De aantrekkelijkheid van het tooneel der Academie bestond voor een deel ook daarin, dat er in vele stukken licht vatbare toespelingen voorkwamen op toestanden of personen, die op eene of andere wijze aanstoot gaven. In zijne Polyxena had Coster het gewaagd de Predikanten, die het tooneel in het algemeen en der Academie in het bijzonder niet genegen waren, vrij openlijk over den hekel te halen en hunne veinzerij aan de kaak te stellen. Dat daarbij de Academisten juichten en de toeschouwers in de handen klapten, valt niet te betwijfelen. Men herinnere zich slechts plaatsen als de volgende:
Dezelfde uitwerking hadden zeker ook deze woorden uit eene samenspraak tusschen Agamemnon en Ulysses:
En als men zoo machtige tegenstanders aandurfde, dan zal het niemand verwonderen, dat het Hoofd der tegenpartij in de Oude Kamer het er nog minder goed afbracht. Hij werd dan ook in het blijspel onderhanden genomen.
Comedie en klucht maakten waarschijnlijk de groote kracht der Academie uit. Nevens Hooft's Warenar trok o.a. de Klucht van Klaes Cloet het publiek. Maar vooral was de toeloop groot bij Bredero's laatste werk, dat gemeenlijk zijn ‘meesterstuk’ genoemd wordt, het blijspel, dat onder den titel van Spaanschen Brabander Jerolimo, den 6en April 1617 voltooid, weldra op de Academie gespeeld, waarschijnlijk in 't laatst van 1617 gedrukt en in 1618 herdrukt werd. Tot den opgang, dien dit stuk maakte, heeft, buiten de innerlijke voortreffelijkheid, zeker ook meegewerkt, dat daarin een bekend persoon ‘met kleedt, met gang’ werd nagebootst. Vroeger was men van meening, dat Bredero een gelukkig medeminnaar, zekeren ‘bruynen Brabander’ had willen aan de kaak stellen; en toen eindelijk de Heer A.C. Loffelt de juiste opmerking had gemaakt1), dat Rodenburg bedoeld was, werd deze voor dien medeminnaar gehouden. Wij weten thans beter2). Wel heeft de
Dichter Rodenburg tot model genomen, aan wien zeker een ieder moest denken, als hij den snoevenden, ijdelen, berooiden Jonker zag en hoorde, die zich zoo hoog boven de eenvoudige Amsterdammers verheven waande; maar andere redenen dan die men vroeger aannam, hebben Bredero aangezet om de karikatuur van den ‘Ridder’ op de planken te brengen en hem zoodoende belachelijk te maken.
Deze gaf daartoe gereede aanleiding door zijne persoonlijkheid, die zeer stellig eene scherpe tegenstelling opleverde met de manieren en levensvormen van Amsterdamsche ‘geesten’ als Coster en Bredero. Al was Rodenburg een Amsterdammer in zijn hart, zijn voorkomen was, blijkens zijn portret, veel meer dat van een stijven, deftigen Castiliaanschen Hidalgo: zijne afbeelding doet aan de figuren van Velasquez en Van Dijck denken. ‘Zijn verwaande houding grenst aan het hoog-comische’ (Loffelt). Die man bewoog zich voorzeker liever in de hofcirkels dan te midden van die ‘slecht-rechte’ Amsterdamsche burgerjongens, welke grootendeels het personeel der kamerbroeders uitmaakten. De toon, dien hij doorgaans aanslaat, is met dat uiterlijk in volmaakte overeenstemming: altijd even deftig, ‘heroycq’, en uit de hoogte; want
hij was, gelijk wij reeds zagen, misschien nog trotscher en ijdeler dan zijn portret doet vermoeden. Zou het zoo vreemd zijn, dat deze man, na zijn veeljarig verblijf buiten 's lands, laatstelijk aan het Spaansche Hof, bij zijn terugkeer in den burgerlijken kring, evenals Bredero's Jerolimo, de stad geluk gewenscht had met de ‘grandese van sijn presensy’? Is het ongepast te veronderstellen, dat hij de leiders der letterkundige beweging, die zich zoo verkneukelden in tooneelen, waarin zij het ‘klootjes-volck’ al de eigenaardigheden van hun plat Amsterdamsch konden laten ontplooien, - iets waarvoor hij zich wel wachtte1) - hield en schold voor ‘huybens en bot-muylen?’ En was het zoo vreemd, dat er waren, die hem daarom belachelijk vonden en niet schroomden dat te toonen? Ja, kon het haast wel anders? Moest die, ‘verwaende hoogh-moedigheydt,’ die ‘ydele grootsheit,’ die Bredero zijnen comischen held te laste legt, moest die snorkerij niet den spotlust zijner kameraden opwekken om dezelfde reden, die, volgens de opmerking van Dr. Jan Ten Brink2) Jerolimo tot eene comische verschijning stempelt, juist omdat ‘zijn trots een uitheemsche, anti-nationale, belachlijk nagebootste trots was’? Dubbel moest dit treffen, daar de Ridder alles behalve in goeden doen verkeerde, misschien wel even berooid was als de Brabantsche Jonker, hetgeen de comische tegenstelling nog scherper moest doen uitkomen.
Bedenkt men dat alles, en herinnert men zich de heftige aanvallen, die Bredero en Coster zich elders op hunnen tegenstander veroorloven, dan is het vermoeden wel gerechtvaardigd, dat de uitgelaten Comicus thans verder ging, en bij het ontwerpen der figuur van Jerolimo, het oog had op zijnen tegenstander in de Kamer, hem tot model koos, hem openlijk heeft willen aan de kaak stellen en hem onder den spot der menigte begraven. Mij schijnt
het toe, dat onder de overdreven kleuren, waarmee De Spaensche Brabander is aangezet, de grondlijnen van het origineel nog vrij duidelijk te herkennen zijn. Ja, er worden hier bijzonderheden aangetroffen, die nauwelijks op iemand anders kunnen slaan dan op onzen Amsterdamschen burgerjongen, die zich volstrekt de allures van een Edelman wilde geven. Ligt er niet duidelijk eene hatelijke toespeling in dat tooneel, waar de snorkende Jonker zegt te gelooven, dat hij van ‘edelen bloeyen en groote lignagie’ is, al was zijn vader maar een ‘schomele pasta-backer’: zijne moeder kwam immers vaak in aanraking met ‘singjoors’ en groote heeren? Men herinnere zich daarbij, dat er in Amsterdam een Rodenburg woonde, die koekebakker was, dezelfde, die later de stiefvader van Reyer Anslo werd1). En wie weet, hoe bij de vertooning nog ‘menige karaktertrek en hebbelijkheid van den hoofschen ridder scherp in 't licht werden gesteld, die Bredero later in het gedrukte spel schrapte’2). En alsof door dat alles de man nog niet genoegzaam was aangeduid, is de haat waarschijnlijk nog verder gegaan, en heeft niet geschroomd den Ridder
Ik leid dit althans af uit eene uitdrukking, door Coster een groot jaar later gebezigd, en die wel op den Spaenschen Brabander schijnt te zien3). En als wij weten, dat nog in 1630, bij de vertooning van Coster's Ifigenia ‘men den speelder, die de rol van Euripylus (den priester, die zig meest tegen Agamemnon kantte) speelen zou, zoo had toegemaekt met baerd en kleeren, dat hy
Trigland op een hair geleek, en elk een hem kende’1), dan zal men 't niet vreemd achten, dat men met een minder geduchten tegenstander op dezelfde wijs vervoer.
Hetgeen het vermoeden versterkt, dat in Jerolimo niemand anders dan Rodenburg bespot werd, is, dat zijne vrienden en waarschijnlijk hij zelf, onmiddellijk tegen het stuk opkwamen2).
Hoe ook begekt en gesmaad, Rodenburg gaf geen kamp, ofschoon hij den strijd geheel alleen te voeren had. Men denke echter niet, dat de Oude Kamer alleen uit ‘schuim’ bestond. Al had zij verscheiden uitstekende leden verloren, zij hield zich staande niet alleen, maar het blijkt ook, dat niet weinig beschaafde Amsterdammers zich onder hare banier bleven scharen. Coster verklaarde immers in 1620 zelf, dat, toen hij de kamer verliet om de Academie te stichten,
Zelfs het oude bestuur was niet geheel afgetreden: zooals wij zagen, luidde de opdracht van het Wraeckgierigers treurspel, in 1618 gedrukt, aan ‘Cornelis van Campen, President, Dr. Johan Fonteyn, Factoor, en Mr. Johan Sybrantsz. Bont, Prins van de Kamer.’ En zelfs in 1632 was de Burgemeester Steven Jacobsoon Vennekool nog een harer hoofden. Waren hare poëten ook slechts even noemenswaard geweest! Maar daaraan schortte het. Trouwens, ook
in de Academie waren meer nullen dan cijfers, maar Coster stond niet alleen. Het was tegen hem, tegen Hooft en Bredero vooral, dat Rodenburg, ofschoon door niemand geholpen, het durfde opnemen; maar hij voelde, dat hij daartoe zijne beste krachten moest inspannen. Zijne ader was even onuitputtelijk als zijn ijver. Hij had in datzelfde jaar reeds de drama's Cassandra, De Hertoginne Celia, De Jalourse Studenten en het tweede deel van Keyser Otto, in het licht gezonden, en nu volgden de drie deelen van Mellibea: voorts in de eerste maanden, van het volgende jaar, het slot van Keyser Otto, Alexander, Rodomont en 't Quaedt syn meester loondt, benevens eenige andere gedichten. Dan in Mei 1619 het uitvoerige prozawerk Eglentiers Poëtens Borstweringh. In later jaren volgden nog vier stukken.
Mellibea werd in December 1617 onder de hoede gesteld van de ‘Beheerschers en vaderlycke zorgh-dragers van 't oude Mannen ende Vrouwen Aelmis-huys der stede Amstelredam’, ‘om minder onderworpen te zyn quaetwillighe berispers ten aenzien de vruchten van 't Eglentiers bloeyende Liefde.’ Hij gaf met dit stuk ‘een gering proefken van een yverige wil’, overeenkomstig de spreuk van Cornelis van Campen: Elck doet zyn best. Op die wijze beantwoordde hij zijne ‘berispers’, en hij hoopte door zijne werkzaamheid trouw te blijven aan de overlevering der Kamer.
Hij heeft dit drama niet bloot geschreven om te vermaken, maar vooral om te stichten; en daarbij wilde hij stellig een proefje leveren van de letterkundige hoogte, waarop hij stond. Hij laat immers zeven personen van verschillenden landaard elk in zijne taal spreken; een kunststuk, waarop alle lofdichten, die het stuk uitlokte, nadrukkelijk wijzen. Hij is dan ook vol moed en vertrouwen, en in het voorspel doet hij uitkomen, dat, wat er ook gebeurd zij, de Eglentier de toekomst zonder vrees kan tegemoet gaan. Het blazoen zelf der Kamer bevatte te dien opzichte eene ontwijfelbare en geruststellende voorspelling: de woorden In Liefd' bloeyende bevatten het anagram:
Maar het is de moeite waard het stuk zelf in te zien. De Genius der Kamer staat op het tooneel en wordt door een Eglentier-Lievert aldus toegesproken:
En als hij dan door verschikking der letters van de spreuk heeft doen zien, dat zij juist het anagram vormen, besluit hij aldus:
En dan barst de Kamer los in dezen jubeltoon vol zelfvertrouwen:
Dit geeft haar aanleiding om den lof te verkondigen van de beroemde mannen, die haren kring versierd hebben: Egbert Maeynnerzoon, Spieghel, Ketel, Razet, Roemert, Falet, Jakob Egbertzoon,
En die herinnering noopt haar tot dezen uitroep:
Ja, ‘'t puyck’; niettegenstaande zooveel roems dit gelukkig Amsterdam omstraalde. En dit tafereel van der stede grootheid schildert zij dan met welbehagen, wel wetende, dat zijzelve daarin niet misplaatst is.
Daarop volgt de lof van Jan Persyn's schoonschrift, en dan heet het:
Wie zal niet erkennen, dat Rodenburg der Kamer, die hij zoo fier deed optreden, daardoor een hart onder den riem stak! Blies hij haar moed in om den strijd tegen de Academie te volstrijden, hijzelf was daarbij de ijverigste kampioen, en terecht mocht een zijner lofdichters van hem getuigen,
Hij liet stuk bij stuk vertoonen, en wij zagen, dat ze grooten toeloop hadden en zich lang op het tooneel hielden: sommige werden ook dikwerf herdrukt1). Terwijl de Academie het publiek opwekte om door trouwe opkomst de kas der Weezen te stijven, dankt Rodenburg de Amsterdamsche burgerij voor hare mild betoonde gunst. In de Voorrede tot zijn spel: 't Quaedt syn meester loondt roept hij met zijne gewone fierheid uit:
Tot dien goeden uitslag werkte zeker niet weinig mede, dat de Kamer over goede tooneelspelers kon beschikken om deze stukken te vertolken2).
Rodenburg liet, zooals men begrijpen kan, ook niet na zijne aanranders te beantwoorden, maar bepaalde er zich toe om hen met minachtende voornaamheid uit de hoogte te behandelen. Dit blijkt b.v. uit het voorspel van zijn Wraeck-gierigers Treurspel, dat in 't begin van 1618 het licht zag, aan de bestuurders der Kamer was opgedragen, en gedicht op de spreuk:
Het voorspel heeft niets uit te staan met het stuk zelf, dat eene vertaling is uit het Engelsch van Cyril Tourneur's Revengers Tragedy, naar de opmerking van Loffelt2) ‘misschien opzettelijk bewerkt, om de aanleiding, die het hem gaf, zijne persoonlijke veete ter sprake te brengen.’ Zekere Horatius beklaagt zich daarin, dat hij is gehoond, en zweert, dat zijn belager daarvoor zal worden getuchtigd.
En wel met den degen! De Schermmeester Adolf zet hem ter neer: men maakt het onrecht door wraak niet goed. Dan vraagt Horatius:
Toch wil Horatius van de wraak niet afzien; maar Mr. Adolf noodigt hem uit om met hem naar de Kamer In Liefd' Bloeyende te gaan, waar ‘al wed'rom een nieuw spel’ gespeeld werd, hetwelk hem zou overtuigen, dat het beter was van de wraak af te staan.
De eenige genoegdoening, die de Ridder zich eigenlijk veroorloofde, bestond daarin, dat hij zijne meerderheid boven zijne tegenstanders trachtte te bewijzen door stuk op stuk te doen vertoonen. In de opdracht van het Treur-bly-einde-spel van Alexander aan zijn neef, den Prins der Kamer, Mr. Johan Sybrz. de Bont, gedagteekend 16 Maart 1618, zegt hij onomwonden, dat hij dit stuk geeft ‘ten eynde de edele, oude, achtbaere en deftighe bloem, door quaedaerdige lanter-fanten, waen-wijze goed-dunckende en bitzighe Zoylisten met reden niet berispt werde, ledich te wezen van stich-tighe, tot deughd-porrende en Godzalighe verheughelijcke spelen.’ Een lofdichter zei hem te dier gelegenheid:
En der tegenpartij riep hij toe:
Mag men uit deze woorden niet opmaken, dat Rodenburg's vijanden door ‘schempich spreken’ den Eglentier voortdurend in minachting trachtten te brengen? Maar hij liet hen ‘kakelen.’
In de allereerste maanden van hetzelfde jaar werd ‘al wed'rom een nieuw spel’ gedrukt, dat dus blijkbaar al in het vorige was gedicht: het treurspel Rodomont en Isabella, aan Ariosto's Orlando Furioso ontleend, en waarvan hem de stof was aangewezen door Reynier Ewoutsz, Bewindhebber der Kamer, aan wien hij het ook opdroeg. Het stuk bespreken wij later: thans zij alleen opgemerkt dat er een slottooneel aangelapt is, dat met het treurspel zelf niets te maken heeft. De verpersoonlijkte Vrese-Gods wordt op eens twee vrouwen gewaar en vraagt, wie ze zijn? waarop zij ten antwoordt krijgt:
De lengte dezer aanhaling wordt ongetwijfeld door den merk-
waardigen inhoud gerechtvaardigd. Wij leeren er vooreerst uit, hoe Rodenburg zijne vijanden uit de hoogte blijft behandelen: hij laat het ‘gespuys kaeckelen’. Hij meende dat te kunnen doen, als hij zich boven de Poëten der Academie verhief door de zedelijke richting van zijn streven: door te stichten, in stee van het tooneel tot ‘kuf of bordeel’ te maken, zooals men op de Keizersgracht, volgens zijn zeggen, deed. Maar hij zag tevens in, dat hij in samenwerking met de Brabantsche Kamer kracht moest putten tegen den gemeenschappelijken vijand. Die toenadering werd mogelijk door de vriendschapsbetrekking met De Koningh, en zij had ten gevolge, dat sommige stukken van het repertoire van den Eglentier ook door de Lavendel werden gespeeld. Later, toen Rodenburg zich tijdelijk aan de Kamer had onttrokken, werd dat anders. Toen werden de stukken der Academie op het tooneel der Brabantsche Kamer gespeeld. B.v. in 1627 Coster's Teeuwis en in 1629 Biestkens' Klaes Cloet. En weldra ging de Lavendel geheel in de Academie op.
Het schijnt, dat de Rodomont, ondanks zijne wezenlijke gebreken, een opgang maakte, groot genoeg om de tegenpartij te nopen hetzelfde onderwerp ook op haar tooneel te brengen. Althans wij zien weldra Hooft een begin maken om eene Isabella te berijmen, aan dezelfde bron ontleend. Hij bracht het evenwel niet verder dan de inleiding en het eerste tooneel1), en liet de verdere bewerking aan zijn vriend Coster over, die er bij de uitgave zijn naam en eene merkwaardige voorrede vóór plaatste2). Op den
titel leest men, dat het is ‘vertoont in de Nederduytsche Academie;’ maar de eerste vertooning geschiedde denkelijk op het Huis te Muiden: immers aan het slot der uitgaven van 1619 en 1627 staat: ‘In 't jaar 1618 is dit spel ghespeelt op den huyse tot Muyden in de groote zaal, tot onthaal van zijn Excell. Prince van Orangen.’
De Academisten stonden, waarschijnlijk door den invloed van Hooft, hoog in 's Prinsen gunst. Toen Maurits den 23en Mei 1618 te Amsterdam kwam, richtten de meeste letterkundige vereenigingen eerebogen op en gaven zinnebeeldige vertooningen. 't Schijnt, dat men de Academie had willen uitsluiten: zij was van Overheidswege niet bij tijds gewaarschuwd. Toch gelukte het haar nog tijdig negen vertooningen, op evenveel steigerschuiten, tot stand te brengen, zeven van welke de Provinciën verbeelden, terwijl op de achtste een krijgsheld stond, die met een dubbelen oranjesluier de Provinciën vereenigd hield. De negende torschte muzikanten en zangers. De Prins was er blijkbaar mee ingenomen, en den volgenden dag woonde hij eene tooneelvoorstelling in de Academie bij, waar onder anderen Hooft's Geeraart van Velsen gespeeld werd. De Academie was op dat bezoek niet weinig trotsch en bralde er op in het weldra volgende jaar-spel1).
Wat de Isabella aangaat, Loffelt heeft, op het zeggen van Tengnagel afgaande, beweerd, dat het stuk van Coster het eerst werd geschreven en dat Rodenburg daartegen het zijne stelde1). Dat dit eene vergissing moet zijn, blijkt, dunkt mij, vooreerst uit het feit, dat de Academisten, die sedert de opening van hun tooneel steeds antieke stoffen hadden behandeld, nu op eens weer een romantisch onderwerp kozen, waartoe wel eene aanleiding moest bestaan; maar ten anderen ook uit Coster's voorrede, die geheel tegen het gewrocht der Oude Kamer was gericht. Trouwens, het stuk van Rodenburg, dat in 't begin van 1618, vóór Maurits' komst reeds, het licht zag, moet wel vóór het andere zijn geschreven.
In die voorrede dan wordt hevig tegen het gelijknamige stuk van Rodenburg uitgevaren. In de eerste plaats verwijt men hem het gebrek aan eenheid van tijd en plaats, en komt daar zeer voornaam tegen op:
‘Ick zoude de onwetende in 't maken van Treurspelen wel wat onderrechts doen, dan zal 't laten uyt vreese van haat en ondanck daarmede te behalen, en dat voornamelick by die luyden, die daar niet afwetende, het alderbest wanen te weten. Mijn Heeren, dit spel heet Isabella, en daar wort niet meerder in vertoont als hy stelt dat op eene tijdt, en op eene plaats geschiet is: de lydende persoon is onnosel, daar wort niet in gerevekalt van byzinnigen
die tegens hare schaduwe schynen te spreken: nocht an de andere zyde snorcken de ontsinde dollen, gene [nauwelijcks?] an den andere hangende redenen; elck spreeckt gangbare tale, sonder dat de Hollantsche met het lenen van uytheemsche woorden onteert wort.’ - Wilden de stumpers leeren ‘wat in 't toestellen van Treur-spelen waargenomen moet worden,’ zij moesten maar bij Aristoteles, Horatius, Scaliger en Daniel Heinsius lezen, hetgeen ‘de onwetende uyt onwetenheyt, ende de over-dwaalsche laat-dunckende uyt kleen-achtige versuymen,’ waarom dan ook de ‘wetende aanschouweren walgende het hoofd ommekeeren van onse hedendaachsche vodden; veel waarder achten een groot vaars daer een geheele maant over geblockt is, als sommige duysenden van beuzelinghen in weynich uren by den anderen gekrabbelt, die so vol letterfalen, boeckstaaf-falen, en koppel-falen zijn, dat, al was het geheele Oceanus Juris wit papier, zo soudet noch niet ghenoech zijn om alle de mis-slagen met hare ontwerringen te begapen’
Dit geldt ‘de dosyn-werckers,’ die ‘de slechten met een zeeckere opgheblaesenheyt haere leuren voor wat wonders in de handen moffelen.’ Dat den voorredenaar hierbij Rodenburg steeds voor oogen stond, valt niet te betwijfelen; en dat hij in 't bijzonder den Rodomont bedoelde, kan, voor wie dit stuk kent, reeds uit het gezegde worden opgemaakt; maar het wordt buiten kijf gesteld door de opmerking, ‘dat oordeloose menschen, ja die de naam oock voeren van geleert, noch evenwel met hare Latijnsche knippel-veerskens seer loffelick daar van spreken, 't oogh hebbende alleen op het snel, en niet op het haar onbekende wel.’ Werkelijk staan vóór den Rodomont twee Latijnsche lofdichten, waarin op het snelrijmen van Rodenburg wordt gezinspeeld1).
Toch moest Coster tot zijne ergernis erkennen, dat de luyden getrocken’ werden tot die veroordeelde stukken, ‘achtende by ghebreck van verstant, 't goet voor quaat en 't quaat dat niet een lit aan 't lijf en heeft dat na een Spel gelijckt, voor vry wat puycx; daar ick niet garen met de gember, die in de Peperhuyskens van
dat bekladde papier ghehaalt wordt, de soppe over myne schaapshoofden bereydt soude willen hebben, vreesende voor opbreken.’
Men trachtte niet alleen den mededinger afbreuk te doen door op zijne onbekwaamheid te smalen, maar men begreep, dat men alle middelen moest te baat nemen om het publiek te lokken en over de Kamer te zegevieren. Daarom nam Coster zelfs zijne toevlucht tot kunst- en vliegwerk, dat hij bezigde om de hemelingen, die in zijn stuk voorkwamen, op aarde te doen nederdalen. Dit blijkt uit deze woorden van den schildknaap, die schildert, wat op het tooneel gebeurde:
Het is niet onaardig op te merken, hoe in dezen strijd het eene woord het andere uitlokt. De slotzang van de Isabella behelst als 't ware een protest tegen de aantijging, dat de Academie onzedelijkheid voorstond, daar het treurspel bestemd was ter verheerlijking
Daarover wordt dan gejubeld:
Dit was zeker minder eene ontboezeming voor Maurits bestemd dan voor de belagers der Academie. Het was misschien een weerslag op hetgeen Rodenburg den 20en Mei 1618 gezegd had in de opdracht van zijn ‘bly-einde-spel: 't Quaedt syn meester loondt,
waarin hij vertelt, dat hij had willen doen zien ‘hoe de dartele minne vaeken de woeste hersenen doet dolen: hoe ongodelijck het is de heyl'ge echt te schennen; hoe de ouders herten vermoordt werden door 's kinderens misbruyck, en wat bittere nasmaeck de geyle minne teelt; hoe 't rat van avonture tobbelt, en wat loon de ontucht in 't eyndt brenght.’ Hij stelde het werk onder de hoede van Juffer Aleta Quekels, ‘vermits veel waen-wijze en quaedt-aardige berispers 't goed vaeken met voordacht laten: zo boos-aardich is de nickerlijcke Nijd.’
In het gelegenheidsstuk van 1 Augustus 1618 komen geene bijzondere hatelijkheden tegen Rodenburg voor: slechts ter loops wordt er op gewezen, dat het tooneel der Academie altijd geleerd had, dat ware liefde ‘een vyandin van alle ontuchticheden’ was.
Een jaar later was men weder strijdzuchtiger gestemd, ofschoon het gebrek aan tucht en eensgezindheid, dat zich in eigen boezem begon te vertoonen1), tot voorzichtigheid had moeten aansporen; te eer, daar de Kerkeraad al den 29en Maart wederom met klem
had aangedrongen op het in toom houden der Academie ‘alsoo men dagelijcx verneemt, dat in haere spelen groote ongebondentheyt gepleecht wort in woorden, gebaerden ende anderszins tot groote ontstichtinge ende quetsinge der eerbaren1).’ En het schijnt, dat dit niet zonder uitwerking gebleven was. Men deed toch min of meer water in den wijn; men sprak met zekere waardigheid over de houding, die men had aan te nemen, en men bekende aanleiding tot misnoegen gegeven te hebben; - maar om weldra met dubbelen overmoed zijne vijanden te lijf te gaan. Men hoore den aanvang van het gelegenheidsstuk van 1 Augustus 1619. De Academie spreekt:
En dan volgt de aanmaning aan Thalia, vroeger in een ander verband reeds aangehaald2). Maar na deze palinodie kan Coster zich niet weerhouden tegen de ‘ongeleerde schalcken’ en de ‘oordeloose gecken’ op te komen3), die uit nijd de Academie belasterden. En hij laat Melpomene zeggen, dat ze zich niet vervaard laat maken en den ingeslagen weg niet zal verlaten:
En dat werkelijk de gewoonte boven de nieuwe leer ging, blijkt, daar ten slotte Jan Hen een ‘oracy’ in proza houdt, ten onderwerp hebbende, ‘d' onnodige en overlastige eer,’ die blijkbaar tegen den eerzuchtigen maar kalen Hoofdman van den Eglentier gericht is, maar voorafgegaan werd door een heftigen aanval op de Predikanten1). Ik geef daarvan in de noot een enkel staaltje2), waaruit blijkt, dat men niet slechts reeds bekende, maar zelfs aanstaande, nog niet uitgegeven werken van Rodenburg hekelde. Hier gold het de Eglentiers Poëtens Borst-weringh, die omstreeks denzelfden tijd het licht zag.
Een van 's Ridders bewonderaars maakte zich dien aanval ten nutte om het ijdele van den laster te doen uitkomen. Men schold, zeide hij, maar niemand had nog de gronden opgegeven, waarop
die bitse afkeuring steunde; ja, men veroordeelde zelfs een werk, dat men nog niet gezien had1)!
Op het eind van het stuk zegt Melpomene:
De strijd, waarbij wij stilstonden, die van den eenen kant met de grofste wapenen gevoerd, en aan den anderen kant met hoog-hartigen eigendunk beantwoord werd, hield gedurende eenige jaren de tooneelliefhebbers in spanning. Dat het meer een strijd van personen dan van beginselen was, heeft men reeds opgemerkt, en wij zullen dit later duidelijk in het licht stellen. Zien wij thans, hoe die strijd ten einde liep. Dit had omstreeks 1621 plaats. Allerlei oorzaken werkten daartoe samen. Vooreerst hadden de Poëten, met name die van de Academie, het al te kwaad gekregen met een anderen, veel gevaarlijker vijand: den Preekstoel en den Kerkeraad. En ten anderen trokken de aanvoerders zich van het tooneel terug. Waarom Rodenburg dit deed, is nog niet duidelijk: waarschijnlijk bracht hem de tweedracht er toe, die alweer onder de Kamerbroeders uitbarstte, waarvan de beste, zooals wij straks zien zullen, zich wilden afscheiden, omdat zij het bestaande ‘regement’ niet langer wilden verduren; misschien ook andere persoonlijke redenen. Daar kwam bij, dat hij in Februari 1621 huwde, en wellicht omstreeks dezen tijd Amsterdam verlaten heeft om in vreemden dienst te treden. Hij gaf wel in 1623 te Amsterdam bij Claes Sterck een gedicht uit, maar het is niet uitgemaakt, of hij toen nog aldaar woonde: ook zijne latere tooneelstukken waren voor het Amsterdamsche tooneel bestemd, en zagen te Amsterdam
het licht, ofschoon hij toen in den omtrek van Brussel gevestigd was.
Coster van zijn kant heeft zich na 1620 ter nauwernood meer met het tooneel bemoeid. Na dat jaar schrijft hij geen enkel drama meer. Het gelegenheidsstuk, den 1en Augustus 1620 ‘op het derde jaar-ghety’ der Academie gespeeld, is het laatste tooneelwerk, dat wij van hem bezitten. In 1648 evenwel, ter viering van den Munsterschen vrede, werden nog een zestal Vertooningen door hem ‘toegesteld’1). In 1662 leefde Coster nog, in dat jaar werd hij emeritus en als geneesheer in 't gasthuis vervangen door Deyman, die in 1655 op verzoek van Coster zijn adsistent was geworden2). Coster was toen 82 jaar oud. Zijn sterfjaar is onbekend. Zeker weten we, dat Vondel hem overleefde uit de ‘Uitvaert van den heer Joost van den Vondel’ door Antonides Van der Goes.
Het is de moeite waard een oogenblik bij Coster's laatste, in vele opzichten merkwaardige gelegenheidsstuk stil te staan. De titel luidt: Nederduytsche Academie Niemant ghenoemt, niemant gheblameert, en voert daarbij als motto:
Het stuk is blijkbaar geschreven onder den invloed van den tegenstand, dien de Academie meer en meer ondervond. Coster waagde het nog wel zijne vijanden aan de kaak te stellen, maar met omzichtigheid: hij durfde geene duidelijke aanwijzingen doen. Dit is jammer, want nu komt er veel in voor, dat wij niet vatten.
Spijt, Logen, Achterklap en Bedrog hebben besloten de Academie ten val te brengen. Bedrog laat zich daartoe als lid dier vereeniging aannemen, waaruit men wellicht mag opmaken, dat de vijanden van buiten in den boezem zelf der Academie steun vonden. Misschien bij hen, die bij het ‘schuimen’, waarmee Coster na het gebeurde in het vorige jaar den dampkring der Kamer gezuiverd had, waren uitgewezen, of vreesden, dat hun dit boven het hoofd hing. Maar vooral werkten leden der Oude Kamer mee, en een der lastermiddelen schijnt een brief te zijn geweest, ‘vol diefsche guyteryen en loghens’. Een hunner vooral groeide er in, dat er van
de Academie kwaad werd gesproken; maar anderen stemden daar niet mede in. Spijt zegt:
De vier ondeugden doen dan eene poging om de Academie van haar zetel te rukken, waarin zij worden verhinderd door den Tijd, die met de Waarheid haar de fraaie vermommingen afrukt, waaronder zij hare afzichtelijkheid verborgen. Daarbij spreken de verdedigers woorden, waarvan men slechts kan gissen, tot wien zij gericht zijn. Zeker iemand, ‘die barst van spijt’, wordt b.v. door de Waarheid aldus toegesproken:
Wie is hier bedoeld1)? Men durft nauwelijks gissen. Duidelijker worden de Hoofden der Kamer terecht gewezen in deze woorden van den Tijd:
Ligt over de bedoeling van de voorafgaande aanhaling vooral een sluier gespreid, dien wij gaarne zouden willen opheffen, ook de volgende alleenspraak der Academie is niet volkomen duidelijk:
Dit schijnt mij te zien op innerlijke twisten onder de Academie-leden; en waar zij zoo hoog liepen, kon men de ontbinding van dat lichaam wel te gemoet zien. - Wanneer eindelijk de belagers overwonnen afdruipen, jubelt de Academie nochtans:
En dan volgt nog een slottooneel, waarin een deel der leden van de Oude Kamer toont niet in te stemmen met de lasteraars, en daarom de Kamer wil verlaten. De Academie zelf raadt dit af, omdat dan de val der Kamer onvermijdelijk zou zijn: heeft zij indertijd hetzelfde gedaan, het was in de overtuiging, dat zij den Eglentier onder de hoede van goede mannen liet, die haar met roem zouden in stand houden; maar het viel anders uit1). En daarmede is het stuk ten einde.
Is het niet merkwaardig te zien, hoe Coster, zoo 't heet in het belang van het Oude-Mannen-Huis, zich laat gelegen zijn aan het instandhouden van de vijandelijke Kamer? Was het, omdat hij hare mededinging niet meer vreesde, nu zijn grootste tegenstander zich genoopt had gevonden van het tooneel af te treden? Het heeft er allen schijn van. Het hooghartig vertrouwen, dat hij hier uitspreekt, porde hem om nog fierder op te treden en van verweerder aanvaller worden. Maar juist dit deed hem onder de mokerslagen zijner kerkelijke tegenstanders bukken.
In 1620 was Ds. Smout, de heftigste der heftigen, naar Amsterdam gekomen, en sedert werd de eisch, dat de Academie, ‘soude mogen afgeschaft en geweert worden,’ met vernieuwden klem uitgesproken.
Tot driemaal toe eischte de Kerkeraad van de Regeering beteugeling van de Academisten, wier vertooningen ‘tot ergernisse van alle vromen waren.’ Dit moest een man van den stempel van Coster slechts tot krachtiger verzet prikkelen.
Wij weten dan ook, dat hij aldra beschuldigd werd van in eene ‘oratie’ te hebben durven zeggen, ‘dat het droevich is, dat den stoel der waerheyt betreden wordt van degene, die daer leugenen opbrengen, daertoe hy nominatim Dm. Smoutium genoemt heeft1).’ Weldra ging hij zelfs verder. In het zoo even besproken gelegenheidsstuk had hij een fragment laten opzeggen uit de Iphigenia, die hij nog niet op de planken had durven brengen, en dit had waarschijnlijk Smout zoo geërgerd. Thans, den 1en November 1621, werd het stuk voor het eerst in zijn geheel gespeeld, ‘voor volck van allerhande slagh2)’ De Kerkeraad kon dit niet lijdelijk aanzien: wederom zond hij eene bezending aan H.H. Burgemeesteren, met ernstige aanmaning, de ‘groote ergernisse’ te doen ophouden. Coster werd nu (op nieuw?) voor den Magistraat geroepen en ‘vermaent,’ waarop hij beloofde ‘dat hij hem wilde reguleeren na 't believen van de H.H. Burgemeesteren ende niet en sal spreken yet wat tegenwoordig den heeren niet en sal gevallen, oft op solcke tijden als de H.H. niet en sal believen3)’ Zoo werd in den Kerkeraad gerapporteerd. Maar het blijkt, dat de kerkelijke raddraaiers daar nog niet mee tevreden waren. De Academie moest ‘afgeschaft’ worden, en het schijnt, dat zij de geburen der instelling tot een algemeen petitionnement hebben weten op te zweepen. De Burgemeesters, door deze ‘doleancien’ bewogen, begrepen, dat het beste middel om een eind aan de ergernissen te maken ware, de Academie vanwege de stad aan te koopen, ‘om daarnae gebruyckt te worden soo als men tot gerijft van de Ingesetenen 't sy tot de godsdienst off anders sal noodich vinden4)’ Het laat zich aanzien, dat men Coster de duimschroeven heeft aangezet om hem te nopen
tot dien verkoop over te gaan. Hoe dat ook zij, ofschoon in 1617, bij het contract met het Weeshuis gesloten, bepaald was, dat hij de helft der inkomsten zou genieten ‘zo langhe de voorn. Coster levende hem met zodaenighe vertoningen is bemoeyende,’ geeft hij dat voorrecht op en verkoopt bij acte van 14 September 1622 het gebouw der Academie: wel niet aan de Stad, maar aan de Regenten van het Weeshuis1), en onttrekt zich zoodoende aan de instelling, die hij in het leven had geroepen en waarvoor hij zoo moedig gekampt had.