van oudsher het terrein van de verzuiling - zonder al te veel overheidsbemoeienis zou kunnen voortbestaan. In dit verband is het boeiend nog eens de rapporten van Lord Beveridge die wel de architect van de Engelse welfare state wordt genoemd, te lezen. In deze rapporten en vooral ook in zijn toespraken en voordrachten voert hij in feite één groot pleidooi voor een balans tussen privé-initiatief binnen allerlei ‘voluntary associations’ in het maatschappelijke midden-
veld enerzijds en overheidsbemoeienis met minimum-voorzie-ningen als garantie voor een ‘civilized living’ anderzijds.7 Evenals Mannheim zoekt hij naar het smalle pad tussen een socialistisch etatisme en een liberalistisch ‘laissez faire’. Zeer tegen zijn zin beleefde hij nog hoe kort na de oorlog de Labour Party zijn aanbeveling om stukken verzorging administratief in handen van intermediaire associaties als de ‘Friendly Societies’ te leggen, van de hand wees en alle verzorgingstaken exclusief aan de overheid toebedeelde.
In ons land zette deze verstatelijking eerst in de jaren zestig radicaal door, wat vooral werd veroorzaakt door het feit dat de ideologisch ontzuilde organisaties in het maatschappelijk middenveld via subsidiëring en professionalisering steeds meer tot verlengstukken van het overheidsbeleid werden.8 Nadat zij door de ideologische ontzuiling veel van hun eigen identiteit hadden verloren en in de greep kwamen van functioneel-rationeel denkende professionals, werden zij steeds weerlozer ten opzichte van de financierende overheid. Het financiële raison als staatsraison ging nu alles overheersen, wat onder meer een grote erosie van het maatschappelijk middenveld tussen overheid en individuele burgers betekende. Hoe weerloos de organisaties in het middenveld geworden zijn, zien we nu er radicaal moet worden bezuinigd. Om maar een sprekend voorbeeld te noemen, de universiteiten en hogescholen krijgen nu allerlei dictaten vanuit Den Haag opgelegd en daar zijn de ‘bijzondere instellingen’ maar heel weinig minder kwetsbaar voor.
We zien hier de eerste fase van de transformatie van de verzorgingsstaat: de erosie van het maatschappelijke middenveld en de toenemende polarisatie tussen de publieke sfeer (staat, overheid) en de private sfeer (individuele burgers). Ik kom op dit punt later terug.
Nauw verbonden met deze erosie van het middenveld is het volgende. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde al snel de idee van de verzorgingsstaat als een voor allen gelijke vloer van minimum-standaarden voor een menswaardig bestaan. Van een vloer voor sociale zekerheid transformeerde de verzorgingsstaat in een plafond van aspiraties voor welzijn en geluk; een plafond dat voor allen gelijk moest zijn, onafhankelijk van capaciteiten
en inzet, en dat ook steeds hoger kwam te liggen, niet in het minst omdat onmogelijk kon worden vastgesteld wat welzijn en geluk precies zijn.9 De notie van een samenleving van initiatiefrijke, maatschappelijk competente burgers die vanuit een basis-zekerheid werken aan de ontplooiing van eigen mogelijkheden en zich op het middenveld inzetten, maakte geleidelijk plaats voor de notie dat ieder individu en iedere groepering, ongezien mogelijkheden en inzet, recht had op een maximaal welzijn dat door de overheid moest worden gegarandeerd en als een vaag welbevinden werd omschreven.10 De overheid, primair opgevat als ‘Den Haag’, werd hierdoor enorm overvraagd en bouwde een gigantisch verzorgingsapparaat op, dat werd bezet door talloze bureaucraten en professionele verzorgers die de aspiraties van welzijn en geluk in formele (bureaucratische) banen leidden en voortdurend aanwakkerden. Juist omdat welzijn en geluk niet scherp zijn af te bakenen, kon aan deze expansie van het verzorgingsapparaat structuur noch richting worden gegeven. De verzorgingsstaat dijde naar alle kanten uit en werd in toenemende mate onbeheersbaar en onbetaalbaar.11
De tweede fase van de transformatie van de verzorgingsstaat trad in toen, onder andere door de energiecrisis en de daarmee verbonden wereldwijde economische crisis in de tweede helft van de jaren zeventig, duidelijk werd dat het hele systeem financieel uit de hand liep, als het al niet op instorten stond. Daar was al ruim vóór deze economische malaise voor gewaarschuwd, maar eerst nu dwongen de feiten ons de stand van zaken onder ogen te zien en maatregelen te treffen. Bij gebrek aan een krachtig middenveld, waarin de belanghebbende partijen in redelijk overleg en solidariteit tot sociaal-economische en sociaal-culturele reconstructies zouden kunnen besluiten, moesten deze maatregelen wel eenzijdig door de overheid worden genomen; een gigantische bezuinigingsoperatie waarvan wij op dit moment nog maar aan het begin staan en die de meeste individuele burgers rauw op het lijf valt, omdat de overheid op tot nu toe ongehoorde wijze hard optreedt.
Hoe zal deze fase eruitzien? Wat voor vorm en inhoud zal onze samenleving gaan aannemen tijdens deze verandering? Zal zij uitsluitend technocratisch plaatsvinden, als een technische in-
greep vanuit ‘Den Haag’, uitmondend in een nog sterkere greep van de overheidsbureaucratie op het maatschappelijke leven; aanleiding gevend tot een uitgeholde, verveling producerende cultuur? Of zullen wij in staat zijn om de onvermijdelijke bezuinigingen aan te grijpen voor een ‘meer principiële verbouwing van de verzorgingsstaat’ (scr 1982)?
In het volgende wil ik de tweede mogelijkheid nader onderzoeken. Daarbij ga ik ervan uit dat een dergelijke inhoudelijke reconstructie niet kan worden overgelaten aan de politieke partijen, al zullen zij in onze parlementaire democratie uiteindelijk wel ideeë n in daadwerkelijk beleid moeten vertalen. Voor een dergelijke ‘meer principiële verbouwing van de verzorgingsstaat’ zie ik in hoofdzaak twee barrières die in de volgende twee paragrafen kort zullen worden besproken. Ten eerste het feit dat juist in een verzorgingsstaat inhoudelijke rationaliteit wordt overwoekerd door functionele rationaliteit waardoor wij voor onze taak niet goed zijn uitgerust. Ten tweede het feit dat in een verzorgingsstaat het maatschappelijke middenveld, waar ‘in vrijheid en op basis van argumenten collectieve doeleinden en strategieë n worden ontwikkeld’ sterk onderhevig is geraakt aan erosie.12
Het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 waarschuwt ‘dat de huidige problemen van de verzorgingsstaat niet in de laatste plaats een inhoudelijk karakter hebben en politieke keuzes vergen, welke niet via bestuurlijk-reorganisatorische maatregelen alleen kunnen worden ondervangen’.13 Daar voegt het rapport onmiddellijk aan toe dat een roep om meer planning weinig soelaas zal kunnen bieden. Want de ervaring leert ‘dat op sociaal en cultureel terrein als geheel geen inhoudelijke samenhang is bereikt en ook niet een gezamenlijke planning is gerealiseerd, ondanks de vele initiatieven die daartoe werden en worden ondernomen.’14
Dit is natuurlijk niet de plaats om aan te geven wat precies
deze principiële verbouwing van de verzorgingsstaat in het komende decennium zou moeten zijn. Wel is het mogelijk enkele voorwaarden aan te geven en ik bepaal me, zoals gezegd, tot twee beperkende condities: de dominantie van de functionele rationaliteit en de erosie van het maatschappelijk middenveld. De meeste aandacht krijgt de tweede beperkende voorwaarde.
Rationeel beleid, dat wil zeggen beleid gebaseerd op planning, was vanaf het begin van de verzorgingsstaat een essentieel kenmerk van deze staats- en maatschappijvorm. Intussen hebben we ondervonden dat deze planning geleid heeft tot een wirwar van instanties en voorzieningen die al lang geen mens meer in hun totaliteit en samenhang kan overzien. Wat er aan duidelijkheid in zit wordt vaak (kenmerkend) aangeduid met verkokering. Dit begrip geeft aan dat het beleid verbrokkeld is, dat beleidslijnen vaak langs elkaar heenlopen of elkaar doorkruisen. De roep om coördinatie en harmonisatie werd dan ook in de jaren zeventig steeds luider en het antwoord bestond doorgaans uit het oprichten van weer nieuwe beleidsinstellingen, die moesten coördineren en harmoniseren (zoals de WRR, de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid). Zij droegen weer bij tot de bestaande complexiteit en ondoorzichtigheid. Het beeld doemt op van een grote fabriekshal waarin talloze radertjes en vliegwielen driftig ronddraaien, die op één of andere manier allemaal op elkaar inhaken, maar uiteindelijk geen produkten afleveren. Het systeem verslindt geld en energie, maar levert uiteindelijk minder op dan erin wordt geïnvesteerd. Vertegenwoordigers van de wetenschappen worden geregeld uitgenodigd om het gebeuren in de fabriekshal te analyseren en adviezen voor een beter functioneren aan te bieden. Maar meestal komen zij niet veel verder dan het ontwerpen van weer nieuwe radertjes en vliegwielen die al bestaande maar onderling nog niet verbonden onderdelen moeten gaan verbinden. Dit zou de doel-rationaliteit moeten verhogen. Het geheel startte in het teken van de redelijkheid en de rationaliteit, maar is uitgegroeid tot een systeem dat niemand meer kan overzien (substantieel irrationeel is) en dat op den duur ook niet meer efficiënt te werk gaat (functioneel irrationeel is). Al het gepraat over ‘planning en beleid’ heeft niet kunnen verhinderen, dat de verzorgingsstaat geleidelijk aan rationaliteit
en redelijkheid heeft moeten inboeten.
Veel belangrijker echter is het feit, dat het systeem door deze complexiteit en ondoorzichtigheid veel aan legitimiteit heeft moeten inboeten. In een democratisch bestel dient macht legitieme macht (gezag) te zijn. Dat wil zeggen, macht mag zich niet met gebruik van bruut geweld doorzetten, maar moet trachten om bij althans een meerderheid van de burgers overtuigend over te komen, zodat zij bereid zijn de macht redelijkerwijs te volgen. Welnu, hoe abstracter (complexer en ondoorzichtiger) de verzorgingsstaat en overheidsmacht worden, hoe minder de burgers in staat zijn er op redelijke wijze van overtuigd te raken de macht te volgen; dat betekent: hoe meer macht gaat lijden aan erosie van legitimiteit.15 In een dergelijke situatie wordt de macht van de overheid allesdoordringend en toch ongrijpbaar, terwijl zij in sommige gevallen om zich te handhaven vaak tegen wil en dank, in fysiek geweld moet ontaarden. Tezelfder tijd wordt de burgerlijke ongehoorzaamheid - een teken van gezonde democratie als zij op redelijke wijze vanuit een krachtig maatschappelijk middenveld opereert - tot een anarchie van individuele burgers of particularistische groeperingen, die zich in toenemende mate tegen de abstracte maar soms fysiek waarneembare en voelbare macht te weer stellen. Ook dit verzet wordt in toenemende mate onredelijk, direct en fysiek.
De erosie van legitimiteit veroorzaakt aldus een spiraal die af en toe tot uitspattingen van fysiek geweld aanleiding geeft, zowel van de kant van de overheid als van de burgers. Onlangs werd dit treffend omschreven als ‘een paradigmawisseling in de politieke cultuur’; het welhaast lichamelijke verzet tegen een steeds abstracter wordende macht is van heel andere aard dan de vaak ludieke vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid uit de jaren 1965 en 1975. De auteur constateerde: ‘Tegenover de diffuse macht, weliswaar niet direkt aanwijsbaar, maar toch massief aanwezig, wordt een volledige autonomie gepraktizeerd.’16
De eerder genoemde polarisatie van overheid en individuele burgers die geleid heeft tot een erosie van het maatschappelijk middenveld, dient nu nader in de beschouwing te worden be-trokken. Zonder een dergelijk middenveld namelijk wordt overheidsmacht allesdoordringend, direct en toch ongrijpbaar. Eerst
moet worden vastgesteld hoe deze erosie van het maatschappelijk middenveld eruitziet. Vervolgens moeten we ons afvragen of er ontwikkelingen aan te wijzen zijn, die duiden op het ontstaan van een nieuw en andersoortig middenveld.
De Nederlandse samenleving wordt van oudsher gekenmerkt door een uitgebreid maatschappelijk middenveld tussen overheid en burgers; dat wil zeggen een bonte verzameling van organisaties en verenigingen, instituties en verbanden waar overheidsmacht als het ware doorheen moest gaan voordat de individuele burger kon worden bereikt. Deze ‘intermediaire structuren’, zoals het middenveld ook wel wordt genoemd, bezaten vroeger een grote mate van zelfstandigheid ten opzichte van de overheid, al onderhielden zij daarmee nauwe contacten. De relatie tussen overheid en middenveld was op het subsidiariteitsbeginsel gebaseerd. Kenmerkend voor Nederland was bovendien dat de organisaties en verenigingen, instituties en verbanden in verticale structuren die op levensbeschouwelijke grondslag waren georganiseerd naast elkaar stonden. We spraken van ‘zuilen’ en ‘verzuiling’.
In de collectieve besluitvormingsprocessen heeft dit verzuilde middenveld tussen overheid en burgers altijd een belangrijke rol gespeeld, zoals ook door het Sociaal en Cultureel Rapport 1980 (hoofdstuk 13) en het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 (hoofdstuk 12) wordt aangetoond. Wat evenwel opvalt is dat beide rapporten uitsluitend bestuursmatig over het middenveld spreken, niet sociologisch. Het thema van de ‘intermediaire structuren’ is in de sociologie steeds een vooraanstaand onderwerp geweest. Door ‘klassieke’ sociologen als De Tocqueville, Weber en Durkheim werd dit middenveld vooral opgevat als de substantie van wat we met het begrip ‘maatschappij’ aanduiden, als het gebied waarop de menselijke acties en interacties plaatsvinden, waarop individuen en groeperingen hun aspiraties realiseren, waarop conflicten worden uitgevochten en allianties worden aangegaan. Bovenal moet macht als het ware door dit mid-
denveld heengaan om legitimiteit te verwerven, want het is op dit middenveld dat individuele burgers aan het ‘politiek discours’ meedoen en in collectieve besluitvormingsprocessen participeren.17
De instellingen en organisaties, zoals in hoofdstuk 13 van het Sociaal en Cultureel Rapport 1980 beschreven, zijn er nog wel, maar zij bestaan (a) voor zover zij via de subsidiestroom aan de overheid vastzitten, (b) voor zover zij via hun professionals de financiële en bestuurlijke belangen van hun cliënten behartigen en (c) in een chaotische, onoverzichtelijke en onhanteerbare veelvoud. Wat het laatste betreft, het Sociaal en Cultureel Rapport 1980 noemt bijvoorbeeld de sector van de gezondheidszorg een lappendeken en het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 merkt laconiek op: ‘Het totale sociale en culturele terrein maakt [...] een nogal verbrokkelde indruk.’18 Hoe dan ook, deze instellingen en organisaties vormen niet langer een veld waarop mensen in gezamenlijke actie en discussie politiek bedrijven, waarop zij met elkaar hun aspiraties verwerkelijken, waarop zij op betekenisvolle wijze met elkaar kunnen omgaan. Veeleer is het middenveld het terrein geworden, waarop autonome individuen en particularistische groeperingen de voorzieningen van de verzorgingsstaat en de goederen van de welvaartssamenleving consumeren.
De uitholling van het middenveld kan worden aangetoond door te wijzen op het functieverlies van traditionele solidariteitsverbanden, zoals het huwelijk, het gezin en de familie, de kerk. Ook kunnen participatiecijfers betreffende politieke partijen en vakbonden inzicht verschaffen in de relatieve zwakte en sterkte van hedendaagse ‘intermediaire structuren’. Maar een goed inzicht in de vitaliteit van het middenveld geeft ook de participatie van burgers in het maatschappelijke leven, waarbij dan vooral zou moeten worden gekeken naar minder traditionele vormen van participatie, zoals de inspraak en het actievoeren. In wat nu volgt beperk ik mij tot een aantal opmerkelijke punten die betrekking hebben op de deelname van burgers op het gebied van (a) inspraak, (b) lidmaatschap van en actieve deelname aan verenigingen en organisaties, (c) actievoeren. Kijken we achter de participatieretoriek naar de cijfers, dan zien we een aantal op-
merkelijke ontwikkelingen die een illustratie vormen van de erosie van het maatschappelijk middenveld, ook op het gebied van minder traditionele participatievormen. Hoewel de drie genoemde fenomenen onderling verbonden zijn, zal ik hen voor de overzichtelijkheid afzonderlijk behandelen.
(a) inspraak. Het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 spreekt van een ‘demokratiseringsretoriek’ en een ‘participatieklimaat’, waarin de inspraak hoog genoteerd staat. Ook is van overheidswege de inspraak hecht geïnstitutionaliseerd, met name op het gebied van de ruimtelijke ordening.19 Maar tussen retoriek en procedures enerzijds en feitelijke deelname anderzijds ligt een steeds groter wordende afstand. Genoemd rapport spreekt van ‘een afnemende behoefte aan vergroting van inspraakmogelijkheden’ en inderdaad lijkt het verzadigingspunt te zijn bereikt.20
Tabel 11.29 van dit rapport geeft aan dat sinds 1970 het aantal mensen dat van mening is dat medezeggenschap, dan wel inspraak op diverse onderwerpen moet blijven zoals zij nu zijn, gestaag is toegenomen, terwijl het aantal mensen dat vindt dat zij zouden moeten toenemen, gestaag afnam. En als in 1980 meer dan 60 procent van de bevolking boven achttien jaar meer inspraak van burgers op het bestuur van gemeenten en provincies wil hebben, lijkt dit relatief hoog, maar in datzelfde jaar blijkt maar 16 procent in de afgelopen twee jaren wel eens aan een door de overheid georganiseerde hoorzitting of inspraakprocedure te hebben deelgenomen. Daarbij was het profiel van de deelnemer eenzijdig: over het algemeen manlijk, geürbaniseerd, met hoge opleiding en hoog inkomen.
Overigens zou het interessant zijn een scherper profiel van deze deelnemer te krijgen dan het Sociaal en Cultureel Rapport nu geeft; wat voor opleidingen domineren, welke politieke voorkeuren treffen we het meest aan?
De ruimtelijke ordening vormt in ons land een interessant gebied voor inspraak. Ten eerste omdat hier ver uitgewerkte procedures voorhanden zijn (vergelijk de in 1972 geïntroduceerde ‘Planologische Kernbeslissing’) en ten tweede omdat hier, anders dan op andere beleidsterreinen, een ‘institutionele tussen structuur’ nagenoeg geheel ontbreekt.21 De belangstelling voor
de ‘Planologische Kernbeslissing’ is niet overweldigend.22 Dat is trouwens ook het geval met de stadsvernieuwing, zoals blijkt uit het overzichtelijke rapport van N.J. Nelissen, getiteld ‘Urban Renewal Participation Experiments’.23 In dit rapport worden enkele experimentele inspraakprocedures van verschillende Europese gemeenten op het gebied van de stadsvernieuwing beschreven. Hoewel Nelissen niet ten onrechte meent, dat hier mogelijkheden liggen voor een politieke vernieuwing op plaatselijk niveau (de ondertitel luidt vragenderwijs ‘Heralds of a new Democracy?’), moet toch door bijna alle betrokken gemeenten worden geconstateerd dat de feitelijke deelname aan de inspraak teleurstellend bleef.
Dikwijls wordt gewezen op het feit dat de inhoud van de plannen waarover men zich in de inspraak kan uitlaten, te vaag en te complex is. Bovendien voeren ook ‘institutionele insprekers’, zoals belangenorganisaties of lagere overheden, dikwijls de boventoon.24 Vooralsnog lijkt het bij inspraak in vele gevallen meer om retoriek en bureaucratie te gaan, dan om feitelijke participatie op een concreet maatschappelijk middenveld. Het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 schrijft dan ook: ‘Aannemelijk lijkt dat het vaak meer om de mobilisatie van steun dan om de mobilisatie van nieuwe ideeën en verlangens van de bevolking gaat.’25
Een interessante ‘test case’ wordt de ‘Brede Maatschappelijke Discussie’ over het (kern)energiebeleid - een grote inspraakprocedure die door de overheid op gang is gebracht. De informatiefase waarin ongeveer vierduizend opvattingen over dit beleid zijn verzameld en hoorzittingen werden georganiseerd, is begin 1983 overgegaan in een discussiefase aan de hand van een door de desbetreffende voorbereidingscommissie opgesteld tussenrapport. Diverse institutionele insprekers ontvingen al subsidies om aan de informatiefase deel te nemen, maar of dit alles meer zal zijn dan een mobilisatie van steun voor een beleid dat het regerende kabinet zal uitzetten, moet worden betwijfeld. Het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 formuleerde het wijselijk voorzichtig, toen het schreef: ‘Het gaat bij de bmd anders dan bij de meeste inspraakprocedures minder om het uitlokken van reacties op plannen van de overheid en meer om de kanalisering
van een al lang begonnen discussie in de richting van parlement en regering.’26
Inspraak kan alleen inhoud en betekenis krijgen, als zij plaatsvindt op een concreet en vitaal middenveld tussen overheid en individuele burgers. Zij verstikt in retoriek en procedures, wanneer dit middenveld is uitgehold en slechts bestaat uit organisaties en instellingen die financieel in het verlengde van de overheid liggen en daardoor voor een belangrijk deel hun bestuurlijke autonomie hebben verloren. Juist door de afstand tussen retoriek en procedures enerzijds en feitelijke participatie aan inspraak anderzijds wordt de afstand tussen de private sfeer van de individuele burgers en de publieke sfeer van de overheid en dus de erosie van het middenveld aangetoond.
(b) het lidmaatschap van en de actieve deelname aan verenigingen en organisaties (stands-, beroeps- en vakorganisaties) vormen een graadmeter voor de vitaliteit van een maatschappelijk middenveld. Dit punt werd duidelijk in de onderzoekingen op het terrein van de verenigingensociologie (‘sociology of voluntary associations’) en van de sociologie van de participatie.27 Waar een middenveld van intermediaire structuren sterk is, waar de polarisatie tussen het private en het publieke nog niet in die mate is verscherpt zoals dat in volgroeide verzorgingsstaten het geval is, zal een samenleving in sterkere mate bestaan als een ‘nation of joiners’ en een samenleving van politiek competente burgers.
Om historische redenen zijn de intermediaire structuren in de Verenigde Staten nog steeds sterker en vitaler dan in Noordwest-Europa. Dit land loopt dan ook, vergeleken bij landen in Noorwest-Europa achter als het gaat om de extensiviteit en de intensiviteit van de verzorgingsstaat. Met name in het Republikeinse ‘kamp’ is er altijd veel achterdocht geweest tegen de welfare state die sedert de New Deal van Roosevelt voorop heeft gestaan in het programma van de Democratic Party. Het sociologische ‘mass society model’ (de samenleving als een massa individuele burgers die zonder mediatie tegenover de staat staan) klopt daar ook veel minder dan in hoog ontwikkelde verzorgingsstaten als Zweden of Nederland. Vooral in dit opzicht
maakt Amerika op ons, sociologisch gezien, een wat ouderwetse indruk.28
Het ‘Nationaal Kiezersonderzoek 1981’ leert dat 60,8 procent van de ondervraagden van minstens één organisatie of vereniging lid is en 38,2 procent beweert tamelijk of zeer actief lid van tenminste één organisatie of vereniging te zijn. Het is te betreuren dat het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 niet kan aangeven wat voor soort organisaties en verenigingen dit zijn, omdat lidmaatschap van een sportvereniging of klaverjasclub iets anders over de vitaliteit van het middenveld zegt dan lidmaatschap van een vrijwilligersorganisatie of politieke vereniging. Hoe dan ook, het rapport constateert weliswaar een toename van de organisatiegraad, maar daarvan is alleen de toename van sportverenigingen spectaculair, zoals trouwens ook de toename van actieve sportbeoefening opvalt.29 Ook hier weer een discrepantie, namelijk tussen organisatiegraad (60,8 procent) en feitelijke deelname aan georganiseerde activiteiten (38,2 procent).30 In dit verband zijn ook enkele onderdelen van tabel 8.3 illustratief, omdat hier tijdsbestedingen in en buiten het maatschappelijke leven kunnen worden vergeleken: het zeer private en passieve televisiekijken en radio luisteren komen het meeste voor.
In dit verband is ook tabel 12.1 van hetzelfde rapport indicatief. Geconstateerd wordt dat de belangstelling voor politiek nog steeds toeneemt (vergelijk tabel 11.27), maar dat de feitelijke participatie daarmee geen gelijke tred houdt. Tabel 12.1 onderscheidt, naast het stemmen bij de Tweede Kamerverkiezingen (1973 - 83,3 procent; 1981 - 86,1 procent; 1982 - 80,5 procent), de stemgerichte participatie, de gezagsdragersgerichte participatie en de actiegerichte participatie. Onder de eerste twee blijven de cijfers tussen 1972 en 1981 gelijk of dalen iets, maar voor ons onderwerp zijn de gegevens over de actiegerichte participatie interessant; meegedaan aan een handtekeningenactie in 1973 - 42,5 procent; in 1981 - 45,2 procent; meegedaan aan een actiegroep in 1973 - 14,9 procent; in 1981 - 12,3 procent; meegedaan aan een demonstratie in 1973 - 8,9 procent; in 1981 - 11,6 procent.
Conclusie: alleen de deelname aan een demonstratie is duidelijk toegenomen, maar de 11,6 procent moet geplaatst worden
| 1975 | 1980 | |||
|---|---|---|---|---|
| deelnemers in een week (%) | gemidd. tijdsbesteding (uren) | deelnemers in een week (%) | gemidd. tijdsbesteding (uren) | |
| - media | 94 | 10,4 | 96 | 10,3 |
| - deelname aan politieke, sociale of vakorganisaties | 10 | 3,3 | 10 | 3,5 |
| - verenigingswerk | 9 | 4,4 | 11 | 4,2 |
| - hulpverlening, vrijwilligerswerk | 20 | 3,7 | 22 | 3,5 |
| - sportbeoefening | 26 | 3,5 | 32 | 3,1 |
| - bezoeken van sportwedstrijden | 13 | 2,4 | 16 | 2,4 |
Voor ons onderwerp - de vitaliteit van het maatschappelijk middenveld in de verzorgingsstaat - is ook de deelname aan onbetaald werk, inclusief onbetaald werk buiten een georganiseerd verband, zoals burenhulp, van belang. Genoemd rapport meldt dat deze activiteit toenam van 44 procent in 1974 naar 48 procent in 1980 (Nederlanders vanaf achttien jaar).31 In de al genoemde tabel 8.3, waarin de deelname en tijdsbesteding aan een aantal vrijetijdsactiviteiten in een week worden geregistreerd, wordt een kleine stijging over de gehele linie gemeld; het is dan toch interessant deze percentages te vergelijken met de items media en hobby-beoefening, die doorgaans in de privé-sfeer en dus niet op het maatschappelijk middenveld plaatsvinden. Voor media meldt de tabel, zoals we zagen: 1975-94 procent; 1980-95 procent. Voor de hobby-beoefening: 1975-66 procent; 1980-66 procent. En voor de hulpverlening en het vrijwilligerswerk: 1975-20 procent; 1980-22 procent.
(c) Rechtvaardigt wellicht het relatief nieuwe verschijnsel van het actievoeren en de vaak nogal los georganiseerde actiegroepen een ander oordeel over het maatschappelijk middenveld? Treffen we hier niet een ontwikkeling aan die duidt op een nieuw soort middenveld, minder hecht geïnstitutionaliseerd, meer ad hoc geformeerd en gestructureerd dan we van de traditionele intermediaire verbanden gewend zijn?
Alvorens op deze vragen nader in te gaan, is het goed de gegevens over actievoeren en actiegroepen te bekijken. Ook in dit opzicht biedt het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 informatief materiaal.
De positieve houding ten opzichte van wat het rapport noemt ‘niet-conventionele (protest)acties’, is in de jaren zeventig toegenomen (tabel bijlage 4.16).32
| 1973 | 1977 | 1981 | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 33,2 | 36,6 | 44,0 |
| Man | 31,1 | 36,8 | 42,5 |
| Vrouw | 35,3 | 36,4 | 45,5 |
Maar hoe is het met de daadwerkelijke deelname aan actiegroepen en actievoeren gesteld? De cijfers spreken nu een andere taal (tabel bijlage 4.4).
| 1973 | 1977 | 1981 | |
|---|---|---|---|
| Meegedaan aan actiegroep | 14,9 | 8,0 | 12,3 |
| Meegedaan aan demonstratie | 8,9 | 6,5 | 11,6 |
| Meegedaan aan handtekeningenactie | 42,5 | 40,6 | 45,2 |
De conclusie luidt dat alleen het participeren aan een handtekeningenactie duidelijk met het positieve oordeel over niet-conventionele (protest)acties correleert. Maar hoe vrijblijvend en
weinig onconventioneel is deze vorm van politieke participatie. Typerend zijn in dit verband ook de cijfers betreffende de vraag, hoe waarschijnlijk het zou zijn dat de ondervraagde zelf actie zou gaan voeren tegen een onrechtvaardige wet. Tussen 1970 en 1975 nam die waarschijnlijkheid toe, maar in 1980 oordeelde toch 63,1 procent het onwaarschijnlijk dat zij zelf ooit actie zouden gaan voeren tegen een onrechtvaardig geachte wet en dit percentage steeg tot 69,4 procent (tabel 11.31).
Kortom, ook wat actievoeren betreft correleren de daden vooralsnog niet met de woorden. Het is typerend voor de erosie van het maatschappelijke middenveld. Toch is het daarbij de vraag of men hier uitsluitend kwantitatief mag redeneren. Als een nieuw of anderssoortig middenveld zou doorbreken, dan zou zich dat natuurlijk aanvankelijk niet in grote percentages uitdrukken. We moeten deze mogelijkheid nu nader onderzoeken.
Het is onwaarschijnlijk maar niet helemaal onmogelijk dat traditionele intermediaire verbanden, zoals familie, buurt, geloofsgemeenschap enzovoort in de toekomst nieuwe kracht krijgen en de huidige erosie van het middenveld tot stilstand brengen. Ik moet erop wijzen dat deze traditionele institutionele sectoren nog een belangrijke rol vervullen bij de culturele minderheden, al is het de vraag of die niet meer een inkapselende dan intermediërende functie vervullen. Vooralsnog lijkt mij een restauratie van het traditionele middenveld in Nederland niet waarschijnlijk (het zou bijvoorbeeld ook een grondige herzuiling inhouden).
Het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 maakt een sociologisch belangrijke opmerking, als het spreekt over het actievoeren en de actiegroepen als uitdrukkingen van ‘nieuwe sociale bewegingen’.33 Onderdelen van het actievoeren mogen dan inmiddels zijn overgenomen door gevestigde belangenorganisaties, actiegroepen mogen dan in een aantal gevallen zijn uitgegroeid tot normale belangengroeperingen met ‘establishment’-eigenschappen, het actievoeren mag dan langzamerhand als buiten-parle-
mentaire belangenbehartiging in ons land zijn ingeburgerd en aan attractie hebben ingeboet, toch mag dit alles ons niet blindmaken voor het feit dat een aantal van deze acties en actiegroepen opgevat kan worden als een ‘nieuwe sociale beweging’. De vraag is nu of zij bezig zijn de leemten van het geërodeerde middenveld te vullen.
Het rapport geeft in navolging van twee Duitse auteurs, de volgende omschrijving van deze ‘nieuwe sociale beweging’, waarvan de vrouwenbeweging, krakersbeweging, vredesbeweging, milieubeweging en anti-kernenergiebeweging als voorbeelden worden genoemd. ‘Gedacht kan worden aan de volgende gemeenschappelijke kenmerken:
| - | Brede maatschappelijke belangstelling voor de door de beweging aan de orde gestelde maatschappelijke problemen. |
| - | Thematische breedte in de zin, dat allerlei onderwerpen gepolitiseerd worden, die (tot voor kort) buiten de politieke arena lagen en moeilijk te koppelen zijn aan de posities van oude politieke en sociale bewegingen. |
| - | Concentratie van protest en oppositie op afzonderlijke deelterreinen waar vaak zeer tijdelijke, soms hevige, conflicten worden uitgevochten. |
| - | Interne heterogeniteit van en vloeiende overgangen tussen qua radicaliteit en intensiteit verschillende deelnamevormen. Tussen de button-dragende sympathisant(e) en de full-time activist(e) ligt een scala van deelnamemogelijkheden, waarvan het gebruik per individu per situatie kan verschillen. Constante factor is de emotionele betrokkenheid en niet het formele lidmaatschap van organisaties. |
| - | Selectieve sociale basis, gedeeltelijk identiek aan die van politiek actieve groepen in het algemeen en soms met een “oververtegenwoordiging” van specifieke bevolkingscategorieën als studenten en werkloze jongeren. |
| - | Geringe belangstelling in de ideologieën van de bewegingen voor de “echte politiek” (politieke partijen, vertegenwoordigende organen, bestuurlijke structuren en procedures). |
| - | Directe koppeling tussen persoonlijk ervaren angsten, misstanden en conflicten enerzijds en politieke strijdpunten en strategieën anderzijds. Politieke en intellectuele tradities spe- |
| len vaak een ondergeschikte rol bij het formuleren van eigen politieke visies en ideologieën.’34 |
Met de waarschuwing dat het hier om een grove schets gaat, die niet op alle punten van toepassing is op iedere beweging, stelt het rapport dat deze kenmerken de nieuwe sociale bewegingen in een overmijdelijke spanning met de ‘officiële’ politiek plaatsen; onafhankelijk van hun politieke overtuiging en partijlidmaatschap worden beroepspolitici gewantrouwd, terwijl vanuit de ‘officiële’ politiek bezien de thema's van de bewegingen doorgaans onhanteerbaar en de argumenten ongeldig lijken te zijn.35 Vooral wanneer zij in de buiten-parlementaire acties het geweld niet schuwen, lijkt de burgerlijke ongehoorzaamheid van de desbetreffende sociale bewegingen in de richting van een ernstige legitimiteitscrisis te koersen.
Het rapport wil echter niet te snel vanuit een ‘beheersingsperspectief’ kritisch op de nieuwe sociale bewegingen reageren en distantieert zich van voorstellen om het gezag van parlementaire beslissingen als enig legitieme besluitvorming te versterken.36 De democratische maatschappelijke verhoudingen zijn te complex om er met een ‘te simpel model van politieke wils- en besluitvorming’ op te reageren. Deze passage wordt wat plechtstatig met de volgende opmerking afgesloten: ‘Het idee van de politieke gemeenschap waar in vrijheid en op basis van argumenten collectieve doeleinden en strategieën ontwikkeld worden, dreigt al snel in het museum voor politieke filosofieën bijgezet te worden.’37
Maar het probleem is - en dat wordt door het rapport stelselmatig verwaarloosd - dat een dergelijke politieke gemeenschap van mondige en competente burgers gebaseerd moet zijn op concrete, maatschappelijke verbanden; op een middenveld waarop de private en de publieke sferen met elkaar in contact kunnen komen en blijven. Zonder een dergelijk middenveld worden individuen atomistisch en de overheid abstract. Bovenal dreigen buiten-parlementaire oppositiebewegingen gemakkelijk uit te groeien tot populistische bewegingen die uiteindelijk een ernstige bedreiging voor de democratie kunnen gaan vormen.
Zoals ik al zei, is het niet waarschijnlijk dat traditionele intermediaire verbanden (familie, buurt, religieuze gemeenschap)
weer zullen opleven en hun vroegere functie van verbinding tussen staat en individu zullen hervatten. Veeleer is aan te nemen, dat in het verlengde van deze traditionele verbanden relatief nieuwe vormen van samenleven zullen ontstaan die gestalte zullen gaan geven aan een nieuw en anderssoortig middenveld. Zij zullen een lagere graad van institutionalisering kennen, meer vrijblijvend en ad hoc van karakter zijn. Huwelijksbanden zullen losser en zakelijker worden (vergelijk het idee van het huwelijkscontract), vriendschapsrelaties zullen functioneler worden (vergelijk de lat-relatie), gezin en huishouden zullen ‘democratischer’ worden.38 In dit verband zijn ook de nieuwere vormen van gemeenschappelijk wonen opmerkelijk. Anders dan de communes uit de jaren zestig en zeventig die nog gedreven werden door een Gemeinschaft-utopie, zijn de woongroepen of de huishoudens die centraal wonen nuchter en zakelijk en zij worden niet gedreven door de wens de samenleving te ontvluchten.39
Hoe voorzichtig we ook moeten zijn met uitspraken over toekomstontwikkelingen, het is toch niet onmogelijk dat zich hier ontwikkelingen voordoen die in de richting van een nieuw, modern middenveld gaan dat bevolkt zal gaan worden door mensen die cultureel en sociaal-psychologisch anders zijn dan de mensen die in traditionele samenlevingsverbanden leefden. Of anders geformuleerd, de mensen die in deze minder hecht geinstitutionaliseerde, meer functionele en vrijblijvende relaties en verbanden leven, doen dit vanuit een ander ethos. Inderdaad wordt het steeds duidelijker dat de tweede transformatie van de verzorgingsstaat een cultureel en sociaal-psychologisch diep insnijdende verandering van ethos tot stand heeft gebracht. We kunnen niet tot de kern van de huidige sociaal-culturele veranderingen doordringen als we deze veranderingen van ethos niet nader analyseren.
In de contemporaine sociologie is inmiddels vergeten wat in de ‘klassieke’ sociologie nog centraal stond, namelijk dat menselijk
handelen steeds in het kader van waarden en normen is ingebed en daarom altijd een moreel handelen is. Het is mogelijk en noodzakelijk om, analytisch zonder te moraliseren, de morele dimensies van het maatschappelijk handelen sociologisch te onderzoeken. Het begrip ethos is voor een dergelijke taak onmisbaar.
Het begrip ethos is nauw verwant met het begrip wereldbeschouwing. Een wereldbeschouwing is een min of meer systematische theorie waarin wordt uiteengezet, hoe de werkelijkheid - de dingen, mensen, dieren, gebeurtenissen, kortom alles wat de mens zoal aantreft - geordend, gestructureerd zou zijn. Een wereldbeschouwing, die religieus-mythisch, wijsgerig of wetenschappelijk kan zijn, maakt dat de werkelijkheid niet als een chaos op de mensen afkomt en in verwarring ervaren wordt. Integendeel, in een wereldbeschouwing verschijnt de werkelijkheid als een samenhangende structuur (een kosmos), die begrepen kan worden. Zij is daarom in eerste instantie steeds substantieel-rationeel van aard. De Amerikaanse antropoloog en socioloog Clifford Geertz formuleerde het scherp toen hij een ‘worldview’ omschreef als de verwoording van een ‘assumed structure of reality’.40
Het ethos is de praktische keerzijde van de wereldbeschouwing: een samenhangend geheel van waarden en normen dat niet alleen aangeeft wat goed en slecht is (moraal, ethiek), maar ook wat mooi en lelijk is (esthetiek). Ethos is een levensstijl die tot een traditie behoort en maatschappelijk wordt geaccepteerd. Geertz spreekt van een ‘approved style of life’.41
Belangrijk is dat een ethos tijdens de socialisatie wordt geinternaliseerd, dat wil zeggen: zijn neerslag in het innerlijk van mensen krijgt en zodoende tot sociaal-psychologische structuur wordt. Het ethos is een sociaal-psychologische neerslag van een cultuur en komt tot sociologisch bestudeerbare uitdrukking in een mentaliteit, in een samenhangend geheel van houdingen. Voor wie in een bepaalde cultuur leeft is het moeilijk zich van het erbij horende ethos los te maken. Sociologen moeten in staat zijn om van hun cultuur afstand te nemen en het ethos ervan te reconstrueren. Voor onze huidige samenleving is dan ook de vraag van sociologisch belang, wat het ethos van de verzorgingsstaat wel zou kunnen zijn.
De wereldbeschouwing die bij de verzorgingsstaat paste toen deze nog in opbouw was - vooral in de jaren vijftig - werd gekenmerkt door een dominantie van de sociale wetenschappen, die sterk beleidsmatig en technocratisch waren georiënteerd. Het sciëntisme - een wereldbeschouwing waarin (natuur)wetenschap de leidinggevende positie van de religie, dan wel theologie en van de filosofie heeft overgenomen - was toch altijd al een wezenlijk onderdeel van de modernisering en werd in de verzorgingsstaat dominant. Het heeft in de sociale wetenschappen diepe sporen achtergelaten. Ik laat het bij deze korte opmerking, om vervolgens de ethos-zijde te bespreken. In het ethos gaat het om de ‘praktische Vernunft’ van de verzorgingsstaat.
In de hierboven beschreven transformatie van vloer naar plafond veranderde ook het ethos van de verzorgingsstaat radicaal. Toen de verzorgingsstaat nog werd opgevat en gerealiseerd als een basis van sociale zekerheid voor allen, van waaruit individuele burgers en maatschappelijke groeperingen op eigen initiatief verder en hoger moesten zien te komen, heerste nog het arbeidsethos gebaseerd op wat Max Weber Verantwortungsethik, noemde; een ethiek waarin de nadruk werd gelegd op waarden als verantwoordelijkheid, plicht, trouw, loyaliteit, solidariteit, enzovoort.42 In dit ethos werden rechten aan plichten gelieerd, zodat individuen en groepen ter verantwoording geroepen konden worden.
Met de transformatie van vloer naar plafond veranderde ook het ethos; het arbeidsethos maakte geleidelijk plaats voor consumentisme; voor een levensstijl waarin het consumeren wezenlijk werd. Niet alleen goederen worden overvloedig geconsumeerd, ook menselijke relaties als vriendschappen en huwelijken, diensten en voorzieningen van de verzorgingsstaat, ideeën en theorieën, daden en acties worden genoten en geconsumeerd. Het centrale beoordelingscriterium is steeds of zij nog wel bevredigen (vergelijk het adjectief ‘lekker’ dat te pas en te onpas wordt gebruikt). Bevredigen zij niet meer dan worden zij weggegooid en ingeruild voor andere. Weber zou van een Gesinnungsethik. hebben gesproken, want in dit consumentisme staat steeds een hoog premium op de emotionele betrokkenheid en wel ten koste van een meer rationele verantwoordelijkheid tegenover mede-
mensen, instellingen en organisaties. Waarden als plicht, trouw, verantwoordelijkheid en eer klinken in dit ethos ouderwets en moralistisch. Hier heerst veeleer de vrijblijvenheid die doorgaans met vrijheid wordt vereenzelvigd.
In de Sociale en Culturele Rapporten van 1980 en 1982 wordt een beeld van tevredenheid van het Nederlandse volk geschetst: grote ontevredenheid zou ontbreken. Ondanks de sombere berichten over de economie zou er toch geen sprake zijn van angst of onrust. Ook gaat men niet over tot ongenuanceerde reacties op allerlei minderheden. Tevredenheid zou gepaard gaan met verdraagzaamheid.
Het is de vraag of dit beeld in het volgende Sociaal en Cultureel Rapport niet duidelijk veranderd zal zijn. Maar ook is het de vraag of we een en ander wel als nuchterheid en realiteitszin mogen opvatten. Hier zou evenzeer sprake kunnen zijn van wat onlangs treffend werd aangeduid met ‘de gemoedsrust van de verzorgingsstaat’, als een structureel veroorzaakt onvermogen om zich met de sociaal-economische en sociaal-culturele problemen van het moment te identificeren.43
Tabel 11.12 van het Sociaal en Cultureel Rapport 1982 is in dit opzicht illustratief. Op de vraag of men een economische crisis met hoge werkloosheid verwacht, antwoordde niet minder dan 88 procent in 1980 bevestigend. Dat lijkt nuchter en realistisch, maar tabel 11.11 geeft een ander beeld. Op de vraag of men zorgen had over de werkloosheid van zichzelf of partner in de komende jaren deelde 74,9 procent in 1980 mede deze niet te hebben. In de jaren zeventig nam deze zorg zelfs af tot een niveau dat lager lag dan in 1967.
Een interessant beeld doemt op. Volgens Helmuth Schelsky zou voor onze tijd de leuze ‘die Arbeit tun die Andern’ kenmerkend zijn. Het lijkt erop alsof men ook van mening is dat de werkloosheid voor de anderen is. Blijkens tabel 11.12 van genoemd rapport is bijna 60 procent er in 1981 van overtuigd dat de eigen positie in de maatschappij niet slechter zou kunnen worden. Nogmaals, het zal boeiend zijn de percentages te zien in het Sociaal en Cultureel Rapport 1984.
Het is moeilijk te voorspellen in welke opzichten dit ethos zal
veranderen nu de tijd is aangebroken dat de verzorgingsstaat radicaal ingekrompen moet worden om hem tegen totale instorting te beschermen. We hebben hiervoor gezien hoe zich de contouren van een nieuw middenveld tussen publieke overheid en private burgers beginnen af te tekenen. Het consumentistische ethos met zijn nadruk op vrijblijvendheid past natuurlijk uitstekend bij dit nieuwe middenveld en zij zullen elkaar dan ook kunnen versterken. Maar wat zal er met hen gebeuren, als de verzorgingsstaat radicaal verandert onder de druk van technocratische bezuinigingsoperaties? Sociologisch gezien mag aangenomen worden dat het nieuwe middenveld, waarin toch al zoveel nadruk wordt gelegd op zelfhulp en de bedilzucht van de professionals en de bureaucraten wordt gehekeld, juist zal floreren bij een inkrimping van het verzorgingsstaatsapparaat.44
Uiterst hachelijk is het om uitspraken over de toekomst te doen. Toch waag ik het om op grond van de voorgaande analyses de volgende stellingen te poneren:
| 1 | Gedeeltelijk onafhankelijk van, maar gedeeltelijk ook dankzij de financieel-economische inkrimping van de verzorgingsstaat zal zich een nieuw middenveld tussen overheid en individuen ontplooien. |
| 2 | De relaties tussen mensen en de verbanden waarin zij leven, zullen in dit middenveld minder hecht geïnstitutionaliseerd, meer vrijblijvend en ad hoc zijn, dan de traditionele verbanden en relaties (vroegere gezin, familie, buurt, huwelijk, vriendschap enzovoort). |
| 3 | De verhouding van dit middenveld tot traditionele instellingen en organisaties (politieke partijen, parlement, maar ook school, universiteit, museum, leger enzovoort) zal problematisch en vol spanningen zijn, aanleiding tot geregelde legitimiteitscrises. |
| 4 | Het consumentistisch ethos met zijn grote nadruk op vrijblijvendheid - erfenis van de verzorgingsstaat-in-bloei - zal dc ontwikkeling in de richting van een nieuw middenveld, zoals vermeld onder 2, versterken. |
| 5 | Dit nieuwe middenveld en dit ethos zullen op gespannen voet staan met verschillende culturele minderheden voor wie de traditionele relaties en verbanden, binnen het kader van een |
| veelal religieus en ‘moralistisch’ ethos, nog volop blijven gelden, al was het alleen al om hun etnische identiteit te handhaven. | |
| 6 | Mede vanwege punt 5 moet de mogelijkheid overwogen worden dat het door de verzorgingsstaat geërodeerde middenveld in de toekomst, waarin wellicht sprake zal zijn van een postverzorgingsstaat, weer opgevuld zal gaan worden door de traditionele instellingen en organisaties (het traditionele huwelijk en gezin, de familie, de kerk, de buurt, enzovoort), gepaard aan een traditioneel ‘moralistisch’ ethos. Zeer waarschijnlijk zou dat tevens een herleving van de verzuiling inhouden. Sociologisch waarschijnlijk is deze ontwikkeling niet, maar zij kan toch ook niet geheel worden uitgesloten. |