|
|
|
| |
| | | | | |
Overzicht van de laatste tien jaren. - De dood van Mevrouw
Haver. - De eerste openbare betoogingen voor vrouwenkiesrecht in 1913 en het
Volkspetitionnement. - De onderbreking door den oorlog en het pacifistische
werk. - De hervatting van den kiesrechtstrijd in 1915 en daarna. - Het
passieve kiesrecht verkregen, daarna in 1919 het algemeen vrouwenkiesrecht.
- Mijn verhuizing naar Den Haag. - Huldebetoon in 1921, vijftig jaar na mijn
gang naar de Universiteit. - Mijn eerste stembiljet. - Herstel van een
ernstige ziekte. - De viering van mijn 70-sten verjaardag. - Besluit.
Toen ik na middernacht van mijn meer dan veertien dagen lange spoorreis
eindelijk was thuis gekomen, stond den volgenden morgen de secretaresse van
de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht voor mijn bed, om mij de droevige
tijding te brengen, dat Mevrouw Th. P.B. Haver, een onzer beste en
bekwaamste medewerksters, een paar dagen te voren was overleden. Reeds den
volgenden dag zou haar stoffelijk overschot worden verbrand. Het bestuur
hoopte dat ik bij die gelegenheid het woord zou voeren.
Dit doodsbericht trof mij diep. Wel had ik geweten dat Mevrouw Haver reeds
lang onherstelbaar ziek was geweest, maar ik had altijd de hoop gekoesterd
dat ik de goede, lieve vrouw nog had kunnen opzoeken om haar hartelijk te
danken voor haar onschatbare medewerking in het belang der vrouwen, en haar
tegelijk de geruststellende verzekering te geven dat er zoo lang ik leefde
geen sprake zou zijn van het verflauwen in den strijd voor het verheffen van
de vrouw. Niet lang voor mijn vertrek was zij een avond bij mij geweest.
Toen had zij mistroostig gesproken over de resultaten van de
vrouwenbeweging. Wat moest er van terecht komen indien de voornaamste
strijdsters door ziekte of dood genoodzaakt | | | |

dr. aletta h. jacobs in 1913
| | | | werden het werk neer te leggen? Waarschijnlijk had zij toen
reeds een voorgevoel van de ziekte die hare krachten langzaam sloopte en dat
haar einde naderde.
Aan het verzoek heb ik gaarne gevolg gegeven, omdat hoofd en hart mij de bij
de droevige plechtigheid gepaste woorden van zelf op de lippen brachten.
Door dit niet onverwachte, maar voor de vrouwenbeweging ernstige verlies,
moest de feestelijke ontvangst welke het bestuur en de leden mij bij mijn
terugkeer hadden toegedacht, voorloopig achterwege blijven. Tot feestvieren
waren wij vooreerst niet gestemd. Later is dit toch geschied en de
hartelijke wijze waarop men mij toen welkom heette, heeft mij het bewijs
gegeven dat ik ondanks een lange afwezigheid mij nog in de onverminderde
waardeering van mijne medeleden mocht verheugen.
Nog altijd was het Ministerie-Heemskerk aan het roer. In het vooruitzicht van
de naderende verkiezingen, in Juni 1913, hadden de drie linksche partijen,
de Vrijzinnig-Democraten, de Liberale Unie en de Vrije Liberalen, zich tegen
de Regeeringsmeerderheid verbonden. Evenals in 1905 was er weder een
Grondwetsherziening aan de orde. De drie vereenigde partijen hadden
voorgesteld om artikel 80 en de daarmede samenhangende artikelen, zoodanig
te wijzigen dat het algemeen mannenkiesrecht in de Grondwet werd vastgelegd,
en dat de belemmeringen in de Grondwet om het vrouwenkiesrecht in te voeren,
zouden worden weggenomen. In mijn eigen partij heb ik daartegen
geprotesteerd, omdat ik op grond van ons program, het onmiddellijk opnemen
van algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht in de Grondwet, onze partij
gebonden achtte. Met dien wensch stond ik echter alleen en kon dus geen
succes verwachten. Uit het wetsontwerp van de clericale,
anti-feminististische regeeringspartij ten aanzien van de
kiesrechtartikelen, werd het mij spoedig duidelijk dat wij vrouwen in ieder
geval krachtig moesten medewerken om het Ministerie ten val te brengen,
omdat | | | | daarvan voor ons niets goeds was te wachten. Had niet
Minister Heemskerk in de Kamer durven beweren: ‘de vrouwen in Nederland
begeeren geen kiesrecht!’ Daardoor reeds was er aanleiding genoeg om onze
duizenden leden en buiten hen alle medestanders ter inleiding van de
verkiezingsactie op te wekken tot een luid protest tegen deze Regeering.
Gedurende mijne reis met een zoo ervaren reisgenoote, had ik de diepe
overtuiging opgedaan dat het voor een groote maatschappelijke hervorming van
weinig belang is of men de regeeringspersonen van het nut daarvan weet te
overtuigen, zoolang men niet het volk, de kiezers gewonnen heeft. In dezen
gedachtengang stelde ik het bestuur onzer vereeniging voor, om op een
bepaalden dag in Den Haag een betooging te houden en daarmede het bewijs te
geven dat vele vrouwen in Nederland het kiesrecht verlangden. Die betooging
zou dan moeten eindigen in een groote vergadering, waar niet alleen vrouwen
maar ook vertegenwoordigers van verschillende politieke richting het woord
zouden voeren. Toen ik hiermede aankwam, bleek het dat het bestuur in zijn
geheel voor zulk een optreden in het openbaar nog niet rijp was. Het leek te
veel op de manier der suffragettes! Wij kwamen echter tot een compromis en
een bemiddelingsvoorstel werd aangenomen. Wel zou er in Den Haag een
protestmeeting worden gehouden, maar zij die uit het heele land daarvoor
kwamen, zouden niet verplicht zijn om in optocht van het station naar de
vergaderzaal te trekken. Men zou ook op eigen gelegenheid daarheen kunnen
gaan.
Dit is het eerste openbare optreden van onze vereeniging geweest. Op Zondag 4
Mei 1913 hebben eenige honderden leden der vereeniging aan de betooging
deelgenomen. Wel werd ons niet toegestaan om langs de woning van Minister
Heemskerk te trekken, maar door een politieagent werden wij door
achterbuurten geleid naar den Dierentuin, waar de protest-meeting zou worden
gehou- | | | |

dr. aletta h. jacobs met de hollandsche delegatie op
het congres van den wereldbond voor vrouwenkiesrecht in 1913 in
budapest. in het midden van de zittende groep zit haar vriendin
reverend anna howard shaw uit amerika
| | | | den. Voor mij was dit geen tegenvaller, want het was
den moriaan geschuurd om Minister Heemskerk te overtuigen van het onware
zijner bewering, dat kende hij reeds lang. Wij moesten het volk winnen en
belang doen stellen in onzen strijd. Op dezen grooten dag hebben toch velen
onzer leden haar grooten tegenzin overwonnen om ook op straat onze
beginselen duidelijk te maken.
De protestvergadering is mede een groot succes geweest. De groote
vergaderzaal in den Dierentuin was overvol en de partijen van Links hadden
elk een harer beste sprekers gezonden. Wij ontvingen betuigingen van
sympathie van tallooze groote vereenigingen in het land en van vele
hoogstaande mannen en vrouwen.
Het is een goed begin geweest. Wel konden de vrouwen nog geen stem
uitbrengen, maar onze bedrijvigheid bij de verkiezingen is toch even groot
geweest als van de ijverigste en best georganiseerde politieke partijen.
Op den dag der verkiezing in Juni 1913, was ik evenals vele andere
strijdsters voor het kiesrecht te Boeda-Pest, op het Congres van den
Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Daar bereikte ons de heuglijke tijding dat
het Ministerie Heemskerk was afgetreden. De vreugde daarover werd echter
spoedig getemperd toen wij vernamen dat de socialisten hadden geweigerd om
aan de samenstelling van een Linksch ministerie deel te nemen. Daarop kwam
het Zakenkabinet-Cort van der Linden tot stand. Dit was ons in het geheel
niet naar den zin. Wij hadden immers dezen Premier als Minister in een
vroeger Kabinet leeren kennen als een anti-feminist, een man bij wien elke
poging om de vrouwen uit haar onmondigen staat op te heffen, op tegenstand
zou stuiten. Toch waren wij er van overtuigd dat dit Ministerie de
Grondwetsherziening tot stand zou brengen en dat men daarbij minstens zoo
ver zou avanceeren als het voorstel van de drie partijen die bij de
verkiezingen hadden samengewerkt. Wij wilden echter méér bereiken. Aangezien
nu in Den Haag was gebleken dat er ook in ons land open- | | | | bare
betoogingen van vrouwen konden worden gehouden, kwam die manier van
propaganda van nu af in verschillende onzer afdeelingen aan de orde van den
dag.
In September werden wij door den inhoud van de Troonrede niet teleurgesteld.
Voor de eerste maal in ons land werd in dit staatstuk van vrouwenkiesrecht
gerept. De Koningin kondigde aan, dat de Regeering met spoed een
Grondwetsherziening aanhangig zou maken, waarin zou worden bepaald dat alle
mannen van een bepaalden leeftijd het kiesrecht verkregen, en dat de
grondwettelijke beletselen tot invoering van het kiesrecht aan vrouwen,
zouden worden weggenomen.
Dit was wel een goed voorteeken, maar het kon ons alleen aansporen tot nog
krachtiger optreden. Minister Cort van der Linden had in een zijner jongste
redevoeringen gezegd, dat hij wilde regeeren naar den wil des volks, en bij
een vroegere gelegenheid had hij zich uitgelaten, dat invoering van
vrouwenkiesrecht gelijk stond met een sprong in het duister. Beide
beweringen moesten wij ontzenuwen. Voor de eerste zetten wij een
volkspetitionnement op touw, waarbij grondwettelijke gelijkstelling van man
en vrouw werd gevraagd. Binnen een paar maanden hadden wij reeds ruim
165.000 handteekeningen verkregen, toen de oorlog ons dwong de beweging te
staken. De tweede bewering werd weerlegd door een schriftelijk verzoek aan
alle regeeringen van landen waar het vrouwenkiesrecht reeds bestond om
mededeeling hoe het daar werkte. Deze gelijkluidende brief werd gericht aan
het federatieve Parlement in Australië en aan alle afzonderlijke staten van
dat Gemeenebest, aan de Gouverneurs van alle staten in Noord-Amerika waar de
vrouwen reeds in het volle bezit waren van hare rechten, en aan de
regeeringen van Noorwegen en van Finland. Het heeft niet lang geduurd of van
al de bedoelde regeeringen hadden wij zeer bevredigende antwoorden
ontvangen, welke wij bijeen lieten drukken en daarna toezonden aan alle
regeeringspersonen en aan de pers.
| | | |
Bij de opening van het Vredespaleis en het daarmee gepaard gaande
internationaal Vredescongres in Den Haag, in Augustus 1913, belegden wij in
Amsterdam en in Den Haag openbare vergaderingen, waarbij verscheidene
buitenlandsche leden zich bereid toonden het woord te komen voeren. Dit was
te meer te waardeeren omdat het Congres drukke werkzaamheid vorderde en
enkelen dezer bekende persoonlijkheden door een slechte gezondheidstoestand
werden belemmerd. Met de meesten die zoo welwillend aan onze uitnoodiging
gehoor gaven was ik persoonlijk bevriend. Het waren Gravin Bertha von
Suttner, uit Oostenrijk, Mons. Dr. Alexander Giesswein, prelaat van den Paus
uit Hongarije, Dr. Carl Lindhagen, burgemeester van Stockholm, Mrs. Sewall,
de presidente van den Internationalen Vrouwenraad uit Amerika en Mad. Jeanne
Mélin uit Frankrijk.
Naast deze, om het zoo te noemen voorname propaganda, werd een andere, vooral
niet minder doeltreffende manier om onze wenschen te verbreiden, niet
versmaad. Op middagen trokken groote troepen vrouwen, met kiesrechtlinten en
vlaggen door de volksbuurten, om vlugschriften te verspreiden en kleine
groepjes vrouwen toe te spreken. Een andere methode was deze, dat eenige
dames op de weekmarkten een tentje huurden om kleinigheden goedkoop te
verkoopen en na dit lokmiddel toespraken te houden over het kiesrecht, voor
een steeds aangroeienden drom van marktbezoekers. Door deze en andere
middelen steeg het ledental der vereeniging elke week met honderden, dank
zij het ijverige werk van onze propagandisten.
Aan al dien arbeid is in den zomer van 1914 plotseling een einde gekomen door
het uitbreken van den oorlog. Als pacifiste in merg en been, voelde ik toch
in het eerst louter medelijden voor de achterblijvende vrouwen en kinderen,
evenals voor al die jonge mannen in den militairen dienst. Ik beschouwde het
als mijn duursten plicht dit lijden te | | | | verzachten voor zooveel
het mij mogelijk was en daaraan besteedde ik al mijn tijd. Moest dit echter
de voornaamste taak der vrouwen zijn te midden van deze plotseling opgekomen
ellende en behoorde ook ik daarin aandeel te nemen? Het lag inderdaad het
meest voor de hand, en had de kracht eener eeuwenheugende traditie. Tot de
plichten der vrouw behoorden immers van oudsher het verzachten van ellende
en het heelen van wonden in oorlogstijd. Langen tijd heb ik atavistisch
gehoorzaamd en zelfs hier en daar een leidende positie ingenomen. Bij de
gruwelen waarvan wij iederen dag hoorden en lazen, werden wij aangespoord
tot nieuwen arbeid. Na eenigen tijd kreeg ik echter andere inzichten. De
verschrikkingen van den oorlog pijnigden mij dag en nacht. In ons land was
gelukkig een vredelievende regeering, maar ware het anders geweest dan zou
zij in haar voornemen om aan den oorlog deel te nemen gesterkt zijn, omdat
zij op de hulp der vrouwen kon rekenen. Nu was ik verzeild geraakt in
philanthropischen arbeid, welke in stede van den oorlog te verkorten, tot
het verlengen zou kunnen bijdragen omdat wij toch niet anders deden dan de
gevolgen verzachten.
Aldus kwam ik meer en meer tot de overtuiging dat de vrouwen een hoogere
roeping hadden te vervullen. Het was onze plicht te protesteeren tegen het
roekeloos verwoesten van kunstschatten, het uiteenscheuren van gezinnen, het
wreedaardig opofferen van jonge menschenlevens, en in het algemeen alles te
doen om het voortzetten van dezen waanzinnigen oorlog tegen te gaan. Toen ik
eenmaal tot dit inzicht was gekomen, heb ik alles gedaan wat in mijn macht
stond om de stem der protesteerende vrouwen kenbaar te maken. Het Congres
dat in April 1915 in Den Haag werd gehouden, is daarvan de sprekende uiting
geweest. Over dat Congres en over de daarop gevolgde reis welke ik samen met
Miss Jane Addams uit Chicago naar de verschillende regeeringen heb gemaakt,
is in hoofdstuk VIII reeds geschreven, evenals | | | | over mijn
volgende reis naar Noord-Amerika en mijn bezoek aan President Wilson.
Intusschen ben ik de taak welke ik bij het uitbreken van den oorlog had
aanvaard, nog eenigen tijd en zoo lang het noodig was, blijven vervullen. Ik
had toen niet het gevoel dat ik daarmede in strijd handelde met mijn
pacifistische opvatting. Die taak bestond hierin, - aan het slot van
Hoofdstuk VIII heb ik er reeds op gewezen, - om aan vrouwen en meisjes die
op haar doorreis door verschillende omstandigheden in ons land waren
gestrand, hulp en steun te verleenen. Hierop kom ik nu alleen terug omdat
zich daarbij somtijds zonderlinge gevallen voordeden. Op zekeren dag melde
zich een pikzwart meisje bij mij aan met een aan mij geadresseerden brief in
de hand. Zij sprak een beetje Fransch maar door de manier van uitspraak was
en bleef zij onverstaanbaar. De brief was van een dame te Londen die mij uit
de vrouwenbeweging kende en die bevriend was met vele mijner Londensche
vrienden. Deze negerin kwam ook uit Londen en zij was op weg naar Keulen,
waar bekenden of familieleden van haar moesten wonen. Zij kwam van
Madagascar en het verzoek luidde of ik haar naar Duitschland wilde helpen.
Het was een moeilijke taak, maar na een paar weken heb ik haar over de
grenzen gekregen, waar zij door iemand die haar kende zou worden afgehaald.
Ofschoon die persoon mij zulks had beloofd, heb ik nooit bericht ontvangen
dat zij goed was aangekomen. Vier jaar na dato echter werd ik verrast door
een brief uit Keulen, waarin het bedoelde meisje, met den mooien naam
Razanamanga van Madagascar, mij in kreupel, maar toch verstaanbaar Duitsch
herinnerde dat ik haar indertijd in staat had gesteld om Duitschland te
bereiken. Nu deelde zij mij mede, dat zij weder enkele weken in ons land zou
komen en gaarne weder door mij zou worden opgenomen om van hier naar
Engeland of naar Frankrijk te worden geëxpedieerd, alvorens naar haar
bakermat te kunnen terugkeeren. Behalve zulke stumperds kwamen ook vrou- | | | | wen uit de hooge aristocratie uit Engeland of Duitschland,
zonder pas en zonder geld, in ons land en moesten tijdelijk geholpen worden.
Het jaar 1915 werd nagenoeg geheel besteed aan pacifistische doeleinden, maar
daarbij werd de strijd voor het vrouwenkiesrecht niet verwaarloosd. De
Grondwetsherziening werd voorbereid en de behandeling in de Kamer kon reeds
worden tegemoet gezien. In den aanvang van 1916 werd in onze vereeniging een
plan de campagne opgemaakt en daarbij behoorden groote openbare
demonstraties in Amsterdam en in Den Haag om de
kiezers voor onze rechtmatige eischen te interesseeren. Een groot bezwaar
hierbij was, dat de autoriteiten gedurende den oorlog weinig genegen waren
om betoogingen op straat toe te laten. Als vrouwen echter iets ernstig
wenschen weten zij haar doel toch wel te bereiken. In Amsterdam hadden wij
weinig moeite, want het geluk wilde dat de hoofdcommissaris van politie alle
bezwaren voor ons wilde opruimen. Die eerste demonstratie, op 16 Juni
gehouden, slaagde geheel naar wensch. Buiten onze eigen leden namen tal van
andere vereenigingen, en niet alleen van vrouwen, aan den optocht deel.
Gedurende 2 1/2 uur trokken wij door de dichtst bevolkte wijken en uit de
menigte werden ons overal woorden van aanmoediging toegeroepen. Het succes
is volkomen geweest.
Anders ging het in Den Haag. De Burgemeester had
zich stellig voorgenomen gedurende den oorlogstijd geen enkele demonstratie
toe te staan en daarom was hij ook van zins onze vreedzame betooging te
verbieden. Zoodra ik dit vernam vertrok ik uit Amsterdam naar Den Haag, waar
ik met de presidente van de Haagsche afdeeling, Mevr. Kehrer-Stuart, eerst
een bezoek bracht aan den hoofdcommissaris van politie. Deze ontweek het
verzoek door ons te verwijzen naar den Burgemeester als hoofd der politie.
Een half uur later zaten wij bij den Burgemeester op audiëntie. Hij trachtte
ons uit te leggen waarom hij gedurende den oorlog geen demonstratie in | | | | de stad kon toestaan. Wij toonden hem aan dat zijne redenen
voor ons verzoek niet konden gelden, maar hij bleef weigeren. Toen zeide ik
dat vele vrouwen in het land besloten waren om deze betooging te houden in
het belang van onzen strijd, nu in de Tweede Kamer een beslissing zou worden
genomen over de hoogste belangen van de Nederlandsche vrouwen. Het plan was
om op een vergadering in den Dierentuin een motie voor te stellen en nadat
zij was aangenomen, haar gezamenlijk te gaan aanbieden aan den voorzitter
van de Kamer. Indien de Burgemeester als hoofd der politie er voor wilde
zorgen dat men ons op die wandeling niet lastig viel, dan verklaarde ik mij
bereid de gevolgen van ons optreden op mij te nemen.
Hierna werd de hoofdcommissaris van politie ontboden. Wij sloten daarop het
accoord, dat ik borg zou blijven voor het ordelijke van de betooging, mits
de politie er voor zorgde dat ons niets kwaads geschiedde. Zoo is deze
tweede demonstratie op 18 October 1916 in volmaakte orde gehouden. Te voren
hadden wij den Voorzitter der Tweede Kamer gevraagd wanneer hij ons zou
kunnen ontvangen om het adres in ontvangst te nemen. Wij waren zeer
verwonderd toen wij op den aangegeven tijd, waarop anders de Kamerleden nog
in discussie zijn, verschenen en slechts enkele Kamerleden aantroffen. De
anderen waren door een achterdeur ontsnapt! Moed vindt men toch maar alleen
bij mannen.
Van dien dag tot aan het einde der debatten over de kiesrechtartikelen in de
nieuwe Grondwet, hebben heele groepen van vrouwen iederen dag een wacht
gevormd voor het Parlementsgebouw, zoodat de mannen in de Kamer geen
oogenblik konden vergeten dat de vrouwen het kiesrecht eischten. Toch is ons
toen het directe kiesrecht niet verleend, wel het recht van verkiesbaarheid
tot afgevaardigde. Door dit besluit was ons land een unicum onder de
constitutionneele landen geworden.
In 1918 zijn de verkiezingen gehouden krachtens de ge- | | | | wijzigde
Grondwet, onder toepassing van algemeen manmenkiesrecht en verkiesbaarheid
van de vrouw voor de volksvertegenwoordiging. Vele politieke partijen hadden
ook een vrouw candidaat gesteld. De Vrijzinnig-Democratische partij, waartoe
ik behoor, had dit met mij gedaan. Bij alle partijen werd er echter wel voor
gezorgd dat de vrouwelijke candidaat niet gekozen werd. Toch kon men niet
verhinderen dat de vrouwen nu in de gelegenheid waren om voor volle zalen de
kiezers toe te spreken en op de domme bepaling in de nieuwe Grondwet ter
dege aandacht te vestigen.
Alleen de sociaal-democraten waren er in geslaagd hun candidate in de Kamer
te brengen. Een bekend verschijnsel, want hetzelfde doet zich voor in alle
landen waar vrouwenkiesrecht of verkiesbaarheid voor de eerste maal worden
toegepast.
Door den afloop waren wij volstrekt niet ontmoedigd, in de overtuiging dat
wij op de sympathie van de meerderheid des volks konden rekenen en dat de
overwinning in zicht was. Nog in hetzelfde jaar, in November 1918,
openbaarde zich in nagenoeg alle landen een revolutionnaire geest en zoo was
het ook ten onzent. Toen nu de regeering, bevreesd voor de gevolgen, naar de
wenschen van de revolutionnisten vroeg, werden slechts twee wenschen
duidelijk uitgesproken: de 8-urige werkdag en het vrouwenkiesrecht. De
reactionnaire, clericale Regeering die nu weder aan het bewind was gekomen,
zegde inwilliging van die beide wenschen toe. De leider der
vrijzinnig-democraten, Mr. Marchant, had reeds bij den aanvang van het
zittingsjaar, in September, een wetsvoorstel ingediend om aan de vrouwen
dezelfde politieke rechten te geven als aan de mannen. Dit voorstel werd in
beide Kamers met groote meerderheid aangenomen en op 18 September 1919 door
de Koningin bekrachtigd.
Uit het heele land werden mij bloemen en gelukwenschen toegezonden en het
groote feest waarmede de overwinning werd gevierd, in het Concertgebouw te
Amster- | | | |

dr. aletta h. jacobs met het hoofdbestuur van de
ver. voor vrouwenkiesrecht vóór het begin van de groote
demonstratieve betooging in 1916
| | | | dam, was in hoofdzaak een huldebetoon aan mij. Onder
de vele geschenken welke ik mocht ontvangen, is het
vrouwenkiesrecht-embleem, door een kunstenaar in goud uitgevoerd, mij bij
uitstek lief gebleven, zoodat ik het bijna iederen dag draag. Spoedig daarna
begon ook de stroom te vloeien van brieven en telegrammen uit het
buitenland. Bij de groote overwinning werd ik overladen met gelukwenschen en
dankbetuigingen. Ik voeg hier onmiddellijk bij, dat die zege nooit zou zijn
behaald zonder zoo talrijke en zoo degelijke medewerksters. Ik durf hier
geen namen noemen uit vrees velen te vergeten. Slechts ééne uitzondering
wensch ik te maken en niemand zal mij dat euvel duiden, omdat die eene
medestrijdster zulk een gewichtig aandeel heeft vervuld. Ik bedoel Mevrouw
Clara Mulder van de Graaf-de Bruijn, die als orthodox Roomsch Katholieke
vrouw met ons aan het hoofd der beweging heeft gestaan, soms avond op avond
in de Zuidelijke provincies het vrouwenkiesrecht van Katholiek standpunt
verdedigende, en dat ondanks alle tegenwerking welke zij daarbij van
priesters en drijvers ondervond.
Hoe het mij te moede was toen het vurig verlangde kiesrecht eindelijk was
verkregen?
Laat mij de vraag beantwoorden met een herinnering aan de dagen die ik met
Mrs. Chapman Catt te Manilla doorbracht. Uit de kamers van ons hotel keken
wij uit op een huisje dat voor het een of ander bureau dienst deed. Het
stond midden in een tuin en in een boom huisde een groote aap wiens
levenstaak scheen te zijn om de ambtenaren te amuseeren. Af en toe klauterde
het dier omlaag, maar wanneer het dan op den grond was aangeland kon het
zich slechts een klein eindje van den stam verwijderen, omdat het met een
ketting aan den boom was gekluisterd. Dat hinderde mij telkens als ik het
zag en graag zou ik getracht hebben om het arme beest los te maken. Eens op
een morgen maakte ik Mrs. Catt op het dier opmerkzaam. Met haar mooie blauwe
oogen keek zij mij ondeugend aan en zeide: ‘That monkey is | | | |
just as we, are'nt we just as fast tied on the suffrage-tree? When will we
be freed?’
Het eerste, blijde gevoel dat mij doortrilde toen in ons land het kiesrecht
voor de vrouw was verkregen, is te omschrijven als een heerlijke opluchting.
Vrij, los van den kiesrechtboom waaraan ik zoo vele jaren gebonden was
geweest!
Spoedig deed zich voor mij de vraag voor: wat nu te doen? In de eerste plaats
vertrok ik onmiddellijk uit Amsterdam naar den Haag. Ik hoopte mij nu geheel los te maken van
het vereenigingsleven en mij te kunnen wijden aan allerlei arbeid naar welke
ik dikwijls had verlangd, maar waarvoor ik nooit tijd had kunnen vinden. Ook
wilde ik Amsterdam verlaten, omdat vele vrienden met wie ik lief en leed had
gedeeld, daar gestorven waren en anderen vandaar waren vertrokken. In Den
Haag daarentegen zou ik vele nieuwe vrienden vinden. In die verwachting ben
ik ook niet bedrogen, maar vooreerst zou ik nog geen rust vinden. Nog was de
verhuisboedel niet ontpakt, toen ik reeds werd medegetroond naar Zürich om
er een Vredescongres te helpen voorbereiden. Over onze reis van vijf dagen
van Den Haag naar Zürich en het daar gehouden Congres, heb ik reeds in
Hoofdstuk VIII geschreven, evenals over de direct daarop volgende reis door
Duitschland en over al het andere pacifistische werk, dat mij even hard
bezig hield als het vroegere kiesrechtwerk.
Rust heb ik ook in Den Haag niet gevonden, maar ik voelde het maar al te
goed, rust zou mij ook niet bevredigd hebben. In de groote familie Broese
van Groenou met de vele kinderen en kleinkinderen, heb ik lieve en oprechte
vrienden gevonden, aan wie ik mij meer gehecht gevoelde dan aan menig eigen
familielid. Een der lieve kleinkinderen werd mijn petekind en zoo kon ik mij
een echte grootmoeder gevoelen. Toen kort na mijn verhuizing naar Den Haag,
ook Clara Mulder van de Graaf daar in mijn buurt kwam wonen, toen voelde ik
mij | | | |

dr. aletta h. jacobs in 1915
| | | | rustig, in de zekerheid dat ik geen eenzamen ouden dag
tegemoet ging.
***
In 1919 en nog later heb ik mij in de eerste plaats gewijd aan alles wat met
het vredeswerk in verband stond en, voor zoo ver ik daarvoor nog tijd kon
vinden, aan onderdeelen van de veelomvattende vrouwenbeweging. Daarbij
vermeld ik in het bijzonder het vraagstuk van de nationaliteit der gehuwde
vrouw, dat terwijl ik dit schrijf weder op den voorgrond is getreden en
waarin ik, nationaal en internationaal, zeer betrokken ben. Een ander
probleem, al staat dit buiten de eigenlijke vrouwenbeweging, is het
willekeurig moederschap. In de laatste jaren is het in Amerika, Engeland en
Scandinavië van groote beteekenis geworden. Het wordt in die landen door
economen en medici ernstig overwogen, terwijl het daar ook de belangstelling
heeft van het volk. Dit onderwerp geeft mij dikwijls handen vol werk bij het
beantwoorden van tallooze brieven, en ook doordat ik veel bezoek ontvang van
geleerden uit de genoemde landen die mij over dat vraagstuk wenschen te
raadplegen. Terwijl ik nu - in het voorjaar van 1924 - mij reisvaardig maak
voor mijn vertrek naar Amerika, heb ik weder verscheidene brieven ontvangen
van personen die ginds een onderhoud verzoeken of voor hetzelfde doel mijn
aanstaand adres in Amerika wenschen te kennen.
In 1921 heb ik in Weenen deelgenomen aan het Vredes-congres. Daarvan heb ik
reeds melding gemaakt. Dat jaar is voor mijzelf nog van bijzondere
beteekenis geweest, omdat ik toen mocht herdenken dat ik een halve eeuw
geleden voor de eerste maal naar de Universiteit ging. Mijn Haagsche
vrienden hebben dien herinneringsdag tot een feestdag gemaakt. Ik blijf hen
daar innig dankbaar voor. Nu wil ik het zeggen, dat het hoogtepunt op dien
dag vol bloemen en hartelijkheid, ook in mijn herinnering, werd bereikt,
toen een stoet van jonge, | | | | frissche meisjes-studenten, als
afgevaardigden van de zes Universiteiten in ons land, mij met vriendelijke
en waardeerende woorden dank kwamen brengen. Zij getuigden daarbij te
beseffen welke beteekenis het heeft voor de Nederlandsche vrouwen dat alle
inrichtingen van onderwijs thans voor haar open staan. Dit was niet vanzelf
gekomen, één meisje had daaraan lang geleden den stoot moeten geven en nu
stelden zij er prijs op daarvan dankbare getuigenis af te leggen. Het
geschenk dat zij mij aanboden, een mooie horloge-armband, is mij bijzonder
dierbaar en verlaat mij nooit. Het geeft mij niet alleen dagelijks trouw den
tijd aan, maar het is ook een tastbaar en verheugend bewijs, dat onze jonge
meisjes tot een hooger peil van ontwikkeling zijn gestegen, zich vrijer
kunnen bewegen en oneindig meer kunnen bereiken dan in mijne jeugd in de
verste verte denkbaar was.
De laatste jaren zijn voor mij ware feestjaren geweest. Al de
vriendelijkheid, de welgemeende hartelijkheid en hulde welke ik heb mogen
vinden, laat het mij nog eens oprecht verzekeren, zij hebben mij
honderdvoudig de verguizing vergoed welke ik jaren lang van velen mijner
landgenooten heb moeten ondergaan.
Ook in 1922 heeft men wéér aanleiding gevonden om mij een bijzondere attentie
te bewijzen. Toen immers werden de verkiezingen voor de Tweede Kamer
gehouden, aan welke voor de eerste maal ook de vrouwen zouden deelnemen.
Geruimen tijd was het zeer de vraag geweest of ik wel in staat zou zijn naar
de stembus te gaan, want ik had een ernstige ziekte doorgemaakt en was
slechts kort vóór den verkiezingsdag weder opgestaan. Mijn Haagsche vrienden
zorgden er echter voor, dat de lang gewenschte taak mij zoo licht mogelijk
werd gemaakt. Beladen met bloemen die dankbare vrouwen mij aan den ingang
van het stembureau hadden aangeboden, kon ik mijn eerste stembiljet in de
bus werpen, waarbij de voorzitter van het bureau mij met een handdruk geluk
wenschte. Dien heelen dag ontving ik uit alle streken | | | | van het
land brieven en telegrammen van dankbaar gestemde vrouwen. Den meesten prijs
stelde ik op een brief, onderteekend door vele Christelijke vrouwen, die
bekenden dat zij vroeger altijd tegenstandsters waren geweest van
vrouwenkiesrecht. Thans waren zij echter overtuigd dat zij door middel van
het stembiljet hare christelijke plichten tegenover de maatschappij veel
beter konden vervullen.
In 1923 heb ik te Rome het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht
bijgewoond, daarop ben ik in Parijs geweest en nauwelijks vandaar
teruggekeerd, weder op reis gegaan naar internationale bijeenkomsten te
Dresden en te Berlijn, waar ik diep werd ontroerd door de treurige
omstandigheden waarin een groot deel der bevolking van geheel Duitschland
verkeerde. Vermoedelijk heb ik door dat alles te veel hooi op mijn vork
genomen en mijn krachten overschat. Hoe dit ook zij, toen ik kort na mijn
terugkomst te Amsterdam bij de familie Manus vertoefde, werd ik plotseling
overvallen door een ernstige ziekte, waarvan ik de symptomen eigenlijk reeds
lang gevoeld had. Weken lang was ik gedwongen tot nietsdoen. In den aanvang
wanhoopte ik aan de mogelijkheid van herstel, hoewel mijn geduldige
geneesheer, Dr. O.J. Wijnhausen, mij daarvan telkens de zekerheid gaf. Aan
het geduld dat hij met zijn halstarrige patiënte heeft gehad, heb ik mijn
herstel en het groote geluk te danken dat ik mijn 70sten geboortedag heb
kunnen vieren.
Gedurende mijn ziekte en den tijd van mijn herstel, hebben mijne vrienden met
Mevr. Rosa Manus aan de spits, mij op mijn 70sten geboortedag een feestdag
bereid, zooals slechts enkelen te beurt valt. Uit de groote commissie voor
het huldebetoon was een uitvoerend comité gevormd door de dames Rosa Manus,
F.W. van Wulfften Palthe-Broese van Groenou, H. van Biema-Hijmans, C. Mulder
van de Graaf-de Bruijn, B. van den Bergh-Willing en C.S. Groot. Door haar
toedoen was het in Nederland en daarbuiten overal bekend geworden | | | | dat ik op 9 Februari 1924 mijn 70sten verjaardag zou beleven.
Op ondubbelzinnige wijze is het mij dien dag duidelijk geworden dat ik hier
te lande en op vele plaatsen in de wereld vrienden mag tellen, die er prijs
op stelden mij waardeering te betuigen, en daaronder zelfs velen die vroeger
tot mijn bestrijders behoorden.
De groote dag begon reeds vroeg door vele brieven, telegrammen en geschenken
welke mij thuis werden gebracht. Daarbij veel bloemen, prachtige, heerlijke
bloemen. Ten elf uur kwam het uitvoerend comité mij begroeten onder
aanbieding van een geschenk van bijzondere waarde. Het comité bracht mij op
de hoogte van het geheele program van den dag, waarbij ook met vriendelijke
oplettendheid was gezorgd voor eenige rust, hetgeen in verband met mijn
ziekte nog zeer wenschelijk was.
Hoe het verder is toegegaan op dien glorierijken, dien heerlijken middag, ik
meen niet beter te kunnen doen dan hier te laten volgen wat Mej. Emmy J.
Belinfante, de bekwame verslaggeefster van ‘de Nieuwe Courant’, in twee
opeenvolgende edities van dat orgaan, daarover heeft medegedeeld.
| |
De 70e verjaardag van Dr.
Jacobs. De receptie.
De huldiging van Dr. Jacobs is een schitterende
betooging geworden voor de zeventigjarige baanbreekster voor het
verkrijgen van gelijke rechten voor de vrouw in Nederland. Onder de
overvloedige bloemstukken, waardoor het podium en de geheele zaal in een
tuin van bloemen scheen herschapen, was een bijzonder vriendelijke
attentie van mw. en dr. Siemens, een foto van dr. Jacobs' geboortehuis
te Sappemeer, versierd met fraaie takken
orchideëen, terwijl om de merkwaardigheid de aandacht trok een bloemstuk
van de Ver. van Onderofficieren der Landmacht. Met pianospel werd dr.
Jacobs binnengehaald en kleine meisjes strooiden bloemen.
Het is niet mogelijk in bijzonderheden alle redevoeringen weer te geven,
waarin de hoofdtoon dankbaarheid was voor wat dr. Jacobs had gedaan als
baanbreekster voor de vrouwen, als dokter voor de wetenschap, als
pacifiste voor de vredesbeweging, als | | | | strijdster voor de
zedelijkheid in den strijd tegen de dubbele moraal, als eerste studente
voor de studeerende vrouwen, als huisvrouw voor de huisvrouwen, terwijl
de heeren die in verschillende functie voor de Vrijz. Democratische
partij spraken, in het bijzonder konden getuigen hoe zij volgens de
beginselen dezer partij had gewerkt, en de heer Merens voor de Haagsche
afdeeling van den Vrijheidsbond verkondigde, dat haar streven naar een
verbeterden rechtstoestand voor de vrouw, ook recht had op den dank van
de mannen van den Vrijheidsbond, in welker program staat de volledige
staatsrechterlijke, burgerrechterlijke en economische gelijkstelling der
vrouw.
Niet alleen haar mannelijke en vrouwelijke geestverwanten in de politiek,
de vrouwen- en de vredesbeweging kwamen van hun sympathie getuigen, maar
ook vrouwen van andere politieke of feministische richting huldigden in
haar de trouwe dienares van een groote zaak.
Mejuffrouw Rosa Manus, optredend als presidente van
het uitvoerend comité, bracht mede de gelukwenschen over van vrouwen uit
het buitenland (zooals o.a. de presidente van de Int. Woman Suffrage
Alliance) en van Nederlandsche vrouwen die verhinderd waren de receptie
te bezoeken, o.a. mw. Rutgers-Hoitsema, die om gezondheidsredenen niet
aanwezig kon zijn. Spreekster noemde het leven van mw. Jacobs een
buitengewoon leven: door haar durf, doorzettingsvermogen en energie had
zij vele harer idealen verwezenlijkt kunnen zien. Zij herinnerde hoe dr.
Jacobs in de internationale wereld beroemd was (applaus) en deelde verder o.m. mede, dat het comité dien morgen
een huldeblijk had overhandigd en verder haar niet beter had meenen te
kunnen huldigen dan door op haar geboortedag haar boek te doen
verschijnen (voor zoover dat toen reeds persklaar was). Ten slotte bood
zij mw. Jacobs een grooten lauwerkrans aan.
Mw. v.d. Hoeve-Bakker (Ned. Vereeniging van
Staatsburgeressen) verklaarde, dat het geheim van den invloed van dr.
Jacobs lag in wat zij was: ‘Gij zijt als de diamant, die een insnijding
laat in iederen anderen steen.’
Mw. Doorman-Kielstra (Nationale Vrouwenraad van
Nederland) loofde Aletta Jacobs als een der steunpilaren van den
Vrouwenraad, en hoopte dat zij nog jarenlang met onvermoeide werkkracht
den Raad zou helpen zijn doel bereiken.
Dr. Deknatel (namens de Haagsche afdeeling van de Ned.
Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst) verzekerde dat dr. Jacobs
haar vak vele jaren voortreffelijk had uitgeoefend. Haar streven was ten
zegen geweest aan tal van vrouwen.
Anna Polak (Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid)
wees | | | | er op dat dr. Jacobs een der nobelste en hoogste
vormen van menschenarbeid had mogelijk gemaakt en de Nederlandsche
wetenschap en de Nederlandsche vrouwen voor altijd aan zich had
verplicht.
Mw. Ramondt-Hirschmann (Ned. Vereen. van Vrouwen voor
een Duurzamen Vrede) die de pacifiste huldigde, voegde hieraan toe, dat
haar ook door de buitenlandsche vrouwen te Londen was opgedragen dr.
Jacobs haar wenschen over te brengen.
Mr. Werker, Voorzitter van den Vrijz. Democratischen
Bond, kwam haar niet in het bijzonder huldigen op één der gebieden waar
zij van zich deed spreken, maar als ‘draagster van een hoogere eenheid’.
Mr. Marchant, Voorzitter van de Vrijz. Democratische
Kamerfractie, legde den nadruk op haar geven van leiding ook in de
Vrijz. Dem. fractie, waar men zich, als er sprake was van de rechten der
vrouw, aan haar absolute heerschappij onderwierp.
Mej. Westerman, lid der Tweede Kamer (Vrouwengroep van
den Vrijheidsbond), meende dat in een tijd als deze, waarin veel dreigde
verloren te gaan waarvoor dr. Jacobs had gestreden, het goed was haar in
het zonnetje te zetten. Zij hoopte dat dezelfde moed die dr. Jacobs
getoond had, de vrouwen zou bezielen om te redden wat dreigde verloren
te gaan.
Mw. Ros-Vrijman (Centraal Bestuur van de
Vrijz.-Democratische Vrouwenclub) verklaarde: Wij feliciteeren ons zelf
en hopen u lang te behouden. Spr. dankte dr. Jacobs namens de vrouwen en
moeders voor wat zij deed voor haar kinderen en noemde de jubilares een
bouwer in den tempel der menschheid. Zij besloot met den heilwensch der
bouwers: ‘Ik wensch u heil, zegen en voorspoed, wijsheid om plannen te
maken, kracht om ze uit te voeren, schoonheid om ze in een vorm te
gieten, aantrekkelijk en harmonisch.’
Jkvr. De Jong van Beek en Donk (Meisjes-studenten
vereenigingen aan de Universiteiten) beloofde dr. Jacobs dat de jongeren
zich waard zouden maken wat zij voor haar had veroverd.
Mw. Jacobs-Zoethout (Nederl. Vereen. van Huisvrouwen)
herinnerde aan de aangename gastvrouw die dr. Jacobs in Amsterdam was
geweest.
Mw. Marie van Dijk (Clubgebouw voor Vrouwen) sprak van
het indirect aandeel dat dr. Jacobs aan de stichting van het clubgebouw
had gehad en zij hoopte dat dit haar nog dikwijls binnen zijn muren zou
mogen zien.
Nog werd gesproken door Zr. Verwey Mejan voor
Nosokomos, | | | | door den heer Winkel voor de
afd. Den Haag van den Vrijz. Dem. Bond, en als reeds vermeld, door den
heer Merens voor de afdeeling Den Haag van den
Vrijheidsbond.
Voorts voerden het woord: mw. Carno-Barlen voor de
Vrije Vrouwenvereeniging, mw. Van Heemskerck van
Beest-Baronesse Van Reede tot ter Aa voor den
Ned. Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn, mw. Van Schaik-Dobbelman voor de Vereeniging Onderlinge
Vrouwenbescherming. Vertegenwoordigsters van verscheiden afdeelingen der
Ned. Ver. van Staatsburgeressen, zooals die van Alkmaar, Amersfoort,
Amsterdam, 's-Gravenhage, Groningen, Haarlem, Rotterdam en Voorburg
spraken voor die afdeelingen. Mw. Mr. Bakker-Nort
voerde het woord als Tweede Kamerlid, mw. Ninck
Blok-Gruys voor de afd. Den Haag der Vrijz. Dem. Vrouwenclub, mw.
Cohen Tervaert-Israels voor den plaatselijken
Vrouwenraad in Den Haag, mw. Albarda-Knock voor de
Sociaal-Democratische Vrouwenclubs, mw. Th. Hoven
voor Arbeid Adelt. mw. Romeijn-Tuckerman voor den
Cooperatieven Vrouwenbond en voor de Haagsche afd. van de Ned. Ver. van
Vrouwen voor Duursamen Vrede.
Alle redevoeringen werden met luid applaus begroet.
Dr. Jacobs, die zeer ontroerd was, verklaarde dat zij
den geheelen dag warme blijken van liefde, vriendschap en waardeering in
ontvangst had genomen en niet zoo gemakkelijk haar gevoelens kon
weergeven. Het meest naar voren komend was een gevoel van vreugde, dat
zij dezen dag had mogen beleven. Zij zag hoe de vrouwen in Nederland
veranderd zijn bij de vrouwen van vroeger. Was zij 50 jaar later geboren
dan zou zij een gewone vrouw zijn geweest. Ik doe wat gij allen doet
(stemmen: ‘Neen, neen!’). Ik was een vrouw als gij, ik heb gevoeld als
gij. Als één vrouw in het land onrecht werd aangedaan omdat zij vrouw
was, heb ik dit gevoeld als een persoonlijke beleediging. Dit doet gij
tegenwoordig allen. Zij herinnerde aan wat er veranderd was sinds
vroeger door voorbeelden van de afhankelijkheid der vrouw in den ‘goeden
ouden tijd’, dien zij verschrikkelijk noemde.
Spr. verzekerde, dat het comité, dat haar den dag tot een feestdag had
willen maken, daarin volkomen was geslaagd. Het had haar doen zien, dat,
hoe geheel anders de jonge vrouwen van thans ook zijn, zij op dezelfde
wijze zouden voortwerken als de oudere, die gerust konden zijn in de
wetenschap, dat de jongeren de vrouwenbeweging zouden voortzetten en het
honderdmaal beter zouden kunnen, omdat zij beter voorbereid waren en
geen tijd behoefden te verspillen aan den strijd voor kiesrecht. In dat
| | | | kiesrecht hadden zij een wapen om verdere
vrouwenrechten in korten tijd te verkrijgen.
Tenslotte wendde zij zich tot de jongeren en voegde dezen toe: vergeet
niet wanneer wij hebben gefaald, dat wij voor andere problemen hebben
gestaan dan gij, dat wij een muur van vooroordeelen moesten omverwerpen.
Zij besloot door te getuigen: wij hebben den strijd gevoerd om aan de
vrouwen die na ons komen een gemakkelijker, gelukkiger leven te geven!
Langdurig applaus en een spontaan ‘Lang zal zij leven’, volgde op haar
antwoord.
Een lang défilé van de aanwezigen langs de jubilaresse besloot de
receptie. Toen begaven allen zich naar de thee in de salons van het
Clubgebouw om zich daarna gereed te maken voor het intieme diner in
Witte Brug.
| |
Het diner.
Nadat men mw. Jacobs bij haar binnenkomen een welkomstlied had
toegezongen begaf men zich aan tafel. Voor de disch een aanvang nam
verscheen de figuur van Thorbecke op het podium, die met een enkele
toespeling op de actueele politieke verhoudingen, een lofdicht op de
jubilaresse reciteerde, dat veel bijval vond. Vervolgens droeg mw. Van Wulfften Palthe een berijmd welkom voor, dat
eveneens luide werd toegejuicht.
De tafelpresidente, mej. Rosa Manus, deed voorlezing
van een telegram van gelukwensch van het gemeentebestuur van Sappemeer.
Spr. deelde verder mede dat er een heele stapel telegrafische
gelukwenschen was ingekomen, o.a. van Lady Aberdeen, presidente van den
Internationalen Vrouwenraad, van tal van internationale en Ned.
vereenigingen, van Suze Groeneweg, mevr. Marie van Eysden-Vink, Rosa de
Guchtenaere en vele andere figuren en organisaties uit de vrouwenwereld
in binnen- en buitenland.
Aan dit verslag heb ik weinig meer bij te voegen. Het aantal telegrammen
dat op den feestdag werd ontvangen was zoo groot, dat het zelfs niet
mogelijk bleek om aan den feestdisch meer dan de allervoornaamste voor
te lezen. Enkele zijn hierboven reeds vermeld, maar laat mij nog mogen
verzekeren dat ik bijzonder was getroffen door de gelukwenschen van den
Senaat der Groningsche Universiteit, van het gemeentebestuur van
Sappemeer, en dan van doctoren uit verscheidene plaatsen, groeps- | | | | gewijze of afzonderlijk. De toespraak van Dr. Deknatel, den
voorzitter van de Afdeeling 's Gravenhage van de Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst, heb ik ten zeerste gewaardeerd, evenals het
mooie bloemstuk dat daarmede gepaard ging. Voor zoover zij niet reeds op
de receptie vertegenwoordigd waren, hadden de meisjes-studenten aan de
verschillende Universiteiten telegraphische gelukwenschen gezonden. Zoo
deden ook bekende persoonlijkheden van wie ik extra vermelden wil: Mr.
J. Limburg, een leider bij zoo menige hervorming door welke ik mij zijn
geestverwante gevoel; van den leider der S.D.A.P., Mr. P.J. Troelstra en
zijne echtgenoote; en van den Heer D. Hans, voorzitter van den
Nederlandschen Journalistenkring. De voorzitter der Haagsche afdeeling
van dien kring, Mr. J.J. van Bolhuis, was mij persoonlijk komen
gelukwenschen. Onder de vele telegrammen van bekende vrouwen in
Nederland, vermeld ik nog inzonderheid dat van Dr. Mia Boissevain. Zij
noemde zich een der velen die mijn levenswerk in dankbaarheid herdachten
en zij sprak daarbij de hoop uit, dat wat in mijn leven bitter was
geweest, door de hulde op mijn 7osten geboortedag mocht worden verzoet.
Buiten de vereenigingen welke zich lieten vertegenwoordigen, waren er
nog vele andere daartoe niet in de gelegenheid geweest, maar hadden
schriftelijk blijken van sympathie en waardeering gegeven. Onder deze
denk ik nu met ingenomenheid aan organisaties tot welke ik, noch in
politieke noch in godsdienstige overtuiging, kan worden gerekend.
Daarbij het hoofdbestuur van de Vrouwengroep in den Vrijheidsbond, het
bestuur van de Christelijke bewaarschoolhouderessen en de Joodsche
Vrouwenraad.
Van de telegrammen uit het buitenland noem ik vóór alle die van: Mrs.
Chapman Catt, die gedurende twintig jaren presidente is geweest van den
Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, en van hare opvolgster in de leiding
van die groote internationale organisatie, Mrs. Corbett Ashbey, van Lady
Ishbel Aberdeen, de presidente van | | | | den Internationalen
Vrouwenraad en van het bestuur van dien raad in zijn geheel; van Miss
Jane Addams, de presidente van den Internationalen Vrouwenbond voor
Vrede en Vrijheid, evenals van het bestuur van dien bond. Voorts nog van
tallooze vereenigingen, uit Finland, Denemarken, Noorwegen, van de
Vlaamsche vrouwen uit Gent, uit Hongarije, Tsjecho-Slowakije, uit
Duitschland, Frankrijk, Spanje en Italië.
De stroom van brieven uit ons land en uit den vreemde bevatten
dankbetuigingen voor mijn werk in het algemeen, of voor hetgeen ik in
het bijzonder voor bepaalde organisaties had kunnen doen.
Toen ik den volgenden dag dit alles overzag, vroeg ik mij verwonderd af:
is het wáár dat gij dat alles hebt gedaan? Toen viel mijn oog op het
schilderij dat mij was geschonken, de afbeelding van mijn ouderlijk huis
met de kamer waarin ik als meisje had gestudeerd en had zitten peinzen
over de onzekere toekomst. Was het werkelijk waar, dat alles wat ik had
doorleefd, - en nog veel meer wat in dit boek geen plaats kan vinden, -
zich had afgespeeld? Aldus geheel alleen zittende, na al de drukte en de
overstelpende emoties van den vorigen dag werd ik, starende naar de
afbeelding van het ouderlijk huis, plotseling bevangen door de innig
weemoedige gedachte, dat noch mijne ouders, noch een van mijn vele
broeders en zusters, die zoo dikwijls angst en bezorgdheid hadden
getoond over mijn toekomst, getuigen hadden mogen zijn van dien voor mij
grooten dag! En starende naar de kamer, waarin ik zoo menige goede les
van mijn vader had ontvangen, riep ik hem in gedachte toe: ‘Wees gerust,
beste vader! Dikwijls hebt U over mij in zorg verkeerd en gevreesd dat
mij door mijn optreden zelfs ernstige gevaren bedreigden. Voor hetgeen
mij thans nog te doen overblijft, is daarvoor waarlijk geen reden meer.
Dank zij Uw hulp en voorlichting, is mijn werk geslaagd. De vrouwen gaan
een betere toekomst tegemoet!’
|
|
|