begin  verder
[p. 6]
Man kann ein Leben nicht so einrichten wie ein Turner den Handstand.

Franz Kafka, Tagebücher, 27.1.1922
[p. 7]

Inleiding

De roman De donkere kamer van Damokles is het verhaal van Henri Osewoudt, die op de eerste oorlogsdag (10 mei 1940) de Nederlandse luitenant Dorbeck, in uiterlijk zijn evenbeeld, in psychologisch opzicht zijn tegenpool, ontmoet. Door hem raakt Osewoudt in het verzet betrokken; hij voert blindelings diens opdrachten uit, menend eindelijk een identiteit verworven te hebben. Na de bevrijding wordt hij door de Nederlandse politie gearresteerd, ervan verdacht een provocateur in Duitse dienst geweest te zijn. In de verhoren trekken zijn belevenissen gedurende de bezetting opnieuw voorbij, maar nu blijkt dat het beleefde niet meer te achterhalen is: Dorbeck is onvindbaar; getuigen zijn in de oorlog omgekomen of zijn onbereikbaar; gegevens, documenten, bewijzen ontbreken of kunnen tegen hem gebruikt worden; alom misverstanden en verkeerde berekeningen. Osewoudt kan zijn daden en daarmee zichzelf niet bewijzen.

De roman heeft tot verschillende reacties geleid. Het werk is bewonderd als de beste Nederlandse naoorlogse roman, maar ook op morele gronden verguisd (zie hoofdstuk 11). Het heeft ook tot uiteenlopende interpretaties aanleiding gegeven (zie hoofdstuk 5).

Dit boekje wil niet meer zijn dan een inleiding tot de interpretatie van De donkere kamer. Dit brengt met zich mee dat dit werk hier niet benaderd is vanuit de mogelijkheden die de theorie van de roman biedt, al is met name in hoofdstuk 7 wel van romantechnische inzichten gebruik gemaakt. De nadruk is gelegd op de eenheid die deze roman toont in thema (hoofdstuk 4), motieven (hoofdstuk 6), verteltechniek (hoofdstuk 7), compositie en stijl (hoofdstuk 8) en historische achtergrond (hoofdstuk 9).

In dit boekje is, in het algemeen, getracht niet buiten de wereld van de roman te treden. Omdat de wereld van De donkere kamer rechtstreeks verwijst naar de situatie van de jaren '40-'45, staat deze werkelijkheid niet geheel buiten de fictieve werkelijkheid van de roman: in hoofdstuk 9 worden de grenzen van de romanwereld dan ook zelden overschreden. Dat is wel op andere plaatsen gebeurd, met name in hoofdstuk 10, waarin ik de plaats van De donkere kamer in het gehele werk van Hermans omschrijf.

[p. 8]

Voor de tekst van De donkere kamer van Damokles is gebruik gemaakt van de tiende, opnieuw herziene druk, Amsterdam. G.A. van Oorschot, 1971 (zie hoofdstuk 2).

 

1 januari 1975

 

Bij de derde oplaag.

Sinds het bovenstaande geschreven werd, is de roman nog een aantal malen herdrukt. De 11e druk uit 1978 is geheel gelijk aan de 10e druk, maar in hetzelfde jaar verscheen een opnieuw herziene en opnieuw gezette druk, die echter niet de aanduiding ‘12e druk’ draagt maar ‘21e druk’ en dit is geen drukfout. De verklaring hiervan ligt in de omstandigheid dat tussen de 10e druk uit 1971 en de 1e uit 1978 nog negen drukken verschenen zijn, die echter geen van alle als zodanig herkenbaar zijn: ze zijn alle onder de vermomming van ‘tiende opnieuw herziene druk, 1971’ op de wereld gezet en pas achteraf heeft uitgever Van Oorschot deze kinderen erkend. Daarna verschenen nog de 22e druk (1979), 23e druk (1981) en 24e druk (1982), terwijl in 1979 bovendien nog een editie in Zuid-Afrika verscheen. De belangrijkste varianten in de 21e en latere drukken vormen de correcties van de beide hieronder op p. 55 genoemde inconsistenties. Om praktische redenen blijft in dit boekje de verwijzing naar de paginering van de 10e druk uit 1971 gehandhaafd (dit is in feite de paginering van de 1e t/m 20e druk, 1958-1978).

Met betrekking tot de in de noten achterin dit boekje genoemde publicaties is het volgende van belang. Bijna alle daar genoemde interviews met Hermans zijn herdrukt in de bundel Scheppend nihilisme, interviews met W.F. Hermans, samengesteld door F.A. Janssen (3e uitgebreide druk, Amsterdam, 1983). Mijn artikelen over Hermans zijn inmiddels gebundeld in Bedriegers en bedrogenen, opstellen over het werk van W.F. Hermans (Amsterdam, 1980). Over De donkere kamer van Damokles verscheen nog een lezing van Pim Lukkenaer (in Meta 10, 1976, nr. 6, p. 2-6) en een aantekening van H.J.A. Bolscher (in De nieuwe taalgids 71, 1978, p. 124), terwijl de roman in de dissertatie van Michel Dupuis besproken wordt (zie noot 86).]

 begin  verder