Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld 1830-1914


auteur: Karel van Isacker


bron: Karel van Isacker, Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld 1830-1914. Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel, Amsterdam 1978 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 66]



illustratie

De spinster (H. De Braekeleer)


[p. 67]

De ontreddering van het platteland

Een land van bedelaars

De vreemdelingen die tussen 1830 en 1860 België bezochten waren getroffen door het contrast tussen het weelderig voorkomen van het land en de massa bedelaars. ‘België, noteert in 1857 de Fransman Edmond Texier, heeft een rijk uitzicht en zijn platteland is prachtig. Waaraan ligt dan het grote aantal armen en bedelaars in de stad en op den buiten? Men ziet ze in troepen bij de monumenten die de buitenlanders komen bekijken. In alle stations, bij het hekken langs het spoor, proberen bedelaarsters medelijden te verwekken en lonken hopen kinderen om een geldstuk.’1.

Lang voor de crisis van de jaren veertig was ‘de bedelarij met haar afschuwelijke lompen’ een kenteken van het land. Al in 1832 signaleerde de gouverneur van Oost-Vlaanderen troepen bedelaars die dreigend aalmoezen eisten. Met de jaren nam het aantal benden toe. Zelfs in de nacht zwierven hongerlijders rond, zodat men op de boerderijen ‘met schrik en angst ging slapen’. Bezorgd zagen de stadsbesturen hoe, jaren vóór de hongercrisis begon, armen uit het platteland naar de steden stroomden. Men kon in Gent, in het begin van de jaren veertig, geen tien schreden doen zonder ‘lastig te worden gevallen’ door bedelaars. In 1841 rapporteerde het stadsbestuur van Ieper dat een ‘armenverhuizing’ van het platteland naar de stad ‘het schuim der naburige bevolking’ binnen de muren bracht: ‘terwijl het valiede deel van dit uitschot op den buiten rondzwerft tot de winter het haar de stad zal drijven, dwalen kinderen, kreupelen en ouderlingen van de morgen tot de avond door onze straten en kwellen de voorbijgangers met hun erbarmelijke klachten’. Onafgebroken hoort men dit soort berichten: vanaf de jaren dertig was er een uittocht aan de gang die duidde op een vreselijke crisis.2.

In het overbevolkte platteland kenden de meesten nooit weelde. Maar men kon overeind blijven door hard werk en door de bijverdienste van de huisindustrie, van de vlasbewerking vooral. Toen deze nijverheid snel en voor de gewone man onverwachts in elkaar stortte zag de bevolking geen uitkomst meer. In vele West- en Oostvlaamse gemeenten genoot toen één derde tot de helft onderstand en kon nog amper één vijfde welgesteld worden genoemd.

De Vlaamse vlasnijverheid

In 1840 woonden ongeveer vierenveertig percent van alle spinsters en wevers in Oost- en West-Vlaanderen. Zij maakten er bijna één vijfde uit van de totale bevolking; tachtig percent van dit vijfde waren spinsters. De hoge concentratie in sommige arrondissementen maakt de cijfers nog indrukwekkender: in het arrondissement Roeselare-Tielt werkte vijftig percent van de bevolking in de vlasnijverheid, in het arrondissement Oudenaarde veertig, in het arrondissement Kortrijk dertig en in de arrondissementen Gent en Aalst vijfentwintig percent.3. De helft van de kleine lieden op het Oost- en Westvlaamse platteland leefde van het vlas, en nog eens één vierde vond in deze nijverheid een onmisbare bijverdienste.

Eeuwen lang was de vlasbewerking familiaal en agrarisch georganiseerd. Ieder gezin won vlas op het land, spon het garen en weefde het linnen, op de eerste plaats voor eigen gebruik. Wat overbleef werd op de markt verkocht. In alle hoeven zwingelden en hekelden de mannen in het ovenhuis en sponnen de vrouwen bij de haard. Geleidelijk aan, vanaf het begin der negentiende eeuw, verviel het gezinsweven. In

[p. 68]

ieder dorp, ook buiten de vlasstreek, trof men beroepswevers aan die het gesponnen garen op de hoeven kochten. Het fijnste weefden zij tot linnen, het grofste tot lijnwaad voor de meelzakken en de werkkleren. Uit de drol vervaardigden zij dekens voor de bedsteden van kinderen en dienstboden. Bijna niets van het kostbare vlas ging verloren: de sterkste klodden dienden voor de touwslager, de lemen voor het haardvuur en de oven, het lijnzaad voor de slagmulder die het verwerkte tot lijnolie voor de verlichting van het huis.4.

Rond 1840 waren de beroepswevers meestal nog zelfstandig. Slechts een klein aantal werkte voor rekening van fabrikanten of kooplieden, hoofdzakelijk buiten het vlasgebied, in de streek van Aalst, Brugge, Mechelen, Leuven en Turnhout. Hier en daar begon de proletarisering: rond Kortrijk, Gent en Aalst werkten wevers-fabrikanten met een aantal getouwen en loonarbeiders. En met de jaren hing een toenemend aantal spinsters en wevers economisch af van kooplieden die de vlasproduktie van het platteland verhandelden zonder ondernemingskosten.5.

Dat is het beeld: het overgrote deel der plattelandsbevolking bestond direct of indirect door de vlasnijverheid. Een crisis in deze nijverheid moest armoede en honger brengen èn de ontreddering van het leven. De combinatie van landbouw en vlasnijverheid verzekerde de duurzaamheid waaruit de gebruiken groeiden die het harde bestaan zinvol maakten.

De crisisvan de jaren veertig

Tot in de jaren dertig bleef dit leven nagenoeg onberoerd. Toen kwam de crisis waarop niemand was berekend. Het begon met het Frans-Belgisch handelsverdrag van 5 juli 1836 dat ‘een catastrofe zonder weerga’ veroorzaakte: door de verlaging van de douanerechten kon de gemechaniseerde Engelse textielindustrie de Franse markt overspoelen met betere en goedkopere produkten. In vijf jaar tijd, van 1837 tot 1843, verminderde de uitvoer van Belgisch linnen naar Frankrijk met meer dan de helft. Bovendien werd vanaf de jaren dertig goedkoop vlas ingevoerd.6. Om uit de nood te geraken had men de vlasnijverheid moeten mechaniseren. Frankrijk deed het, maar België niet: de burgerij verzette zich hiertegen uit paternalistische motieven, en de plattelandsbevolking omdat zij instinctief vreesde dat de nieuwigheid haar traditiegedragen leven zou vernietigen. Het was een hopeloos verweer omdat de evolutie onafwendbaar in het teken stond van de technische welvaart. Maar dat het verweer zich ontwikkelde en, paradoxaal, bijdroeg tot het afbreken van de volksaard is de belangrijkste en blijvende betekenis van deze bittere jaren uit het midden van de eeuw.

Bittere jaren: boven op de vlascrisis kwam vanaf 1845 een crisis van het landbouwgewas. Europa kende in 1844-1845 een lange, strenge winter, van begin december tot ver in maart.7. De vorst vernielde een groot deel van de koolzaad- en tarweoogst. Om het verlies te compenseren deden de landbouwers aan intensievere aardappelteelt. Maar eind juli 1845 begon de aardappelziekte: een nog onbekende plaag, veroorzaakt door een zwamparasiet, vernielde in enkele weken tijd, in België en de meeste Westeuropese landen, bijna de hele aardappeloogst. Erg waren de gevolgen vooral in Oost- en West-Vlaanderen, waar twee derde van de bevolking ten dele van de aardappel bestond: in Oost-Vlaanderen ging 90,8 percent, in West-Vlaanderen 92,4 percent van de oogst verloren.

Ook het jaar 1846 was ‘rampspoedig’ voor de landbouw. Na een zachte maar natte winter werd in de zomer de rogge aangetast door brand: van de normale negentig kilo per inwoner verminderde in Oosten West-Vlaanderen de oogst tot zesendertig kilo. De ziekte tastte ook de andere graansoorten aan en halveerde ongeveer de opbrengst. Drie jaar lang kwam er hongersnood in het Vlaamse platteland.8.

Epidemieën teisterden de hongerende bevolking: tyfus in 1847-1848, cholera in 1848-1849.

Tyfus was, met longtering, de ergste endemische ziekte van de eeuw, ‘de echte pest van Europa’ meent Dr. Meynne,9. een soort permanente cholera die jaar na jaar rond de vierduizend slachtoffers vergde. Zij was het gevolg van gebrek aan hygiëne en heerste daarom vooral in de volksbuurten van de steden en bij de arme bevolking op het platteland. Van 1846 tot 1848 veroorzaakte de tyfus een verhoogde sterfte onder de uitgeputte bevolking. In sommige vlasgemeenten geraakten de mensen er mee vertrouwd, acht tot twaalf doodkisten tegelijk vóór het kerkportaal te zien.10.

De cholera was een regelmatig terugkerende plaag die vooral in de armenwijken van de steden woedde. De epidemie van 1848-1849, na die van 1866 de ergste van de negentiende eeuw, veroorzaakte ruim tweeentwintig duizend sterfgevallen in het hele land.11.

De hoge sterftecijfers in de jaren van de crisis - 9.000 boven het normale jaargemiddelde in 1846, 22.000 in 1847, 10.000 in 1848 en 24.000 in 184912. - zijn echter niet op de eerste plaats het gevolg van de epidemieën maar van de honger, en honger leed men vooral in het Vlaamse platteland en bepaaldelijk in de vlasstreken. In West-Vlaanderen verminderde het

[p. 69]



illustratie

Vlasroten in de Leie (naar E. Claus)


bevolkingscijfer met ruim 17.000 in 1846-1848 in vergelijking met de vijf voorafgaande jaren; drie kwart van deze daling was gelokaliseerd in de vlasarrondissementen. Oost-Vlaanderen kende een vermindering met ruim 14.000, waarvan zes zevende in de vlasarrondissementen. De hele Vlaamse plattelandsbevolking leed onder de crisis. De ellendigsten, de vlasbewerkers, ‘bezweken er aan’.13.

Mislukte oogsten en epidemieën waren echter slechts gruwelijke accidenten in deze volksvernietiging. Hoofdoorzaak was de overbevolking: ieder jaar vorderden, in het hele land, dertig tot veertig duizend monden meer hun deel van een landbouwproduktie die, met de toenemende versnippering van de landbouwbedrijven, de stijgende pachtprijzen, de duurdere levensmiddelen en de dalende lonen, steeds on-toereikender werd.14. Vroeger kon de bevolking overeind blijven dank zij de vlasbewerking. De vlascrisis haalde haar neer.

In zijn dagboek noteerde Bernardus De Neve van Zomergem voor januari 1848: ‘De weef nijverheid is alhier geweldig vervallen en de armoede zeer groot. Ganse benden bedelaars lopen uitgehongerd rond, ook van Gent en elders. Er zijn mensen die dood vallen langs de straten, want de eetwaren zijn niet kopelijk voor de gewone man. De boeren moeten alles goed bewaken omdat er overal zoveel gestolen wordt. Men zegt dat er in Ruiselede en in Wingene hele menagieën uitgestorven zijn van de honger en de tyfus. Ook in Knesselare zijn er al boven de vijfhonderd dood, meestal arme mensen en kinderen, in een jaar of twee drie tijds. Daar wordt veel te weinig uitgedeeld, maar de armbesturen kunnen het niet volgen. De arme kinderen gaan ook al lang naar school niet meer, maar rapen eikels of trekken spurrie of ander kruid op het veld; er wordt soep gekookt van raapkolen en beten, en zelfs van boomschors. Daar is al een dag geweest dat er in de kerk van Zomergem elf doodkisten achter malkaar stonden, tot aan het portaal. Men hoort van niets anders als van dood en dieften overal.’15.

[p. 70]

Een volk op drift

De benden van de jaren dertig breidden zich nu mateloos uit. Troepen van tientallen, soms honderden hongerlijders zwierven over het land, tot ver in andere provincies. In de winter van 1846-1847 stroomden duizenden bedelaars uit Vlaanderen de hoofdstad binnen. De Brusselse politie arresteerde rond de zesduizend landlopers in de loop van de winter en stuurde de meesten direct naar hun provincies terug. Een duizendtal vonden enkele maanden lang een toevlucht in de eethuizen van de commissie. Bij het aanbreken van de lente werden zij met een extratrein op hun onderscheidene gemeenten afgeleverd.16.

Naar Brugge vooral richtte zich de stroom van de armen. In het revolutiejaar 1848 grendelde het stadsbestuur de poorten af. Door deze maatregel, dacht de overheid, ‘hebben wij onze stad behoed voor een altijd gevaarlijke opeenhoping van haveloze en gemene lieden’. Al in november 1845 had de politie zeven bedelaarsbenden aangehouden, samengesteld uit mannen, vrouwen en kinderen.

Kinderbenden trof men in heel Vlaanderen aan, en de ‘kindermisdadigheid’ nam in deze jaren schrikwekkend toe. In 1845 verbleven tweeduizend vijfhonderd minderjarigen in de gevangenissen, bijna zesduizend in 1846 en meer dan negenduizend in 1847. Honderden volwassenen zagen geen andere oplossing dan ergens een paar ruiten in te gooien om in de gevangenis terecht te komen en aan de honger te ontsnappen. Uit alle getuigenissen rijst het beeld van een wanhopige bevolking, en ook de hongerrellen - volksdemonstraties die eindigden met het plunderen van bakkerijen en winkels - bewijzen de ontreddering. Van maatschappelijke oproeigheid was echter geen spoor: daartoe hadden de hongerlijders de kracht niet.17.

De omvang van de crisis deed de burgerij opschrikken. Naast een paar grondige studies verschenen talloze gelegenheidsschriften over ‘la question des Flandres’. Velen achtten zich geroepen om een oplossing voor te stellen, en wie er geen had deed aan moralisatie. Voor het ‘Nederduitsch Taal- en Letterkundig Genootschap’ van Brussel, op 1 februari 1846, betoogde ene Dr. Hanau dat de aardappelziekte wel ‘een ramp’ was maar ook ‘goede gevolgen’ zou hebben, ‘ontwikkeling der menslievendheid, bevordering van handel en nijverheid, aankweking en volmaking der wetenschappen’: ‘zo zien wij klaarblijkelijk dat wanneer de Goddelijke Voorzienigheid met de ene hand straft, zij met de andere haar zegen ruimschoots op ons doet neerdalen’.18.

De meesten beseften dat de oorzaak van de crisis in de vlasnijverheid lag. Enkelen pleitten voor mechanisering en modernisering van het bedrijf, maar doorgaans bleef men zweren bij de oude, beproefde

illustratie

Een Brusselse katoenfabriek in de eerste helft van de 19e eeuw


[p. 71]

handnijverheid die eeuwen lang welvaart had bezorgd en een waarborg was gebleken voor de orde. De ‘Nationale Vereniging voor de voortgang der vlasnijverheid’, opgericht in mei 1838 en een goed jaar later omgedoopt tot vereniging ‘voor het behoud en de vooruitgang der oude vlasnijverheid’, gaf de toon aan: ‘De plattelandsarbeider is zedelijker, godsdienstiger, spaarzamer en ordelijker dan de fabrieksarbeider omdat hij minder verdient en dus minder weelde heeft en bijgevolg nuttiger de vrucht van zijn arbeid zal besteden.’ Het zou een dwaasheid zijn, van de vlasbewerkende plattelandslieden fabrieksarbeiders te maken want die bestaan uit ‘opeengehoopte massa's van ontevreden proletariërs’.19. Dan maar liever een veilige plattelandsbevolking die zich, zo betoogde in 1841 de enquêtecommissie voor de vlasindustrie, ‘doorgaans onderscheidt door zachtaardige zeden, lofwaardige ordelijkheid in de gebruiken en nooit versagende trouwhartigheid, die zich geduldig en gelaten toont in de ontberingen en bescheiden blijft in haar verlangens’. Laat de buitenlieden dus bij de oude vlasbewerking blijven die hen dwingt tot huiselijkheid en daarom ‘de behoedster is van de gezinsgeest’.20.

De regering keek verder. Zij stimuleerde de oprichting van ‘modelwerkhuizen’ voor wevers, waardoor de zelfstandige huiswerkers loonarbeiders zouden worden, afhankelijk van de fabrikanten-directeurs. Men hoopte hierdoor de verspreide, zonder samenhang werkende huisindustrie te centraliseren, de produktie aan het verbruik aan te passen en de wevers op te leiden in het vervaardigen van gegeerde weefsels. In 1847 waren er zevenenzestig modelwerkhuizen met staatssubsidie opgericht, waarvan er negenendertig in West-Vlaanderen werkten.21. Hiermee werd een eerste stap gezet naar de textielfabriek die, nieuwe levenskansen bood aan een deel van de plattelandsbevolking maar ook haar ontworteling bevestigde.

Inmiddels schakelden de spinsters over naar kantwerk. Eeuwen lang werd kant bijna uitsluitend in de steden vervaardigd, tot in de jaren twintig van de negentiende eeuw de mechanisering de handgemaakte kant begon te verdringen. De vlascrisis veroorzaakte echter een plotse heropleving van de manuele kant, in de steden en vooral op het platteland. De hele gemeenschap, overheid, geestelijkheid, kloosters en bevolking zette zich hiervoor in. Met duizenden rezen de kantscholen uit de grond en bijna overal ruimde het spinnewiel de plaats voor het speldewerksterskussen. Deze nieuwe nijverheid ging met een nieuwe uitbuiting gepaard, maar niettemin hielp zij een deel der bevolking van Oost- en West-Vlaanderen door de ergste crisisjaren heen. De grove produkten vonden een tijd lang afzet op de Belgische en buitenlandse markt en lieten, niettegenstaande de misbruiken, nog wat kruimels over voor de werksters, tot de overproduktie op haar beurt een crisis in de kantnijverheid veroorzaakte en nieuwe ellende meebracht.22.

 

De jaren 1845-1850 zijn een dieptepunt in de geschiedenis van de Vlaamse plattelandsbevolking. Alles wijst op de hoogste nood. In tien jaar tijd, van 1840 tot 1850, steeg het aantal ingeschreven behoeftigen in het hele land van vierhonderdduizend naar negenhonderdduizend. Het grootste aantal daarvan waren Vlaamse dagloners, wevers en spinsters. In Oost-Vlaanderen en Brabant was in deze jaren één vierde van de bevolking behoeftig, in West-Vlaanderen één derde; in sommige gemeenten kreeg de helft van de inwoners steun. In 1846 telde Brugge 46 percent behoeftigen: de stijgende spiraal van armoede noemde de overheid ‘ontzettend’ en ‘schrikwekkend’. Rond het midden van de eeuw waren één derde van alle arbeiders bij het armbestuur ingeschreven.23.

Cijfers over behoeftigheid hebben een betrekkelijke waarde. Er zijn misbruiken, en het arbeidersgezin dat één keer werd gesteund blijft vaak behoeftig uit sleur. Niettemin duiden de cijfers uit het midden van de eeuw op ontreddering. Het is tekenend dat in de crisisjaren Wakken, in het vlasarrondissement Kortrijk, aan de regering subsidies vroeg voor de emigratie naar Amerika van het hele dorp, gemeentebestuur incluis.24.

De uitgehongerden van Vlaanderen waren lichamelijk getekend: ‘Zij hebben alle, zegt in 1849 de Gentse arts Mareska in een mededeling aan de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, een vale, gelige gelaatskleur. De lippen, de mondholte, het tandvlees en het bindvlies zijn bloedloos. De stem is zwak, de blik dof en wezenloos. Het gelaat en de ledematen zijn opgezwollen of uitgemergeld.’25. In de hospitalen kwamen alleen nog wrakken aan. Men zag er hele gezinnen uitgeput op de grond liggen, niet meer in staat zichzelf te behelpen.26.

Dit is geen armoede meer maar de totale ellende van een bevolking die haar levenskracht kwijt is. De economische ontwikkeling vernietigde de levensgewoonten van een volk dat zonder deze stutten niet voortkon; het zonk weg in de ontmoediging omdat zijn wereld verdween en het geen plaats vond in de nieuwe, beheerst door een vreemde geest. Zelf had de op drift geraakte bevolking geen duidelijk besef van wat er aan de gang was, maar instinctief scheen zij

[p. 72]



illustratie

De huiswever, 1896 (L. Frédéric)


aan te voelen dat haar voortbestaan en haar zelfstandigheid bedreigd werden. De meest luciden onder de tijdgenoten die over het ‘pauperisme in Vlaanderen’ nadachten hebben dit instinctieve aanvoelen verwoord.

Twee dingen troffen deze waarnemers: de lusteloosheid van de bevolking èn het verbeten zich vastklampen aan de oude werkwijze. Juist de combinatie van de twee houdingen maakte de hele situatie uitzichtloos. ‘Het meest alarmerend, schreef Fr. Jalheau, is het steeds erger worden van de kwaal, doordat de ongelukkige proletariërs van Vlaanderen de toekomst als hopeloos beschouwen en zij zich laten wegglijden in een lusteloos en monotoon bestaan, tot de dood, dit absolute geneesmiddel voor alle kwalen, er een einde aan maakt.’27. De Fransman L. Wolowski stelde dezelfde diagnose: ‘Het probleem lijkt haast onoplosbaar want de kwaal bestaat hoofdzakelijk in de lusteloosheid, de ontmoediging, de demoralisatie van de werkers. Zij wanhopen aan de toekomst omdat zij verpletterd worden onder het gewicht van hun lijden. Zij schijnen niet meer te leven, alleen nog te vegeteren.’28. Het is nodig, betogen beide auteurs, de bevolking ‘opnieuw hoop te geven’ en ‘haar morele energie herop te wekken’ zodat ze weer zichzelf kan zijn. Dat dit laatste bijna onmogelijk is geworden omdat de eigenheid niet in overeenstemming is te brengen met de nieuwe eisen van economie en techniek zeggen deze auteurs niet uitdrukkelijk, maar het volgt uit hun betoog.

Het duidelijkst in deze zin schrijft Eduard Moser, regeringsraad van Pruisen, die in 1852 voor de Pruisische minister van Handel een onderzoek deed naar de ‘modelwerkhuizen’ in Oost- en West-Vlaanderen:

[p. 73]



illustratie

De ongewensten, 1903 (E. Laermans)


‘Van de grote eigenschappen uit de glansrijke tijd heeft de Vlaming de deugd van huiselijkheid, de zin voor orde en maat, het geduld en de handigheid in het werk bewaard. Maar men zoekt bij hem tevergeefs de beweeglijkheid, de ondernemingszin en de koopmansgeest, het open oog voor de industriële eisen van de tijd, het onvermoeibare streven om de andere landen door handel en nijverheid te overtreffen, hoedanigheden die zijn voorvaderen economisch en politiek groot hebben gemaakt. Te midden van de vooruitgang leeft de Vlaming geïsoleerd en verstard. Hij blijft trouw aan zijn tradities, aan zijn taal, aan de oeroude werkmethodes en moet daarom het eerste slachtoffer worden van de regelmatig terugkerende crisissen in het arbeidsproces...In de hardste ontbering blijft hij rustig op zijn plaats. Hij geeft geen enkel van zijn gewoonten prijs en sluit zich op in zijn huishouding. Als slachtoffer van zijn onverzettelijkheid, van zijn taai vasthouden aan het beroep dat hij van zijn voorvaderen erfde, zakt hij bij zijn weefgetouw in elkaar: hij heeft niet eens aan de mogelijkheid gedacht het te verlaten. Hij ziet geen ander middel meer om zijn toestand te verbeteren dan de toevlucht tot de openbare weldadigheid.’29.

Dit is de diepere betekenis van de crisis der jaren veertig: tegen de onstuitbare beweging van de tijd in trachtte het plattelandsvolk een tijd lang zichzelf te blijven. En toen dat onmogelijk bleek, toen de traditieband vernietigd was, restte er alleen nog de vlucht: in de weldadigheid en de bedelarij voor de meest wanhopigen, in de uitwijking voor wie het geloof hadden om te bouwen aan een nieuwe toekomst; en voor een steeds groter aantal in de vlucht naar de stad die de ontreddering bevestigde.