|
|
|
| |
| | | |
XXXIII.
Christelyk Vryagielied.
Bij 't ruisschen van de beek:
Beek die haar jeugd nae 't leven vaak verbeeldt.
En vrolijk aanschijn daar:
Een tweeden, die van achter haar beloert.
Schoon kind, gij ziet hem nu,
Voor wien gij vlugt zoo schuw,
Ik volg uw spoor, ik jaag, ik loop, ik ren;
| | | |
Ik erf, nocht' haaf noch goed:
Hoewel zij daalt van 't bloed
Der Koningen, een overoud geslacht,
Mij voor geen vorsten schaam:
Mijns vaders, die met donderen rumoert:
Maar vier en bliksems voert.
Jont and'ren 't lijf, eer 't worm of slange knaagt: +
Uw ziel, o schoone maagd!
In mijn heer vaders rijk.
Daar stâge lust het bedde voor haar spreidt;
| | | |
Verzweegt, 't geen vloeit +
Van 's bruîgoms zaligheid.
Greep zij verliefd naar hem,
Die met een heilig spook verdween gezwind.
Koom, kust ze die ge mint.
j. van vondelen, Kuisheids-Kamp.
|
|
|