Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 2: De middeleeuwen (2)


auteur: W.J.A. Jonckbloet


editeur: C. Honigh


bron: W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 2: de Middeleeuwen (2). J.B. Wolters, Groningen 1889 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 146]

VII. Maerlant's school.

Kroniekschrijvers.

De invloed, dien Maerlant in wijden kring uitoefende, blijkt uit de school, die hij vormde. De voornaamste schrijvers van het eind der dertiende en de eerste helft der veertiende eeuw volgen hem na of trompetten zijnen lof. Nemen wij eerst de geschiedschrijvers in oogenschouw.

Naar tijdsorde vergt in de eerste plaats eene Brabantsche rijmkroniek onze aandacht, waarvan de schrijver Jan van Heelu (bij verbastering uit: van Heelen) genaamd is1). Deze kroniek bevat een levendig, dikwerf niet ondichterlijk tafereel van den slag van Woeringen in 1288, tengevolge waarvan hertog Jan I van Brabant het hertogdom Limburg vermeesterde. Het werk is in twee boeken verdeeld, waarvan het eerste de geschiedenis schetst van 's Hertogen jeugd en de aanleiding tot den oorlog, terwijl het tweede den slag zelf schildert.

Van Heelu had in persoon de gebeurtenis, die hij bezingt, bijgewoond; en dit, zoowel als de geestdrift, die hem voor zijnen held bezielt, wiens grootsche persoonlijkheid hij met stoute trekken teekent, geeft aan zijn tafereel ongemeene levendigheid en schilderachtigheid. Daarbij komt de eenheid van inhoud en de dichterlijke toon, die echter wel eens in het overdrevene zwelt. Dit alles maakt, dat men soms twijfelt, of men met een epos dan met eene kroniek te doen heeft.

Van des dichters leven is zoo goed als niets bekend. Uit enkele

[p. 147]

trekken, als b.v. de zorg, waarmede hij de wapenschilden beschrijft, heeft men, niet zonder grond, afgeleid, dat hij onder de herauten des Hertogs behoorde.

Hij droeg zijn gedicht op aan Margaretha van Engeland, de verloofde van 's Hertogen zoon. Hij bood haar zijne verzen aan, opdat zij er de landstaal uit zou leeren, en er kon zeker geen vleiender hulde worden uitgedacht dan daartoe het verhaal te kiezen van de groote daden haars schoonvaders. Daar geen gewag wordt gemaakt van des Hertogen dood, mag de vervaardiging van dit werk tusschen 1291 en 1294 gesteld worden.

In vele opzichten komt met het gedicht over den slag van Woeringen dat overeen, hetwelk, naar zijn inhoud, De Grimbergsche Oorlog genoemd wordt. De toon is bijna even dichterlijk; maar de stijl niet zoo los en de inhoud niet zoo overeenkomstig met de werkelijkheid. Het laatste lag waarschijnlijk daaraan, dat hier geene geschiedenis van den dag is geschilderd, maar tooneelen uit een ver verleden. De Grimbergsche oorlog1) toch is de strijd, die in den aanvang der twaalfde eeuw door de Heeren van Grimberg gestreden werd tegen den machtigen Hertog van Brabant Godevaart met den baard, dien zij weigerden als leenheer te erkennen. Die strijd, gedurende vele jaren voortgezet, is met groote levendigheid geschilderd, hoezeer de voorstelling hier en daar niet van gerektheid is vrij te pleiten. Ook dit werk houdt het midden tusschen kroniek en heldendicht. Men heeft het, even als dat van Van Heelu, met den laatsten naam bestempeld; maar de cyclische omvang, vooral de op historische waarheid gerichte bedoeling des schrijvers, toonen, dat wij slechts met eene zeer dichterlijke kroniek te doen hebben, die hare aantrekkelijkheid te danken heeft aan de levendigheid, waarmede de dichter die gegedeelten, welke hij waarschijnlijk aan volksoverlevering en geloofwaardige bronnen ontleende, aanschouwelijk weet voor te stellen.

Hij stierf, vóórdat hij zijn werk geheel kon ten einde brengen, welks laatste 1400 verzen van eene andere hand zijn. Wie was die dichter? Zijn naam wordt nergens genoemd; maar blijkbaar

[p. 148]

schreef hij in de tweede helft van de dertiende eeuw. Niet vroeger, zooals uit enkele historische bijzonderheden blijkt; wellicht ook niet later, daar in het eerste gedeelte der Brabantsche Yeesten (1315) eene toespeling misschien op zijn werk gevonden wordt.

Hij heeft in zijne manier van opvatting en voorstelling, in zijne techniek en taal, zooveel overeenkomst met Jan van Heelu, dat het vermoeden zich aan ons opdringt, dat de schrijver van den Slag van Woeronc en die van den Grimbergschen Oorlog een en dezelfde is. Het is waar, het valt niet te ontkennen, dat de stijl van het laatstgenoemde werk door stoplappen wordt verlamd, die in het andere niet voorkomen; maar daarbij kon de meer gevorderde leeftijd van den schrijver wel in 't spel zijn. En men vergete vooral niet, dat wij van den Grimbergschen Oorlog geen enkel oud handschrift bezitten, terwijl de betere afschriften, waarnaar de oncritische en weinig bruikbare uitgaaf der Vlaamsche Bibliophilen bezorgd werd, zeer stellig reeds een omgewerkt van invoegsels voorzien handschrift ten grondslag hebben.

 

Holland was ontegenzeggelijk lang bij Vlaanderen ten achter, maar toch niet geheel zonder letterkundige ontwikkeling. De geestelijkheid was er vroeg beschaafd, en reeds in de twaalfde eeuw hadden de Egmonder monniken eene kostbare boekerij1). Maar ook aan de wereldlijke letterkunde bleef men niet vreemd. Reeds in den aanvang van de dertiende eeuw zagen wij daar den Willem van Oranje in het licht verschijnen, en honderd jaar later werd er de Didactiek beoefend.

Maar toch schijnt het, dat de maatschappelijke beweging er meer van den Vorst dan van het volk uitging. Floris V moedigde den grooten Vlaamschen hervormer aan, waarschijnlijk omdat er zich geen Hollandsch schrijver opdeed, die in deze richting kon of wilde werken. En toen eindelijk ook hier eene kroniek in de volkstaal het licht zag, welke denkelijk eveneens op aansporing van den Graaf bewerkt werd, was zij meer een geschrift voor

[p. 149]

den adel dan voor de burgerij. Het is de Rijmkroniek van Melis Stoke1).

Zij bevat een verhaal van de gebeurtenissen in Holland voorgevallen van de stichting van het graafschap af tot het jaar 1305. Het eerste gedeelte is eene hier en daar wat vervolledigde vertaling van de bekende Latijnsche Egmonder kroniek, die voor onze geschiedenis der twaalfde eeuw zoo belangrijk is, omdat de schrijver gebeurtenissen boekt, die hijzelf had beleefd2). De vertaling is doorgaans getrouw, maar enkele malen slordig, en er zijn soms trekken weggelaten, die niet mochten ontbreken3). Waar de Hollandsche schrijver niet meer uit de Latijnsche bron kan putten, is hij zeer oppervlakkig, totdat ook hij weer gebeurtenissen van zijn eigen leeftijd begint te vertellen, waarin zeer veel wetenswaardigs is, daar hij in de gelegenheid was of zelf veel te zien of van ooggetuigen te vernemen4).

De kroniek van Melis Stoke is in vrij wat eenvoudiger, huiselijker stijl geschreven dan de straks behandelde werken. Kalm,

[p. 150]

wijdloopig, soms tot langdradigheid toe, keuvelt de rijmer vooral over de gebeurtenissen van zijn tijd; en hij laat daarbij geen gelegenheid voorbijgaan om uit het verhaalde min of meer toepasselijke moralisatiën af te leiden of daarbij korte spreuken op te disschen1). Bovendien, aan beuzelarijen, monniks-etymologieën en mirakelen ontbreekt het niet. Zoo vermeldt hij (II Boek, 521) de geboorte van een monsterschaap; of hij zegt van Friesland (I Boek, 77):

 
‘De name wanic dat ierst vant
 
Rome, want hets een cout lant.’

Elders (II, 1311) vertelt hij, dat er

 
‘Quam een ridder van dode te live
 
In Vermendois, de openbare
 
Sprac vele dat te ghesciene ware.’

Enkele malen wordt de schrijver warm: bij de vermelding van de verovering van Jeruzalem door de ongeloovigen, (II) van Ada's huwelijk bij de doodsbaar haars vaders, waarbij hij uitroept (II, 1410);

 
‘Droeve wast te scouwene an,
 
Dat men also saen vergat
 
Den Lantshere op de dootstat;
 
Daermen hande soude hebben ghewronghen,
 
De lude dansten ende songhen.
 
Dit was te misprisene zere,
 
Al hadt ghesijn volc sonder ere.
 
De dode was in een scip ghedraghen;
 
TEgmonde ginc men henejaghen:
 
Daer groefmen bi sinen maghen,
 
Aldaer sine vorders laghen.
 
Met alte groter armoede,
 
Nochtan mittes Goedshuus goede2),
 
Men brochte den doden ter aerde;
 
Maer dat was alte grote onwerde,
 
Hijs domp, de der werelt dient:
 
Die dode en hevet genen vrient.’
[p. 151]

Vooral de moord van graaf Floris brengt zijn gemoed in beroering: vandaar de levendige, plastische beschrijving van den gruwel, waarbij de verontwaardiging den rijmer zelfs tot dichter verheft (Boek V). Desniettegenstaande is in 't algemeen de letterkundige waarde dezer kroniek niet hoog aan te slaan, al moet men ook van haar getuigen, dat de stijl zuiverder is dan die van Maerlant's leerdichten, die te veel met bastaardwoorden zijn doorspekt, met welk Vlaamsch zwak Melis zelfs ergens - was het uit jaloezie? - den draak steekt1).

Het is duidelijk, dat dit werk niet in eens geschreven werd, maar eerst alleen de vertaling der Latijnsche kroniek, die aan Graaf Floris V werd opgedragen; later het vervolg. En toen werd het geheel toegewijd aan den jongen Willem III.

Het eerste gedeelte schijnt even na het jaar 1283 opgesteld te zijn2); in allen gevalle vóór den veldtocht in Friesland van 12873), dus ongeveer 1284-1286. Het tweede stellig vóór 13174); en is waarschijnlijk nog in het jaar 1305 geëindigd, nadat hij het aanvaarden van de regeering en het huwelijk van den jongen Graaf Willem III, aan wien hij zijn boek opdroeg, beschreven had5).

[p. 152]

Huydecoper trok uit den toon der opdracht de juiste gevolgtrekking1), dat men daarin ‘als voor zyne oogen ziet eenen jongen Vorst, die zyne Regeering nu eerst, in vrede, stondt te aanvaarden. Hierom meen ik, dat Melis dit alles noch geschreeven heeft in het jaar 1305, aanstonds na dat de Graaf, met zyne jonge Huisvrouwe, uit Vrankrijk weder in Holland was gekomen’.

Van Wijn giste, dat twee schrijvers er deel aan hadden; maar dit is niet waarschijnlijk. Taal, stijl en rhythmiek wijzen op ééne hand. Een vervolger der kroniek zou waarschijnlijk de opdracht aan Floris V, die aan het eerste deel voorafgaat, hebben weggelaten, toen hij het geheel aan Willem III toewijdde.

Over den persoon des schrijvers is zoo goed als niets bekend. Dat hij geen Utrechtenaar was, zooals wel eens beweerd is, staat vast: als hij van de Hollandsche Landsheeren spreekt, noemt hij ze altijd ‘onze Graven’, en de Hollanders heeten ‘de onse’2); hij is een Hollander, met Hollandschen afkeer van de Friezen, Zeeuwen en Vlamingen3). Ook den Henegouwers is hij niet bijzonder genegen4). Of hij uit het klooster te Egmond afkomstig was, is niet zeker: daar vond hij wel de Latijnsche bron voor zijn geschrift, zooals hij dit op het touw zette, de geschiedenis van Holland (I, 10),

 
‘Also als icket bescreven vant
 
In den cloester tEcgemonde
 
In Latine, in vraier orconde’;

maar hij was er denkelijk geen inwonend monnik; althans als hij van de stichting der abdij gewaagt, zegt hij, dat (I, 575)

 
‘Daer al noch op den dach heden
 
tCovent woent aldaer ter steden’.

zonder te zeggen ons covent5). Wij weten, dat hij zich kort na

[p. 153]

den moord van Floris te Alkmaar bevond. Daar bleven 's Graven honden bij zijne lijkbaar zitten (V, 122):

 
‘Ic sachse beide sitten daer.’

Er is alle reden om aan te nemen, dat hij aan het grafelijk Hof verkeerde. Hij weet immers, hoe het bij kuiperijen aan het kof toeging, en geeft daarvan eene levendige beschrijving1). Hij schijnt zich gaarne met staatszaken te hebben bemoeid, ofschoon niet blijkt, dat hij daarop invloed uitoefende. Nu eens beklaagt hij zich, dat men hem iets verborgen hield2), dan bralt hij er op, wat zijn raad zou geweest zijn, als men dien gevraagd had3).

Dat hij zeer was ingenomen met graaf Floris, blijkt niet alleen uit zijne opdracht van het oorspronkelijke werk aan dien vorst, maar ook uit menige plaats van het tweede gedeelte. Toch was hij er spoedig meê verzoend, dat hij onder Henegouwsch gebied kwam. Als een echt hoofsch vleier weet hij te vertellen van de vreugd, die er in Holland heerschte, toen Jan II overkwam, (IX, 48):

[p. 154]
 
‘Als ment vernam
 
Wort dat volc al in roere:
 
Men hadde noyt alsulke voere
 
Van bliscepen, alst wel sceen;
 
Want daer ne was huus engheen,
 
Daer ne was tortise of lanteerne
 
Uutghesteken. Si dedent gheerne:
 
Dat volc was overblide’1).

Uitbundig is hij dan ook in den lof van dezen graaf bij diens dood2). Ook over Willem III laat hij zich steeds met warmte uit, en in zijne toewijding van het werk spreekt zelfs zekere vaderlijke genegenheid. Reeds toen hij het werk aan Floris V opdroeg, was hij geen jonkman meer; dit blijkt uit den toon, waarin hij hem toesprak. Hij wijst den Graaf terecht over zijne ingenomenheid met vreemde geschiedenissen, waarbij hij wellicht diens betrekking op Maerlant's Spieghel Historiael op het oog had. Hij wil (I, 5)

 
‘Segghen wie de Graven waren,
 
De Hollant in haren jaren
 
Hadden onder haer beduanc;
 
Ende hoeverre dat haer ganc
 
Met rechte gaet in Vrieslant....
 
Wantet dinket mi wesen scande,
 
Dat de lieden3) van den lande
 
Ander giesten vele weten,
 
Ende si des hebben vergheten,
 
Wanen si selve sijn gheboren,
 
Ende wie si waren hier te voren
 
Die tlant wonnen entie erve,
 
Daersi of nutten die bederve....
 
Dese pine ende dit ghepens
 
Sendic u, Heer Grave Florens,
 
Dat ghi moghet sien ende horen,
 
Wanen dat ghi sijt gheboren,
 
Ende bi wat redenen ghi in hant
 
Hebbet Zeelant ende Hollant,
[p. 155]
 
Ende bi wat redenen dat ghi socct
 
Vrieslant, dat u so sere vloect.
 
Hem bid ic, die noeit en began,
 
Ende die over ghemene man
 
Om te berechtene sette Lantsheren,
 
Dat hi mi dat moete leren,
 
Dat ic de waerheit so verclare,
 
Dat men weten moete dat ware.’

Zoo sprak hij tot den rijpen man: tot den negentienjarigen jongeling richt hij de hartelijkste waarschuwingen (X, 1055):

 
‘Here van Hollant, edele Grave,
 
U hevet ghemaect teenre gave
 
Dit boec ende dit werc
 
Melijs Stoke, u arme clerc,
 
Gode teren ende uwen live.
 
Wacht, dat niet verloven blive
 
De name, de ghi hebt nu:
 
Ende dorvijs nu, dat seg ic u,
 
Dat quader wort dan te voren,
 
Ende pine es al verloren.
 
Altoes penset om de doghet,
 
Ende ghevet als ghi gheven moghet:
 
Ende wat ghi ghevet, ende wien,
 
Ende den smekers suldi sien
 
Inden mont, ende merke wale
 
Waeromme si segghen hare tale,
 
Oft om ghewin is haer flateren.
 
Weest ghelike anderen Heren:
 
Hout u liede ende u lant te rechte
 
Jeghens heren ende knechte enz.’

En zoo gaat het ruim vijftig regels voort; wees rechtvaardig, wees hoofsch, matig, godsdienstig, weldadig; en ten slotte:

 
‘God gheve dat behouden blive
 
U werelt ere in desen live!
 
Ende na desen live comt daer boven,
 
Daer d'engelen Gode loven!
 
Des onne u Marien kint!
 
Seghet: amen, de den Grave mint.’

Ofschoon in zekeren zin tot Maerlant's school behoorende, en in het tweede gedeelte met diens Spieghel waarschijnlijk wel be-

[p. 156]

kend, had hij te weinig liefde voor, of begrip van de democratische beweging zijner eeuw, om in alles met dezen in te stemmen. Hij staat veel meer op de zijde der aristocratie, voor welke hij zijn boek eigenlijk bestemde; en hij had zeker niet veel op met die gemeenten, ‘die steeds nieuwe verwarringen zoeken, in de hoop daardoor grooter vrijheid te winnen’, zooals hij zich uitdrukt1).

Zijn geheele werk getuigt van vrij bekrompen ontwikkeling. Zoo hij, evenals Maerlant en diens eigenlijke scholieren, veel plaats inruimt aan beuzelarijen, bij hem wordt dit niet opgewogen door wijsgeerigen zin. Wel wedijvert hij met den Vlaming in zedekundige opmerkingen; maar hij weet daarover niet volkomen den gloed te werpen, die juist genen kenmerkt. Hij heeft ook niet diens belezenheid. De Alexander, de ‘Historie van Merlijn’, en waarschijnlijk ook die van Troyen waren hem bekend, en hij haalt eenmaal Ysidorus aan2), welke plaats waarschijnlijk

[p. 157]

ook wel aan een Nederlandschen schrijver ontleend is. Maar overigens schijnt hij in de romantische letterkunde van den dag een vreemdeling gebleven te zijn. Heeft hij de didactische geschriften van zijn tijd wellicht gekend? Men heeft opgemerkt, dat enkele hoofdstukken uit Maerlant's Spieghel Historiael doorgaans letterlijk overeenkomen met zekere plaatsen van Stoke's kroniek1). De jongste uitgevers van den Spieghel, die de opmerking maakten, besloten daaruit2), dat ‘Stoke, die kort na Maerlant schreef, en bij dezen voor een deel zijner taak gedaan werk vond, gemakshalve de vertaling van den giftbrief van 929 en enkele andere stukken, te zamen ruim honderd verzen, van zijnen Vlaamschen opvolger heeft overgenomen.’

Reeds Dr. J. Te Winkel aarzelde om die voorstelling over te nemen3): hij had gerust kunnen zeggen, dat genoemde uitgevers

[p. 158]

zich in hunne beschouwing bedrogen. Tegen zijne redeneering, is, dunkt mij, niet veel in te brengen. Men oordeele: ‘De vierde partie van den Sp. Hist. is niet vóór 1286 begonnen, waarschijnlijk in 1290 gestaakt, en denkelijk wel niet in 't licht verschenen vóór Maerlant's dood, die zeker na 1291 is te stellen. Eerst na 1291 heeft Stoke alzoo Maerlant's behandeling der Hollandsche gravengeschiedenis kunnen kennen, en nu [blijkt het], dat het eerste deel van Stoke's werk [omstreeks] 1283 is vervaardigd....’ Reeds dit zou genoegzaam zijn om aan te toonen, dat Stoke onmogelijk Maerlant heeft kunnen naschrijven, terwijl het omgekeerde zeer aannemelijk is. Het eerste gedeelte van de Hollandsche kroniek, vóór Maerlant's vierde Partie geschreven, was zeker afzonderlijk in het licht gegeven vóór Graaf Floris' dood, en Maerlant kon dit dus bij zijn werk gebruiken. Maar hetgeen de zaak buiten kijf stelt, is Te Winkel's slotopmerking: ‘Ook moet men niet vergeten, dat wel [de aangewezen verzen uit den] Sp. Hist. bijna woordelijk met Stoke overeenstemmen, maar dat Sp. Hist. IV1, 46, vs. 13-24 allen schijn heeft van een uittreksel te zijn van Stoke I, vs. 405-445; en zoo ook Sp. Hist. IV1, 46, vs. 25-46 eer door Maerlant uit Stoke I, vs. 463-490 verkort, dan door Stoke uitgebreid schijnt te wezen.’ Voor al wie de bedoelde plaatsen wil vergelijken, zal de laatste slotsom zoo juist en zeker blijken, dat alle redelijke twijfel moet ophouden.

Stoke heeft dus, toen hij het eerste gedeelte zijner Kroniek schreef, Maerlant's Spieghel Historiael niet gekend en zelfs de vierde Partie niet kunnen kennen.

 

In Brabant zagen wij reeds Lodewijc van Velthem als vervolger van Maerlant's Merlijn en van zijn Spieghel Historiael optreden. Alles, of liever het weinige, wat wij van hem weten, hebben wij reeds medegedeeld en kunnen dus volstaan met daarheen te verwijzen1). In dat hertogdom, en wel te Antwerpen, draagt de boom, door Maerlant geplant, de rijkste vruchten. Daar leefde en werkte de uitstekendste zijner leerlingen, Jan Van Boendale, naar zijne ambtsbetrekking - hij was Griffier bij de Antwerpsche Schepenbank - gewoonlijk Jan De Clerk geheeten.

[p. 159]

Over den man en zijne beteekenis voor de burgerlijke letterkunde spreken wij weldra nader: hier een enkel woord over de historische geschriften, waarmede hij zijne loopbaan begon.

Hij schreef eene kroniek, waaraan hij den naam gaf van Die Brabantsche Yeesten1), d.i. de daden (gesta) der Brabanders, en waarin de geschiedenis der hertogen geschetst wordt van de vroegste tijden tot in 1350.

De Clerk beoogde de verheerlijking zijner landsvorsten; maar hij wilde dit niet ten koste der waarheid. Het is hem genoeg, hen als afstammelingen van Karel den Grooten voor te stellen. Hij heeft niet noodig op hunne afkomst van den Zwaanridder te brallen; ja 't is vooral om dergelijke leugenverhalen uit te roeien, dat hij zijne kroniek schrijft. Ook hij wil dus de geschiedenis tegenover de sage, wetenschap tegenover poëzie stellen en handhaven.

Maerlant had reeds in zijn Spieghel de yeesten der Hertogen te boek gesteld; maar zij waren dáár onder allerlei andere zaken bedolven. Daarom wordt hier een uittreksel uit dat werk gegeven. Buiten deze bron kent de schrijver nog Van Heelu's kroniek, en een paar malen wijst hij op een Latijnsch voorbeeld; ook de Grimbergsche Oorlog was hem bekend. Voorts vertelde hij wat hij of zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had.

De stijl is hoogst eenvoudig, zonder eenige verheffing, en onderscheidt zich van dien van Maerlant alleen door het gemak, waarmeê hij vloeit. In het algemeen doen Boendale's werken zien, hoe uitnemend taal en stijl zich in een kort tijdsbestek hadden ontwikkeld.

Ook deze kroniek is niet op eenmaal tot stand gekomen. Het eerste gedeelte, waarschijnlijk in 1309 of 1310 begonnen, loopt tot vs. 900 van het vijfde boek, eindigt met het huwelijk van Jan III, en is kort daarop, denkelijk in het jaar 1315, voltooid. De overige 4000 verzen van dat boek beschrijven de regeering van dien Hertog, het verhaal breekt met het jaar 1350 af.

Later werden nog twee boeken aan deze kroniek toegevoegd, waarin de gebeurtenissen tot het jaar 1440 worden verhaald. Hoewel voor de geschiedenis van uitnemend belang, heeft dit

[p. 160]

toevoegsel niet de minste letterkundige waarde en behoeft hier niet verder besproken te worden.

Wij gewagen slechts volledigheidshalve van een ander geschiedwerk van De Clerk, Van den derden Eduard1) getiteld, dat misschien maar een fragment is van een grooter werk2), even als wij weinig te zeggen hebben van de Vlaamsche rijmkroniek door Kausler uitgegeven3). Zij omvat het ruime tijdvak van 792 tot 1404, maar op vrij oppervlakkige wijze. Deze kroniek werd door twee personen geschreven. De eerste schijnt in het begin der veertiende eeuw geleefd te hebben, en bediende zich van bekende Latijnsche en Fransche bronnen, die niet zonder talent zijn bewerkt, waaruit nu en dan eene vrij groote levendigheid van voorstelling geboren wordt. - Ook andere kroniekjes van minder omvang, of geschriften, die eene historische strekking hebben, als Van de Negen Besten, kunnen wij met stilzwijgen voorbijgaan, daar zij niets opleveren ter kenschetsing van den tijd.

Wij gaan over tot de moralisten uit Maerlant's school, wier werken uit dat oogpunt des te belangrijker zijn.