terug  begin  verder
[p. 53]

8 Compositie en stijl

Een roman bestaat uit een op een bepaalde wijze geordend geheel van gegevens. Die ordening van gegevens, het verband dat ze met elkaar hebben, noem ik hier compositie. In de hoofdstukken 4 en 5 is al gebleken hoe de elementen van het verhaal van De donkere kamer (ook titel, begin en slot) onderling verbonden zijn.

Opmerkelijk in het boek is het gebruik van de herhaling. Voortdurend ontmoet men terugblikken naar voorbije gebeurtenissen, waarbij dezelfde zaken steeds anders bezien worden. Deze terugwijzingen komen ook bij details voor. Dokter Lichtenau herinnert zich de kleine Osewoudt: ’Ik vroeg: wat wil je worden later? en je zei: Verpleegster!’ (p.389), hetgeen impliciet verwijst naar Osewoudts zo geslaagde vermomming. Ironie ook treft men aan in de impliciete terugwijzing wanneer de zelfvoldane Labare slachtoffer wordt van zijn eerder in de roman als perfect gepresenteerd veiligheidssysteem (respectievelijk p.230, 222, 98). Als aan het eind van het boek Dorbecks foto niet verschijnt, merkt Selderhorst op: ‘Ik denk dat Dorbeck bij je vriendin Marianne zit, in de kibboets!’ (p.406); dit betekent een verwijzing naar Osewoudts eerder uitgesproken vrees hiervoor (p.212-213). Osewoudts judocapaciteiten betekenen het enige waardoor hij zich in zijn vijandige omgeving kan handhaven (p.12, 17), en als hij dan na de oorlog een vriendschappelijk partijtje met een politiefunctionaris onmiddellijk verliest (p.341), kan dit symbolisch opgevat worden: tegelijk met Dorbeck is zijn enige krachtige eigenschap verdwenen.

Een verborgen terugwijzing kan men constateren wanneer Osewoudts Leica gevonden wordt (p.403-404, 377). De tekst van het boek geeft een teken waaruit opgemaakt kan worden waar Osewoudt zijn camera verloren heeft: nadat hij Ria vermoord heeft, verlaat hij de winkel en leest het bordje op de deurpost ‘Hebt U niets vergeten?’ (p.293) Osewoudt verstaat dit teken niet, maar de lezer wordt mogelijk alert als hij zich herinnert dat dit bordje al eerder in de roman vermeld is (op p.20). (Hier wordt overigens impliciet meegedeeld dat de Nederlandse politie zich niet druk maakt om de moord op Ria; zie ook p.382.) In het hier vermelde geval wordt een functie van de herhaling zichtbaar: het is een signaal. Op deze wijze moet ook de herhaalde vermelding van een teke-

[p. 54]

ning van roodbruine apen die deels als mensen zijn gekleed, gezien worden: het licht valt er (letterlijk) weer op wanneer de Duitsers Labare's huis overvallen (p.221, 213, 96-97); de afbeeldig wijst natuurlijk naar de jungle-wereld van bezetting en verzet, en naar de situatie van de mens in het algemeen. Ook het herhaald vermelden van trams is functioneel: vaak gaat dit met een scheiding tussen Osewoudt en de anderen gepaard: ‘Nadenkend over het verhaal van de onderwijzer, werd Osewoudt door een blauwe tram die juist kwam aanrijden, van de anderen gescheiden.’ (p.5; ook op p.14, 31, 50-51)

Behalve terugverwijzingen verschaft de roman ook blikken in de toekomst. Hierboven (op pagina 52) is al vermeld dat de vertelinstantie in De donkere kamer niet buiten de handeling staat, en dat zowel voor hem als voor Osewoudt als voor de lezer de toekomst onbekend is. Niettemin verschaft de vertelinstantie gegevens die als voorafbeeldingen van de toekomst gezien kunnen worden. Deze gegevens zijn geen toegiften van de verteller op zijn verhaal, maar maken deel uit van de vertelling. Osewoudt merkt ze wel als feit op, maar niet als teken, als symbool; dit laatste is aan de lezer voorbehouden. Nog opgemerkt moet worden dat naar de toekomst wijzende tekenen tot de structuurprincipes van het vertellen in het algemeen behoren.41 In De donkere kamer komen zulke tekenen voor in de vorm van een opgenomen parabel, uitgesproken voorgevoelens, een voorspelling, een droom en door een symbolisch op te vatten tekst. Hierboven (op pagina 40) is al op het parabel-karakter van het verhaal van de onderwijzer waarmee het boek opent, gewezen: Osewoudt zal zijn redding niet bereiken. Ook is hierboven (op pagina 30) gewezen op de voorgevoelens die Osewoudts moeder heeft: zij waarschuwt haar zoon tweemaal. De voorspelling van Ebernuss is reeds geciteerd (hierboven op pagina 22) en becommentarieerd (op pagina 31). De dronken luchtmachtofficier van wie Osewoudt een lift krijgt, vertelt hem een droom waarin Osewoudt door Amerikaanse soldaten naar de guillotine wordt geleid; zijn afgeslagen hoofd is tegelijk dat van Dorbeck (p.289-290). Het verkeersbord ‘Inhalen verboden’, dat Osewoudt enkele malen waarneemt (p.5, 6, 14, 291), heeft een symboolfunctie; het tekent niet alleen de lichamelijke achterstand die Osewoudt op de anderen heeft (hij is veel kleiner, p.5; aan het slot van het boek nog eens herhaald, p.406), maar kan ook bij uitbreiding toegepast worden: hij zal zichzelf, zijn beperkte en minderwaardige persoonlijkheid, nooit voorbij kunnen komen. De symbolische functie van de dubbelganger als aankondiger van

[p. 55]

de naderende ondergang is in hoofdstuk 6 al vermeld.

De bestudering van de gegevens die het boek verschaft en hun onderlinge verbanden tonen het raderwerk van de compositie van De donkere kamer, waarin elk onderdeel zijn functie heeft. Deze hechte compositie als geheel heeft weer een eigen functie: in de roman moet alles kloppen om te demonstreren dat er niets klopt - de roman is de orde die de chaos toont.

Voor enkele inconsistenties betreffende details kan ik geen verklaring vinden. Op een van de foto's die als identificatiemiddel dienen, staan drie soldaten in pyjama met gasmaskers voor (p.45, 49, 330); op p.75 echter wordt vermeld dat ze in uniform gekleed zijn. Voor zijn tocht naar Lunteren heeft Osewoudt een treinkaartje Leiden-Amersfoort genomen (p.144), maar even verder is sprake van een kaartje Den Haag-Amersfoort (p.169).42 Enkele critici hebben erop gewezen dat de Nederlandse politie Marianne43 en Turlings44 had moeten ondervragen (zie p.338, 383, 386).

 

De stijl waarin De donkere kamer geschreven is, sluit aan bij de objectiviteit die de wijze van vertellen suggereert. In dit boek vol actie is de stijl zakelijk, exact en direct. Ik wees er hierboven (op pagina 51) al op dat de gesprekken bijna steeds in de directe rede weergegeven zijn. De zinnen zijn vaak kort, ‘literaire’ beeldspraak ontbreekt: (Osewoudt passeert in de tram zijn huis waarin de Duitsers zojuist een inval hebben gedaan)

Voorschoten. De tram verminderde zijn snelheid en reed de straat binnen waar hij woonde.
Zijn hand hield hij nu bijna helemaal voor zijn gezicht, maar zijn ogen boorden zich tussen zijn vingers door naar buiten. Sigarenmagazijn Eureka. Zijn hoofd draaide mee toen hij de winkel zag. Geen Duitse auto voor de deur, geen oploop. Niemand. Het gordijn voor de winkeldeur was geheel neergelaten, maar het rolgordijn voor de étalage zelf, aan een kant los, hing schuin naar beneden als een opengevallen waaier. Zo hangen gordijnen naar beneden in huizen die door de bewoners in allerijl verlaten zijn [...].’ (p.80)

Ook in beschrijvingen van gebouwen of landschappen ontbreekt elke lyriek: (Osewoudt bekijkt de omgeving van zijn Drentse gevangenkamp)

‘Een emplacement van gebarsten beton helde naar de oever van het
[p. 56]
kanaal. Vlak langs het water was prikkeldraad gespannen. Aan de overkant van de vaart lag de aardappelmeelfabriek, ernaast een enorme berg van wit, rottend eiwitschuim, zo giftig dat het niet in het kanaal mocht worden geloosd. Zwarte wolken lagen over het bijna dorre vlakke land. Er viel een matige regen, het stenen terras stond vol plassen.
Osewoudt kreeg opnieuw een hoestbui en bleef stilstaan. Zijn benauwde ogen dwaalden over de omgeving.’ (p.352)

De werkelijkheidssuggestie in dit boek wordt bovendien versterkt door een preciesheid in de beschrijving van in de werkelijkheid buiten de roman bestaande situaties, zoals van de Zoeterwoudsesingel te Leiden en de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam (het boek geeft uiteraard de situatie weer zoals die in de oorlog was).45 Ook het hierboven (op pagina 51) al gesignaleerde gebruik van de tegenwoordige tijd en het vermelden van borden en andere opschriften verhogen dit werkelijkheidseffect. Enkele malen heb ik hierboven gewezen op de ironie die in de getoonde situaties en gebeurtenissen aanwezig is. Deze ironie blijkt hier en daar ook in de stijl. Zij is bijvoorbeeld aanwezig in het spel der tegenstellingen: ‘Kilo's en kilo's papier zijn er in jouw zaak verwerkt. En dat in een tijd waarin er zo'n gebrek aan papier is’ (p.390); ‘nergens ter wereld komt zoveel aan het licht als in een donkere kamer!’ (p.100) Ironie ook treft men aan in de naamgeving: de sigarenwinkel van Osewoudt heet Eureka (p.14, 80). Woordspel treft men ook op andere plaatsen aan, bijvoorbeeld: ‘Zij had een wollen japon aan, groen, even groen als het laken dat over het bureau lag, misschien van hetzelfde laken een pak, de mensen maken tegenwoordig kleren van de gekste lappen, misschien een stuk dat over was.’ (p.127)

41Lämmert, Bauformen des Erzählens, p. 139-192, bestudeerde ze.
42[Beide inconsistenties zijn hersteld, resp. in 22e en 23e druk: zie hierboven p.8.] Voor een aantal inconsistenties in de tijdsnoteringen in De donkere kamer zie Janssen, ‘Varianten in orde en chaos’, p.35-37.
43[A. van der Veen], recensie in Nieuwe Rotterdamse Courant 22 nov. 1958; Knuvelder, in Spiegelbeeld, p.110; J. Melkman, Geliefde vijand. Het beeld van de jood in de naoorlogse Nederlandse literatuur, Amsterdam, 1964, p.45.
44Tristan Haan, recensie in De Nieuwe Stem 14 (1959), p.314; Knuvelder, in Spiegelbeeld, p. 110; zie ook Hermans over Turlings als mogelijke getuige in het in noot 7 geciteerde interview, p.18.
45Vgl. Hermans over de correlatie tussen geografische situaties in de werkelijkheid en in de roman in het in noot 7 geciteerde interview, p.20.
terug  begin  verder