[p. 33]

[1r] Een spel van sinnen beroerende
het cooren, hoe dat daer veel
mauijterijs mee gespeelt wort
Lanck 1098 regulen

 [17r] De proloog van tspel
 
 Deerste
 Wel, laet ons nu sien elcxs om een goe stee  1  
 met goet belee, want sij sullen haest speelen.  2  
 
 Tweede
 Dats wel geseijt, want tis schier halff twee.  3  
 Dus wil ick mijn voegen me om haer te hooren quelen.  4  
 
 Deerste
5
 Wel, elck op een ent dan, sonder ijemant te verveelen.  5  
 Laet wij ons soo deelen, dats tminste rumoer.  6  
 
 Tweede
 Gaet ghij dan ghinder.
 
 [17v] Deerste
                     Dat sal ick als een broer.  8  
 Wacht ghij mee u toer, soo dat behoort.  9  
 1  sien om: uitkijken naar; stee: plaats
 2  belee: beleid, overleg; sij, t.w. de rederijkers; speelen: optreden
 3  schier: bijna
 4  mijn voegen: gaan zitten, plaatsnemen; quelen: (lett.: zingen) praten, spreken
 5  op een ent: aan een kant; verveelen: teveel zijn, hinderen
 6  deelen: verdelen; dats...; rumoer: dat veroorzaakt de minste opschudding
 8  als een broer: gehoorzaam
 9  Wacht...; toer: Wacht jij ook je kans af


[p. 34]

 Die derde op taneel neerleggende en slaept, wert wacker en sprect.
 
 Derde
10
 Onbeijt! wat geluijt quam mijn daer aen boort?  10  
 Wat sal hier werden bespoort doer dit bedrijff?  11  
 Twecte mijn welhaest, al sliep ick stijff!  12  
 Ancxst viel mijn op tlijff doer sulck betraepen.  13  
 
 Tweede
 Holla, bloet! Ist nu een tijt om slaepen?  14  
15
 Eij, siet hem toch gapen, al waert middernacht!  15  
 
 Derde
 Wel, wat sal hier toch werden verpacht  16  
 dattet volck dus wacht? Wat isser te beleggen?  17  
 
 Deerste
 Staet eerst op, dan sal ickt u seggen
 sonder meer dreggen alhier ter spacij.  19  
 
 Derde
20
 Wat salmen hier doen?
 
 Tweede
                     Maer! teele Wijnranxsken, donduijtse nacij,  21  
 om te maecken recreacij, sal voor elckeen  22  
 hier speelen, soo ick meen.
 10  Onbeijt: Stop; quaem...; boort: bereikte me daar
 11  bespoort: nagestreefd, beoogd; bedrijff: gedoe
 12  stijff: vast
 13  sulck betraepen: zo'n overval, zoiets dat me plotseling overkomt
 14  bloet: sukkel
 15  al...; middernacht: alsof het middernacht was (zie Stoett 1923, §315, opm. I)
 16  verpacht: bedreven, uitgevoerd
 17  beleggen: beramen
 19  sonder meer dreggen: met bekwame spoed, meteen (dreggen: aarzelen?); alhier ter spacij: nu
 21  donduijtse nacij, benaming voor de Haarlemse kamer Het Wijnrancxken of de leden ervan, die alleen in de spelenvan Lauris Jansz. wordt gevonden (Mak 1959, 282-283)
 22  om...; recreacij: om vermaak te bieden


[p. 35]

 
 Derde
                          Dats tegens reen,  24  
25
 want die tijt certeen sulcxs niet en wijst.  25  
 Dus ist te verachten, hoewel ghijt prijst,
 en dat om delende daer wij in steeken.  27  
 
 Deerste
 Hoort, vrient, laet mijn eens spreecken.
 Die materij onbesweeken diemen hier verbeijt,  29  
30
 sal niet eens roeren van lichtvaerdicheijt;  30  
 daer sal een ander bescheijt werden beduijt.  31  
 
 Tweede
 Noch tavont en salmen oick speelen geen cluijt,  32  
 want ten wijst niet uuijt nu sulcxs te plegen.  33  
 
 Deerste
 Die materij sal roeren soo den tijt is gelegen.  34  
35
 Verstaedijt te deegen, soo suldijt wel hooren.  35  
 
 Derde
 Wat salmen dan ageeren?  36  
 
 [18r] Tweede
                     Maer, een vrouspersonage, genaempt het Coren,
 sal coomen te voren en hier gaen vertreckken,  38  
 hoe dat Godt haer heeft doen wassen in alle pleckken,  39  
40
 in dorpen, in vleckken, om die menschen te versaen.  40  
 24  tegens reen: in strijd met de redelijkheid, ongepast
 25  die tijd: de tijdsomstandigheden; sulcxs...; wijst: laten dat niet toe, verdragen dat niet; sulcxs, t.w. te maecken recreacij (r. 22)
 27  dat, t.w. Dus...; verachten (r. 26)
 29  materij onbesweeken: gedegen (onverzwakte) onderwerp
 30  niet eens: helemaal niet; roeren van lichtvaerdicheijt: handelen over iets dat niet serieus is
 31  bescheijt: onderwerp; beduijt: behandeld, besproken
 32  cluijt: klucht (vgl. voor de dubbele negatie Stoett 1923, §231 en Van den Berg 1971: 35-36)
 33  ten...; uuijt: het komt niet te pas; sulcxs, t.w. een cluijt speelen
 34  roeren: handelen (over); soo...; gelegen: zoals het er nu aan toe gaat, een actueel onderwerp uit het dagelijks leven
 35  Verstaedijt te deegen: Indien ge er goed naar luistert
 36  ageeren: opvoeren, vertonen
 38  coomen te voren: ten tonele komen; vertreckken: vertellen
 39  wassen: groeien
 40  versaen: van het nodige voedsel voorzien


[p. 36]

 
 Deerste
 maer Onversaedige Begeerte, vol alderleij quaen,  41  
 met Nimmermeer Genoch, dees twee corendieven,
 sullen tcooren ophouden om elck tontrieven  43  
 nae haer believen, als loose practijkers,  44  
 
 Tweede
45
 en smackkent op solders, in scueren en spijckers  45  
 als onversaedige rijkerts, om elck te plaegen,  46  
 slecs omdat sij tcooren hooch sullen opjaegen,
 hoewel haer gierige maghen niet sijn te vernoegen.  48  
 
 Deerste
 Dan sal dambachtsman en den huisman, die dagelixs ploegen,  49  
50
 darwaerts haer voegen om wat corens te haelen,  50  
 mits biende reet ghelt, terstont te betaelen.  51  
 Maer tsal haer faelen, oick waer dat sij raeken.  52  
 
 Tweede
 Want den een sal sijn coren dat hij heeft, missaecken;  53  
 dander sal wijs maeken dat hij niet wil vercoopen,  54  
55
 waerdoer dees schaemelen bijnaest wanhoopen  55  
 en ten laesten loopen tot een man, genaemt Reden,
 41  quaen: ondeugden, slechte eigenschappen
 43  ophouden: achterhouden, vasthouden; ontrieven: benadelen
 44  loose practijkers: valse, doortrapte bedriegers (vgl. r. 786)
 45  spijckers: korenschuren
 46  als...; rijkerts: niet te verzadigen rijkaards als ze zijn; plaegen: doen lijden, kwellen
 48  gierige: gulzige
 49  huisman: huisvader; ploegen: hard werken
 50  voegen: begeven
 51  mits...; ghelt: terwijl ze contant geld aanbieden (zie voor de deelwoordconstructie met mits: WNT 9, 891 en Weijnen 1965, 95); te betaelen: betaalbaar
 52  haer, t.w. de ambachtsman en huisman; faelen: ontbreken; tsal...; faelen: ze zullen ervan verstoken blijven; raeken: komen
 53  missaecken: ontkennen (dat hij het bezit), verloochenen
 54  wijs maeken: zeggen
 55  schaemelen: armen


[p. 37]

 
 Deerste
 diewelcke dan gaet om die saeck te beleeden  57  
 en straft die seeden en tgroot gewelt  58  
 dat van dees corencoopers wert uuijtgestelt.  59  
60
 Maer tis al om niet: sij blijven versteent.  60  
 
 Derde
 Hoe sal haer dan howen die scamele gemeent,  61  
 als sij dus vercleent moeten blijven int geclach?  62  
 
 Tweede
 Maer Reden vertroest haer soo hij best mach,  63  
 en belooft haer nach, -en dat eer ijet laet-  64  
65
 dat hijt an sal geven ons conincxs raet  65  
 om sulck bedroch en quaet te mogen uuijtroijen.
 
 Deerste
 Dit doet den armen haer druck wat verscoijen  67  
 en thert verfroijen inwendich van binnen,  68  
 soodat se voor hem bidden met hart, met sinnen,  69  
70
 opdat hij gehoor mach vinnen bij alle persoonen.
 
 [18v] Tweede
 Dit is die materij die wij sullen verthoonen.
 Wilt ten besten verschoonen ons simpel voorstel.  72  
 
 Derde
 Die materij die dient bij naemen nu wel,  73  
 want sulckdanich spel sal elck versoeten.  74  
75
 Maer eer ghij voertgaet, laet ons groeten
 die wethouders ons stadts, die dagelicxs regieren.
 57  beleeden: behandelen
 58  seeden: handelwijze, praktijken; gewelt: machtsmisbruik, onrecht
 59  uuijtgestelt: vertoond, bedreven
 60  om niet: vergeefs; versteent: verhard, hardvochtig
 61  howen: gedragen; verweren; die...; gemeent: de armen
 62  vercleent: versmaad, geminacht; t geclach: de ellende
 63  vertroest: bemoedigt; soo...; mach: zo goed als hij kan
 64  nach: nog; eer ijet laet: op korte termijn, spoedig
 65  angeven: ter kennis brengen (van), aanhangig maken (bij)
 67  verscoijen: verdwijnen
 68  verfroijen: verblijden
 69  hem, t.w. Reden; met...; sinnen: met alle kracht, zo goed ze kunnen
 72  verschoonen: vergoelijken, met verschoning behandelen; voorstel: optreden
 73  dient: past, is geschikt
 74  versoeten: vreugde schenken


[p. 38]

 
 Deerste
 Dats groote reden. Dus gaen wij saluteeren  77  
 voor al scout, bailiu, burgemeesters en heeren,  78  
 die in deucht en in eeren ons niet en beswijcken.  79  
 
 Tweede
80
 Voort dat eele geslacht van Trow Moet Blijcken,  80  
 diemen wel mach gelijcken bijden pellicaen,
 groeten wij jonstich, omdat sij mee gaen  82  
 Retoricaes paen sonder eenich blaemen.  83  
 
 Derde
 Dan groeten wij noch dees gemeent bij naemen,  84  
85
 die hier altesaemen nu sijt vergaert.  85  
 Weest toch op u hoede: u boers wel bewaert,  86  
 datse niet wert gescaert hier in presencij.  87  
 
 Deerste
 Voert bidden wij u noch: geeft toch audiencij;  88  
 soe moechdij ons invencij te bet doergronden gaen.  89  
90
 Dus geeft toch gehoor: wij beghinnen van stonden aen.  90  
 Finis
 Lanck 90 regulen
 77  reden: plicht, gepastheid
 78  voor al: als eersten, voor allen; bailiu: baljuw
 79  beswijcken: in de steek laten
 80  geslacht: gezelschap
 82  jonstich: van harte; sij, t.w. de leden van dat...; Blijcken (r. 80)
 83  sonder...; blaemen: ten volle (zie r. 820)
 84  gemeent: gezelschap
 85  sijt. Evenals in r. 1145 wordt hier het publiek rechtstreeks aangesproken; vergaert: bijeengekomen
 86  bewaert: in de gaten houdt
 87  gescaert: geknipt, gesneden; in presencij: waar je zelf bij zit
 88  audiencij: gehoor
 89  invencij: dichterlijke schepping
 90  van stonden aen: direkt