België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2


auteur: Herwig Jacquemyns


bron: Herwig Jacquemyns, België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2: Een bezet land. DNB/Uitgeverij Peckmans, Kapellen 1984 (vijfde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 103]

19 / Het einde van een lange nachtmerrie

De winter 1942-1943 is niet zo streng als de vorige, de temperatuur is zachter, ligt zelfs hoger dan normaal. Het verwarmingsprobleem is minder acuut, hoewel kolen schaars blijven en schlam, samen met cokes en hout, de courante huishoudelijke brandstof zijn. Eetwaren en andere produkten worden zeldzamer, de kwaliteit ervan verslechtert zienderogen. Op de zwarte markt blijven de prijzen de hoogte ingaan. In de benarde situatie is er nochtans een lichtpunt: de aardappelcrisis is grotendeels opgelost en voortaan kan de bevoorrading in aardappelen vrij normaal verzekerd worden.

De mensen lijden minder kou, maar worden met een nieuw maatschappelijk verschijnsel geconfronteerd. Met de vroeg invallende duisternis, de lange, donkere avonden, de verlaten straten is een angstwekkende kwaal ontstaan. Diefstallen, aanslagen, roofovervallen, moorden zijn aan de orde. Een golf van misdadigheid overspoelt het land. Geregeld hebben gewapende overvallen plaats in boerderijen, melkfabrieken, handelszaken, banken en postkantoren, worden goederentreinen en opslagplaatsen geplunderd, worden in de gemeentehuizen rantsoeneringskaarten gestolen, worden de mensen op straat aangerand. Zelfs in hun woningen zijn de burgers niet meer veilig, want men deinst er niet voor terug in de huizen binnen te dringen en de bewoners neer te schieten.

In deze nare tijd worden alle morele normen overboord gegooid, wordt geen waarde meer gehecht aan bezit of eigendom, is een mensenleven van geen tel meer. De misdadigheid spreidt zich als een olievlek over het land uit en niemand kan nog uitmaken of de overvallen en aanslagen het werk zijn van verzetsorganisaties, represailles van Nieuwe-Ordebewegingen, persoonlijke afrekeningen of daden van banditisme zonder meer.

De toestand wordt zo ernstig dat kardinaal Van Roey de bevolking vraagt een einde te maken aan de gewelddaden en aanslagen. In zijn oproep zegt de aarstbisschop van Mechelen:

‘De inwendige toestand van het land wordt met de dag erger. Gewelddaden worden er, zonder ophouden, zo wat overal gepleegd. Sinds enkele tijd zijn de aanslagen op het leven niet meer te tellen. Waartoe voert deze bloedstroom?

Wij kennen de daders van de aanslagen niet, noch de doeleinden die zij beogen; maar, welke ook hun bedoelingen en hun drijfveren zijn, niettemin zien wij vóór onze ogen zich de noodlottige gevolgen ontwikkelen, welke hun handelswijze in feite voor onze ongelukkige bevolking meebrengt. Ter wille van deze gevolgen, achten wij dat de huidige geweldplegingen niet geoorloofd zijn, en keuren wij al de aanslagen op het leven af en veroordelen wij ze openlijk.’

Wanneer de dagen beginnen te lengen en de lente openbreekt, verminderen de overvallen en gewelddaden. Maar plots wordt het land door een nieuwe dramatische gebeurtenis opgeschrikt.

5 april 1943. Even vóór halfvier's middags vliegt een formatie Amerikaanse bommenwerpers boven de Antwerpse agglomeratie en gooit haar bommenlast boven Mortsel uit. De gevolgen zijn ontzettend. Woningen storten als kaartenhuisjes in mekaar, ganse straten worden met de grond gelijkgemaakt. Onder de puinhopen liggen duizenden mensen. Sommigen zijn zo verscheurd en verminkt dat zij onmogelijk kunnen geïdentificeerd worden. Tragische balans: ongeveer duizend doden, ontelbare gewonden, duizenden daklozen. Antwerpen rouwt en gans België beseft dat alle leed nog niet geleden is, dat het ergste, het vreselijkste nog moet komen. Vóór de oorlog al waren maatregelen tegen bombardementen getroffen, werden in vele plaatsen bunkers en openbare schuilplaatsen gebouwd. Ook na de bezetting van het land door de Duitsers werden de burgers herhaaldelijk gewaarschuwd tegen luchtaanvallen, werden zij aangemaand een hoeveelheid water, wat eten, zakjes zand, houwelen en spaden in de kelders te bewaren.

Tot begin 1943 maakte de Belgische bevolking slechts sporadisch met bombardementen kennis. De vernielingen aangericht door luchtaanvallen

[p. 104]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6
(1) Galopin, van de Société Générale, werd vermoord. Een van de talloze terreuracties.
(2) Verduistering. Er voor zorgen dat er uit de kamers geen sprankeltje licht meer komt. (3) Een ‘sportfluit’, om zijn aanwezigheid in een schuilplaats te melden, is een gunstig verkoopsargument.
(4) Schuilkelders tegen bominslagen kunnen op elk stuk grond gegraven worden.
(5) Bommenwerpersalarm is duiken naar de dichtsbijzijnde bescherming. (6) Een hart onder de riem steken, moest dit affiche doen.


[p. 105]



illustratie

7
(7) De bezetter ontwierp dit affiche, om het bommengooien ideologisch te ontkrachten.


[p. 106]



illustratie

8




illustratie
9




illustratie
10




illustratie
11




illustratie
12




illustratie
13




illustratie
14




illustratie
15
(8) De gangsters van de Amerikaanse luchtmacht werden in de gecensureerde pers aangeklaagd. ‘'t Zijn de beruchtste beroepsmoordenaars van Chikago, daarom hebben wij ze bij de bombardeervliegtuigen ingelijfd.’ Brüsseler Zeitung van 11 april 1943.
(9) Mortsel was een tragedie in april 1943. Een bombardement in de namiddag levert een duizendtal doden op. Kardinaal Van Roey komt de lijken zegenen.
(10) Maar affiches (zoals die op de bladzijde hiervoor) helpen niet. De bombardementen houden aan. In het Brusselse, september 1943.
(11) Commentaar overbodig. Bombardement op Etterbeek, september 1943... (12) ... en de menselijke ellende ervan. (13) Familieleden komen de lijken herkennen (Brussel 1943). (14) Mechelen in april 1944. Het Arsenaal wordt gebombardeerd, (15) maar ook de omgeving krijgt het hard te verduren.


[p. 107]

tijdens de achttiendaagse veldtocht en door bommen die tijdens de bezetting door de geallieerden op enkele plaatsen in het land werden uitgeworpen, zijn alles bij mekaar beperkt gebleven.

In de loop van de jaren is de angst voor de bombardementen dan ook vervaagd. Weliswaar is er, vooral vanaf 1942, veel luchtalarm maar, wanneer de sirenen loeien, zet men onverstoord zijn dagelijkse bezigheid voort of slaapt men rustig verder. Men kijkt met belangstelling, vaak met bewondering, naar de zware geallieerde bommenwerpers die hoog in de lucht voorbijtrekken, men hoort hun obsederend gebrom, maar men vertikt het naar kelders of schuilplaatsen te gaan. Iedereen is ervan overtuigd dat de bommen voor Duitsland bestemd zijn. Elke dag hoort men van de luchtraids op Duitse steden, van de duizenden doden, de enorme verwoestingen. Maar dat alles schijnt zo ver af. Tot op die heldere namiddag van 5 april de Antwerpse bevolking met de tragische realiteit geconfronteerd wordt.

Gedurende enkele maanden blijft het rustig. In Antwerpen zijn de wonden stilaan geheeld en is de verschrikking haast vergeten. Het land wordt tot de harde werkelijkheid teruggeroepen, wanneer begin september Brussel, Gent en Kortrijk gebombardeerd worden en er honderden dodelijke slachtoffers zijn.

Vanaf de eerste lentedagen in 1944 begin het bommen op België te regenen. Er vallen bommen te Brussel, Gent, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Brugge, Hasselt, Charleroi, Luik, Namen, La Louvière, alsook in talrijke andere plaatsen van het land. Leuven, Kortrijk, Brussel en Gent zijn het ergst geteisterd. De kranten schrijven over de gapende wonden, het verminkt gelaat van deze steden.

In de plaatsen die het meest asan de bombardementen blootstaan, leeft men in permanente angst. Wanneer luchtalarm wordt gegeven, vlucht men in paniek naar bunkers en schuilplaatsen. Degenen die in de nabijheid van fabrieken, belangrijke stations of verkeersaders wonen, transformeren hun kelders tot woon- en slaapvertrek. Zij installeren er matrassen, keukengerei, wasgelegenheid, sanitair.

Terwijl de bommen gierend naar beneden komen, kruipt men dicht bij mekaar, zoekt men in mekaars armen beschutting. Het geschrei van kinderen, het gehuil van vrouwen die zenuwcrisissen krijgen, het gevloek en getier van bange mannen gaan verloren in het oorverdovend lawaai van de ontploffende bommen. Hysterische taferelen spelen zich af, wanneer men bij het einde van het alarm de schuilplaatsen verlaat, men de straten en wijken als één grote puinhoop ziet, de verbrande en verminkte lijken geborgen worden.

In die laatste lente- en zomermaanden van de bezetting betaalt de Belgische burgerbevolking een zware tol aan de oorlog. Duizenden doden en gewonden vallen als slachtoffers van de bombardementen, die zodanige verwoestingen aanrichten dat kardinaal Van Roey opnieuw de stem verheft en zich door middel van een herderlijke brief tot de regeringen van Engeland en de Verenigde Staten richt met het verzoek de bommenregen op de Belgische steden te doen ophouden.

De gecensureerde pers gaat heftig tekeer tegen hetgeen ze de moorddadige terreuraanvallen van de Angelsaksers noemt. Toch brengen de massale bombardementen over het algemeen geen vijandige stemming tegen de geallieerden teweeg. Wel wordt in sommige kringen de slogan gelanceerd: ‘Bevrijd ons van onze beschermers, bescherm ons tegen onze bevrijders.’ Met beschermers worden dan ironisch de Duitsers, met bevrijders de geallieerden bedoeld. Want meer en meer lopen in het land de geruchten rond dat de landing van Britse en Amerikaanse troepen nakend is, dat de bevrijding in het verschiet ligt. In afwachting duurt de lijdensweg van de Belgen onverminderd voort. De lente van 1944 met de bombardementen die dood en vernieling zaaien, volgt op een winter waarin, zoals het jaar tevoren, moorden en roofovervallen weer hoogtij vieren. Men deinst voor niets of niemand nog terug, elke dag wordt men stoutmoediger, brutaler. Gewapende overvallen op postkantoren, banken, bedrijven zijn dagelijkse kost. Zo wordt onder meer op 15 november 1943 in de kantoren van het bestuur der postchecks te Brussel veertien miljoen frank geroofd. In de avond van 28 februari 1944 worden in de Brusselse agglomeratie vijf moorden en vier aanslagen gepleegd. In de bar ‘Le Muscadin’, gehouden door de bokser Al Baker, gooien onbekenden twee granaten en schieten zij in het wilde rond. Er zijn een vijfentwintigtal slachtoffers, waaronder drie doden. Dezelfde avond wordt Alexandre Galopin,

[p. 108]

gouverneur van de Société Générale, in zijn woning met vier revolverschoten vermoord, worden bij een overval op het politiecommissariaat te Vorst de politiecommissaris gedood en twee agenten gewond en zijn bij een bomaanslag in een herberg te St. Agatha-Berchem vijf personen zwaar gekwetst.

De overvallen en aanslagen krijgen meer en meer een politiek karakter. De verplichte tewerkstelling, de verordeningen tegen de joden, de gekeerde krijgskansen drijven een toenemend aantal mannen en vrouwen in de rangen van het verzet. De verzetsorganisaties worden actiever, agressiever. Sabotagedaden tegen spoorweginstallaties, fabrieken, mijnen, elektrische centrales stapelen zich op, aanslagen tegen leden van de Wehrmacht en aanhangers van het nieuwe regime worden veelvuldiger. De witte brigade, zoals de verzetsbewegingen in de volksmond worden genoemd, rooft rantsoenzegels, blancoidentiteitskaarten, officiële stempels. De zegels en identiteitskaarten, alsmede het geld en andere goederen die bij overvallen worden buitgemaakt, zijn bestemd voor de leden van het verzet, voor hen die ondergedoken en vogelvrij verklaard zijn.

Tijdens de zomermaanden verleggen de verzetsgroepen hun activiteiten meer naar het platteland. Vooral de koolzaadvelden worden het mikpunt van hun acties. Het departement van Landbouw en Bevoorrading, dat een campagne op touw heeft gezet om de landbouwers er toe te overhalen zoveel mogelijk koolzaad te zaaien met de hoop de bevolking wat meer vetstoffen, een hoger rantsoen margarine te bezorgen, wordt scherp aangevallen in de Belgische uitzendingen van Radio Londen. In deze uitzendingen wordt verkondigd dat, in strijd met hetgeen de autoriteiten in België beweren, het koolzaad niet moet dienen voor de bereiding van margarine, maar bestemd is om tot smeerolie voor de Duitse oorlogsmachines verwerkt te worden. De Belgen worden aangespoord de koolzaadvelden te vernielen, in brand te steken. Na de oorlog zal toegegeven worden dat er een misverstand in het spel was, dat het koolzaad wel degelijk voor de bevoorrading van de bevolking diende. Maar intussen is het kwaad geschied. Tijdens de bezetting worden vele koolzaadvelden verwoest en in brand gestoken, worden de bezitters van deze velden bedreigd zodat de meesten er voor terugschrikken nog koolzaad te zaaien.

Meestal blijven de daders van overvallen, plunderingen, brandstichtingen onbekend. Men weet trouwens zelden of ze moeten toegeschreven worden aan verzetsorganisaties dan wel aan individuën die, onder het mom van het verzet, vaak ongestraft, persoonlijke veten uitvechten, jaloezie en naijver met misdadige acties botvieren.

In het comité van de secretarissen-generaal beklemtoont secretaris-generaal De Winter dat de verwoestingen van velden, de overvallen op melkfabrieken, slachthuizen en voedingsbedrijven de bevoorrading van de bevolking ernstig in het gedrang brengen. Zijn collega van Binnenlandse Zaken, Romsée, beklaagt er zich over dat hij niet over de nodige middelen beschikt om de openbare orde te handhaven, dat hij bij de Belgische parketten meer tegenkanting dan steun ondervindt, dat de hele mentaliteit van de bevolking de misdadigheid in de hand werkt.

Aanslagen tegen aanhangers van de Nieuwe Orde nemen met de dag toe. Overal in het land worden leden van het V.N.V., Rex, de De Vlag, de Fabriekswacht en andere extreem rechtse organisaties neergeschoten. Represailles van deze bewegingen blijven niet uit en op hun beurt worden personen, van wie vermoed wordt dat zij tot het verzet behoren of die om hun anti-Duitse gezindheid bekend staan, vermoord.

De verdeeldheid onder de Belgen groeit uit tot onverzoenlijke haat, tot broedermoord. De tweespalt komt tot uiting op het werk, in de scholen, in de gezinnen. Mensen van hetzelfde dorp, dezelfde straat, dezelfde familie wantrouwen mekaar. Nergens voelt men zich nog veilig, overal vreest men verklikking.

Geprojecteerd tegen die achtergrond van wantrouwen en achterdocht, nemen de dagelijkse problemen van voeding, kleding en verwarming nog dramatischer afmetingen aan. Op de officiële markt worden voedingswaren, kleren en andere consumptiegoederen schaarser en slechter van kwaliteit. In de sluikhandel vindt men nog de meest diverse produkten, maar de prijzen bereiken astronomische cijfers. Boter en spek gaan tot 350 fr. het kilo, een wit brood kost 80 fr., een stuk toiletzeep 50 fr., een kg tabak 600 fr., voor een paar lederen schoenen wordt 1.200 fr., voor een herenkostuum 6.000 fr., voor een fietsband 1.200 fr. geboden.

[p. 109]



illustratie

16




illustratie
17




illustratie
18




illustratie
19




illustratie
20




illustratie
21
(16) Brussel in mei 1944. Gewonden worden geëvacueerd, (17) lijken geborgen. (18) Men schijnt voor de keuze te staan: ..... (19) of de kinderen in veiligheid brengen, naar het platteland. (20) In juli 1944 Kortrijk. Opnieuw. (21) En steeds hetzelfde tafereel: kisten.


[p. 110]



illustratie

22




illustratie
23




illustratie
24
(22) Voor de ‘Propaganda-abteilung’ onderwerp voor een nieuw affiche. (23) De Duitsers antwoorden: de V-Bom. Op het affiche ... (24) en in de barre werkelijkheid.


[p. 111]

De huizen gaan er steeds vuiler en meer vervallen uitzien. Bij gebrek aan de nodige produkten kunnen zij niet meer geschilderd, behangen of gewit worden. De gordijnen, de trots van de huisvrouw, zijn tot op de draad versleten. Men durft ze niet meer af te nemen en te wassen uit vrees dat zij uiteen zouden vallen.

Reizen per trein wordt een avontuur. Wegens de bombardementen en sabotagedaden hebben de treinen aanzienlijke vertraging, zijn de aansluitingen niet meer verzekerd. Soms blijft de trein uren in het veld staan. Nooit is men er zeker van dat men nog dezelfde dag op de plaats van bestemming zal aankomen.

Een typisch voorbeeld van de reisperikelen die men kan beleven, is het traject Brussel-Antwerpen. Bombardementen op Mechelen, Schaarbeek en Haren hebben de treinverbinding tussen beide steden een tijd onderbroken. De route die men moet volgen om van de hoofdstad naar Antwerpen te gaan, is nu de volgende: met de tram tot Londerzeel, vandaar met de bus tot Boom, vervolgens te voet tot Aartselaar en tenslotte met de tram tot Wilrijk. De reis die met de trein voorheen iets meer dan een halfuur duurde neemt nu ruim een halve dag in beslag.

Meer en meer neemt men zijn toevlucht tot de buurtspoorweg of tracht men een lift te krijgen met de enkele vrachtwagens die nog rijden. Pientere chauffeurs doen goede zaken. Voor de lifters hebben zij een speciaal tarief: 30, 50 of 70 fr. naar gelang van de afstand.

Intussen zijn vanaf 1943 de krijgskansen definitief in het voordeel van de geallieerden gekeerd. De Italiaans-Duitse troepen zijn uit Noord-Afrika verdreven, op 8 september 1943 capituleert Italië en in Rusland zijn de Duitsers begonnen met hetgeen zij een strategische terugtocht noemen. Op 6 juni 1944 breekt de langverwachte dag aan. In de vroege ochtend landen de Britse en Amerikaanse strijdkrachten op de kusten van Normandië. De operatie Overlord, codenaam voor de invasie, is begonnen. De gebeurtenissen volgen elkaar nu in versneld tempo op. De 7de juni, dag na de ontscheping, wordt koning Leopold naar Duitsland weggevoerd. Twee dagen later wordt hij in zijn ballingschap gevolgd door zijn echtgenote, de prinses van Rethy, en zijn kinderen, prinses Josephine-Charlotte en de prinsen Boudewijn, Albert en Alexander.

Het koninklijk gezin wordt ondergebracht te Hirschtein aan de Elbe in een kasteel dat in feite een oude vesting is. Wegens de bedreiging van de oprukkende Russische troepen worden de koninklijke gevangenen op 7 maart 1945 overgebracht naar een jachtpaviljoen te Ströbl in Oostenrijk, waar zij begin mei van datzelfde jaar door Amerikaanse troepen zullen bevrijd worden.

In vergelijking met het begin van de bezetting heeft de koning heel wat van zijn populariteit ingeboet. In bepaalde clandestiene bladen, in linkse en in sommige Waalse kringen wordt hij scherp aangevallen, wordt hem zijn houding in de meidagen van 1940 verweten, wordt kritiek op zijn huwelijk uitgebracht, wordt door ingewijden zijn ontmoeting met Hitler veroordeeld.

Op 18 juli 1944 wordt in België de Militärverwaltung door de al lang gevreesde Zivilverwaltung vervangen. Von Falkenhausen moet de plaats ruimen voor de nieuwe rijkscommissaris, Grohé, gouwleider van Keulen, en de Wehrmachtsbefehlshaber generaal Grase, terwijl Jungclaus de Höherer SS- und Polizeiführer wordt. Twee dagen later wordt een aanslag gepleegd tegen Hitler die het er als door een wonder levend afbrengt. De onmeedogende repressie die op de mislukte aanslag volgt, kost von Falkenhausen de vrijheid. Hij wordt verdacht betrokken geweest te zijn in het komplot, maar gebrek aan bewijzen spaart hem het leven.

Intussen kraakt het Duits front zowel in het oosten als in het westen in al zijn voegen. In een wanhopige poging om het tij te doen keren, werpen de Duitsers een nieuw wapen in de strijd. Het zijn de V-1's, de vliegende bommen, die vanaf half juni op Engeland, hoofdzakelijk op Londen, worden afgevuurd. Maar de V-1's zijn nog onvoldoende geperfectioneerd om het Duits leger uit zijn hopeloze situatie te redden. De laatste hoop van Duitsland is verzwonden.

De opmars van de geallieerden is niet meer te stuiten. Op zondag 3 september trekken zij België binnen en doen zij nog dezelfde dag een triomfantelijke intocht in Brussel. In enkele dagen wordt het grootste gedeelte van België bevrijd. Voor de meeste Belgen is het ergste leed achter de rug.

Een lange nachtmerrie is voorbij.