|
|
|
| | | | | |
X Mijn verbond met Carel Victor Gerritsen
| |
Korte levensschets van C.V. Gerritsen. - Mijn kennismaking met
hem. - Ons leven en ons huwelijk. - Verschillende reizen per rijwiel. -
Schotsche gastvrijheid. - Het Congres van den Internationalen Vrouwenraad in
Londen. - Invloed van Gerritsen's openbaar leven op het mijne. - Zijn strijd
voor reorganisatie van verschillende instellingen van Armenzorg. - Mijn
25-jarig jubileum als medicinae doctor - Onze reis naar Amerika. - Zijn
dood.
In de vorige hoofdstukken heb ik reeds zoo dikwijls den naam van C.V.
Gerritsen genoemd, dat ik, naar het mij voorkomt, nu eerst een hoofdstuk
moet wijden aan ons beider vriendschaps-, liefdes- en huwelijksverhouding.
De invloed die deze op mijn verder leven heeft gehad is te groot geweest dan
dat ik er niet bij zou stilstaan. Laat mij eerst in korte trekken zijn
levensloop weergeven.
Carel Victor Gerritsen (geboren 2 Febr. 1850) was de oudste van het zestal
kinderen van Henri Gerritsen en Elisabeth Brasser Rijs, te Amersfoort. Hij, de vader, was grossier in den graan- en
fouragehandel. Carel muntte uit op de lagere school en toen hij die had
afgeloopen kwam hij te Amsterdam in huis bij een leeraar, den Heer Van
Otterloo, om de Openbare Handelsschool te bezoeken. Wanneer hij van dien
tijd vertelde, sprak hij het liefst en met ingenomenheid over de lessen van
een leeraar, met name N.G. Pierson (later achtereenvolgens hoogleeraar,
President van de Nederlandsche Bank en Minister), die als docent in hooge
mate de gave bezat om liefde op te wekken voor de studie van
staathuishoudkunde en sociale vraagstukken. Toen Carel met goed gevolg het
eind-examen van de Handelsschool had afgelegd, was het zijn | | | |
vurige wensch om het toelatingsexamen voor de Universiteit te doen en verder
te gaan studeeren. Daarvan kon echter niets komen. Zijn vader had hem noodig
in de zaak. Hij moest naar Amersfoort terug, werd weder opgenomen in het
ouderlijk gezin en kwam bij zijn vader op kantoor.
Dat kon niet lang goed gaan. De beide ouders waren ouderwetsche menschen van
de streng orthodox-protestante richting. Des Zondags gingen zij trouw ter
kerke, waar de vader ook een functie in den kerkeraad vervulde. Dien middag
kwam gewoonlijk de dominee op theevisite. De kinderen moesten natuurlijk mee
naar de kerk en als Zondagsmiddags de predikant op bezoek was, hadden zij
aandachtig te luisteren naar zijn lessen en vermaningen. Het spreekt vanzelf
dat er voor gezorgd werd dat zij op tijd werden aangenomen.
Aan dit alles wilde Carel zich niet onderwerpen. Hij weigerde naar de kerk te
gaan, om aan tafel te bidden en Zondags als de dominee kwam, thuis te
blijven. Ook wilde hij niet worden ‘aangenomen’. Toen hierover ernstige
huiselijke scènes uitbraken, werd het aan beide kanten duidelijk dat er geen
samenwerking mogelijk was. Carel verliet het ouderlijk huis en ging naar
Londen, waar hij spoedig een betrekking kreeg op een handelskantoor voor
administratie.
Het moet in de dagen zijn geweest toen Charles Bradlaugh, als een consequent
vrijdenker, weigerde om in het Parlement den eed af te leggen en hij met
zijn reuzenkracht vocht tegen de suppoosten, zoodat hij na een dapperen
strijd, met de kleeren aan flarden gescheurd, buiten de zaal terecht kwam.
Dit tooneel heeft zich eenige malen herhaald, maar de kiezers van zijn
district zijn niet in gebreke gebleven om hem telkens opnieuw af te
vaardigen. Ten leste heeft Bradlaugh, ondanks zijn standvastigheid en zijn
kracht, den ongelijken strijd moeten opgeven.
Gerritsen schaarde zich met geestdrift onder de geestverwanten en openlijke
verdedigers van Bradlaugh en | | | | daardoor kwam hij in contact met
hemzelf, met Annie Besant, Dr. Charles Drysdale en andere Engelsche
hervormers op sociaal gebied. Die kennismaking heeft geleid tot hechte
vriendschapsbanden met nagenoeg al de hier bedoelde persoonlijkheden.
Naar ik vroeger reeds heb verteld, is het Gerritsen geweest, die, zonder dat
ik hem toen reeds persoonlijk kende, mij introducties zond voor deze
vrienden en daaraan is het te danken geweest, dat ik bij mijn eerste bezoek
aan Londen, direct met al die personen in kennis kwam.
Toen Carel reeds enkele jaren in Londen had gewoond, kreeg hij plotseling
bericht uit Amersfoort, dat zijn vader was bezocht
door een ernstige oogaandoening, welke vermoedelijk op geheele of
gedeeltelijke blindheid zou uitloopen. Hij moest zoo spoedig mogelijk
thuiskomen om de leiding van de zaak op zich te nemen in samenwerking met
David, zijn jongeren broeder. Ook thans nam hij geen intrek in het ouderlijk
huis, maar richtte hij zich in boven het kantoor. Door betrekkingen met het
buitenland te openen, slaagde hij er in om de zaak uit te breiden. De
avonden besteeedde hij aan studie en om in het bekrompen stadje dat toen
overwegend anti-revolutionnair was, nieuwe, frissche denkbeelden ingang te
doen vinden, zorgde hij voor lezingen, en schreef hij artikelen die hij op
eigen kosten liet drukken en onder het volk verspreiden. Reeds in het tweede
hoofdstuk heb ik opgemerkt dat hij op die manier een slechten naam had
gekregen. Vooral was dit het geval toen hij zich openlijk een vriend van
Multatuli toonde, die in Amersfoort een
lezing kwam houden en die zelfs bij hem logeerde!
Intusschen onderhield hij steeds de in Engeland aangeknoopte relaties en
zoodra de zaken hem dat veroorloofden, ging hij bij wijze van vacantie voor
enkele dagen naar Londen.
Na enkele jaren richtte hij te Amersfoort een weekblaadje op, onder den naam
van ‘Ons Blad’ en daarin schreef hij gewoonlijk zelf het hoofdartikel. In
1881 | | | | werd hij gekozen tot lid van den Raad en daar was hij
altijd in oppositie tegen het sterk rechts getinte dagelijksch bestuur. In
den voortdurenden strijd ging het b.v. vooral tegen de reglementeering van
de prostitutie. Daarover schreef hij een brochure, waarin hij zelf de
sociale en moreele elementen bijeenbracht en ik hem de medische gegevens had
verschaft. Verder voerde hij strijd tegen den kinderarbeid in fabrieken en
op ander terrein, voor beter onderwijs, voor het toelaten van meisjes op de
stadsscholen voor jongens, en ten bate van een pensioenfonds voor
gemeentewerklieden. Buiten den Raad ijverde hij o.a. voor onderwijs aan
schipperskinderen.
In Mei 1886 verhuisde Gerritsen naar Amsterdam en
bij de opening van den nieuwen cursus in het najaar, ging hij aan de
Universiteit de colleges volgen van de hoogleeraren Quack en Pierson. In het
volgende jaar behaalde hij het diploma M.O. in de staathuishoudkunde. Toen
reeds, in 1887, was zijn belangrijke studie verschenen over de Nederlandsche
Bank, waarin hij het denkbeeld bepleitte om die instelling om te zetten in
een rijksbank.
In het begin van 1888 voerde hij met enkele anderen strijd in de
kiesvereeniging ‘Burgerplicht’ tegen het eigenmachtig optreden van het
bestuur en bepaaldelijk van enkele invloedrijke leden, die gewoon waren
onder elkander uit te maken wie in den Raad zou komen en wie Amsterdam in de
Kamer zouden vertegenwoordigen. Dit conflict leidde tot het uittreden van
een aantal leden, die als ‘radicalen’ werden gedoodverfd en die daarop, naar
de manier van de oude Geuzen, de radicale kiesvereeniging ‘Amsterdam’
oprichtten. Gerritsen is daarbij een der voormannen geweest. Zij streefden
naar billijker vertegenwoordiging van de geheele burgerij in den Raad,
waarbij ook de minderheden stem in het kapittel zouden krijgen. Als logisch
gevolg hiervan ontstond een antiliberale coalitie van radicalen en
kerkelijken, en toen nu in het najaar van 1888 deze, als een monsterverbond
uitgekreten, coalitie, zich bij de verkiezingen liet gelden, | | | |
behaalde zij een groote overwinning. Verscheidene oude ‘regenten’ werden
gewipt en tot de nieuw gekozenen behoorde, als de eerste radicaal, ook C.V.
Gerritsen. Hoe heeft hij toen, aanvankelijk alleen gesteund door een der
oudere raadsleden, Mr. W. Heineken, met nooit bezwijkende vasthoudendheid,
gevochten tegen monopolies en concessies, tegen het beleid der politie, en
tegen andere zaken die hem misbruiken geleken! Na eenigen tijd kreeg hij
hulp toen Mr. M.W.F. Treub mede in den Raad was gekozen en J. de Koo in ‘de
Amsterdammer’ door zijn scherpe pen grooten invloed had op de publieke
meening. Samen met Treub bevocht hij nieuwe besteksbepalingen en de zeer
wenschelijke wijzigingen in het werkliedenreglement. Aan hen beiden is het
te danken dat, op het voorbeeld van Amsterdam, bijna over het heele land een
maximum arbeidsduur en een minimum loonstandaard zijn vastgesteld.
In Februari 1893 werd Gerritsen door het district Leeuwarden naar de Tweede
Kamer afgevaardigd, waar hij, weder als de eerste radicaal, zitting nam.
Hier kan slechts worden aangestipt dat hij als Kamerlid zijn beginselen niet
verloochende. Ongetwijfeld met het voorbeeld van Bradlaugh voor oogen,
diende hij een initiatiefvoorstel in, waarbij óók voor de gewestelijke en
gemeentelijke vertegenwoordiging, de vrije keus tusschen eed en belofte zou
worden verzekerd. Tot zijn groote voldoening is dat voorstel aangenomen en
het beginsel dus in de Wet vastgelegd. Tot September 1897 heeft hij in de
Kamer zitting gehad, toen hij te Leeuwarden door een sociaaldemocraat werd
vervangen. Wel werd hem in 1901 een nieuwe candidatuur aangeboden, maar hij
heeft daarvoor bedankt omdat de Amsterdamsche gemeentezaken al zijn
werkkracht in beslag namen. Op 5 September 1899 n.l. was hij, als opvolger
van Mr. Schölvinck, gekozen tot wethouder voor de handelsinrichtingen en de
armenzorg. In die positie heeft hij vruchtbaar en blijvend werk verricht. Ik
wil alleen constateeren, dat aan zijn initiatief en | | | | zijn
onversaagden moed, de geheele organisatie van den gemeentelijken
geneeskundigen dienst te danken is geweest, en dit hoewel daarbij het
geheele corps Amsterdamsche geneesheeren tegen hem in het harnas kwam.
In den Raad vond Gerritsen, behalve bij Treub, ook steun bij geestverwanten
als Hugo Muller, Kouveld en Den Hertog, buiten den Raad ook in ‘de
Amsterdammer, Weekblad voor Nederland’ onder de scherpzinnige leiding van
dien buitengewonen publicist, J. de Koo. (Er werd een Nederlandsche bond van
radicalen opgericht, welke in 1901 is opgegaan in den
Vrijzinnig-Democratischen Bond, en daarmede ging ook de naam radicalen
verloren). Het kon gebeuren dat Gerritsen in den Raad door enkele zijner
vroegere medestanders heftig werd bestreden. Deze en andere redenen zijn hem
zelfs aanleiding geweest om in 1902 als wethouder te bedanken en zelfs
volhardde hij bij dat besluit, toen de Raad hem in September opnieuw tot
wethouder verkoos. Daarna is hij echter toch Raadslid gebleven.
In al de colleges waarin hij zitting heeft gehad, - waarbij ook verscheidene
jaren in de Provinciale Staten - heeft Gerritsen gestreden voor gelijke
rechten van man en vrouw, voor verbetering van de levensvoorwaarden der
arbeiders en van de bestaande toestanden op hygiënisch gebied
(arbeiderswoningen, schoolbaden, enz.) In den Amsterdamschen Raad in het
byzonder heeft hij zich een kampioen getoond voor gemeente-exploitatie, en
niet het minst aan hem is het te danken, dat een eind kwam aan de
monopolies, zoodat de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, de (Engelsche)
gasmaatschappij, de Bell-Telefoon en nog andere, door de Stad werden
overgenomen om over te gaan in gemeentelijke bedrijven.
Hiermede zijn althans enkele feiten uit zijn werkzaam en voor de gemeenschap
nuttig leven aangestipt.
***
| | | |
Naar ik hiervoor reeds heb verteld, hadden Gerritsen en ik na mijn eerste
examen nu en dan brieven gewisseld. Toen ik na mijn examen voor semi-arts,
typhus had gekregen, was hij zonder zich te noemen naar mijn toestand komen
informeeren; bij mijn promotie was hij onder de toehoorders en ook had hij
mij aanbevelingen gezonden aan zijn vele goede vrienden te Londen, toen ik
daarheen zou gaan. Ondanks dit alles had ik reeds enkele maanden te
Amsterdam de medische praktijk waargenomen vóór ik hem persoonlijk leerde
kennen.
Toch had hij reeds lang te voren een bezoek gebracht bij mijn ouders en aan
mijn vader verlof gevraagd mij te mogen opzoeken. Toen mijn vader mij dit
overbracht, heb ik hartelijk gelachen. Eerlijk gezegd kreeg ik nu, - al
hadden zijn brieven mij die meening niet gegeven, - den indruk dat ik met
een ouderwetschen, bedeesden jongeling te doen had. Dat voorafgaande bezoek
aan mijn vader nam alle romantiek voor mij weg, en zonder eenig verlangen
zag ik de aankondiging van zijn visite tegemoet.
Het werd 20 Januari 1880. Toen kreeg ik een keurig geschreven briefje waarin
Gerritsen mij meedeelde, dat hij in Londen eenige van onze wederzijdsche
vrienden had ontmoet, die hem met groeten voor mij hadden belast. Daarover
wilde hij mij nu gaarne het een en ander mondeling vertellen en daarom vroeg
hij verlof om mij den eerstvolgenden Zondagmiddag op het thee-uur te mogen
opzoeken.
Ziezoo, dacht ik, nu heeft hij een boodschap en nu durft hij komen.
Mijn jongste zuster Frederique, toen leerares in wiskunde en boekhouden aan
de Meisjes-H.B. School in Den Haag, was bij mij toen Gerritsen zich liet
aandienen. De thee stond gereed. Wij waren beide met een handwerkje bezig.
Ik borduurde bloemen op donkerblauwe zijde, mijn zuster haakte fijne kant.
Die handwerkjes braken onmiddellijk het ijs. Op het gezicht van Gerritsen
was duidelijk zijn verwondering te lezen, dat hij ons onledig vond met iets
zoo huiselijks als een handwerkje! | | | | Ik vroeg hem dan ook direct
plagend hoe hij zich mij had voorgesteld, de vrouw met wie hij nooit anders
dan ernstige en zakelijke briefjes had gewisseld? Meende hij werkelijk dat
ik nooit anders dan studieboeken opnam? Om hem te bewijzen dat het niet zoo
maar een gelegenheidswerkje was wat ik onder handen had, haalde ik uit mijn
werkmandje nog ander handwerk. Mijn zuster en ik vertelden hem dat wij de
japonnen die wij droegen, zelf hadden gemaakt, maar ik voegde er bij, dat
zoodra ik genoeg verdiende, ik zulk werk graag aan meer bevoegden zou
opdragen.
Hierna vlotte het gesprek alsof we oude kennissen waren. Vanzelf kwamen we te
spreken over het leven van vrouwen van wie levensbeschrijvingen waren
verschenen en Gerritsen vertelde ons van zijn vrij uitgebreide bibliotheek,
waarin een aantal van die boekenaanwezig waren.
Toen hij opstond was het veel te lang voor een eerste visite geweest.
Daarover wilde hij zich verontschuldigen, maar mijn zuster en ik namen
gaarne de schuld op ons, omdat we hem zoo lang aan de praat hadden gehouden.
Hij vertrok met de belofte, ons uit zijn bibliotheek enkele boeken te genden
waarover we gesproken hadden.
Hoewel dit bezoek dus goed geslaagd was, duurde het toch nog vrij lang voor
het werd herhaald. Hij had de boeken gestuurd en een briefje van ontvangst
gekregen, maar daarbij bleef het voorloopig. Het werd 8 Maart, de eerste
verjaardag van mijn promotie tot doctor in de medicijnen. Ik had aan den
datum niet gedacht en zou hem ongemerkt hebben laten voorbijgaan, maar op
mijn ontbijttafel vond ik een vaas met bloemen en daarbij een kaartje van
C.V. Gerritsen. Aan de achterzijde stond geschreven: ‘Zullen de
Nederlandsche vrouwen beseffen welk een gewichtige dag 8 Maart 1879 voor
haar leven is?’
Hij was de eenige die mij aan dien bijzonderen dag herinnerde. Dien middag
bracht hij mij, vergezeld van zijn zuster en zwager Hengeveld, een bezoek om
mij te feliciteeren, en hij was verwonderd dat niemand anders aan | | | | dezen dag had gedacht. Ik werd uitgenoodigd om met hen in het
Amstel-Hotel te gaan dineeren. Mijn broeder Eduard, als officier der
infanterie te Amsterdam in garnizoen, die mij toevallig opzocht, werd mede
uitgenoodigd. Wij namen de uitnoodiging aan en zoo leerde ik ook Gerritsen's
naaste verwanten kennen.
Gedurende dat jaar 1880 wisselden we enkele onbeteekenende brieven en een
paar malen bracht Gerritsen mij een bezoek, gewoonlijk om zelf boeken te
brengen die ik ter leen had gevraagd, maar verder hoorden we niet veel van
elkander. Eerst in Maart 1881, enkele weken na den dood van mijn goeden
vader, meldde Gerritsen zich op een avond bij mij aan. Ik was nog zeer sterk
onder den indruk van het groote verlies dat ik had geleden en hij kon dit
geheel beseffen. Het was mij een aangename bemoediging, hem op waardeerende
wijze over mijn vader te hooren spreken met de oprechte verzekering van zijn
voldoening, dat hij hem nog had leeren kennen.
Hierdoor kwamen we tot een vertrouwelijk gesprek over mijn vader, die mijn
goede vriend en raadsman was geweest. Voor zijn tijd mocht hij gerekend
worden tot de verst vooruitstrevenden op politiek en sociaal gebied, al was
in onze gesprekken toch dikwijls het streven merkbaar om een radicale
opvatting te onderdrukken, wanneer hij bevreesd was dat ik te ver zou gaan
en daardoor in moeilijkheden zou komen. Over vele maatschappelijke
vraagstukken had hij een rijp en gevestigd oordeel. Met hem kon ik over
alles spreken en nooit was het hem te veel om mij aan te hooren en van
gedachten te wisselen. Al liepen onze meeningen ook dikwijls uiteen, altijd
bracht hij mij tot dieper inzicht en nadenken.
Aldus gaf ik Gerritsen een denkbeeld van hetgeen ik in mijn vader als mijn
eenigen goeden vriend verloren had en wat ik meende nooit meer te zullen
terug vinden. Toen ik daarmee ten einde was, vroeg hij mij, heel schuchter,
of hij niet zou mogen beproeven de vriend te worden met wien ik over veel
wat mij belang inboezemde zou | | | | kunnen spreken? Op medisch
terrein, zeide hij, zou hij mij moeilijk kunnen volgen, maar op
maatschappelijk gebied waren we immers dezelfde beginselen toegedaan en daar
zouden we elkander kunnen helpen en steunen.
Op dien avond werd de eerste vriendschapsband tusschen ons gelegd. Het was
nog slechts een losse band. Ik kon het mij nog niet recht voorstellen dat ik
met een man dien ik toch maar weinig kende, zou kunnen spreken over al de
problemen die zich iederen dag aan mij opdrongen, en dat ik veel waarde zou
hechten aan zijn meening. Dan kon ik over al de kwesties die mij bezig
hielden, mij immers beter verstaan met Hélène Mercier, met Cornelie Huygens,
Elise Haighton of andere goede vriendinnen? Onze vriendschappelijke relatie
kwam dan ook in den aanvang hierop neer, dat we wat meer briefjes wisselden
en dat zijn bezoeken wat talrijker werden. Gerritsen kwam geregeld op de
Graanbeurs te Amsterdam en als die 's Maandagsmiddags was afgeloopen, zoo
tusschen drie en vier, wanneer ook mijn spreekuur voorbij was, kwam hij
dikwijls aanloopen. Dan spraken we over de kwesties die in het een of ander
tijdschrift of dagblad waren behandeld. Soms waren we nog druk in gesprek
als hij alweer naar den trein moest om op tijd in Amersfoort te zijn, en dan
bracht ik hem naar het station om onderweg het onderwerp te kunnen
afhandelen.
Het was een rumoerige tijd op politiek gebied. De strijd tusschen voor- en
tegenstanders om bij de aanstaande Grondwetsherziening tot een uitbreiding
van het mannenkiesrecht te komen, gaf ons van week tot week stof genoeg tot
gedachtenwisseling. Op dat terrein was Gerritsen zoo zeer mijn meerdere, dat
ik steeds sterker voelde, hoe zijn vriendschap en zijn voorlichting mij van
nut waren.
Toen Gerritsen in 1881 in Amersfoort lid van den
Raad was geworden, kon ik hem in vele gevallen van dienst zijn. Dikwijls
kwam hij onverwacht mijn opinie vragen over een onderwerp dat in den
Amersfoortschen Raad aan de | | | | orde was. We bespraken b.v.
uitvoerig de kwestie om in Amersfoort al dan niet een gemeentelijke school
voor meisjes op te richten. Ik was er tegen. Ik wilde dat de Gemeente zoowel
de H.B. School als het Gymnasium, voor meisjes open sou stellen. Gerritsen
vreesde dat de geestesgesteldheid van de burgerij in Amersfoort nog in
langen tijd niet rijp zou blijken voor zulk een maatregel en dat de
geestelijke belangen van de meisjes door dat uitstel zouden worden
benadeeld. Ik hield echter vol, dat het uitstel van het toelaten op die
scholen, in de gevolgen minder verkeerd zou zijn dan het oprichten van een
afzonderlijke meisjesschool.
Toen Gerritsen in den Raad ging ijveren voor het afschaffen van het
reglementeeren der prostitutie, schreef hij daarover ter inleiding een
brochure. Daartoe verschafte ik hem alle medische gegevens, en samen
bespraken wij de sociale en moreele argumenten die tegen die reglementeering
waren aan te voeren. Voor zijn weekblad ‘Ons Blad’ schreef ik dikwijls een
hoofdartikeltje, wanneer drukke zaken hem verhinderden het zelf te doen, of
indien het hem op een oogenblik aan stof ontbrak. Op die wijse kon ik over
‘de opvoeding der meisjes’, over ‘de achterstelling der vrouw op wettelijk
en maatschappelijk gebied’, of een ander van mijn lievelingsdenkbeelden,
mijn overtuiging vrijelijk uitspreken.
Toen ik in 1882 openlijk begon op te treden voor het willekeurig moederschap
en ik in het begin van 1883 den strijd opende voor het vrouwenkiesrecht,
vond ik bij Gerritsen grooten steun. Het vertrouwen in elkanders meening was
langzamerhand sterker geworden. Nooit zou er een artikel van mij
verschijnen, of het was eerst ter beoordeeling naar Amersfoort gezonden,
maar van zijn kant zou ook Gerritsen niets publiceeren zonder mij vooraf te
raadplegen, indien hij wist dat ik over het onderwerp een eigen meening had.
Als ik onze briefwisseling van de jaren 1881, '82 en '83 nalees, dan schijnt
het mij, dat wij als twee jonge radicale | | | | hervormers, de
roeping en den vollen last gevoelden om de heele wereld te hervormen. We
behandelden allerlei problemen, en wanneer dan van mijn kant de
briefwisseling eens stokte, dan kwam er een kort briefje met de vraag: ‘Wat
is er aan de hand, waarom hoor ik niets over (dit of dat epistel) dat gij
toch moet gelezen hebben’? Soms met een vinnig slot: ‘Verknoei uw tijd niet
meer met handwerkjes!’
Die jaren van samenwerking, waarin wij alle problemen, ook die van de
sexueele verhoudingen, vrijmoedig samen behandelden, hadden ons beiden,
geestelijk en lichamelijk volkomen gezonde menschen die wij waren, van
lieverlede de overtuiging gegeven dat onze vriendschap was uitgegroeid tot
een inniger band. Uit ons gemeenschappelijk werk was een innerlijke
overeenstemming, een ‘Seelenharmonie’ geboren. Niets zou een
huwelijksverbond in den weg hebben gestaan, indien wij beiden niet overtuigd
waren geweest, dat een vrouw die zichzelve respecteert, onder de bestaande
huwelijkswetten geen huwelijk kan sluiten. Er kwam nog bij, dat Gerritsen in
Amersfoort woonde en ik onder geen voorwaarde mijn praktijk in Amsterdam zou
willen opgeven.
Toen wij deze omstandigheden goed overdacht en besproken hadden, kwamen wij
tot het besluit om elkander gedurende langen tijd niet te ontmoeten en
alleen bij hooge uitzondering te zullen schrijven. Maanden verliepen zonder
dat wij anders dan op indirecte manier iets van elkaar hoorden.
In Mei 1884 kreeg ik voor het eerst weer een brief. Gerritsen deelde mij
mede, dat hij eenige weken in Londen was geweest, omdat het leven in
Amersfoort hem in elk opzicht onbevredigd liet. Hij had gehoopt in Londen
een hem passenden werkkring te vinden, maar toen hij daar eenmaal was voelde
hij zich nog even onvoldaan en dacht hij er over een groote reis te maken,
om afleiding te zoeken en op andere gedachten te komen.
Met enkele woorden tot antwoord raadde ik hem aan, te | | | | doen wat
hij zich reeds had voorgenomen. Maar.. voelde ikzelf mij voldaan over ons
besluit tot verwijdering? In weerwil van mijn drukke medische praktijk, die
bijna al mijn tijd in beslag nam, voelde ik toch steeds dat er iets aan mijn
geluk ontbrak. Een drukke werkkring, werk dat men met liefde en toewijding
verricht, is de grootste troost bij alle moeilijkheden in het leven, maar
voor jonge, normaal aangelegde menschen is het toch blijkbaar niet het ééne
noodige. Ik gevoelde mij niet gelukkig. Toen eenmaal het liefdegevoel was
ontwaakt, kon dat niet meer onderdrukt worden door een met liefde
waargenomen werkkring als eenig levensdoel. Er was een onrust over mij
gekomen, die op bedenkelijke wijze invloed kreeg op mijn geestesleven. Toch
wilde ik mij daaraan niet onderwerpen. Ik wilde vrij en onafhankelijk
blijven, om de taak die op mij rustte, naar mijn beste weten en kunnen te
volbrengen. Daarom nam ik mij ernstig voor, strijd te blijven voeren tegen
mijn innerlijke verlangens, en daarbij prentte ik mij in, dat onder de
gegeven omstandigheden een huwelijk mij evenzeer onbevredigd zou laten.
***
In het voorjaar van dat jaar, 1884, had ik twee ernstige patiëntjes gehad,
meisjes van 12 en 14 jaar. Die kinderen, uit een rijke koopmansfamilie te
Amsterdam, waren vriendinnetjes geworden. Haar
vader was ook ziek geweest en nu zou hij, door zijn vrouw vergezeld, op raad
van zijn geneesheer voor een badkuur naar Kissingen gaan. Ik zou het
toezicht blijven houden op de beide kinderen en hen in het begin van
Augustus naar Luzern brengen, waar de ouders na afloop van de badkuur zich
ook heen zouden begeven. Daar was ik uitgenoodigd de gast van de familie te
zijn. Met eenig voorbehoud nam ik de uitnoodiging aan. Wel zou ik de meisjes
naar Luzern brengen en een of twee weken bij hen blijven, maar daarna wilde
ik vrij zijn, om op eigen gelegenheid nog eenigen tijd in Zwitserland rond
te trekken.
In de tweede week van mijn verblijf in Luzern, maakte | | | | ik kennis
met drie Engelschen, een broeder met twee zusters, die van plan waren om een
voetreis te maken door een deel van Zwitserland. Wij kwamen overeen dat ik
mij bij hen zou aansluiten. Toen ik kort daarna op een schemeravond aan het
Luzernermeer alleen heen en weer wandelde, zag ik op een terugkeerend
stoombootje eenige heeren en onder hen herkende ik Gerritsen! Hij had ook
mij opgemerkt. Het was niet toevallig dat hij in Luzern opdook, want in
Amsterdam had hij mijn adres vernomen. Toen ik hem vertelde van de drie
Engelschen met wie ik over een paar dagen een voetreisje ging maken, vroeg
hij of ik er iets tegen had indien hij verzocht zich te mogen aansluiten.
Daartegen had ik geen bezwaar en de zaak kwam in orde. Op den bepaalden dag
ging ons vijftal op weg. We hadden afgesproken geen al te groote tochten te
maken. We zouden ons den tijd gunnen om eens een zijweg in te slaan, of op
een mooie plek wat blijven peinzen en praten, en we zouden alle eentonige
gedeelten afleggen per spoor, op een stoomboot of met een voertuig. Het
reisplan was, om van Luzern over de Brünig naar Meiringen en Brienz te
wandelen, van daar naar Spiez, Kandersteg, en dan de Gemmi over naar Leuk.
Dan zouden we de Rhône volgen tot Martigny en van daar naar Chamonix
trekken.
Toen we op zekeren avond over de Gemmi in Leukerbad (Loèche-les-Bains) waren
aangekomen en daar alleen zouden overnachten, maakte ik eenige bezwaren.
Deze badplaats en de geneeswijze die er werd toegepast, interesseerden mij
buitengewoon. Op uitnoodiging van den vriendelijken geneesheer, besloot ik
hier in Leukerbad twee dagen alleen achter te blijven, waarna ik des avonds
van den tweeden dag de overigen per spoor weer zou inhalen en mij bij hen
voegen. Dit program werd precies uitgevoerd, maar toen ik aan het bepaalde
station uitstapte, vond ik op de afgesproken plaats alleen Gerritsen. Hij
vertelde dat onze Engelsche vrienden naar Martigny waren doorgereisd, om
vandaar over Parijs huiswaarts te keeren.
| | | |
Wat zouden wij nu doen? Zouden we het reisplan samen voortzetten en de
gevolgen daarvan aanvaarden? Den volgenden dag zouden we tot een besluit
komen.
Een wettig huwelijk, daarover waren we het eens, was voor ons beiden buiten
kwestie. Een vrij huwelijk, waarbij wij elk onze volle vrijheid zouden
behouden en economisch onafhankelijk van elkander zouden zijn, waarbij wij
zelfs afzonderlijk zouden blijven wonen, daartegen konden alleen begrippen
van conventie bezwaren in den weg leggen. Als twee volkomen vrije menschen,
konden we, door het leven naar eigen overtuiging te regelen, alleen ons zelf
dienen of schaden. Ons verbond zou berusten op een beproefde vriendschap, op
wederzijdsche waardeering en groote overeenstemming in levensopvatting.
De bezwaren die er tegen waren aan te voeren, konden niet opwegen tegen de
voordeelen die het verbond voor ons zou meebrengen, en daarbij in de eerste
plaats verhoogd levensgeluk. We kwamen overeen alle groote en kleine
vacanties samen door te brengen en verder ons leven weder te volgen als
vroeger. Nooit heeft ook maar één oogenblik het gevoel mij bekropen, dat ik
door ons leven op deze wijze in te richten, geen hoog zedelijk standpunt had
ingenomen. Integendeel waren wij beiden overtuigd dat huwelijken in de
toekomst op deze wijze behoorden te worden aangegaan en dat daarmede de kans
zou worden geopend dat zij ook op den duur gelukkig zouden zijn.
In het laatst van 1885 en het begin van 1886 werd bij Gerritsen de wensch
steeds sterker om Amersfoort te verlaten en zich te
Amsterdam blijvend te vestigen. Die wensch werd
versterkt omdat hij zich liefst van de handelszaken wilde losmaken, en zich
naar zijn neiging meer in wetenschappelijke richting ontwikkelen.
Samen zochten wij toen te Amsterdam een voor hem geschikte woning. Ik huurde
zijn dienstpersoneel en volgens onzen gemeenschappelijken smaak werd het
huis ingericht. Ampel bespraken we toen of we niet tot samenwonen zouden
overgaan. Daarvan echter werden we terug | | | | gehouden door mijn
vrees dat, door het zoo openlijk trotseeren van de publieke opinie, mijn
medische praktijk zou worden geschaad en ik daardoor mijn economische
onafhankelijkheid zou verliezen. Dit deden we dus niet, maar doordat we nu
in elkaar's nabijheid woonden, werd ons leven inniger. Er ging geen dag
voorbij of we wisselden ten minste een briefje.
Gedurende de beide eerste jaren van zijn verblijf te Amsterdam, volgde
Gerritsen aan de Universiteit de colleges in staatsrecht en
staathuishoudkunde, en altijd kon ik er op rekenen dat hij mij van alles wat
hem wetenswaardig leek, geheel op de hoogte bracht. Toen hij in 1888 met
enkele andere vooruitstrevende mannen den Radicalen Bond oprichtte, de
eerste politieke partij welke het vrouwenkiesrecht in haar program opnam, is
mijn invloed daaraan natuurlijk niet vreemd geweest. In die partij werden,
evenzeer voor de eerste maal in ons land, onder dezelfde bevoegdheden als de
mannen, ook vrouwen als leden opgenomen.
In het voorjaar van 1890 ging Gerritsen voor drie maanden naar Parijs met het
tweeledig doel om daar colleges te volgen in économie politique en
financiewezen, en zich tegelijk meer bedrevenheid eigen te maken in het
gebruik van het Fransch. Bij het nalezen van de brieven uit dien tijd,
waarin hij mij op de hoogte bracht van alles wat hij zag en ondervond, werd
ik getroffen door een eenvoudige mededeeling die ons thans, in den tijd van
druk autoverkeer, vreemd en zelfs naïef moet toeschijnen. In een brief van
19 Juni 1890 lees ik het ongehoorde feit: ‘Gisteren hebik onder de honderden
rij tuigen in de Champs Elysées er een gezien zonder paard! Dat is nu wel
geen wonder, maar als ik er bijvoeg dat het niettemin voortbewoog, ongeveer
met denzelfden spoed als andere rijtuigen met een paard in draf, wat zeg je
dan? Het was een rijtuig in den vorm van een groote tilbury. Hier noemden ze
het een charette. Er zaten twee heeren in, waarvan de een stuurde met een
lang roer dat bevestigd was aan een | | | | voorwiel. Het werd
voortbewogen door stoom. De kleine machine was aangebracht onder het
rijtuig. Zij gaf geen rook en maakte geen geraas. Een aardige uitvinding,
niet? Wie weet wat de electriciteit ons op dit gebied voor wonderen brengen
zal!’
Kort nadat Gerritsen uit Parijs was teruggekeerd, maakte ik mij gereed om
naar Berlijn te gaan om deel te nemen aan een internationaal geneeskundig
congres. Die reis was voor mij nog byzonder aantrekkelijk omdat ik daar zeer
waarschijnlijk mijn vroegere medische vrienden uit Engeland zou ontmoeten,
ongerekend verschillende beroemdheden uit andere landen. Die verwachting is
ook vervuld en nog tegenwoordig heb ik de aangenaamste herinneringen aan dat
congres en aan alles wat daaraan was verbonden, behouden.
Door dat verblijf in Parijs en mijn reis naar Berlijn, zagen Gerritsen en ik
elkander in vele maanden slechts zelden, al onderhielden we dan ook onze
innige verstandhouding zooveel mogelijk door een drukke correspondentie. Ook
werd het leven van Gerritsen veronaangenaamd door voortdurende moeilijkheden
met zijn personeel. En daarbij kwam mijn steeds sterker wordend verlangen
naar het moederschap. Al die redenen bij elkander leidden er toe, dat wij in
den winter van 1890-'91 tot de overtuiging kwamen dat we ons leven anders
moesten inrichten. De vraag was en bleef niettemin hoe wij onze manier van
leven zouden wijzigen? Weer overwogen we om, zonder een wettig huwelijk te
sluiten, samen te gaan wonen. Maar zou ik dan durven gehoor geven aan den
drang naar het moederschap en misschien een kind ter wereld brengen dat de
nadeelen zou moeten dragen van ons handelen in strijd met de gangbare
begrippen van moraliteit? En ten andere, zou Gerritsen, die steeds sterker
lust gevoelde om in het politieke strijdperk te gaan, daarbij geen
moeilijkheden ondervinden indien hij niet wettelijk gehuwd was?
Och, hoe nietig en klein lijken mij al die bezwaren in | | | | het
licht van den tegenwoordigen tijd! Waarom niet moedig voortgezet wat zoo
fier was begonnen?
In den zomer van 1891 besloten we samen een groote vacantie door te brengen
en dan tot overeenstemming te komen. We gingen over Parijs en St. Malo naar
Jersey om dan over Guernsey en Londen terug te keeren. Op onze lange
wandelingen, waarbij wij de beide heerlijke eilanden met hun verrukkelijk
klimaat bijna geheel doorkruisten, hadden we ruimschoots gelegenheid om
plannen voor de toekomst te maken. We overwogen het voor en tegen van
trouwen en niet-trouwen, van samen of nietsamen wonen, totdat we ten slotte
de ware oplossing meenden te hebben gevonden door het volgende besluit. Wij
zouden samen gaan wonen, een wettig huwelijk aangaan, maar voor het overige
vrij en onafhankelijk van elkander leven. Daartoe zou ik mijn eigen naam
blijven voeren, mijn praktijk vervullen als te voren en in het bezit blijven
van mijn eigen vermogen en verdiensten. In onze gemeenschappelijke woning
zouden onze appartementen gescheiden zijn. Alleen eetkamer en salon zouden
gemeenschappelijk bezit worden. Ieder zou zijn eigen kamers meubileeren. Aan
het einde van het jaar zouden de kosten van het huishouden worden opgeteld
en daarvan zou ieder de helft betalen. Kleeding, boeken en andere
persoonlijke uitgaven, zou ieder voor zichzelf bekostigen. Voorts zouden we
natuurlijk zoo streng mogelijke huwelijksche voorwaarden maken. Op die
wijze, meenden we, zou ieders vrijheid ook in het huwelijk gewaarborgd zijn.
Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, wilden we onze
plannen ook zoo spoedig mogelijk tot uitvoering brengen. Zoodra we te Amsterdam terug waren, begonnen we uit te zien naar
een geschikte woning. Het was echter niet zoo gemakkelijk om er een te
vinden die aan al onze eischen voldeed. Toen het ons niet vlug genoeg ging,
besloten we een huis te koopen, dat door verbouwing en vertimmering geschikt
kon worden gemaakt. Het gewenschte perceel werd eindelijk gevonden | | | | in de Tesselschadestraat, dat later het hoekhuis van die
straat en de Roemer Visschersstraat is geworden. In dat huis hebben we samen
gewoond tot Gerritsen's dood en ik daarna nog alleen tot 1911.
De vertimmering en het in orde brengen van de woning duurde veel langer dan
ons lief was en eerst in April 1892 konden we het huis betrekken. Om ons
zooveel mogelijk te onttrekken aan ongewenschte inmenging, hebben we de
dagen tusschen ondertrouw en huwelijk te midden van onze vrienden in Londen
doorgebracht.
Hoewel de wethouder die ons huwelijk wettigde een toespraak hield, welke er
op was ingericht om twee zulke radicale elementen met de wettelijke actie te
verzoenen, kon dit toch niet verhinderen dat er verontwaardiging op mijn
gezicht was te lezen, toen ik de belofte van gehoorzaamheid moest afleggen.
Steeds heb ik daarna, waar zich de gelegenheid aanbood, in woord en
geschrift geijverd om die belofte van gehoorzaamheid uit de wettelijke
bepalingen omtrent het huwelijk te verwijderen. Die belofte is reeds lang
uit den tijd. Zij doet de mannen die ze in het huwelijksformulier
neerschreven en zij die haar blijven handhaven, van een zeer bedenkelijke
zijde kennen. In het huwelijk, zelfs in de meest conservatieve gezinnen, is
van ‘gehoorzaamheid’ der vrouw in werkelijkheid nooit sprake geweest. Ieder
weet maar al te goed, hoe de mannen waar zij meenen gehoorzaamd te worden,
op allerlei manieren bij den neus worden genomen. Waarom dan nog maar
altijd, op zulk een voor vele menschen gewichtigen dag, een belofte te laten
uitspreken die een leugen inhoudt?
In September 1893 konden wij ons eerste kind verwachten. Met groot verlangen
werd het tegemoet gezien. Nog in het begin van de zevende maand verrichtte
ik een zware forcipale verlossing bij eene patiënte, en tot den laatsten dag
van mijn zwangerschap bleef ik mijn consultatieve praktijk vervullen, maar
toch kon ik genoeg vrije oogenblikken vinden om zelf het kinderuitzet te
maken.
| | | |
In Januari 1893 was Gerritsen in het district Leeuwarden candidaat gesteld voor de Tweede Kamer. Hij was daar de
eerste candidaat van den nog jongen Radicalen Bond en hij stond er tegenover
den in Friesland bekenden liberalen candidaat J. Troelstra, de vader van den
sociaaldemocratischen leider Mr. P.J. Troelstra, die toen echter nog
studeerde aan de Universiteit te Groningen. Het was een zware
verkiezingscampagne waarvoor de sprekers van de radicale partij allen in het
gareel kwamen. Avond op avond werden er vergaderingen gehouden, dan hier dan
daar in het district. Hoe laat Gerritsen van zulke bijeenkomsten, meest nog
na een urenlangen rit in een rijtuig, ook te Leeuwarden terugkeerde, nooit
verzuimde hij vóór het naar bed gaan, mij nog even een briefje te schrijven
om mij van den stand van zaken op de hoogte te brengen. Geen wonder dat door
de hulp van zulke jonge, met frissche idealen bezielde medewerkers, het
pleit in Friesland werd gewonnen. Als de eerste radicale afgevaardigde kon
Gerritsen in de Kamer optreden.
Ondanks die drukte van den verkiezingstijd heb ik toch geen enkel briefje van
Gerritsen ontvangen, of op de een of andere wizje bevatte het iets over de
blijde verwachting en legde het ondubbelzinnige getuigenis af hoezeer die
naderende gebeurtenis ons beider gedachten steeds bezig hield en vervulde.
Het kindje waarnaar we zoozeer hadden verlangd, heeft slechts één dag mogen
leven. Door een fout van den accoucheur bij de geboorte, was het geen langer
leven beschoren. Hoezeer ons deze slag heeft getroffen, kan ik niet
neerschrijven. Jaren heb ik noodig gehad om het verdriet te boven te komen.
En toch heb ik later, wanneer ik terugdacht aan dien droevigen tijd, mij
gelukkig gerekend dat ik, al was het dan ook maar voor eenen dag, de
moederweelde heb gekend, de emoties heb gehad die het in de armen voelen van
een eigen kind opwekken.
***
We hadden ons leven weder ingericht als voorheen. | | | |

dr. aletta h. jacobs en mrs. carrie chapman catt met
een groep van vrienden uit alle provinciën van zuid-afrika in
natal, vóór zij zuid-afrika verlieten
| | | | Ieder wijdde zich aan eigen arbeid. Zooveel ons werk het
toeliet, gebruikten wij de hoofdmaaltijden samen, maar voor de rest van den
dag zagen we elkander maar zelden. Alleen wanneer ik mij, bij goed weer,
tegen half vier vrij kon maken, vergezelde ik Gerritsen op een van zijn vele
tochten naar de haveninrichtingen, voor welke hij met voorliefde werkte en
waar hij vele verbeteringen wist aan te brengen. Op andere dagen ging ik met
hem mee op een inspectietocht naar een van de vele stedelijke inrichtingen
voor armenzorg. Wandelend doorkruisten we verschillende nieuwe wijken en de
achterbuurten, zoodat Gerritsen, die immers geen geboren Amsterdammer was,
toch in den Raad blijk kon geven dat hij de stad door en door kende en op de
hoogte was van alles wat Amsterdam aanging.
In iedere groote of kleine vacantie gingen we samen op reis. In het eerst
waren het grootendeels voetreizen, maar van 1894 af maakten we bij voorkeur
gebruik van onze rijwielen om ons eigen land en het buitenland goed te
leeren kennen. Wij hadden daarbij de gewoonte om op reis aanteekeningen te
maken en die ook uit te werken en in druk te geven als ‘Reisbrieven’.
Dikwijls bleven ze in portefeuille en dienden ons dan tot inlichting om
sociale toestanden, wetten en gebruiken in ons land met die van andere
landen te vergelijken. We bezochten immers zelden een land of een streek
alleen voor het natuurschoon, het was ons meer te doen om kennis over land
en volk te vergaren. Bij het trekken door een dorp of een stadje hielden we
gesprekken met de bewoners en dikwijls is het ons gebeurd dat we daardoor
veel wetenswaardigs vernamen en nuttige introducties kregen. Zulk een
vluchtige kennismaking leidde niet zelden tot langdurige briefwisseling en
zelfs tot werkelijke vriendschap.
Toen we het rijwiel als middel van vervoer gingen gebruiken, waren we lid
geworden van den internationalen wielrijdersbond. Dat verschafte ons groot
gemak voor | | | | introducties en inlichtingen, want we verzuimden
nooit om in elke plaats den daar gevestigden consul van den bond op te
zoeken. In den regel waren die heeren vriendelijke en ontwikkelde menschen,
die ons alle gewenschte inlichtingen verstrekten.
We gingen 's morgens reeds vroeg op weg, om nog in de ochtenduren in de
plaats die we wilden bezoeken, een fabriek, een inrichting van onderwijs,
een museum of de een of andere sociale instelling te bezichtigen. Als het
bijzondere doel dat we op het oog hadden belangrijk genoeg was, bleven we
een dag over, anders trokken we des middags weer verder. We zorgden er voor,
des avonds tijdig ergens te belanden waar we konden overnachten, en
gewoonlijk waren we dan niet te moe om beiden onze indrukken van den dag op
te schrijven. We verdeelden dan het werk, zoodat Gerritsen het eene en ik
het andere gedeelte van den dag beschreef. We raakten daarmee zoozeer
vertrouwd dat de beschrijvingen direct bij elkaar aansloten, zoodat wanneer
we het geheel in druk brachten, de lezer niet kon merken dat het relaas van
twee handen kwam.
Op dergelijke manier bezochten wij Denemarken, Noorwegen en Zweden. Op
verschillende tijden leerden we bijna heel Duitschland kennen, evenals een
groot deel van Frankrijk, Engeland en Schotland, Zwitserland, Noord-Italië,
Oostenrijk en Hongarije. Enkele van die tochten wil ik toch iets nader
omschrijven.
Op zekeren dag vertrokken we met den trein naar Dresden, bleven daar een paar
dagen om al fietsende de omstreken te bezichtigen, en toen begonnen we een
grooten rijwieltocht door de Saksische Schweiz. Onze bagage, die uit slechts
één koffer bestond, hadden we vooruit gestuurd naar Praag, terwijl we op
onze fietsen alleen de voor een paar dagen noodige dingen medevoerden. Na
Praag zochten we al spoedig onzen weg door het Bohemerwoud tot we de stad
Linz aan den Donau bereikten, vanwaar we op een boot naar Weenen | | | |

dr. aletta h. jacobs en c.v. gerritsen op den
brennerpas
woning in de tesselschadestraat waar c.v.
gerritsen en dr. aletta h. jacobs gedurende hun huwelijk gewoond
hebben
| | | | gingen. Hier bleven we een volle week, gingen eerst naar
Stiermarken en vervolgens door het Salzkammergut naar Insbrück. Toen ging
het over den Brennerpas naar Franzensfeste waar we zijdelings afdwaalden,
den goeden weg verloren en na twee, voor wielrijders wanhopige dagen over
ongebaande paden en met zeer primitieve logeergelegenheden, Belluno
bereikten, waar we den trein naar Venetië konden nemen. Van hier trokken we
naar Padua en Verona, vervolgens naar het Garda-meer en toen op de boot naar
Riva. Daarna over Triënte naar Bozen, even een klein uitstapje naar Méran en
andermaal over den Brennerpas naar Insbrück. De paar dagen die we nog over
hadden, besteedden we om door het Mittelwald naar München te wieleren, en
daar stapten we eindelijk in den trein naar Amsterdam. Voor deze reis hadden
we ruim negen weken noodig gehad.
In denzelfden trant spoorden we een ander jaar naar Antwerpen en fietsten
toen naar Gent, Kortrijk en Boulogne waarbij we alle bekende badplaatsen
langs de kust bezochten, telkens een dag en een nacht stil blijvende, totdat
we in Hâvre aankwamen. Van hier gingen we naar Honfleur en volgden toen de
Seine om over Rouaan naar Parijs te gaan. In Rouaan echter troffen we weer
een van die vriendelijke raadgevers van den internationalen rijwielbond, een
advocaat die tegelijk een hartstochtelijk wielrijder was. Hij vertelde ons
zooveel over het interessante Rouaan en de mooie omgeving, dat we besloten
daar enkele dagen te blijven om met hem en zijne vrouw eenige uitstapjes te
maken. Als we na die mooie tochten in de stad terugkwamen, werden we door
het vriendelijke echtpaar op de hoogte gebracht van het dagelijksch leven
van de Rouaansche bevolking. Deze aangename kennismaking heeft geleid tot
een goede vriendschap en tot een jarenlange briefwisseling. Na ons bezoek
aan Parijs namen we een grooten omweg waarbij wij over Nancy en Metz door
Luxem- | | | | burg naar Luik reden om vervolgens over Maastricht
huiswaarts te keeren.
Nog één reis wil ik in het kort beschrijven, niet alleen omdat het een van
onze grootste tochten is geweest, maar ook omdat er zulke aangename
herinneringen aan verbonden zijn. Het was in den zomer van 1898. Steeds
fietsende kwamen we den derden dag te Vlissingen aan gingen daar aan boord
naar Engeland en vervolgens met den trein naar Londen. Toen we daar enkele
dagen hadden rondgetoerd, gaven we gevolg aan een uitnoodiging van een ouden
vriend, Dr. G.B. Clarke, om eenige dagen zijn gasten te zijn op zijn mooie
landhuis in Surrey.
Ook deze vriendelijke gastheer was een verwoed wielrijder. Iederen morgen en
middag maakten we onder zijn geleide mooie tochtjes in de omstreken en
eenige dagen vergezelde hij ons ook op den grooten tocht naar Schotland,
dien we ons hadden voorgenomen. We gingen uit Surrey over Windsor langs de
Theems tot Oxford en vandaar naar Stratford-on-Avon, wereldvermaard als
geboorteplaats van den grootsten Engelschen dichter. We logeerden er in het
hotel Shakespeare, waar iedere kamer geen nummer droeg, maar den naam van
een Shakespeare-drama. Toen trokken we naar Birmingham en bleven er enkele
dagen, om in dit centrum van de Engelsche nijverheid kennis op te doen van
de arbeidstoestanden. Daarop reisden we een paar uren per spoor, om een
eentonige streek die ons niets bijzonders kon opleveren, te vermijden. Maar
te Carnforth, aan het begin van het merendistrict van Cumberland en
West-moreland, bestegen we weer onze rijwielen en zoo bereikten we nog
denzelfden dag het lieflijk gelegen Windermere. Dit is de plaats waar de
Londenaars gaarne hun week-end doorbrengen, vooral wanneer ze die kunnen
uitbreiden met een vrijen Maandag. Nu was er juist zoo'n Maandagsche bank
holliday op komst en het gevolg was dat we maar één nacht konden
overblijven, omdat voor de drie volgende dagen in heel | | | |
Windermere alle slaapgelegenheden waren besproken. Den anderen ochtend
vertrokken we daarom naar Keswick en daar bleven we een paar dagen om
uitstapjes te maken. We wilden nu in één dag Glasgow bereiken, maar in
Ecclefechan werden we door een stortregen overvallen en konden niet verder.
We wisten wel dat dit de geboorteplaats was van Thomas Carlyle en dat hij op
het nietige kleine kerkhof lag begraven, maar bij allen eerbied voor zijn
nagedachtenis, betreurden we toch dat we genoodzaakt waren om in de eenige,
primitieve, maar ten minste zindelijke herberg te overnachten. Toen het den
volgenden dag nog plasregende, gingen we met den trein naar Glasgow. Hier en
in de omgeving was zooveel te zien en te leeren, dat we er een week bleven
en iederen dag uitstapjes maakten. Op een van deze kwamen we in het stadje
Lanark met zijn vele spinnerijen. Het was een plaats die mij bijzonder
belang inboezemde omdat Robert Owen er zijn socialistische proefnemingen had
verricht.
Op een avond maakten we in ons hotel te Glasgow kennis met een
vertegenwoordiger van de firma William Beard & Co., eigenaars van
steenkolenmijnen te Bothwell. Toen hij vernam dat wij gaarne een kolenmijn
wilden zien, noodigde hij ons uit bij hem te komen. Bothwell ligt ongeveer
een half uur sporens van Glasgow. Bij wijze van voorbereiding vertoonde men
ons teekeningen van de mijn met de verdeeling van schachten en gangen. Toen
werden we in mijnwerkerspakken gestoken. Voor mij was een jongenspak gereed
gelegd, maar ik moest toch de mouwen en de broekspijpen nog omslaan om me
beter te kunnen bewegen. Mijn haren werden bedekt met een kap en waren
daardoor, naar ik meende, goed afgesloten. We kwamen onder geleide van een
goedigen meesterknecht, die steeds zijn best deed om ons in te lichten.
Reeds het afdalen vond ik griezelig en het leek mij eindeloos lang vóór we
het vereischte niveau op een diepte van 600 meter hadden bereikt. Na het
gebruike- | | | | lijke oponthoud onder een soort van klok, om aan
den luchtdruk te wennen, begon de urenlange tocht dien ik nu niet in
bijzonderheden zal beschrijven, omdat dit reeds dikwijls is geschied en
omdat de kolenmijnen overal hetzelfde beeld vertoonen, een triestige
combinatie van onheilspellende duisternis, moeilijke begaanbaarheid en een
onmenschwaardig lijkenden, zeer zwaren en naar verhouding slecht betaalden
arbeid. Kortom, het beeld dat Zola in zijn ‘Germinal’ op zoo aangrijpende
manier heeft geschilderd. Van dat alles kregen we op den langen en moeizamen
tocht door nauwe gangen, waar we dikwijls gebukt moesten loopen of zelfs op
de knieën voortkruipen, een diep besef. Ik gevoelde diepe deernis met de
zwoegende mijnarbeiders en niet minder met de arme paarden die gedoemd zijn
om hun leven in de donkere diepte te slijten, zonder ooit het daglicht terug
te zien. Graag wil ik bekennen dat ik, zwaar transpireerend van inspanning
en door de hitte, op den duur doodmoe was geworden. Op het laatst bleef ons
een extra sensatie niet gespaard, toen we een mijnwerker tot onzen geleider
hoorden zeggen: ‘There's something wrong!’ Het bleek dat er een electrische
kabel was gebroken en dat daardoor het geregeld oprijden van de
kolenwagentjes in een deel van de mijn was gestremd. Tegelijk was de lift
die ons naar beneden had gebracht, defect geraakt, zoodat we nog een eind
verder moesten loopen naar een andere schacht.
Nooit heb ik met meer vreugde het daglicht begroet, dan toen wij dien middag,
na vier uren in het duister te zijn geweest, eindelijk weer boven kwamen! In
welken toestand van vervuiling kan ik nauwelijks beschrijven. Neus, mond,
ooren en oogen zaten vol kolengruis en stof. Gelukkig wachtte ons ten huize
van onzen gastheer een verfrisschend bad en daarbij bleek dat mijn haren,
ondanks de beschermende kap, stijf zaten van het stof. Na een uur waren we
naar het uiter- | | | | lijk weer presentabel, maar nog dagen lang heb
ik het gevoel gehad of mijn slijmvliezen nog vol zaten met gruis en stof.
Een bezoek aan een kolenmijn is, zelfs in ons land nu we in Zuid-Limburg een
groot staatsbedrijf hebben, tegenwoordig geen zeldzaamheid meer, maar toen
wij beiden te Bothwell afdaalden, kwam het ook in Schotland zeer zelden
voor, dat een vrouw tegen zulk een tocht niet opzag en zich niet liet
afschrikken door welgemeende waarschuwingen. In zooverre heb ik er nooit
spijt van gehad, omdat ik een onuitwischbaren indruk heb behouden van het
leven der mijnwerkers.
Nadat we van Glasgow uit een heele week op dergelijke manier goed hadden
besteed, bestegen we weder onze rijwielen om door Inveraray naar Oban te
gaan. Hier zouden we een paar dagen blijven, maar het was er vol badgasten,
daarom besloten wij op een boot naar Fort William te gaan en van daar weder
op de fiets naar Inverness. Van deze plaats reden we naar Gairloch en staken
vandaar over naar het eiland Skye, dat in die dagen druk werd besproken,
omdat de Crofters, de hutbewoners, er in opstand waren gekomen tegen de
grondeigenaars. Om zijn mooie natuur is Skye overigens vermaard en wordt
veel bezocht door Engelsche en Schotsche families.
Een rijwieltocht van Inverness naar Gairloch vordert eenige dagen. Den
tweeden dag na ons vertrek hadden we veel last van regenbuien, zoodat we
telkens ergens moesten schuilen. Eindelijk dachten we door snel te rijden
het dichtst bijzijnde hotel nog wel te kunnen bereiken, maar toen we een
goed eind op weg waren, brak er weer een plasregen los. 't Was al bijna
zeven uur en er was geen huis in zicht. We zagen alleen een klein kerkje.
Daar gingen we heen om te vragen of er misschien niet ver af een
spoorweghalte was. Toen we daarop aan de pastorie aanklopten, werden we
vriendelijk ontvangen door den ongetrouwden predikant | | | | en zijn
huishoudster. Zij zeiden dadelijk dat we onmogelijk verder konden. De
dominee zeide dat indien ik de huishoudster wilde helpen om een kamer in
orde te brengen, en als we het met een eenvoudig maal voor lief wilden
nemen, we gerust konden blijven. Natuurlijk namen we dat gaarne aan. Onder
het avondeten had ik op een tafeltje een schaakspel zien staan. Het bleek
dat de predikant een groot schaakliefhebber was. Terwijl Gerritsen na den
eten mocht snuffelen in de bibliotheek van den ouden heer, speelde ik een
partij schaak met hem en het gevolg was, dat we eerst na middernacht naar
bed gingen. Den volgenden morgen waren we reeds vroeg reisvaardig, maar de
huishoudster kwam ons vertellen dat we niet weg mochten. De dominee was al
voor dag en dauw uitgegaan om een paar konijnen te verschalken voor een
lekker maal, en in geen geval konden we vertrekken vóór zijn eerwaarde terug
was. Toen hij thuis kwam smeekte hij ons letterlijk om nog een paar dagen te
blijven. Het was blijkbaar zoo goed bedoeld, dat we besloten althans dien
eenen dag nog zijn gasten te blijven. Zoo kregen we een kijkje in het leven
van een Engelschen dorpspredikant. 't Leek ons niet erg benijdenswaard.
Toen we van het eiland Skye in Gairloch waren teruggekeerd en van daar weer
naar Inverness reden, kozen we een andere route dan de vorige. Uit Inverness
zijn we toen eerst naar Aberdeen gereden en vandaar langs de Dee naar
Braemar. In Ballater brachten we een bezoek aan de hoeve Ballaterach, waar
Byron zijn jonge jaren heeft doorgebracht en waar Mary Robertson, de dochter
van den pachter, het voorwerp is geweest van zijn eerste liefde. Aan die
idylle dankt men eenige mooie gedichten. De hoeve was sedert dien tijd
echter geheel veranderd.
Braemar, waar Koningin Victoria haar zomerverblijf had, loonde de moeite van
een bezoek. Van hier uit moesten we over twee moeilijke bergpassen om ons
| | | | volgende doel te bereiken. 's Morgens vroeg vertrokken we
van Braemar bij het prachtigste weer, maar toen we den eersten bergtop
hadden bereikt, zaten we in zulk een dikken mist, dat we geen meter voor ons
uit konden zien. Die mist was bovendien koud en nat, zoodat onze kleeren
doorweekt waren. Wat nu te doen? Even te voren hadden we aan den weg een
armoedige hut gezien, de eenig zichtbare menschelijke woning. We slaagden er
in om die hut weer te vinden. De bewoners waren twee, meer dan 70-jarige
zusters, die ons liefderijk verwelkomden. Er werd een vuurtje gemaakt van
takkebossen, waarbij we onze natte kleeren konden drogen. Deze vrouwen van
goeden stand hadden betere dagen gekend en toen die voorbij en zij niet meer
in staat waren om in eigen onderhoud te voorzien, had de familie haar op een
koopje in dit eenzame oord onder dak gebracht. Toen we hier een paar uren
hadden gezeten en het weer niet in het minst was veranderd, leek het ons
onmogelijk om in dit schamel verblijf langer te blijven. We vroegen of het
niet mogelijk zou zijn om in de omgeving een herberg of een ander huis te
bereiken waar we konden overnachten. Toen is een van de oude dames met ons
meegegaan om ons den weg te wijzen naar het achter hare woning gelegen huis
van den jachtopziener. Onze rijwielen lieten we achter. De jachtopziener was
niet thuis, maar we werden ontvangen door zijn zuster en dat ging op een
echt Schotsche manier, stroef en knorrig. Zoo iets hadden we echter al
dikwijls meegemaakt en lieten er ons niet door afschrikken. Het was altijd
beter gemeend dan het leek. ‘Kom maar binnen,’ zei de zuster, ‘ik zal wel
thee voor jullie zetten, maar ik hoop dat het weer gauw opklaart zoodat
jullie verder kunt gaan.’ Spoedig stond er een goede Engelsche thee met
brood, kaas en eieren klaar, het houtvuur knapte lekker en kort daarna zat
Betsy Wallace, zoo heette onze gastvrouw, gezellig met ons te praten,
precies of we oude kennissen waren.
| | | |
Na eenigen tijd kwam ook de broer thuis, een goedhartige, flinke man, die
onmiddellijk zeide dat we er goed aan hadden gedaan om bij hen aan te
kloppen, want op onzen verderen weg zouden we over een langen afstand geen
huis meer hebben gevonden, en bovendien was een eind verder een gevaarlijke
bocht.
Tegen vijf uur klaarde het een beetje op. We vroegen den jachtopziener wat we
nu zouden doen, onzen tocht voortzetten of naar Braemar terugkeeren. Hij
ging naar buiten om poolshoogte te nemen en kwam terug met de uitspraak dat
we moesten blijven. Het weer was niet te vertrouwen en of we het een of het
ander deden, in beide richtingen liepen we gevaar een ongeluk te krijgen. Nu
werd in de ‘mooie kamer’ een veldbed gespreid en 's avonds aten we met broer
en zuster het avondmaal, dat bestond uit gestoofde aardappelen en slappe
koffie. Maar welk een gezellige prater was de vriendelijke jachtopziener!
Den heelen avond vertelde hij ons bijzonderheden en anecdoten uit het
Schotsche boerenleven. Toen we den volgenden ochtend met mooi en helder weer
vertrokken, waren onze fietsen versierd met bossen bloeiende witte heide.
Die was Betsy in de vroegte gaan zoeken. Dat bracht geluk aan, zeide zij
hartelijk. Van betaling voor hun gulle gastvrijheid wilden broer noch zuster
hooren, en toen ik vroeg of ik dan niets kon doen om blijk van
erkentelijkheid te geven, zeiden ze dat zij het prettig zouden vinden als we
hun nu en dan eens iets schreven, om hun te toonen dat we hen niet waren
vergeten. Nu, dat heb ik ook gedaan. Vele jaren achtereen heb ik Betsy en
haar broer met Kerstmis een kleine attentie gezonden, iets waarmee ik dacht
hen genoegen te doen. Dan volgde er altijd een kort, stroef briefje als
antwoord. Het heeft zoo lang geduurd tot hetgeen ik zond als ‘onbestelbaar’
terugkwam.
Na dit avontuur bezochten we nog de Trossacks, waar we uitstapjes maakten
naar en over verschillende meren, en daarna reden we over Stirling naar
Edinburg | | | | waar we eenige dagen doorbrachten. Wel hadden we
eerst plan om al fietsende naar Londen te trekken, maar daarmee was toch te
veel tijd gemoeid. In Edinburg hebben we dus onzen rijwieltocht geeindigd en
zijn met trein en boot over Londen naar Amsterdam teruggekeerd.
***
In Juli 1899 zou in Londen het groote internationale Congres van vrouwen
worden gehouden, het eerste in Europa. Het was het tweede Congres van den
Internationalen Vrouwenraad, die tegelijk met het eerste Congres, in 1893,
in Noord-Amerika was opgericht. Maanden te voren had ik mij verheugd in het
vooruitzicht kennis te maken met vele vrouwen uit verre landen met wie ik al
jaren had gecorrespondeerd. Iederen keer wanneer ik weer een brief kreeg met
de vraag: ‘Zal ik u in Londen zien?’ ging mijn hart open en heerlijk vond ik
het daarop toestemmend te kunnen antwoorden. Mijn vreugde over het feit dat
ik al die vrouwen uit verschillende landen bijeen zou zien, allen evenals ik
strevende naar verheffing van de vrouw en verbetering van haar
maatschappelijke, politieke en economische positie, werd nog verhoogd
doordat Gerritsen mee zou gaan om ook aan het Congres deel te nemen. Ik mag
er dadelijk bijvoegen, dat hij een der zeer enkele mannen is geweest die een
spreekbeurt op het Congres hebben vervuld.
Vele Londensche families hadden de vreemdelingen gastvrijheid aangeboden,
meest op een zoo heusche manier dat een weigering niet mogelijk was. Zulk
een uitnoodiging ontving ik van Mrs. Herbert Samuel voor de heele
Congresweek, natuurlijk ook voor mijn echtgenoot. De jonge man die ons op
een morgen aan Liverpool Station kwam afhalen, hielden we, misleid door zijn
jeugdig uiterlijk, voor den zoon van onzen gastheer. Toch was hij het zelf,
Sir Herbert Samuel, de man die later in het politieke leven een bijzondere
rol zou spelen, | | | | dezelfde die de eerste Gouverneur zou worden
van Palestina, wat hij heden nog is. (Over deze aangename kennismaking heb
ik trouwens hiervóór, op blz. 99, reeds een enkel woord geschreven).
Mijn eerste ontmoeting met vrouwen als de toen reeds 80-jarige Miss Susan B.
Anthony uit Amerika, met de predikante Anna Howard Shaw, Mrs. Emmeline Wells
- weduwe van een der eerste Mormonen, die jaren lang Gouverneur van Utah is
geweest, - met Baronesse Alexandra von Gripenberg uit Finland, de twee
Russinnen Madame Anna de Philosofoff en Dr. Kozakevitch Stevanofsky,
verscheidene vrouwen uit Canada, Australië en Nieuw-Zeeland, - wekte bij
allen de duidelijk uitgesproken verwondering op, dat ik nog zoo jong was.
Wel telde ik reeds 45 jaar, maar toen de oude Miss Anthony mij in haar armen
nam en hartelijk kuste, zeide zij: ‘How can it be that you are the same
woman of whom I have heard so many, many years already!’ Hetzelfde hoorde ik
telkens van velen met wie ik nu eerst persoonlijk kennis maakte.
Op een van de eerste groote diners waartoe verscheidene deelgenooten aan het
Congres waren uitgenoodigd, was ik geplaatst tusschen Beatrice Harraden, de
ook in ons land door haar boek ‘Ships that pass in the night’, bekend
geworden Engelsche schrijfster, en de Amerikaansche schrijfster Mrs.
Charlotte Perkins Stetson. Deze laatste had juist haar belangrijke werk,
‘Women and Economics’ voltooid, waarvoor de Fabian Society in Londen haar
het eerelidmaatschap had aangeboden. Eenige jaren te voren trouwens was zij
reeds in Californië met goud bekroond voor een verhandeling over de
arbeidersbeweging. Nog vóór het diner was afgeloopen, had Mrs. Perkins mij
al gevraagd of ik haar nieuwste werk in het Nederlandsch wilde vertalen.
Toen ik toestemmend antwoordde, kreeg ik nog denzelfden avond van haar een
schriftelijke opdracht daartoe. Juist een jaar later, in Juli 1900, kon ik
de vertaling van het boek van | | | | Charlotte Perkins Gilman (haar
nieuwe schrijversnaam nadat zij gescheiden was van den heer Stetson en met
den heer Gilman hertrouwd), getiteld: ‘De Economische toestand der vrouw’,
verschenen bij Tjeenk Willink te Haarlem, het Nederlandsche publiek
aanbieden. Ondanks de zeer waardeerende beoordeeling die het in vele bladen
en tijdschriften ten deel viel, is van dit boek ten onzent niet voldoende
notitie genomen. Toch ‘raakt het een levenskwestie van de tegenwoordige
maatschappij’ (Alg. Handelsblad van 23 Dec. 1900), omdat het een krachtig
pleidooi is voor de economische onafhankelijkheid der vrouw in het huwelijk,
van een zedelijk, economisch en eugenetisch standpunt.
Nog eenmaal, een tiental jaren later, heb ik tijd besteed aan het vertalen
van een boek, ‘Woman and Labour’ door de geniale en sympathieke Olive
Schreiner geschreven. Het moge dan wetenschappelijk niet op één lijn staan
met het boek van de Amerikaansche schrijfster, het behandelt toch van
sociologisch en ethisch standpunt hetzelfde onderwerp en kan dus als een
aanvulling daarvan beschouwd worden.
Onder de vele feestelijkheden waarmede dit, nooit geëvenaarde Congres gepaard
ging, staat helder gegrift in mijn geheugen, de begroetingsavond in Stafford
House, waar de Hertogin van Sutherland en Lady Aberdeen de gasten ontvingen.
Verder ook het prachtige tuinfeest in Gunnersbury Park, waar de Ladies de
Rothschild gastvrouwen waren. Voor dit laatste feest stonden extratreinen de
gasten ten dienste en rijtuigen die hen van en naar de stations reden. Ook
heb ik het voorrecht gehad tot de genoodigden te behooren van Sir Richard
Temple, die twee opeenvolgende weken een twaalftal personen had geinviteerd
om het week-end door te brengen op zijn prachtig buitengoed, ‘The Nash’ bij
Worcester. Verder zal ik niet gewagen van de overige ontspanningen welke de
deelneemsters werden aangeboden. Zij waren zoo talrijk dat iedereen in
beslag | | | | was genomen door lunches en diners, ja zelfs waren er
‘ontbijt-partijen’. Alleen wil ik nog opmerken dat op al mijn
invitatiekaarten achter mijn naam was bijgevoegd: ‘and husband’ of anders:
‘and Mr. Gerritsen’ en dat mijn man in de meeste gevallen van die toevoeging
gaarne gebruik heeft gemaakt.
Toen we in Amsterdam terug waren en aan vrienden en
kennissen van het Congres vertelden, zeide Gerritsen eens, dat het hem op
het Congres duidelijk was geworden, hoe het een fiere vrouw te moede moest
zijn wanneer zij haar leven lang nooit haarzelf mocht wezen, maar altijd
beschouwd werd als een aanhangsel van haar man. Gedurende al dien tijd in
Londen was hijzelf niet anders geweest dan de man van Dr. Aletta H. Jacobs. Zulk een les moest iedere man
maar eens krijgen - zeide hij - dan zouden de vrouwen met haar streven naar
onafhankelijkheid wel beter begrepen worden. De ervaring die hij aldus in
Londen had opgedaan, is voor Gerritsen niet afschrikwekkend geweest, want in
1904 heeft hij mij weer begeleid naar Berlijn, waar toen het volgende
Congres van den Internationalen Vrouwenraad werd gehouden. Over dit congres
zal ik echter niet meer uitweiden en alleen noteeren dat de Wereldbond voor
Vrouwenkiesrecht daar vasten vorm heeft gekregen. Voor mij persoonlijk is
dit Congres nog van bijzondere beteekenis geweest, omdat ik daar voor het
eerst Mrs. Carrie Chapman Catt persoonlijk leerde kennen en vervolgens hare
vriendin ben geworden; en omdat ik ook te Berlijn in nauwere aanraking kwam
met de predikante Anna Howard Shaw, die mij tot haren dood een lieve
vriendin is geweest.
***
Hier volgt nog iets ter illustratie van onze verhouding als man en vrouw,
zooals Gerritsen en ik die opvatten.
Het ligt in de rede dat ik gebruik maakte van de gelegenheid die de Radicale
Bond - later ook de Vrijzinnig- | | | | Democratische Partij - aanbood,
dat vrouwen onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als mannen
leden konden worden. Niet alleen was ik de beginselen van de partij ten
volle toegedaan, maar ik was overtuigd dat ik in haar midden goede
propaganda zou kunnen maken voor betere levensvoorwaarden voor de vrouw.
Daarom werd ik dus een werkzaam lid.
Gerritsen vervulde in de partij een leidende rol en daardoor was ik steeds op
de hoogte van alles wat er aan de orde kwam. Niet lang nadat de radicale
partij in den Vrijzinnig-Democratischen Bond was opgegaan, moest er een
program worden vastgesteld, dat als richtsnoer zou dienen voor onze
partijgenooten die zitting kregen in de vertegenwoordigende lichamen. Voor
het opmaken van een concept-program werd een commissie gevormd en daarvan
werd Gerritsen als voorzitter aangewezen. Ik had een levendige
belangstelling voor dat ontwerp en binnenskamers leverde ik kritiek op
sommige punten die mij niet ver genoeg gingen. Ook miste ik er een paar
punten in. Ik trachtte Gerritsen te bewegen om daarin te voorzien, ten
eerste door te bepalen, dat bij de benoeming van ambtenaren geen verschil
van sekse mocht gelden, doch alleen op bekwaamheid en geschiktheid van de
sollicitanten mocht worden gelet; en ten tweede, dat bij de benoeming van
vrouwen ‘gelijk loon voor gelijke arbeidsprestatie’ in acht moest worden
genomen.
Na eenigen tijd vertelde Gerritsen mij dat het conceptprogram was vastgesteld
en dat mijn beide punten in de commissie geen genade hadden kunnen vinden.
‘En jijzelf?’, vroeg ik. Met een effen gezicht antwoordde hij: ‘Ik maak deel
uit van de commissie en ik heb je het oordeel van de commissie verteld.’
Meer was er niet uit hem te krijgen.
De vergadering van de partij waarin het conceptprogram zou worden behandeld,
om al dan niet geamendeerd te worden vastgesteld, zou te Amsterdam worden | | | | gehouden. Ik peinsde op middelen
om de twee punten die ik wenschte toch nog opgenomen te krijgen. Daarvoor
was ik bij Gerritsen als raadgever aan het verkeerde kantoor. In de
vergadering moest hij het program verdedigen in den vorm zooals het door de
commissie was opgesteld. Hij kon mij den weg niet wijzen om mijn zin te
krijgen, want hij zou daardoor zijn taak nog verzwaren en zelfs toen ik hem
vroeg naar de argumenten op grond waarvan de commissie de bedoelde punten
had verworpen, zeide hij dat hij niet mocht verklappen wat in de
commissievergadering was verhandeld. Misschien hechtte ik te groote
beteekenis aan het opnemen van de beide punten, maar zij lieten mij toch
geen rust en ook de houding van mijn man prikkelde mij tot verzet. Op den
avond vóór de vergadering vroeg ik hem of er nog tijd was voor het indienen
van amendementen. Zeker, - was het bescheid - als ze dan maar vóór de
opening op de bestuurstafel gedeponeerd waren.
Toen we den volgenden morgen samen naar de vergadering gingen, liet ik
Gerritsen een couvert zien, zeggende: ‘Hier heb ik de amendementen die ik op
de bestuurstafel ga leggen’. Toen zei hij: ‘Je moet maar weten wat je doet.
Ik ga je heftig bestrijden!’ Dat klonk niet aanmoedigend, maar ik gaf het
niet op.
Er waren in die dagen nog maar enkele vrouwen lid van den
Vrijzinnig-Democratischen Bond. In deze vergadering was ik zelfs de eenig
aanwezige.
Toen mijn amendementen aan de orde kwamen, vroeg de voorzitter zeer formeel:
‘Wenscht Dr. Jacobs haar amendementen nog toe te lichten?’ Mijn antwoord
luidde dat de twee bedoelde punten geheel in de lijn van onze beginselen
lagen en dus in het program niet mochten ontbreken. Daarom achtte ik
toelichting feitelijk overbodig, maar indien er bezwaren werden aangevoerd
dan zou ik mijn standpunt gaarne nader uiteen zetten. Nu, er kwamen
bezwaren, eerst uit de vergadering en toen van de bestuurstafel. Het was
Gerritsen, de voorzitter, | | | | die met al de scherpte waarover hij
kon beschikken, tegen het opnemen van de twee punten in vezet kwam. Ik
vreesde het pleit te hebben verloren, maar ik deed toch mijn best om de
aangevoerde argumenten te ontzenuwen, bezield als ik was door mijn
overtuiging en door de beteekenis die ik aan het opnemen toekende. Met een
kleine meerderheid behaalde ik tot mijn groote voldoening de overwinning.
Na afloop van de vergadering kwam Gerritsen naar mij toe en terwijl hij
vertrouwelijk zijn arm op mijn schouder legde, zei hij lachend: ‘Ik
feliciteer je met je overwinning!’ De heeren die er getuigen van waren,
toonden zich verwonderd en een van de voornaamsten in de partij zei ronduit:
‘Ik ben werkelijk verbaasd dat zulk een openlijk verschil van meening op die
manier wordt opgenomen!’ Men had blijkbaar gedacht dat ik een standje zou
hebben gekregen omdat ik in het openbaar tegen mijn man was opgetreden. Wat
kende men ons nog weinig! In een van de Amsterdamsche bladen stond den
volgenden ochtend in het verslag van de vergadering een afkeuring over het
gebeurde en daaruit putte het orgaan een argument tegen vrouwenkiesrecht. Nu
kon men eens zien waar het heenging als de vrouwen zich met de politiek
bemoeiden. Het leidde zelfs tot een openlijk conflict tusschen man en vrouw!
***
Gelijk in het voorgaande reeds is medegedeeld, is Gerritsen tot zijn dood lid
geweest van den Gemeenteraad te Amsterdam, en van
1893 tot '97 lid van de Tweede Kamer. Bovendien was hij bij zijn dood nog
lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van 1899 tot 1902 is hij
wethouder van de Handelsinrichtingen en het Armwezen geweest. Door de
ernstige wijze waarop hij in al die colleges zijn taak opvatte en uitvoerde,
en door ons innig samenleven, heb ik op maatschappelijk, wetgevend en
uitvoerend gebied een leer- | | | | school kunnen doorloopen als maar
weinig vrouwen ten deel valt. Daardoor was ik ook in de gelegenheid om
invloed uit te oefenen zoodra in een van die lichamen iets aan de orde kwam
in verband met de belangen van vrouwen en meisjes. Het valt niet na te gaan
of mijn inmenging werkelijk goeden invloed heeft gehad op de positie van de
vrouwen, maar zij heeft mij de voldoening geschonken, dat ik op die wijze
althans getracht heb daartoe iets bij te brengen.
In het bijzonder heb ik er mij over verheugd dat, toen Gerritsen wethouder
was geworden, hem de leiding werd opgedragen van het Armwezen, waaronder ook
ziekenhuizen, weeshuizen, instellingen voor ouden van dagen enz. waren
begrepen. Daardoor heb ik indirect kunnen meewerken tot het verbeteren of
opheffen van misstanden, welke ik in den loop der jaren in sommige van die
instellingen had leeren kennen. Vooral de wijze waarop de zieke armen in de
stad werden behandeld, eischte naar onze overtuiging een radicale
hervorming. ‘Met werklust en werkkracht, met taaie volharding en moed,’ -
zooals een der Amsterdamsche couranten na zijn dood van Gerritsen getuigd
heeft, - begon hij al die instellingen, welke nog werden beheerd volgens
verouderde opvattingen, te reorganiseeren volgens redelijke eischen en naar
de toen doordringende opvattingen van gemeentezorg en van humaniteit. Bij
die herschepping kon hij beschikken en steunen op de kennis van zaken welke
wij beiden op onze vele tochten in het buitenland hadden opgedaan, omtrent
het beheer van zulke instellingen volgens de moderne opvattingen, welke
gelukkig ten onzent ook door een deel van de burgerij werden gehuldigd. Maar
er zijn toch groote moed en volharding noodig geweest om de voorgenomen
hervormingen door te zetten, want het stond bij voorbaat vast, dat bij elke
instelling die aldus onder handen werd genomen, een sterken tegenstand was
te wachten van bestuurders en belanghebbenden, hetzij uit wel begrijpelijke
behoud- | | | | zucht, hetzij uit eigenbelang. Hoe groot het verzet
ook was, Gerritsen heeft zich bij het uitvoeren van zijn plannen nooit laten
ontmoedigen, het prikkelde hem integendeel tot nieuwe inspanning om het doel
te bereiken.
Ontmoedigend en ergerlijk alleen is de tegenstand geweest van de
Amsterdamsche doktoren, toen Gerritsen de Geneeskundige Armenzorg aan een
totale hervorming ging onderwerpen. Hoe konden zij zich op zulk een manier
verzetten tegen het verbeteren van een toestand, welke onwaardig was voor de
stad Amsterdam en voor de doktoren die in stedelijken dienst de
geneeskundige armenpraktijk waarnamen? De eenige verontschuldiging die men
voor hun houding nog kon aanvoeren, zou deze zijn, dat zij wellicht zich
hebben geschaamd omdat niet reeds lang geleden uit hun eigen midden stemmen
waren opgegaan om een einde te maken aan de onmenschelijke behandeling van
de zieke armen. Nu moest een leek op medisch gebied komen om, zonder een
hunner te ontzien wanneer hij te laken was, de geneeskundige armenzorg op
humanitairen grondslag te vestigen.
De unfaire manier waarop de Amsterdamsche doktoren tegenstand voerden, het
doet mij leed dit te moeten zeggen, heeft er niet weinig toe bijgedragen dat
Gerritsen's gezondheidstoestand, die toen reeds te wenschen liet, ernstig
werd benadeeld. Toen hij in den Raad het pleit had gewonnen en hij een
medicus zocht om onder zijn leiding aan het hoofd van den dienst de
hervorming uit te voeren, uitte de wraak van de medici zich op deze manier,
dat zij zulk een druk uitoefenden op ieder die zich aanmeldde, dat niemand
de sollicitatie durfde handhaven, uit vrees voor de moeilijkheden die zijn
collega's hem in den weg zouden leggen. Het heele systeem werd door deze
boycot bedreigd en het zou misschien zelfs schipbreuk hebben geleden, indien
niet te elfder ure Dr. Menno Huizinga den moed had gehad om, de woede van de
Amsterdamsche medici trotseerende, zich bereid te verklaren als directeur
van den geneeskundigen dienst op te treden.
| | | |
Toen Gerritsen enkele jaren later was gestorven, hebben alle bladen om
strijd, als een van zijn belangrijkste verrichtingen, hulde gebracht ‘aan
zijn hervorming van de geneeskundige armenzorg, een groote zegen voor de
zieke armen.’
De verontschuldigende verklaring welke ik hierboven heb aangevoerd voor de
houding van de Amsterdamsche medici, vindt steun in hetgeen in latere jaren
over de geneeskundige armenzorg door medici gepubliceerd werd. Daarin wordt
wel gezegd, dat Gerritsen aan de reorganisatie den stoot heeft gegeven, maar
van de tegenkanting der toenmalige toongevende Amsterdamsche medici werd met
geen woord gerept. Er staat gelukkig tegenover dat in een uitgaaf van den
jongsten tijd, het Gedenkboek bij het 75-jarig bestaan van den
Geneeskundigen Kring te Amsterdam, 21 Sept. 1923 Dr. L. Heijermans, de
directeur van den Geneeskundigen Dienst aldaar, in een overzicht van de
ontwikkeling van dien dienst, aan het initiatief van Wethouder Gerritsen in
1901 recht heeft laten wedervaren.
***
In het begin van 1904 begon Gerritsen's gezondheidstoestand, het zij dan
slechts bij tusschenpoozen, bedenkelijke verschijnselen te vertoonen.
Wanneer hij zich geneeskundig liet onderzoeken werd toch in geen enkel geval
iets verontrustends gevonden. Hijzelf geloofde dat de verschijnselen alleen
het gevolg konden zijn van overwerken. Hij stelde mij nu voor, om mijn
praktijk voorgoed op te geven en gedurende langen tijd samen op reis te
gaan. Dan zou hij eens in een geheel anderen gedachtenkring komen en op die
manier zeker weder volmaakt gezond worden.
Het plan was zeer verleidelijk en het lokte mij vooral aan, omdat we een
lange reis door Noord Amerika zouden maken om daar de sociale toestanden te
leeren kennen. | | | | Om in aanraking te komen met de Amerikaansche
autoriteiten en ons de gewenschte introducties te verschaffen, besloten we
bij wijze van uitgangspunt het eerst deel te nemen aan het Congres van de
Interparlementaire Unie dat in Augustus van dat jaar, 1904, te St. Louis zou
worden gehouden.
Het plan van de reis kreeg dus al vasten vorm, maar alvorens ik mijn praktijk
zou neerleggen, wilde Gerritsen toch dat ik het jubileum zou vieren van mijn
promotie tot doctor in de geneeskunde, 25 jaar geleden. De herinneringsdag
was 8 Maart 1904 (door een vergissing van de feestcommissie werd de viering
op 18 Maart bepaald). Gerritsen werkte er toe mede om het feit te herdenken,
maar hij liet mij van de plannen geheel onkundig.
Er had zich een commissie van vrouwen gevormd en deze heeft er voor gezorgd
dat de 8e Maart 1904 voor mij eenig en onvergeetlijk is geworden. Die
commissie bestond uit de dames Th. P.B. Haver, J. van Buuren-Huys, Martina
Kramers, W. Drucker, Schöffer-Bunge, Van Loenen-de Bordes en E. Kerlen. Van
den vroegen ochtend af stroomden bloemstukken, telegrammen, brieven, binnen-
en buitenlandsche bladen en tijdschriften onze woning binnen. Alles getuigde
van het voor mij, en zooals nu bleek, ook voor anderen heuglijke feit. Vele
oud-patiënten hadden de gelegenheid aangegrepen om mij tastbare bewijzen van
dankbaarheid te geven, een aantal besturen van vereenigingen, waarbij die
van arbeiders mij het meest welkom waren, gaven uiting aan hun vriendelijke
en waardeerende gevoelens door brieven, verzen, telegrammen. Alle groote en
kleine organen van de Nederlandsche pers hadden dien dag meer of minder
uitgebreide levensschetsen van mij, soms nog vergezeld van persoonlijke
herinneringen en indrukken. Enkele van deze gelegenheidsstukjes zal ik mij
veroorloven hier te laten volgen.
In het ‘Sociaal Weekblad’ schreef Cornelie
Huygens o.a.:
| | | |
Weldra bleek, hoe groot een behoefte er bestond aan vrouwelijke
geneeskundige hulp. Reeds van den aanvang af mocht zij zich in een goede
praktijk verheugen, en deze breidde zich met den dag uit. Maakte dit - met
het oog op de bij velen nog bestaande sterke vooroordeelen tegen eene
‘vrouwelijke dokter’ - wellicht veler verwondering gaande, vooral in een
land welks schuwheid tegenover het vreemde en nieuwe bijna spreekwoordelijk
is geworden, voor allen die Dr. Aletta Jacobs persoonlijk leerden kennen,
was het raadsel spoedig opgelost. Wie eenmaal die jonge vrouw met haar
kalm, rustig optreden en tevens zoo vastberaden doortastend handelen aan het
ziekbed hadden gadegeslagen, waren ten diepste overtuigd, dat zij, gehoor
gevend aan den in hare jeugd onweerstaanbaren ziele-drang, hare ware roeping
had gevoeld - dat zij als geneeskundige een terrein betrad, haar door haar
geheelen aanleg als het ware aangewezen. De geestkrachtige kalmte, die
men bij dokters une grâce d'état kan noemen, verloochent
zich bij haar geen oogenblik. Tot zelfs in de meest spannende oogenblikken
blijft aan de sponde der kranken haar blik helder en onbevangen, haar hand
vast, haar stem zacht en bemoedigend, dringt haar bedarende invloed tot de
zieken door. Schrijfster dezes, die wellicht vaker dan iemand in de
gelegenheid is geweest met bewondering op te merken, hoe in dergelijke
oogenblikken het echt vrouwelijke in haar aan een mannelijke geestkracht
zich paart, is het een behoefte op deze eigenschappen van onze eerste
nederlandsche doctores, welke alleen hare patienten en hunne nabestaanden
ten volle vermogen te waardeeren, met nadruk te wijzen. Immers juist
dat zoo echt-vrouwelijke, hetwelk de karakteristiek van haar wezen vormt en
zich zelfs openbaart in kleinigheden, in de nauwgezetheid waarmede zij haar
huishouden bestiert, de keuze harer bezigheden enz., kan beter dan de
welsprekendste betoogen logenstraffen de nog altijd bij sommigen bestaande
vrees, dat de lichtstralen der wetenschap den nimbus van het
waarachtig-vrouwelijke zullen doen verbleeken.
In die dagen bevatte ‘de Telegraaf’ een artikel, geteekend met
de initialen J.C. Daaraan is het volgende ontleend:
Wanneer zij nu over hare minder aangename ervaringen spreekt, dan
doet ze het met een beminnelijken lach op haar vriendelijk, rustig gezicht,
maar indertijd zullen ze haar bitter gesmaakt hebben en ze heeft er zich
toch maar doorheen geworsteld. Dezelfde flinkheid die haar gedurende
den studietijd typeerde, | | | |

dr. aletta h. jacobs in haar werkkamer in 1904 bij
gelegenheid van haar 25 j. doctorsjubileum
| | | | dit durven handelen en optreden, dit aanpakken heeft zij
altijd behouden. Zij heeft haar besliste meening over de verschillende
maatschappelijke vraagstukken en zij formuleert die scherp, uit ze, waar zij
denkt hier mee nut te doen - zij heeft het recht, na haar daden, over haar
denkbeelden te schrijven, voor het publiek te spreken, zooveel te meer omdat
ze het doet in pittigen, anregenden vorm. Haar praktijk, die zich van
het begin af bijna uitsluitend tot vrouwen beperkte - en die wel sterk
aangroeien moest, omdat zij in een dringende behoefte voorzag - bracht haar
de gelegenheid de nooden der menschheid, der vrouwen vooral, grondig te
kunnen bestudeeren, in te zien wat er gebeuren moest ter verbetering der
verkeerde toestanden. Dit inzien was voor haar voldoende luid op haar
denkbeelden uit te spreken om die middelen tot verbetering ingang te doen
krijgen. En daartoe was dikwijls een aanzienlijke hoeveelheid
zedelijken moed noodig. Of was het geen daad van moed de aanvrage van
haar kiesrecht in 1883, terwijl ze haast van te voren weten kon bespot en
belasterd te worden? Moedig ook is haar zich schrap zetten tegen het
ingekankerde maatschappelijke kwaad, de prostitutie. Altijd heeft zij
zich opgeworpen tot hulp der vrouwen, waar deze hulp noodig hadden en in de
vijf-en-twintig jaren van haar werken nu, heeft zij toch ook de voldoening,
te kunnen wijzen op betere maatregelen door haar tusschenkomst in het leven
geroepen. Zoo zal nu een wettelijke regeling komen op de door haar
reeds voor vele jaren met klem geëischte betere behandeling der
winkelmeisjes, voornamelijk wat het staan betreft. Al had zij niets
gedaan dan alleen haar daad van zeventienjarig meisje, dan had zij reeds
daardoor alleen den bewonderenden eerbied van velen verdiend; dat zij nu
vijf en twintig jaren lang haar tijd geeft om mee te helpen tot de oplossing
der gewichtigste sociale kwesties, dat zij haar werkkracht afstaat om te
doen wat zij kan ter verkrijging van de economische en staatkundige
onafhankelijkheid der vrouw, die zij zoo zeer noodzakelijk acht - dit geeft
haar recht op de achting van allen, die weten van het leed, dat er op de
wereld is en een greintje voelen van het machtige, en alles overheerschende
gevoel, dat altruïsme genoemd wordt. Zooals zij daar stond, toen zij
mij ontving, in haar donker, | | | | los kleed, harmonieerend met de
halve donkerte van haar kamer, leek zij mij, bij al haar beslistheid en haar
flinkheid, een ideaal van zachte, teer-voelende vrouwelijkheid tevens.
Het Geillustreerd Zondagsblad van ‘de Echo’ bevatte een aan mij gewijd
artikel, waarvan het slot aldus luidde:
Een enkel woord van hulde en waardeering zij echter ook onzerzijds
daaraan nog toegevoegd; een wellicht niet geheel overbodige herinnering voor
vele vrouwen, dat wanneer het, uitzonderingen voorbehouden, algemeen in onze
dagen als iets vanzelf-sprekends wordt beschouwd, dat de vrouw, als de
intellectueel gelijkwaardige van den man, als zoodanig ook in het openbare
leven wordt erkend en geëerbiedigd, dit voor een niet gering deel aan dr.
Aletta Jacobs, aan haar taktisch ijveren, aan het eerbiedwaardige voorbeeld
dat zij gaf, is te danken. De vrouwenbeweging is in den loop der jaren
veronzuiverd door inmenging eenerzijds van elementen, die daarin niet thuis
hoorden; die de mooie zaak in veler oog bedierven door domme en daardoor
leelijke napraterij van dingen, die buiten haar stonden, die zij niet
begrepen, en die zij zoodoende verkeerd en te onpas propageerden, - met al
de nadeelige gevolgen van dien. En anderzijds door 'n betreurenswaardige
miskenning van het essentieele innerlijke verschil, dat - bij intellectueele
gelijkwaardigheid overigens - onweersprekelijk bestaat tusschen den man en
de vrouw. Vrouwen als dr. Aletta Jacobs
dragen daaraan geen schuld; zien het integendeel met deernis aan, hoe
onhandigheid en domheid de glorie van haar monumentale werk soms
beduimelen. Op de denkende, bewuste voorgangsters dient dan ook het oog
gericht bij de beoordeeling van het prijzenswaardige en verhevene, dat in
uitingen van den tijd, als het naar voren treden van de vrouw er een is,
gelegen ligt. Zulk eene is Dr. Aletta Jacobs bij uitnemendheid. De
Nederlandsche vrouwen zijn haar daarvoor grooten dank verschuldigd.
In het Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht schreef Mevrouw
W. Drucker een artikel, waarvan de aanhef
luidde als volgt:
‘Een te betreuren, maar niet te loochenen feit is, dat de vrouwen,
die in het heden een graad behalen, zijn pedant en | | | |

dr. aletta h. jacobs en carel victor gerritsen, bij
gelegenheid van haar 25 j. doctorsjubileum het bronzen
beeld stelt voor la victoire naar meaux, haar door de
feestcommissie vereerd
| | | | arrogant, zei tot mij een tiental jaren geleden Mr. Louis
Frank, de bekende Feminist. Op wie dit ook van toepassing, zeker niet op
haar, die op 18 Maart a.s. viert haar 25-jarig doctorschap, op haar die was
de eerste vrouw in Nederland die behaalde een academischen graad, op Dr.
Aletta H. Jacobs. Niemand toch, haar voor het eerst ontmoetende, zal
onderkennen in die blijmoedige, levendige figuur de geleerde vrouw. Nergens,
noch bij vergaderingen noch en petit comité dringt zij
ooit iemand op het vaak zoo hinderend overwicht der academisch
gegradueerden. Dokter zij aan het ziekbed, niet in het daaglijksch leven.
Geen onder haar mannelijke collega's die beter weet te schiften het een van
het ander.
Terwijl ik dit hoofdstuk schrijf, ligt naast mij een stapel bladen uit
Noord-Amerika, Canada, Engeland, uit de drie Skandinavische landen, uit
Duitschland, Oostenrijk en Hongarije. Zij bevatten meer of minder uitvoerige
mededeelingen over mijn jubileum en mijn werk. In de meeste dezer bladen is
echter de waarheid zoozeer met verdichting gemengd, dat ik mij maar van
aanhalingen zal onthouden.
Het comité dat den feestdag had voorbereid, hechtte in den morgen een krans
aan het standbeeld van Thorbecke, den grooten staatsman die in 1871 voor de
Nederlandsche vrouw de mogelijkheid had geopend om aan een Rijksuniversiteit
te studeeren. In den namiddag was in het gebouw ‘Eensgezindheid’ een
receptie gearrangeerd voor allen die mij persoonlijk geluk wilden wenschen.
Van die gelegenheid werd druk gebruik gemaakt. Gerritsen vergezelde mij
daarheen.
Het was Mevrouw Haver die het woord voerde namens het comité en namens vele
vrouwen in het land, en daarbij bood zij mij een beeld, ‘La Victoire’ aan,
dat op het voetstuk het opschrift draagt: ‘Aan Dr. Aletta H. Jacobs,
1879-1904, de eerste vrouw-doctor in Nederland’. Mevrouw Haver verzuimde
niet, in haar mooie toespraak ook hulde te brengen aan Gerritsen, als een
der eerste mannen in ons land, die de vrouw als vrouw wist te | | | |
waardeeren en haar in haar streven tot verheffing ten allen tijde tot steun
was geweest.
Dien middag had Gerritsen, zonder dat ik daarvan op de hoogte was, het comité
en enkelen van onze goede vrienden, buiten ons huis aan een feestmaal
genoodigd.
Toen dit aardige feest voorbij was, wilde ik nog gaarne vóór onze groote reis
naar Amerika, het Congres van den Internationalen Vrouwenraad bijwonen dat
in Juni van dat jaar in Berlijn zou worden gehouden. Bovendien had ik nog
veel te regelen alvorens voor een zoo langen tijd uit het land te gaan. Van
7 tot 9 April zou in Den Haag het Congres voor
Kinderbescherming worden gehouden. Dit ging uit van den Nationalen
Vrouwenraad waarvan ik toen vice-presidente was, en aangezien de presidente
in het buitenland vertoefde, moest ik haar plaats innemen. Zoo zat ik midden
in de drukte der voorbereiding van dit congres.
Wij besloten dus om dit alles eerst mee te maken en plaatsen te bespreken op
een boot van de Holland Amerika Lijn, die einde Juli of begin Augustus van
Rotterdam naar New-York vertrok.
In de laatste dagen van ons verblijf te Berlijn vertoonden zich bij Gerritsen
weer die eigenaardige ziekteverschijnselen. Met bezorgdheid begon ik op te
zien tegen de groote reis, maar dan putte ik troost in de zekerheid dat bij
nauwkeurig medisch onderzoek toch niets abnormaals was gevonden. De
verschijnselen zouden dus wel zijn toe te schrijven aan een oververmoeid
zenuwgestel. Toen hij dan ook na een paar rustige dagen zijn gewone
opgewektheid en veerkracht had teruggekregen, voelde ik mij gerust gesteld
en hoopte ik op den weldadigen invloed van de lange reis in een geheel
nieuwe omgeving.
Nadat wij de nieuwste boeken over Noord-Amerika hadden gelezen, meenden we
ons voldoende te hebben voorbereid op hetgeen we zouden zien en ondervinden.
Toch is de werkelijkheid heel anders geweest dan wij | | | |

carel victor gerritsen in 1904
| | | | ons uit beschrijvingen hadden voorgesteld. Beiden hadden wij
een afspraak gemaakt met een Amsterdamsch blad om, als we daartoe aanleiding
vonden, nu en dan een artikel te schrijven, Gerritsen voor het ‘Algemeen Handelsblad’ en ik voor
‘de Telegraaf’. Van beide organen hadden we een
‘perskaart’ gekregen, die ons in Amerika van veel nut is geweest. Op deze
reis hebben we ondervonden dat journalisten in den vreemde veel op andere
reizigers vóór hebben. Onze perskaarten hebben ons in Amerika soms meer en
beter geholpen dan de beste introducties.
Toen wij in New-York waren aangekomen, ondervonden we voor het eerst na
zoovele jaren moeilijkheden om onze beide namen te handhaven. Noord-Amerika,
het land dat ons geschilderd was als bij uitstek vrij en democratisch, kon
niet gedoogen dat in een fashionabel hotel man en vrouw ieder op hun eigen
naam in het register werden ingeschreven voor één kamer. In ‘Holland House’
moesten we twee kamers nemen, of anders ons laten inschrijven op een van ons
beider namen. Wij kozen het laatste en daarbij stond mijn man er op, dat het
gebeuren zou op mijn naam. In New-York zoowel als in alle
andere hotels in Amerika zijn we dus ook op die manier ingeschreven.
Daar wij lang vóór de opening van het Congres der Interparlementaire Unie in
New-York waren, hadden we gelegenheid om kennis te maken met vele personen
voor wie we introducties bezaten of met wie wij door correspondentie over
sociale onderwerpen reeds eenigermate bekend waren. Ook konden we nu wat
meer van de groote stad zien dan anders het geval zou zijn geweest.
Bovendien profiteerden wij van veel goede raadgevingen bij het opmaken van
onze reisroute door Noord-Amerika, waarbij we tegelijk alle gewenschte
gegevens verzamelden voor ons aanstaand bezoek aan allerlei bijzondere
instellingen in de verschillende Staten.
Een voorbeeld hiervan was het volgende. Mr. Samuel | | | | Barrows, een
lid van het Amerikaansche Congres en een der leiders van het toezicht op de
gevangenissen in Noord-Amerika, verschafte mij een officieelen vrijbrief om
overal bezoeken te brengen aan gevangenissen en reformatoria. Daarvan heb ik
gretig gebruik gemaakt en zoo heb ik, naast het afkeurenswaardige wat ook in
Amerika nog in de oudere gevangenissen bestond, ook het bewonderenswaardige,
in ons land nog onbekende, systeem leeren kennen dat in verschillende
reformatoria in toepassing was gebracht. Van een dezer, de in den Staat
Massachusetts bestaande Reformatory Sherborn, een strafgevangenis voor
vrouwen, heb ik in ‘de Telegraaf’ een uitvoerige beschrijving gegeven. Niet
lang nadat ik in Nederland was teruggekeerd, heeft dat artikel mij een
heerlijke voldoening verschaft. De directrice van de bijzondere
strafgevangenis voor vrouwen te Gorinchem, schreef
mij o.a.: ‘de lectuur van Uw artikel heeft hier al een aangenaam gevolg. Aan
de eenige celbewoonster die ik hier heb, is door den voorzitter een
maandroosje ter kweeking in haar cel gegeven, wat haar zeer verblijdde.’
Welk schooner resultaat had ik mij van mijn reisbrieven kunnen wenschen, dan
dat daardoor een beetje zonneschijn was gebracht in het onmenschwaardige
bestaan dat wij nog maar steeds vele veroordeelden laten ondergaan?
Uit de brieven die Gerritsen aan het Handelsblad stuurde, blijkt hoezeer hij
zich in alle Staten welke wij bezochten, op de hoogte stelde van de
arbeiderstoestanden, in het bijzonder van de verhoudingen tusschen werkgever
en werknemer en aan welke wetten die verhouding was onderworpen. Hij maakte
nauwkeurige studies van het onderwijs, het bibliotheekwezen, het bankwezen,
en ook wanneer hij er in zijn reisbrieven niet van gewaagde, dan had hij
toch over deze en andere onderwerpen uitgebreide aanteekeningen gemaakt die
hij zich voorstelde later te zullen uitwerken.
Niet alleen bezocht ik vele strafgevangenissen, maar ik had ook groote
belangstelling voor het hospitaalwezen | | | | en voor de wettelijke
en sociale positie van het verplegend personeel. Overal zocht ik contact met
de leiders van de vrouwenkiesrechtvereenigingen, om goed op de hoogte te
komen van de manier waarop die strijd in Amerika werd gevoerd en hoe de
stand was van het vraagstuk in de verschillende Staten.
Op 6 September 1904 vertrokken wij met 300 deelnemers aan het Congres, uit
New-York naar St. Louis. De Amerikaansche regeering had twee extratreinen,
uitsluitend samengesteld uit Pullman Cars, ter beschikking gesteld.
Bovendien had zij voor de geheele reis en voor den duur van het Congres,
huisvesting en verzorging van de deelnemers op waarlijk luxueuse wijze voor
haar rekening genomen. Onderweg deden wij eerst Philadelphia aan, waar we
ontvangen werden door vertegenwoordigers van de stad, die ons al het
merkwaardige en wetenswaardige lieten zien. Hetzelfde herhaalde zich te
Pittsburg, waar wij onder het beste geleide de fabrieken van Carnegie konden
bezichtigen.
Toen het Congres in St. Louis ten einde was, werden de bezoekers op dezelfde
wijze met extratreinen naar New-York teruggevoerd. Op die terugreis deden we
eerst Kansas City aan en hoewel we slechts enkele uren tijd hadden, kregen
we toch een goeden indruk van de stad, omdat vele particulieren hun auto's
ter beschikking hadden gesteld voor een grooten rondtoer. Den volgenden dag
kwamen we in Colorado. Daar, in Colorado Springs, stond een andere trein op
ons te wachten waarmede wij, 10.000 voet de hoogte in, naar Cripple Creek
werden gevoerd om de goudmijnen en een groot mijnwerkerskamp te zien. Had ik
toen reeds de boeken van Upton Sinclair gelezen, dan zou ik het leven der
mijnwerkers zeker met andere oogen hebben aangezien.
Toen we met den extratrein in Denver waren aangekomen, besloten Carel en ik
om van het overige gezelschap afscheid te nemen en niet verder mede te gaan.
Wij wilden enkele dagen rustig in Denver blijven en dan | | | | samen
westwaarts reizen. Ik was blij dat Gerritsen hiermee instemde, want de
laatste drukke dagen hadden hem zichtbaar vermoeid en zijn zenuwen van
streek gebracht. Na een paar dagen van rust meende hij weer krachtig genoeg
te zijn om de reis voort te zetten naar Wyoming, waar we het Yellowstone
Park wilden doorkruisen. Daarna vertrokken we naar Salt Lake City in Utah.
Daar had ik een paar goede vriendinnen, die ik van onze komst op de hoogte
had gebracht. Aldus kwamen we in nauwer contact met de Mormonen en hun
leerstellingen, zoodat we meer te weten kwamen dan ons uit verhalen en
krantenartikelen bekend was. Wij deden aldus de overtuiging op, dat het
Mormonisme evenals ieder geloof zijn goede en zijn kwade zijde heeft en dat
onder de volgelingen, precies als onder de belijders van andere
godsdiensten, goede maar ook minder goede elementen voorkomen. Dikwijls ben
ik later hier te lande in staat geweest verkeerde begrippen over de Mormonen
te bestrijden en weg te nemen.
Voor een meer uitvoerige beschrijving van onze reis door Noord-Amerika is in
dit boek geen plaats. Ik wil dus slechts in het kort vermelden, dat we van
Utah naar Californië vertrokken, van San Francisco naar Los Angeles en
vandaar door Arizona, Nieuw-Mexico en Illinois naar New-York terug. Op dezen
tocht hebben we niet verzuimd de groote wonderen van N.-Amerika te
bezichtigen, waaronder de Yosemite-vallei in Californië, de Great Canyon en
de cliff-woningen in Arizona, en natuurlijk de Niagara-watervallen in den
staat New-York. Overal trachtten we zooveel mogelijk kennis op te doen
omtrent land en volk. Evenals voor alle primitieve volken, voelde ik groote
belangstelling voor de levensomstandigheden van de Indianenstammen en de
Negerbevolking, en zooveel het een vreemdeling mogelijk is, trachtte ik met
hen in aanraking te komen en hen in hun eigen omgeving te leeren kennen.
Toen het jaar ten einde liep begon ik steeds meer naar huis te verlangen,
want ik had bij Gerritsen een snellere | | | | herhaling van zijn
ziekteverschijnselen en een zichtbare vermagering waargenomen.
In Januari 1905 kwamen we dus in Amsterdam terug. Alle politieke partijen
waren in de weer ter voorbereiding van de aanstaande Kamerverkiezingen in
Juni. Nog waren we geen etmaal thuis of Gerritsen was reeds aangezocht door
twee districten voor een zetel in de Kamer. Op de terugreis had hij zich aan
boord ziek gevoeld en het bed bijna niet verlaten. Zijn vermagering was
sterk toegenomen. Bij den aanstaanden verkiezingsstrijd vreesde ik een
verergering van het ziekteproces, waarvan ik den naam niet kende en waarvan
ik den ernst nog niet kon overzien. Ik wendde al mijn overredingskracht aan
om hem te doen besluiten zelf geen candidatuur aan te nemen en alleen,
zooveel zijn toestand zou toelaten, de partijgenooten ter zijde te staan.
Het mocht niet baten. Er stonden te groote landsbelangen op het spel. Het
rechtsche Ministerie moest van het kussen. Alle eigenbelang moest wijken en
geen enkele kracht mocht zich van medewerking onthouden. Het slot van deze
redeneering luidde: ‘Jijzelf zoudt de laatste zijn om met zulke overwegingen
je medewerking te weigeren!’
Gerritsen nam beide candidaturen aan en spoedig daarna was hij voortdurend,
afwisselend in Schoterland en in Den Helder, om
avond aan avond verkiezingsspeechen te houden of met een tegencandidaat in
debat te treden. Als hij eens een paar dagen thuiskwam, vond ik dat hij er
telkens slechter uitzag. Dringend spoorde ik hem aan om den strijd op te
geven en aan anderen over te laten. Maar hij wilde er helaas niets van
hooren. Eerst toen hij op een morgen zijn bed niet meer kon verlaten, stond
hij mij toe een bevrienden doctor te laten komen. Hoewel deze den toestand
reeds zeer ernstig vond, durfde hij toch nog geen diagnose vaststellen.
Het was op den dag der verkiezing, toen een telegram hem reeds had verheugd
met zijn overwinning in het | | | | district Den Helder, dat Professor
Pel in consult met enkele doctoren die Gerritsen reeds herhaaldelijk hadden
onderzocht, mij de vreeselijke zekerheid moest geven, dat er geen redding
meer mogelijk was en het einde reeds spoedig was te verwachten. In
betrekkelijk korten tijd was zijn vroeger krachtig gestel gesloopt door
maag- en levercarcinoom, in een nu reeds ver gevorderd stadium.
Tot den laatsten dag is zijn geest helder gebleven en verheugde hij zich over
de overwinning van de linksche groepen bij de verkiezingen. Met de vrienden
die hem aan zijn ziekbed kwamen opzoeken, sprak hij over het vormen van het
nieuwe Ministerie, en al wat hierover in de couranten verscheen moest ik hem
voorlezen of vertellen. Dat zijn einde nabij was, daarvan was hij zich niet
bewust en ik zorgde dat hij er onkundig van bleef.
Op den 5den Juli 1905 is hij zacht ingeslapen.
Alle bladen hebben bij zijn dood waardeerende artikelen aan Gerritsen's leven
en werken gewijd. Ik wensch hier slechts enkele zinsneden aan te halen,
omdat zij hem goed karakteriseeren.
Uit ‘de Telegraaf’ (van 5 Juli 1905):
Reeds in 1888 vaardigden de Amsterdamsche kiezers C.V. Gerritsen
naar het Prinsenhof af, en het was daar, als raadslid en als wethouder, dat
hij zijn beste krachten aan de openbare zaak mocht geven. Van het groepje
radicalen, toentertijd in den raad, was hij een der vurigsten en warmsten,
die allerminst de kunst verstond zijn tegenstanders langs den weg der
gemoedelijkheid tot zwijgen te brengen. Zijn wijze van optreden
prikkelde daartoe te zeer de gemoederen, wat echter niet wegneemt, dat men
hem, overtuigd als men was van zijn werkkracht, zijn ijver en zijn liefde
voor de zaak waarvoor hij streed, in 1898 als wethouder koos, in welk ambt
hij de leiding van het Armwezen en de Handelsinrichtingen op zich nam. Veel
heeft Amsterdam aan zijn optreden te danken. De achterlijke toestanden op
het gebied van de armenzorg vonden in den nieuwen wethouder een ernstig
bestrijder, en men zal zich den fellen strijd herinneren, dien hij, met zijn
nieuwe regeling van den geneeskundigen dienst, tegen tal van geneesheeren in
deze stad te strijden had. Hij gaf geen kamp en won. | | | | De nieuwe
dienst heeft reeds wonderen verricht, niettegenstaande de korte spanne
tijds, dat hij in werking is en blijkt een zegen voor de armen in deze
gemeente. Hiermede is wel de grootste verdienste van den heer Gerritsen als
wethouder geschetst.
En het Volksblad ‘de Echo’ (5 Juli 1905) getuigde:
Door alles wat wethouder Gerritsen in het belang van Amsterdam tot
stand bracht liep één lijn; alles ademde één geest; alles droeg één en
hetzelfde merkteeken, namelijk dat van ontworpen, bedacht, uitgewerkt te
zijn door een man, die met al te zeer verouderde begrippen wenschte te
breken; die zich ten taak had gesteld om als ondeugdelijk, als onhoudbaar en
verderfelijk al datgene uit de Gemeentehuishouding te verwijderen, wat
daarin nog bloeide en woekerde uit de dagen en tijden, dat dikke nevelen nog
het werk der vroedschappen en hunne gecommitteerden aan de contrôle der
burgerij onttrokken. En wèl was er destijds dan ook reden voor ons om
het aftreden van den heer Gerritsen als wethouder voor Amsterdam een zeer groot verlies te noemen, - het verlies van de
kennis, het talent, de reuzen-werkkracht en het vóórziende beleid van een
man als Gerritsen steeds bleek te zijn. De dood komt maar o! zoo zelden
gelegen. Maar ditmaal is zijn verschijning toch al buitengewoon
treffend. Ziedaar een man, die na een leven vol inspanning, vol arbeid
en opoffering in wat naar zijne opvatting het algemeen belang was, geveld op
het oogenblik dat een groote wensch van zijn leven zich tot werkelijkheid
zou gaan voltrekken.
Opnieuw had ik mijn steun in het leven verloren en stikdonker leek mij den
weg dien ik verder alleen zou hebben af te leggen.
|
|
|