terug  begin  verder
[p. 9]

Hermans in 1945
Over een artikel in een Belgisch dagblad

In de rubriek Literaire kroniek van het Brusselse dagblad De Nieuwe Standaard verscheen op 28 augustus 1945 een bijdrage onder de titel Nieuwe figuren in de Nederlandsche literatuur (Janssen-Delvigne nr. 30).1 Het artikel verscheen anoniem, maar wij weten wie de auteur is, omdat Willem Frederik Hermans in zijn essaybundel Mandarijnen op zwavelzuur een tekst opneemt waarbij hij als oorspronkelijke publikatievorm het Brusselse dagblad van genoemde datum opgeeft.2 Uit een vergelijking van de tekst in Mandarijnen met die uit de krant blijkt dat de auteur later slechts enkele fragmenten en dan nog in een bewerking aan de vergetelheid heeft willen ontrukken. Wij danken er de verwijzing naar De Nieuwe Standaard-tekst aan, en dat is van belang omdat de Brusselse tekst, voor wie zich er dertig jaar later in verdiept, interessante zaken bevat: de jonge schrijver plaatst daar zichzelf (in de derde persoon) in de Nederlandse literatuur van dat ogenblik.

 

Voordat ik het artikel zelf nader bekijk, is het, opdat de lezer over enig referentiekader beschikt, gewenst enige aandacht te besteden aan wat Hermans als schrijver tot augustus 1945 gedaan heeft.

Volgens eigen getuigenis3 is Hermans gaan schrijven ná zijn vijftiende jaar, nadat hij in 1936 in de derde klas van het Barlaeus-gymnasium te Amsterdam was blijven zitten. Van wat hij schreef is mij alleen bekend wat gepubliceerd werd. Het in december 1938 geschreven verhaal Uitvinder waarmee hij een opstellenwedstrijd won van de letterkundige schoolvereniging Disciplina Vitae Scipio, waarvan hij lid was, werd in 1940, na door een aantal (onder andere literaire) bladen geweigerd te zijn, in het Algemeen Handelsblad onder een andere titel afgedrukt (Janssen-Delvigne nr. 26).4 In de schoolkrant Suum cuique,

[p. 10]

waarvan hij in 1939 korte tijd hoofdredacteur was,5 had in 1934 al een stukje van hem gestaan (Janssen-Delvigne nr. 1); in de jaren 1939-1940 publiceerde hij er wat hij later noemde ‘slechte verhalen, gelukkig anonieme gedichten en slechte esseejs’6 (Janssen-Delvigne nr. 2-25, 27). De essays handelen onder meer over Slauerhoff, Van Deyssel, Multatuli en Poe; in enkele verhalen kan men elementen uit de gruwelliteratuur herkennen; in de (overigens niet altijd anonieme) gedichten is soms de invloed van Slauerhoff merkbaar. Van de lectuur van de auteur weten we dat hij in de jaren 1936-1940 Multatuli, Slauerhoff, Von Kleist, Nietzsche, Kafka, Céline en Freud las.7

Eind 1940 ging Hermans studeren, eerst een jaar sociografie, daarna fysische geografie.8 De oorlog was er de oorzaak van dat hij vóór 1944 niets publiceerde. Schrijven deed hij wel. In 1941 schreef hij de verhalen Een ontvoogding en Atonale.9 Uitgever Meulenhoff, aan wie eerstgenoemd verhaal voor Criterium aangeboden was, sloot met de auteur een optiecontract om hem na de bevrijding in zijn fonds te kunnen opnemen.10

Twee andere verhalen, Loo-Lee en Tezaam naar Ostende, werden in 1942 geschreven. Toen de bezetter in 1943 de loyaliteitsverklaring ook van studenten eiste, hield Hermans op met studeren. ‘Ik las. Ik schreef’, noteerde hij later over zijn activiteiten in de jaren 1943-1944.11 Van zijn produktie in 1943 ken ik het verhaal Elektrotherapie!, de roman Conserve en een essay over Focquenbroch.12Meulenhoff las ook het manuscript van Conserve; zijn raadgever Binnendijk keurde de roman af; ook uitgever Van Oorschot, die het begin 1945 las, zag er niets in.13 Van de hier genoemde zes verhalen en van de roman kan men zeggen dat zij beeldend en met fantasie zijn geschreven; soms blijkt een duidelijk irrationalisme (onder andere droomtoestanden): Zij hebben mislukking, onbegrip, (zelf)vernietiging en misverstand als thema. In 1944 volgde nog het hierbij aansluitende verhaal Manuscript in een kliniek gevonden.

In datzelfde jaar 1944 ging Hermans clandestien publiceren. In het ondergrondse gestencilde literaire blad voor debutanten Parade der profeten (De Jong nr. 998; UBA nr. 574) publiceerde hij in de afleveringen van aug.-sept. en okt.-dec. 1944 in totaal

[p. 11]



illustratie
Bijdrage van W.F. Hermans in De Nieuwe Standaard, 28 augustus 1945.

[p. 12]

negen gedichten (Janssen-Delvigne nr. 28-29), die soms grillige en evocatieve beelden vertonen. C.A.G. Planije en Jan Praas, de samenstellers van het poëzienummer van okt.-dec. 1944, rekenen Hermans' gedichten, met die van Rodenko, tot de irrationele poëzie (p. 192). Eén van deze gedichten werd opgenomen in Hermans' eerste publikatie in boekvorm: de bundel Kussen door een rag van woorden, een gedichtencyclus eigenlijk, die Meulenhoff in 1944 clandestien en zonder impressum in een oplaag van dertig exemplaren voor hem uitbracht (De Jong nr. 381; UBA nr. 232). De gedichten uit deze bundel zijn nogal traditioneel zowel naar vorm als naar inhoud.

Deze entree in de Nederlandse literatuur in 1944 ging gepaard met de kennismaking met een aantal jongere en oudere schrijvers. Hermans leerde o.m. Morriën en de auteur-vertaler Ch. B. Timmer kennen.14 Begin 1945 bezocht hij een Amsterdamse literaire salon, waar hij Debrot ontmoette en waar Roland Holst, Van Vriesland, Keuls, Voeten, Binnendijk, Hoekstra, Spierdijk en Morriën kwamen.15

Vóór augustus 1945, de datum waarop het hier te bespreken artikel verscheen, moet Hermans nog poëzie geschreven hebben: in dit stuk spreekt hij over de ‘nieuwe bundel Horror Coeli, die binnenkort verschijnen zal’; de bundel verscheen in het voorjaar van 1946; twee van de in Parade gepubliceerde gedichten maken er deel van uit. Er bestaat overigens een door de auteur getypte versie van de bundel die van vóór 19 maart 1945 moet dateren: een exemplaar dat ik onder ogen heb gehad bevat een opdracht in handschrift (aan Hans Premsela) met de genoemde datum. Een groot aantal van de nieuwe gedichten is van heel andere aard dan die in Kussen door een rag van woorden (die overigens in gewijzigde vorm in de nieuwe bundel herdrukt zijn). Opvallend in deze gedichten, die vaak de nachtzijde van het bestaan tot onderwerp hebben, is de hier en daar irrationeel getinte beeldspraak, waardoor een uitstijgen boven het reële bewerkt wordt.

Na de bevrijding, in de zomer van 1945, bevond Hermans zich in Brussel. Al eerder, in de zomer van 1939, was hij er geweest; ook toen logeerde hij bij vrienden van zijn ouders.16 Aan

[p. 13]

het bezoek in 1945 dankt de literatuur een in december van dat jaar gepubliceerd gedicht Tuin in Brussel (Janssen-Delvigne nr. 37) en de boeiende Brusselse hoofdstukken uit De tranen der acacia's. In het najaar publiceerde Hermans nog twee artikelen in De Spectator, het weekendblad van De Nieuwe Standaard (Janssen-Delvigne nr. 35, 39).

Om samen te vatten: toen het artikel dat mij hier bezighoudt in De Nieuwe Standaard verscheen, was de auteur bijna vierentwintig jaar. Hij had, afgezien van de bijdragen aan de schoolkrant, één verhaal en (clandestien) nogal traditionele poëzie gepubliceerd. Hij beschikte over een grote hoeveelheid manuscripten: een aantal gedichten verschillend van aard van de gepubliceerde bundel, maar aansluitend bij die in Parade, verhalen (op één na in 1948 in Moedwil en misverstand gebundeld) en één roman (in 1947 gepubliceerd) - proza met irrationele tendenzen. Hij kende enkele uitgevers en een aantal jongere en oudere schrijvers. Hij kende het werk van Kafka, Céline, Multatuli, Nietzsche en Freud. Op het moment dat de oorlog, die hij als een hindernis voor zijn mogelijkheden als schrijver ondervond,17 afgelopen was, schreef hij voor Belgen, die vijf jaar geen culturele contacten met Nederland onderhouden hadden, een stuk waarin hij de situatie van de Nederlandse literatuur uiteenzet en zijn eigen plaats daarin bepaalt. In de hieronder volgende samenvatting heb ik mijn toevoegingen tussen vierkante haken geplaatst.

 

Hermans beperkt zich tot in de oorlog gepubliceerd werk, en na 1942, zegt hij, betekent dat clandestien gepubliceerd. Omdat de verzetspoëzie in artistiek opzicht meestal geen vernieuwing betekende, sluit hij deze buiten zijn overzicht. In de gedurende de oorlog verschenen publikaties ziet hij een voortzetting van twee richtingen die al vóór 1940 merkbaar waren: een beweging van rationele realisten en een van irrationele fantasten. Als buitenlands voorbeeld voor de realistisch-rationalistische stroming, die het meest verbreid is, noemt hij Léautauds Le petit ami [De Jong nr. 492; UBA nr. 299]. Als Nederlandse voorlopers worden vermeld Du Perron, Greshoff en Hoornik. De beoefenaren van dit

[p. 14]

genre wordt epigonisme verweten. Namen worden niet genoemd, wel het tijdschrift Parade der profeten, waarin de poëzie van de dagelijksheid en van het klein geluk een publiciteitsmogelijkheid vond. [Hierin publiceerden o.m. Van der Graft, Den Besten, Warren, Deak, Rodenko, W.J. van der Molen, Langen, Schuur, Hermans.]

Als buitenlands voorbeeld voor de fantastisch-irrationele stroming, die de meest belovende wordt genoemd, wordt de vertaling van Kafka's De gedaanteverwisseling door N. Brunt opgegeven [De Jong nr. 439; UBA nr. 267]. Bordewijk, Vestdijk en Hendrik de Vries zijn hier de Nederlandse voorlopers. Hier noemt Hermans wel namen van jongere auteurs: de dichter Rodenko, die in Parade publiceerde maar daar een buitenbeentje is en die onder de invloed van de Franse surrealisten Eluard, Breton en Supervielle schrijft; de prozaïst W.J. van der Molen18 en tenslotte zichzelf [beiden ook Parade-debutanten]. De aan zichzelf gewijde passage citeer ik hier in zijn geheel: ‘Van Willem Frederik Hermans verscheen een kleine bundel gedichten. Vooral zijn nieuwe bundel Horror Coeli, die binnenkort verschijnen zal, is sterk irrationeel getint.’

Vervolgens wijst Hermans op het niet-zichtbare deel van de literatuur in de oorlog: op het vele dat in manuscript moest blijven [ongetwijfeld denkend aan zijn eigen proza] en op de literaire bijeenkomsten in de winter van 1944-45 [hij zal o.m. de hierboven genoemde literaire salon op het oog gehad hebben]. Tenslotte noemt hij enkele kunstenaars die verwantschap tonen met de irrationalistische stroming: de roman Afgunst van de Rus Oljesja, vertaald door Timmer, die ook als bijzonder dichter genoemd wordt, en het werk van de schilders Melle en Langeweg. Schrijvers als Schuur, Deak en Langen [die met Timmer ook in Parade publiceerden, zij het niet als debutanten] zijn slechts even vermeld, omdat Hermans zich in zijn stuk beperkt tot auteurs die voor de oorlog onbekend waren.

 

Wat meteen opvalt is dat Hermans in augustus 1945 slechts gedurende de oorlog gedebuteerd hebbende jongeren tot de in de titel van zijn artikel genoemde ‘nieuwe figuren in de Neder-

[p. 15]

landsche literatuur’ rekent. Ze zijn Parade-debutanten maar worden van het tijdschrift losgemaakt en tot de irrationele fantasten gerekend. Sluit deze plaatsing van zichzelf aan bij Hermans' hierboven geschetste literaire activiteiten?

Er is over het algemeen geen aansluiting bij de gedichten in de bundel Kussen door een rag van woorden. Impliciet neemt hij in zijn Brusselse artikel dan ook afstand van deze poëzie; hij noemt de bundel wel even (overigens zonder de titel te vermelden), maar de karakterisering ‘irrationeel’ wordt op Horror Coeli rechtstreeks toegepast. De gedichten uit Parade der profeten en uit Horror Coeli passen grotendeels wel in de irrationeel-fantastische stroming, evenals een groot deel van zijn proza, dat hij niet noemt omdat hij zich in zijn artikel immers tot gepubliceerd werk beperkt. Bovendien is er zelfs verwantschap met sommige schoolopstellen: de belangstelling van irrationalisten en surrealisten voor gruwel- en spooktoestanden en voor Poe is bekend. Ook zijn lectuur van Freud kan hiermee in verband gebracht worden. Dat Hermans zijn poëzie als surrealistisch beschouwde, blijkt nog uit een brief uit ca. 1949 aan Rodenko.19

Hermans heeft na augustus 1945 nog herhaaldelijk blijk gegeven van zijn belangstelling voor irrationalisten, fantasten en surrealisten, voor de nachtzijde van het bestaan, voor Hendrik de Vries, Bordewijk, Rodenko, Kafka, Gracq, Melle en Langeweg; en tegelijkertijd schreef hij polemische stukken tegen rationeel-realistische auteurs (met name Du Perron). De schrijver Hermans heeft vanaf zijn jeugd een duidelijke voorkeur voor de irrationalistische stroming aan den dag gelegd. Een kenner van het surrealisme zou kunnen nagaan waar invloeden hiervan zich in concreto in zijn werk van vóór 1945 en ook van daarna manifesteren.

Men kan zich de vraag stellen of deze belangstelling voor irrationalisme, fantasie en surrealisme niet in tegenspraak is met zijn in essays uitgedrukte belangstelling voor exacte wetenschappen, positivisme en analytische filosofie, of de schrijver van de verhalen in Moedwil en misverstand20 en de commentator en vertaler van Wittgenstein wel dezelfde is. Hier is geen sprake van tegenstrijdigheid, geloof ik.21 De paradox zit in Hermans' op-

[p. 16]

vatting dat de mens in zijn chaotische wereld twee wegen heeft om ordenend op te treden. Met de middelen van de wetenschap, en dat betekent dan de controleerbare en betrouwbare gegevens van de logica en van de natuurwetenschappen, bestrijkt hij slechts een deel van zijn wereld. Over alles wat daarbuiten ligt, dus over zijn filosofie, ethiek, psychologie etc. valt rationeel niets te zeggen. Daar kunnen alleen met irrationele middelen verbanden worden ‘aangetoond’ en dieper liggende onbewuste ‘waarheden’ worden blootgelegd. En dat is wat de schrijver doet. De veel geciteerde uitspraak van Hermans ‘Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs’22 moet in dit licht worden bezien. Zijn belangstelling voor zowel exacte als niet-exacte bewegingen berust op dezelfde grondslag.

1Gebruikte afkortingen: Janssen-Delvigne = Frans A. Janssen en Rob Delvigne, Bibliografie van de verspreide publicaties van Willem Frederik Hermans (Amsterdam 1972); De Jong = Dirk de Jong, Het vrije boek in onvrije tijd. Bibliografie van illegale en clandestiene bellettrie (Leiden 1958); UBA = Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Speciale catalogi. Nieuwe serie nr. 2: Clandestiene drukken op letterkundig gebied tijdens de Duitse bezetting in Nederland gedrukt (Amsterdam 1967).
2Mandarijnen op zwavelzuur, 4de dr., 3de opl. (Amsterdam 1977), p. 77.
3In het interview van Ischa Meijer uit 1970, in Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans, samengesteld door Frans A. Janssen (Amsterdam 1979), p. 225-227.
4Vgl. Fotobiografie (Amsterdam 1969), p. (160), (180) en De laatste resten tropisch Nederland, 5de dr. (Amsterdam 1978), p. 35.
5Fotobiografie, p. (166).
6Fotobiografie, p. (166).
7Hermans in het interview van Ischa Meijer (zie noot 3); in het interview van W.A.M. de Moor in Deventer Dagblad 20 januari 1962 (= Amersfoortse Courant 12 februari 1962 en Provinciale Zeeuwse Courant 3 februari 1962); in het interview van G.H. 's-Gravesande uit 1952, in Scheppend nihilisme, p. 37; in ‘De typische proletariër’, in Het Vaderland 12 januari 1952; in Mandarijnen, p. 62; in Boze brieven van Bijkaart, 3de herz. dr. (Amsterdam 1978), p. 304; in ‘Céline en de haat’, in Hollands Diep 9 april 1977.
8Fotobiografie, p. (184-186).
9Alle dateringen berusten op onderschriften bij de latere publikaties.
10Hermans in het interview van W.A.M. de Moor (zie noot 7); in het interview van Henk J. Meier uit 1964, in Scheppend nihilisme, p. 65; in Mandarijnen, p. 19.
11Fotobiografie, p. (188); vgl. het interview van Henk J. Meier (zie noot 10), p. 65.
12Voor het laatste zie Hermans in het interview van H.U. Jessurun d'Oliveira, in idem, Scheppen riep hij gaat van Au, 4de bijgew. en aangev. dr. (Amsterdam 1977), p. 21; mogelijk is het essay in 1944 of begin 1945 geschreven.
13Mandarijnen, p. 19.
14Hermans in het interview van W.A.M. de Moor (zie noot 7) en in Mandarijnen, p. 106, Morriën en Timmer in Betty van Garrel en K. Schippers, ‘Vriend en vijand over Willem Frederik Hermans’, in HP 15 september 1971; Timmer in Vrij Nederland 19 februari 1977.
15De laatste resten tropisch Nederland, p. 119; J. Bernlef, ‘Anekdotes uit een zijstraat’, in Avenue december 1972, p. 205; Bert Voeten, ‘Notities over de oude prins’, in HP 21 mei 1973.
16Hermans in het interview van Freddy de Vree uit 1976, in Scheppend nihilisme, p. 267.
17Fotobiografie, p. (200).
18Hermans schrijft abusievelijk S.J. van der Molen, maar deze debuteerde al voor de oorlog en publiceerde in de oorlog allesbehalve clandestien.
19Geciteerd in het artikel van Betty van Garrel en K. Schippers (zie noot 14).
20Interessant detail: deze bundel zou oorspronkelijk Praelogica gaan heten - aldus aangekondigd in Kompas der Nederlandse letterkunde (Amsterdam 1947), p. 194.
21In tegenstelling tot Corn. Verhoeven, ‘Willem Frederik Hermans als filosoof of: lyriek in diepvries’, in idem, Bijna niets (Bilthoven 1970), p. 142-174.
22Het sadistische universum 1, 11de dr. (Amsterdam 1977), p. 108.
terug  begin  verder