In haar derden bundel roept Anna Bijns haren tijdgenooten toe:
Zonder ze te schuwen zullen wij er echter niet bij stilstaan. Het Geusen-Liedtboeck is misschien de zuiverste uitdrukking van de theologico-politische richting der menigte; maar wij hebben niet noodig het te doorbladeren om met de stemming, die deze liederen in de pen gaf, bekend te worden. Onder de belangrijkste stukken, die er in voorkomen, behoort zeker het Wilhelmus-lied. van Marnix, waarvan de tekst al in vergetelheid moge zijn geraakt, doch welks (nieuwe) melodie nog altijd de uitdrukking is van het vaderlandsch gevoel, dat in de Vorsten uit het Huis van Oranje de afstammelingen eert en liefheeft van dien ‘Willem van Nassouwen’, die de Redder des Vaderlands genoemd werd.
Men verwacht misschien hier eene beschrijving der vrij vele Roomsche en on-Roomsche geestelijke lied-boeken, die uit de tweede helft der zestiende of de eerste der zeventiende eeuw tot ons gekomen zijn; maar de geringe poëtische inhoud dier bundels ontheft ons van den last van dit langademig werk. Slechts bij een enkel wensch ik, om zijne bijzondere belangrijkheid stil te staan1).
Van de Katholieken vermeld ik alleen het boeksken onder den volgenden titel verschenen: ‘Dit is een schoon suyverlijck Boecxken, in den welcken ghy vinden sult veel schoone Leysenen ende Gheestelijcke liedekens, allen menschen tot devotien verweckende. Op nieuw ghecorrigeert ende verbetert. - Noch zyn hier achter van nieus by ghevoecht vele schoone geboort-Liedekens, Leysenen, Hymnen, ende Gheestelycke Liedekens. - tAmstelredam by Cornelis Claesz. op 't Water, int schrijfboeck by de nieuwe Brugge.’ Het is zonder jaartal, maar op bl. 45 vo. leest men: ‘De liedekens ende Leysenen zijn gevisiteert, om ghedruckt ende vercocht te worden, door M. Heyndrick Van den Donghen, Canonick, uyt bevel van den Bisschop van Antwerpen, den 17en November in 't Jaar 1552’1).
De inhoud levert niets bijzonder merkwaardigs op. Als curiosum neem ik dit Notabel over (bl. 23 vo.):
Merkwaardiger is het volgende geuzen-bundeltje, ook om de oudheid van den inhoud: ‘Een Geestelyck Liedt-Boecxken: Inholdende veel schoone sinrijcke Christelijcke Liedekens: Oock troostrijcke Nieuwe-jaren, Claech unde Lof-Sanghen, ter eeren Godes: Alle oprechte Godt-meenende Liefhebberen der Waerheyt-Christi, Olden ende jonghen, seer dienstelijck: Deur D.J. Ps. 89, vs. 1.’
Het bevat op 92 bladen of 184 bladzijden, een aantal, meest alle gedagteekende liederen, uit de jaren 1529-1536, benevens nog acht andere stukken, en wordt toegekend aan den beruchten David Joris, een der Hoofden van de Wederdoopers. Inderdaad schijnen ook verscheiden liederen van zijne hand te zijn, blijkens het klaverblad, dat er onder staat. Het Referein tot Lof des
Nederlandts unde der Duytscher Spraecken, met sijn liedeken, fo. 85 vo., geeft het hoofddogma van dien profeet terug. Maar hij had verscheiden medewerkers. Fo. 71 vo. leest men: ‘Volgen hier na drie liedekens, waeraf het eerste gemaeckt is by Jacob Symonss unde die twee andere navolghende by Michael Janssen.’ Het eerste is gedagteekend 1534, het tweede 1532, het derde 1531. Voorts: ‘Noch een ander Liedt gemaeckt by Anneken N. op de Wyse: Na Oostlandt wil ick varen.’ Jacob Symons is de martelaar, die in 1533 (Stilo Curiae) te Delft ter dood werd gebracht: Anneken N. was waarschijnlijk Anneken Jans, die in 1537 hetzelfde lot onderging.
De inhoud dient vooral, om te wijzen op de vervolgingen, die de vrome geestdrijvers hadden ondergaan (men denke aan de vreeselijke strafoefeningen na de bekende gevaarlijke aanslagen der Wederdoopers op Leiden en Amsterdam); de toon is mystiek, apocalyptisch; de taal, doorspekt met overlandsche vormen. Bij het eerste couplet van elk lied staan de zangnoten.
Ik geef uit dezen hoogst merkwaardigen bundel een paar proefjes. Vooreerst het Nieuwejaars-lied, fo. 5 vo:
Van Annekens lied geef ik de coupletten 10-12, (fo. 84 ro.):
Zulke verzen teekenen den tijd. - Als curiosum geef ik nog de zoogenoemde (fo. 92 vo.):
Fanatischer Vaderlandsche ontboezeming zal men niet licht vinden.
In sommige der geestelijke Lied-boeken vindt men liederen door
martelaars voor 't geloof gedicht of op den brandstapel gezongen; waar het slachtoffer vrouw en kinderen gedenkt, kan men die smartkreten niet zonder betraande oogen lezen. Hoe diep die vreeselijke treurtooneelen in 's volks gemoed drongen, blijkt daaruit, dat zij nog jaren lang een echo in de gezangboeken vonden. Immers in den tweeden druk van Het Ryper Liedt-boecxken: ‘In de Ryp, by Claes Jacobsz., woonende in de Laeckenwinckel, anno 1636’, leest men o.a. bl. 285: ‘Het 116e Liedt, welck is gemaeckt van een jonck Broeder, genaemt Joost Joosten, ghebooren van Dergoes, een stedeken in Zeelandt, ende is ghevanghen ghenomen ter Veer in Zeelandt, doen hy achtien jaren oudt was, ende zwaerlijck ghepijnigt zijnde, heeft hy dat verduldelijck ende vromelijck geleden, niet willende van de waerheydt wijcken: soo is hy ten laetsten veroordeeld om verbrant te worden, ende in het stroyen huysken staende daer mede hy verbrant werde, so heeft hy noch 'tlaetste veersjen van dit sijn liedeken ghesongen, den Heere danckende ende lovende, ende heeft also sijn leven vromelijck gelaeten om Godts woord ende waerheydts wille.’
Of bl. 287 het volgende: ‘Liet welck is ghemaeckt van een jonghe Dochter, die haer jonge leven ghelaten heeft om het woord Gods, ende haers Bruydegoms Christi wille, doense maer veertien jaren oudt was, is tot Rotterdam ghedoodet, alwaer sy is onder het IJs gesteecken ende verdroncken’1).
Dit zijn vreeselijke illustraties van 't verhaal van Bor, dat de slachtoffers ‘ter dood gaande, blijdelijk en vrijmoedelijk, alsof zij ter bruiloft of tot een heerlijke of blijde feeste zouden gaan, psalmen zongen, lofzangen en geestelijke liedekens.’ En wijl ze door hun voorbeeld velen tot hun geloof overhaalden, ‘soo werdt de vervolghing oock dagelijcx grooter.’
Vreeselijke tijden!
Naarmate het Protestantisme veld won, deed zich, ook bij de Katholieken, de behoefte aan stichtelijk gezang gevoelen. Daaraan kwam in 1539 Jhr. Willem Van Zuylen van Nyevelt te gemoet door zijne Souter Liedekens, eene vertaling der Psalmen, ingericht en
bestemd, ‘om in die plaatse van sotte vleescelike liedekens,’ op de meest populaire wereldsche zangwijzen gezongen te worden, ter stichting van de Katholieke jeugd. Zij dienden echter niet alleen tot huiselijk gebruik, maar werden zelfs bij de Protestantsche preek gebezigd. Die uitgave voldeed zoo aan de behoefte, dat binnen het jaar zes oplagen daarvan het licht zagen. De berijming is niet zonder kunstwaarde: zij munt vooral uit door eenvoud en zuiverheid van taal. Evenwel werd zij op den duur voor kerkgebruik bij de Protestanten minder geschikt gerekend, en in 1566 vervangen door die van Jan Wtenhove1), een Gentsch edelman, die zich een groot voorstander der Kerkhervorming getoond had, maar wiens werk uit een letterkundig oogpunt verre bij dat van zijnen voorganger achterstond. Ook deze vertaling werd verdrongen door die van den beroemden of beruchten Petrus Dathenus, den ijveraar bij uitnemendheid, welke naar het Fransch van Clement Marot bewerkt was en ten zelfden jare in het licht verscheen, om weldra en dikwerf herdrukt te worden. Tot op het laatst der achttiende eeuw is zij het officiëele gezangboek voor de Hervormden in Noord-Nederland gebleven2).
Het is onnoodig ons lang bij deze psalmenbundels op te houden, evenmin bij dien, welken de schilder Lucas De Heere in 1566 in het licht zond, of dien, welken Willem Van Haecht in 1579 voor de Luthersche gemeente te Antwerpen deed drukken. Het zij genoeg op te merken, hoe uit de menigvuldige oplagen der verschillende psalmberijmingen blijkt, in welke mate de Protestantsch-godsdienstige zin was opgewekt ook in Zuid-Nederland, vooral te Gent, waar, gelijk men weet, Datheen met Hembyse geruimen tijd aan het hoofd eener Calvinistische republiek stond.
Onder de Protestantsche schrijvers, die om den invloed door hen geoefend en de waarde hunner geschriften eene ietwat meer uitvoerige vermelding verdienen, bekleedt Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde, eene eerste plaats. Ziehier hoe Motley dezen voortreffelijken Nederlander karakteriseert:
‘Sint Aldegonde was een der uitstekendste mannen zijner eeuw. Hij herinnert aan de grootheid van de helden der oude tijden. Hij was een dichter met eene krachtige verbeelding begaafd; een prozaschrijver, wiens stijl door niet een zijner tijdgenooten overtroffen werd; een staatsman, op wiens bekwaamheid en omzichtigheid Willem van Oranje zich in de belangrijkste en neteligste onderhandelingen immer verliet; een spreker, die als zoodanig in verschillende politieke omstandigheden de opmerkzaamheid van Europa trok; een krijgsman, wiens dapperheid op meer dan een slagveld, in meer dan een hevigen strijd uitblonk; een in den godsdienstigen pennestrijd zoo bedreven godgeleerde, dat hij aan eene vergadering van bisschoppen, in het hun bijzonder eigen vak, zegevierend het hoofd bood. Kortom, hij was een zoo door en door geleerd man, dat hij niet alleen de klassieke en verscheiden levende talen sprak en schreef, maar ook de psalmen David's uit het Hebreeuwsch, ten gebruike van het volk, in Vlaamsche verzen vertaalde; en dat hij op het einde van zijn leven door de Staten-Generaal der Bataafsche Republiek gelast werd de gansche Schrift over te zetten, een werk, dat de dood hem belette te volvoeren.’
Wij hebben hier alleen met hem te doen als dichter en prozaschrijver. En dan valt niet te ontkennen, dat zijne psalmberijming, deels in ballingschap, deels in de gevangenis en onder andere bekommernissen geschreven, de meeste vertalingen van zijnen tijd verre overtreft door vloeienden, regelmatigen rhythmus, door sierlijke, kernachtige en zuivere taal. Verschillende oorzaken verhinderden de invoering van Marnix' Psalmberijming. De boekhandelaars in meer dan eene stad - o.a. te Dordrecht - verzetten er zich tegen, omdat het privilegie voor het drukken dier vertaling aan Gillis van den Roede te Antwerpen was gegeven, waardoor zij in hunne geldelijke belangen zouden geschaad worden. Toen de Synode van 1586 besloten had, Aldegondes berijming in te voeren, werkten verschillende oorzaken, waaronder ook wel weder de belangen der boekverkoopers behoorden, mede om dat te beletten1).
Overigens staat hij als prozaschrijver in het algemeen hooger dan als poëet.
Hij zond een aantal geschriften in het licht, zoowel in het Fransch, als Vlaamsch, over kerkelijke en staatkundige onderwerpen1). Munten die alle door een helderen en krachtigen stijl uit, één werk is er, dat uit een letterkundig oogpunt bijzondere waarde heeft, dat hem als hekelschrijver en prozaïst den eersten rang verzekert: De Byenkorf der H. Roomsche Kercke.
Dit werk verscheen in 1569. Een Fransch theoloog, Gentiaan Hervet, had een geschrift uitgegeven om den Roomschen godsdienst tegen de aanvallen der Hervormden te verdedigen. Marnix nam daaruit aanleiding om der Roomsche Kerk een geweldigen knak toe te brengen. Hij bezigde daartoe het scherpste wapen van spot en ironie. Schijnbaar sluit hij zich bij Hervet aan en bekrachtigt diens betoog met nieuwe teksten; maar de bewijzen zijn zoo gekozen, dat zij het verkeerde van het stelsel der tegenpartij doen uitkomen en vooral de dwaasheden en schandalen, waaraan de priesters zich schuldig maakten. Om nu aan zijne spotternij de kroon te zetten, draagt hij het boek op aan dien Sonnius, Bisschop van Den Bosch, die als de hevigste ketterjager bekend stond.
Nooit heeft de Roomsche Kerk heviger aanval te verduren gehad; en den bitteren spot van dit ‘fenynich boeck’ kwam zij toen in Nederland niet te boven, ondanks de vele confutatiën, die daarvan werden opgesteld.
Terecht zeiden de jongste uitgevers: ‘Een getrouw denkbeeld van den Byenkorf af te schetsen, is geene geringe zwarigheid. Allerhande geest, allerhande stijl - uitboezemingen van toorn en vloek - bijtende, bitsige hekeling, luchtige, geestige spot - hoogdravende gedachten, ruwe uitdrukkingen - dit alles komt in
den Byenkorf voor, in een elkander hortende mengeling, uit welker botsing de bliksem moet ontschieten, die de middeleeuwsche kerk zal vernielen.’
Wat den titel betreft, de schrijver geeft daarvan de volgende verklaring in zijne opdracht: ‘Ende, om dat dit van velerley en menigerhande bloemkens by een geraept is, so hebbe ick het selve genaemt Den Byen-korf der Roomscher Kercken, om te kennen te geven, dat gelijcker-wijs als een Honich-bey niet uyt einderhande bloeme alleene, maer uyt vele verscheyden haren honich bereyt, also en staet de Roomsche Kercke oock niet op einderhande Schrift, Bybel, Concilie oft Decreetboec, dan sy raept het uyt een yegelijck, 't geene dat haer alderbest dient’ enz.
Het valt niet te loochenen, dat men als vanzelf genoopt wordt tot eene vergelijking van Marnix met Anna Bijns. Beiden waren met hetzelfde vuur bezield, beiden beschikten over een buitengewoon talent, beiden hadden geest, beiden zwaaiden niet alleen den geesel van spot en satyre, maar ook den moker der argumentatie tegen kerkelijke tegenstanders. En toch is er onderscheid. Het allerminst is dit daarin gelegen, dat de een tot den hoogmoed, de ander tot de ootmoedigheid zou spreken, als beweerd is; niet daarin, dat deze ‘eene hemelsche vrouw, gene een ingelijfde plaeggeest’ was; maar de tegenstelling openbaart zich hierin, dat de begaafde vrouw worstelt tot instandhouding eener levensbeschouwing, die de uitdrukking is van een tijdperk der historie, dat voorbijgegaan was, terwijl Marnix de krachtige woordvoerder is van den nieuwen tijd. Waarin hij haar bovendien verre achter zich laat, 't is in de fijnheid van zijn geest en de keurigheid zijner taal. De taal der Antwerpsche juffer is de laatste flikkering van het Middelnederlandsch, evenals hare refereynen de laatste spranken zijn van middeleeuwsche poëzie. Het proza van Marnix is reeds dat van Hooft, van Brandt, van Van der Palm en Opzoomer. Het Nederlandsche Proza, met de burgerij geboren, had met Ruysbroeck een grooten stap ter ontwikkeling gedaan; maar eerst in de pen van Marnix krijgt het die kracht, die sierlijkheid en smijdigheid, die het tot het geschikte voertuig maakt der nieuwere denkbeelden.