begin  verderprepost
[p. 6]

Voor marceline - joris

 
‘beneden mij? boven mij?
 
aan welken kant en in
 
welk heelal?
 
de laatste regen der
 
sterren voorbij’
 
 
 
- H. Marsman, Salto Mortale
[p. 7]

Voorwoord

Op dit moment - nu ik een begin maak met het vertellen van mijn levensverhaal en voor ik het in hoofdstukken rangschik - valt het me moeilijk niet enkele woorden te wijden aan de boeken die over mij geschreven zijn. Ze liggen hier, onder handbereik voor me op tafel, en voor iemand die zozeer wordt beziggehouden door de idee van de waarheid en door die andere, complexere idee - namelijk of deze waarheid, essentieel, brandend, onverzettelijk, goed is waargenomen en duidelijk wordt weergegeven - hebben deze boeken een dubbele betekenis.

In de eerste plaats stellen ze me gerust en ik aanvaard ze als zodanig. Op mijn tafel liggen ruim tien werken, afkomstig uit alle delen van de wereld - van het allereerste The Camera and I, dat ik heel wat jaren geleden heb geschreven, tot het allerlaatste, van Claire Devarrieux, dat onlangs in Parijs is verschenen. Verder liggen op de planken van de boekenkast met veel geduld samengestelde studies en proefschriften. Ik kan niet altijd de moed op brengen ze geheel te lezen. Die van Thomas H.R. Vaugh, van de Universiteit van New York, of die van Sergio Tendler, een Braziliaanse student die het onderwerp La Relation Cinéma et Histoire vue à travers l'oeuvre de Joris Ivens behandelt.

Dan bevindt zich in het Filmmuseum te Amsterdam nog een verzameling documenten, opgebouwd uit alles wat Jan de Vaal en zijn vrouw Tineke gedurende meer dan vijftig jaar aan artikelen uit de pers, kritieken, manuscripten en correspondentie bijeen hebben kunnen brengen. Er bestaat kortom een groot aantal van dit soort teksten, boeken en monografieën, het ontbreekt niet aan leesmateriaal over me.

Niettemin moet ik - afgezien van de tevredenheid die ik aan dit alles kan ontlenen, de tevredenheid van een man van tachtig jaar die zich erkend, in zijn positie bevestigd en volkomen bevredigd voelt - opmerken dat al deze geschriften slechts een deel van mijn leven tonen of, preciezer uitgedrukt, mijn leven en, werk vanuit één enkele hoek bezien, voortdurend dezelfde, namelijk vanuit die van de film en de politiek.

Als het me nu zinvol lijkt om me met het andere, onbekende of slecht gekende deel van mijn leven te gaan bezighouden, dan doe

[p. 8]

ik dat met het oogmerk deze analyses aan te vullen, ze recht te trekken of zelfs fouten te corrigeren die erin voorkomen. Deze boeken, of ik er nu in word aangevallen of verdedigd, genegeerd of erkend, putten hun materiaal immers slechts uit één duidelijk feit: het feit dat mijn hele beroepsuitoefening doortrokken is van mijn ideologische engagement. Wanneer men tenslotte al deze boeken achter elkaar legt, doemt er een soort legende uit op die me niet geheel bevredigt. Zeker: die man ben ik ook, het ligt niet in mijn bedoeling dit evidente feit te ontkennen of te vergeten, maar toch zou ik ook een ander licht op deze materie willen laten schijnen, haar omwerken, de nuances blootleggen en witte plekken invullen.

Mijn leven kan immers op twee manieren worden bezien. Men kan zich inderdaad beperken tot deze historische en ideologische dimensie: een man, cineast en activist, sluit zich aan bij een revolutionaire beweging en stelt zich in dienst van hen die voor hun waardigheid en vrijheid strijden. Men kan het echter ook als een roman zien. Een roman voor jongeren. In dat geval zijn het de avonturen van een jonge Hollander die met zijn land breekt en er met zijn camera opuit trekt om de wereld te ontdekken. Voor mij is er geen verschil.

Het avontuur van de jonge Ivens die zich mee laat slepen door zijn enthousiasme, en het politieke engagement van de cineast die zich in dienst stelt van een zaak - het eerste leven met zijn vriendschappen, zijn liefdes, zijn illusies en zijn ontgoochelingen, het tweede dat met zijn films, zijn overtuigingen, zijn zekerheden en zijn twijfels - vormen een ondeelbaar geheel. Dat is, geloof ik, de werkelijke dimensie van mijn leven, de dimensie waarover ik nu wil schrijven en die ik ter lezing wil geven aan al diegenen die zich afvragen hoe de wereld geworden is zoals ze is, die zich vragen stellen over de zin of de onzin van het menselijk handelen en die zoeken naar het antwoord op de vraag of ze moeten zwijgen of het uitschreeuwen, of ze moeten handelen of zich maar liever koest moeten houden, of ze zich strijdbaar op moeten stellen of de toestand moeten aanvaarden zoals hij is.

Het is mogelijk dat mijn leven een voorbeeld is, niet omdat het zo bijzonder voorbeeldig is maar juist omdat het een opeenvolging is van gewone en buitengewone momenten, in de loop waarvan een mens zijn identiteit krijgt in de vorm van zijn ideeën, de keuzen die hij maakt, zijn daden, zijn voorzichtigheid, zijn stilzwijgen, zijn hoop...

Het is waar dat ik zeer dicht in de nabijheid van de geschiedenis

[p. 9]

heb geleefd en gewerkt. Vanaf het allereerste begin van de jaren dertig heb ik deelgenomen aan de strijd tegen het fascisme; ik behoor tot een generatie die veel te maken heeft gehad met antifascisme en en het antifascisme was verbonden met het socialisme. Voor ons, die samen met de eeuw geboren werden, vormde de bolsjewistische revolutie een bron van hoopvolle verwachtingen en was Lenin een groot man. De tanden van de geschiedenis zijn echter scherp. Dezelfde staat waarvan wij zo hartstochtelijk wilden dat hij zou verdwijnen is teruggekomen en sindsdien gaapt er een afgrond tussen het socialisme waarbij ik me een halve eeuw geleden heb aangesloten en datgene wat zich nog steeds met de oorspronkelijke attributen tooit. Men kan zich zeker afvragen waarom ik me niet eerder op meer duidelijke en kritische wijze heb uitgelaten. Dit is een belangrijke vraag, die me bezighoudt en die ik in de loop van dit verhaal hoop te beantwoorden.

Overigens: ben ik nu wel zoveel duidelijker? Ben ik werkelijk kritisch? Dat is niet zeker. Ik denk eenvoudig dat ik nu de ‘zaken’ vanuit een ander gezichtspunt kan bekijken en het lijkt me van wezenlijk belang dat ik de lezer deelgenoot maak van dit gezichtspunt, zonder verfraaiingen, en dat ik probeer te voorkomen dat de beperktheden en onvolmaaktheden ervan verborgen blijven. Ik ben me ervan bewust dat sommige mensen slechts tekortkomingen zullen ontdekken terwijl andere slechts excessen zullen zien. Het zij zo. Ik voel deze behoefte en ik hoop oprecht dat anderen dan de puristen er iets in zullen aantreffen - al is het maar een detail, een woord, een toespeling, een zwijgen - dat hen in staat zal stellen een beetje beter te begrijpen waarom men nog kan geloven, nog strijdbaar kan blijven, nog kan vechten en nog kan hopen.

Dat is de belangrijkste lijn in het boek.

Tot slot zou ik nog iets willen zeggen over de Hollandse Geuzen. In Holland zijn Geuzen bedelaars noch landlopers. De Hollandse Geuzen zijn de eerste guerrillero's. In de tijd dat Willem van Oranje tegen Philips de Tweede vocht, voerden zij een guerrilla-oorlog tegen de Spaanse binnendringers. Er waren twee soorten Geuzen: de Watergeuzen en de Landgeuzen. Ze stonden heel dicht bij het volk, ze waren slim als vossen, ongrijpbaar; 's nachts communiceerden ze door het gekwaak van kikkers na te bootsen. Toen de oorlog afgelopen was zijn zij doorgegaan. Sommigen zijn zeerover geworden... De guerrilla, voor eens en voor altijd. In de ogen van de Nederlanders ben ik altijd een soort Geus geweest; ook nu nog, nu er tachtig jaar achter me liggen.

prepost  begin  verder