|
|
|
| |
| | | |
XVIII.
Prince - lied, aan de Edele Batavieren.
Frederik heef Grol de stad,
En in 't oog van 's Konings magt,
In der Staten eed gebragt.
Vlecht dan kransen van laurier,
En kroont dezen Batavier.
Fredrik Hendrik van Nassouw,
Dien mijn Vaderland getrouw
Tegen 't magtig Spangien:
Dies ik 't Bataviers gemoed,
Wil betuigen door mijn bloed,
Voor haar Vrijheid geven.
Die mij altijd in het veld,
Heb voor in de spits gesteld,
Of ik schoon was jong en teêr,
'k Zocht mijn vromigheid en eer
| | | |
Als ik eerst reed in den slag,
Daar betoonde ik als de dag
Dat ik zocht te strijden,
En dat ik met bus en zwaard,
Onverschrikt en onvervaard,
Krijgslui gij zult tuigen zijn
Hoe dat zwarigheid noch pijn
Hoe dat donder noch geschut
Heeft mijn dapperheid gestut,
Voor de Vrijheid en Gods Woord,
Ben ik een metalen poort,
Niemand hoeft te schromen:
Wie zich voor de Wetten stelt
Dien ben ik een trouwer held,
Noch de Vijand noch de Nijd
Want ik midden in den strijd,
Zie hoe God mij uit gevaar
Heeft verlost zoo menig jaar,
| | | |
Wilt gij dat ik voor u treê?
Volgt dan ook mijn gangen:
Strekt al mijn verlangen.
Burgers! drijft weg twist en haat,
Die ons Land zoo dapper schaadt,
Ik ben een regt Hollandsch hert
Och wat waar 't mij groote smert
Mijn Heer Vaders wijze raad,
En mijns Broeders vrome daad,
Vaart toch wel vereenigd Land,
Strengelt vast der Eendragts band,
Stieren, dat ons driftig Schip
Mag door menig bank en klip,
Dan zoo zal Gods zegen staan,
En zal blinken als de maan,
En in voorspoed groeijen:
| | | |
Heb ik dan bij u verdiend,
Dat ik ben der Landen vriend,
Vlecht dan ook mijn daden
Bellerophon, bl. 196.
|
|
|