Wij gewaagden reeds van geestelijke liederen in handschriften uit de vijftiende eeuw: dat zich daaronder ook oudere stukken bevinden, is nog niet overtuigend bewezen1).
Bij den godsdienstzin, die ons kenmerkte, is het niet vreemd, dat naast het wereldlijk lied ook het geestelijk lied bloeide. Dit werd veelal, evenals later de psalmen, op de wijze van wereldlijke liederen gezongen; en niet zelden waren de geestelijke gezangen door eene geringe omwerking uit deze voortgekomen. Dit bewijst reeds, dat ze populair moesten zijn en dat vele dezer geestelijke liederen op den naam van volksliederen aanspraak hebben.
De geestelijke lierdichten laten zich in verschillende soorten verdeelen. Allereerst komen de oudste ‘hymni’ of ‘lofzangen’, dat vertalingen zijn van Latijnsche kerkgezangen. Zoo bevat een handschrift uit de XIV eeuw ‘die dietsche VII psalmen’, de ‘ghetiden onser Vrouwe’, eene vertaling van het: ‘o intemerata’ en vele hymnen en andere kerkzangen. Van het ‘Dies est laetitiae’ telt
men minstens vijf, van het ‘Stabat Mater dolorosa’ minstens zes verschillende berijmingen.
Eene eigenaardige plaats nemen onder de geestelijke liederen de leysen in1). Werden de pas genoemde lof- en kerkgezangen uitsluitend bij den openbaren eeredienst gezongen, de leysen hief men ook aan in huisgezinnen, scholen en godsdienstige gezelschappen. In de godsdienstoefening werden zij niet uitsluitend door het koor gezongen, maar ook door kleinere groepen in de kerk. Sommige leisen waren geheel, andere half in 't Latijn, half in de landstaal geschreven, bv.:
Het onderscheid tusschen geestelijke liederen en leysen bestaat voorts daarin, dat de strophen der laatste steeds door eene soort van refrein of door eene soort van da capo worden gevolgd. Dit terugkeerend gedeelte is niets anders dan wat men in de muziek door ‘koor’, ‘tutti’ of ‘allen’ aanduidt. Van sommige leysen werd het ‘tutti’ niet door allen gezongen, maar gesproken. Leysen waren dus beurtzangen, waarin ééne stem door alle stemmen werd afgewisseld en ze vormden dus een overgang van het eigenlijke koor- tot het gemeentegezang.
Ofschoon er ook paasch-3), hemelvaarts-, pinkster- en bedevaarts-,
zelfs schippers- en maaiersleisen bestonden1) - de meeste leysen waren kerstzangen. Omstreeks 1500 verloor men het onderscheid tusschen kerstliederen en kerstleysen langzamerhand uit het oog en in 1574 wist Kiliaan niet beter, of eene leis was een kerstlied. Enkele van de kerstleysen bevatten legenden betrekkelijk de geboorte van Jezus, eene o.a. dat een landman, die bezig is met zaaien en wiens koren door een wonderwerk plotseling tot rijpheid komt, daardoor koning Herodes in den waan brengt, dat Maria en het kindeke reeds lang geleden zijn voorbijgegaan, een waan waardoor de vervolging gestaakt en het kindeke gered wordt. Als voorbeeld mogen hier enkele strophen uit die leys volgen2):
In eene andere leys van allegorischen aard wordt Christus voorgesteld als de pelikaan, Maria als eene duif en Herodes als eene gier. De eerste uitgever2) noemde deze leis terecht om hare fijnheid van gedachte en liefelijkheid van versbouw in hare soort een juweeltje.
De derde groep - de eigenlijk gezegde ‘geestelijke liederen’ - knoopt zich eensdeels vast aan het kerkelijk jaar, anderdeels staat hij daarbuiten. Tot de eerste behooren dus hoofdzakelijk nieuwjaars- en driekoningenliederen, passie- en paaschliederen, hemelvaarts- en pinksterliederen, advents- en kerstliederen, en voorts liederen op heilige dagen. En onder deze zijn de talrijkste en de schoonste de kerstliederen3), waarvan vele het kenmerk dragen
van vrij oud te zijn: enkele klimmen misschien tot de veertiende eeuw op. Enkele leefden, schoon zeer verminkt, tot op onze dagen voort. En dit verwondert ons niet, wanneer wij den inhoud dier kerst- en driekoningenliederen nagaan. Zij bestaan gewoonlijk uit tafereelen van Jezus' kindschheid, die even naïef als levendig zijn geschilderd. Hier ziet men, hoe de os en de ezel bij de krib des Heilands hun voeder laten staan om het kindelijn te verwarmen; daar wordt ons het kind zelf voorgesteld in het bad liefelijk met de hand plassende, dat het water uit het bekken springt. Die naïeveteit is niet in onze hedendaagsche taal weer te geven, en zoo ergens, dan is het hier: traduttore, traditore. Ik ben daarom wel genoodzaakt een paar aanhalingen te doen. Hoe natuurlijk is de geloovige voorstelling1), die herhaaldelijk voorkomt: de Engel heeft namelijk de aankondiging gedaan:
En hoe liefelijk is dit tooneeltje in de armoedige hut te Betlehem2):
Bij het volgende stuk3) merkte Hoffmann terecht op, dat het op ons
denzelfden indruk maakt als de schilderij van een der oude Meesters. Met zijn zoet referein heeft het al den schijn van een vroom wiegelied te zijn. Ik neem het in zijn geheel over:
Vooral ook de vlucht naar Egypte geeft aanleiding tot uitvoerige huiselijke tafereeltjes. Men luistere naar de volgende coupletten uit no. 24:
Had Hoffmann geen gelijk, toen hij verklaarde, dat in deze oude gedichten vaak iets ligt, dat wij, zelfs met onze hooge kunstontwikkeling, niet bereiken kunnen?
Voor zooverre de geestelijke liederen niet op bepaalde dagen en feesten toepasselijk zijn, is hun inhoud zeer verscheiden. Eigenlijk gezegde liederen op God zoekt men er vergeefs onder; talrijk zijn die op Jezus, Maria en de Heiligen, liederen op de Heilige Drievuldigheid, het Sacrament en de vreugde des hemels.
‘De liederen op Jezus en Maria bevatten dikwerf geestelijk bedoelde liefdesbetuigingen. Van deze zijn die op Jezus in den regel nog weer de innigste, om niet te zeggen de meest hartstochtelijke.’ Deze, vooral talrijk in de vijftiende eeuw, bewegen zich gewoonlijk om de gedachte, dat Christus de bruigom is, naar wien de vrome ziele reikhalst. Dikwerf staat men in twijfel, of men niet een wereldsch lied voor zich heeft, met zoo gloeiende kleuren is de mystieke liefde geschilderd; en men zal dit begrijpen, als men weet, dat Christus vaak eenvoudig den minnaar in een wereldsch volkslied heeft vervangen.
Niemand zal zich over deze richting van den geest verwonderen, die bedenkt, welke vlucht de mystiek in de dertiende en veertiende eeuw genomen had: men herinnere zich slechts de werken van den beroemden Johannes Ruysbroeck. En het kon wel niet anders, of de lyriek moest zich in die gemoedsstemming vermeien.
Uitgeputte zinnelijke geneugten of ongelukkige wereldsche liefde heeft menigeen in de armen der mystiek geworpen. Dat bij dezulken nog dikwerf het onheilig vuur der herinnering op het altaar der kuische geestelijke liefde brandt, is natuurlijk. Gelijk wij die vermenging van aardsche hartstochtelijkheid en hemelsche zielszucht bij zuster Hadewijch waarnamen, vinden wij ze ook in andere geestelijke liederen terug.
Bewijzen voor het gezegde vindt men te over, b.v. in no. 43:
Denzelfden gedachtengang vindt men in no. 69:
Eene andere ongelukkige klaagt, (no. 67):
Zij omhelst den geestelijken staat, en het eerste, wat men haar leerde,
We hebben hier blijkbaar met de ontboezemingen van vrouwen te doen; en het schijnt, dat vele dezer liederen door Geestelijke Zusters zijn gedicht. Zoo wordt no. 47 besloten met deze strophe:
En no. 110 heeft tot opschrift: ‘Dit liedekijn heeft ghemaect Baert suster, die clusenarinne tUtrecht.’ Zij stierf aldaar in 1514.
Zal men zich, bij zoodanigen oorsprong van de zangdrift, verwonderen, dat menig geestelijk lied nauwelijks van een wereldlijk minnelied te onderscheiden is? Men oordeele b.v. uit deze aanvangsstrophe van no. 95:
Ziehier no. 48 in zijn geheel:
Eene zonderlinge mengeling van hemelsch en aardsch levert no. 98 op, dat er intusschen vrij fragmentarisch uitziet:
Hoe dicht die geestelijke liederen blijven bij de wereldsche, waarnaar zij zijn bewerkt, leert b.v. het Mei-lied no. 1041); en no. 100 is blijkbaar eene navolging van een drinklied:
In de liederen, die met het kerkelijk jaar in verband staan en bepaaldelijk in de kerst-, nieuwjaar- en driekoningenliederen, heerscht een opgewekte, blijde toon. Maar verreweg de meeste andere getuigen van eene gedrukte, sombere stemming. Daarom kan men er vele groepeeren tot boet-, smeek- en klaaggezangen, beschouwingen van de wereld, afscheidsgroeten aan haar en afmaningen van de zonde. Voorts zijn er, die niet passen in de reeds genoemde rubrieken en die men dus ‘Geestelijke liederen van gemengden inhoud’, zou kunnen noemen.
Op de groote kunstwaarde van enkele liederen wezen we reeds; sommige zijn inderdaad uitnemend schoon. Doch daar tegenover zijn er, die niet meer dan middelmatig, onbeduidend, zelfs plat en smakeloos zijn. Als voorbeeld van de laatste gelde o.a. de laatst aangehaalde coupletten uit het geestelijk drinklied, dat blijkens de daar bijgevoegde melodie werkelijk gezongen werd. Sommige geestelijke liederen zijn buitgewoon lang gerekt en daardoor tot vervelens toe langdradig. Men heeft er verscheidene, die dertig, veertig strophen tellen, ja er zijn er van zeventig, een zelfs van honderd vier en twintig coupletten.
Ook de dooreenmenging van Latijn en Dietsch is wansmakelijk1). Geschiedde dit oorspronkelijk met eene goede bedoeling - nl. om den inhoud voor ieder verstaanbaar te maken - later wisselde men beide talen af om aardigheden te kunnen zeggen, die daardoor des te belachelijker klonken. Een bekend voorbeeld daarvan is 't reeds in de 14e eeuw gezongen kerstlied, dat begint:
Wat den vorm dezer liederen aangaat, zij nog opgemerkt, dat vele zangerig gebouwd zijn en zeldzame meesterschap over de taal vertoonen. Of bewijzen dit niet coupletten als:
Of de volgende regels uit eene navolging van een wereldlijk lied:
Schoon is door den vorm en inkleeding ook o.a. het lied van Zuster Bertke, dat aanvangt met:
Behalve deze allegorische voorstelling treft men soms ook onder de geestelijke liederen romancen aan, waaronder die van ‘Des Soudaens dochterkijn’, ‘een der liefelijkste gewrochten der kristelijke dichtkunst’ (Van Vloten) is.
Veelvuldiger nog komen samenspraken voor, tusschen Jezus en de Ziel, den Bruidegom en de Bruid, de minnende Ziel en haren Beminde, en dergelijke.
Van de dichters en dichteressen zijn ons slechts weinige bij name bekend. Als dichteres van 't vergeestelijkte ‘Het daghet in
den Oosten’ wordt Geertruida Van Oosten genoemd. Menig schoon lied werd vervaardigd door Zuster Bertke, die in 1457 aan de Buurkerk te Utrecht werd ingekluisd1). Slechts de namen dezer beide dichteressen zijn bewaard en toch werden vele geestelijke liederen door vrouwen vervaardigd. Dit blijkt meestal uit den inhoud, maar ook meer dan eens uit de laatste strophe.
Van den Rector van het Fraterhuis te Zwolle, Dirk van Herxen († 1457) bezitten we een paar zoetvloeiende liederen, en van den beroemden Johannes Brugman een tweetal schoone weemoedige zangen. Uit de 16e eeuw valt Tonis Harmansz. van Warvershoef te vermelden.
Deze namen verwijzen naar Noord-Nederland en toch schijnt Zuid-Nederland rijker aan dichters en dichteressen van geestelijke liederen geweest te zijn, al kennen we hunne namen niet. De oudste geestelijke-liederboekjes toch werden in Vlaanderen en Brabant gedrukt.