begin  verderprepost
[p. v]

voorwoord

Een dissertatie, vele jaren na de beëindiging der universitaire studie geschreven, biedt veelal niet de gelegenheid de dankbaarheid te laten blijken, die de schrijver voor zijn academische leraren gevoelt.

U, Hooggeleerde van Regteren Altena, Hooggeschatte Promotor, zult beseffen, dat Uw raad en Uw belangstelling bij het ontstaan van dit proefschrift een rol van betekenis hebben gespeeld: meer nog bij de voltooiing ervan, dan bij het eerste, tastende begin. Uw bijstand en Uw aanmoediging hebben dit werkstuk - uiteindelijk - tot een einde doen komen. Met de zorgzame hand van de hovenier hebt U de groei van dit gewas bewaakt en bevorderd. Voor dit alles kan ik U niet dankbaar genoeg zijn.

U zult in het geschrift de sporen hebben gevonden van Uw academische lessen en van die van Uw voorganger, wijlen Prof. Dr. F.W. Hudig. Aan zijn nagedachtenis en aan de opleiding, die hij mij heeft gegeven, werd ik tijdens het werk aan dit proefschrift telkens dankbaar herinnerd. Ik moge hopen, dat iets van zijn helderheid van denken, van zijn klare bezonken kijk en ook van zijn enthousiasme in, dit geschrift terug te vinden is.

[p. vi]

Bij het werken aan dit proefschrift wist ik mij bovenal verplicht jegens de nog levende leden van ‘De Stijl’, die mij steeds hun volle medewerking hebben gegeven, waarvoor ik hen op deze plaats wil danken; met name Mevrouw P. van Doesburg, die mij de beschikking gaf over al het materiaal, dat zij in haar huis te Meudon beheert, en Dr. J.J.P. Oud, die mij door zijn belangstelling een inzicht gaf in het leven en het idealisme van ‘De Stijl’. Tal van getuigen uit het grote tijdperk van ‘De Stijl’ hebben mij hun hulp en steun gegeven; bijzondere dank ben ik verschuldigd aan Mej. T. Brugman, die mij heeft doen profiteren van de rijke schat van haar herinneringen en haar enthousiasme.

Dit proefschrift kon ontstaan door de tentoonstelling ‘De Stijl’ in het Stedelijk Museum gehouden gedurende de zomer van 1951. De Directeur der Gemeentemusea, Jhr. W.J.H.B. Sandberg, heeft mij in de gelegenheid gesteld de resultaten van deze expositie grondig te bestuderen en hij heeft mij in tal van gesprekken op essentiële details gewezen, die ik in dit proefschrift heb kunnen verwerken. Aan zijn hulp en vooral aan zijn vriendschap en zijn zorg heeft dit werkstuk en nog meer diens schrijver veel te danken.

De Heer Wethouder voor de Kunstzaken ben ik zeer erkentelijk voor het verlof, mij toegestaan ter voltooiing van deze dissertatie. Veel dank ben ik verschuldigd aan mijn collegae bij de Dienst der Gemeentemusea, die mij in hun vrije tijd bij het gereedkomen van dit geschrift hebben geholpen: Mej. M. Winter en Mej. H. Schröder, de heren L. Kloet en H.J. Siliakus.

Dit werkstuk zou in zijn tegenwoordige vorm nooit zijn verschenen zonder de hulp, de belangstelling en het vertrouwen van mijn uitgever. Het is mij een behoefte de heer J.R. Meulenhoff en de heer D.W. Bloemena op deze plaats te bedanken voor al de hulp, mij gedurende het werk aan het proefschrift geboden, zomede het personeel van de fa. Thieme, dat onder leiding van de Heer Van Zee, zo vlug en nauwkeurig de druk van dit proefschrift heeft verzorgd. Verder ben ik veel dank verschuldigd aan de Heer Peter van Loo, die mij bij de revisie en het corrigeren van de drukproeven terzijde stond.

Tenslotte moge ik met een enkel woord dank zeggen aan mijn oom, Dr. P. Jaffé, die door zijn genereuze morele steun en zijn goed stuurmanschap dit werkstuk tussen vele klippen door wist te loodsen, en aan mijn vrouw, die mij tijdens het werk zelf en tijdens alle daarop volgende perikelen heeft geholpen, gesteund, bemoedigd en geïnspireerd.

prepost  begin  verder