Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: De zeventiende eeuw (1)


auteur: W.J.A. Jonckbloet


editeur: C. Honigh


bron: W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 3: de zeventiende eeuw (1). J.B. Wolters, Groningen 1889 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 313]

XVII. Hooft en de Muiderkring.

De oorzaak der nu volgende tijdelijke overheersching van het Classicisme lag in den overwegenden invloed, dien eene vereeniging van talentvolle mannen oefende, welke allen geheel classiek gevormd waren en zich onder de banier van den Muider Drost schaarden, om, onder zijne aanvoering aan hunne beginselen de overwinning te bezorgen.

Toen omstreeks 1620 Coster zich van de Academie terugtrok, zooal niet vroeger, liet ook Hooft, de nadere betrekking tot de Amsterdamsche tooneelisten varen. Hij bepaalde er zich van nu af aan hoofdzakelijk toe, om als Dichter en Maecenas zijn invloed op het gebied der letteren te doen gelden.

Steeds was de woning van een aanzienlijk lettervriend het middelpunt geweest, waar de ‘geesten’ zich verzamelden. Eerst was het Meerhuyzen, de ‘Muzentempel’ van Spieghel; toen, het gezellige huis van ‘den ronden Roemer.’ Deze stierf als drie-en-zeventigjarig grijsaard in 1620; maar de kring, die zich om hem placht te verzamelen, spatte daardoor niet uiteen. Een tijdlang, zegt men, zouden ook na zijn dood nog ‘letterkundige bijeenkomsten’ ten zijnen huize gehouden zijn, hetgeen echter wel eene dwaling van Brandt zal wezen1); maar ook Hooft ontsloot meer dan vroeger voor zijne kunstvrienden zijne woning, welke voor de Nederlandsche letteren in nog grooter mate werd, wat Roemer's huis daarvoor geweest was.

De huiselijke kring van den Drost, vooral op ‘'t hooghe Huis te Muiden,’ had velerlei aantrekkelijkheid. Vooreerst de gulheid en hoffelijk van den gastheer, die er wel van hield de rol van

[p. 314]

aristocratisch Maecenas te spelen; dan de schoone kersen, de geele en blauwe pruimen, de suikerpeeren en ‘perzen’, of de ‘gesuikerde aardbeezen’ van boomgaard en tuin; voorts de uitnemende Fransche en Rijnsche wijnen, die de goed voorziene kelder opleverde1); eindelijk en voornamelijk de liefelijke muziek en de geestige kout, die men er steeds genoot.

Hooft was naar zijne eigen woorden2) ‘een vuurige beminner, maar geen kenner’ van muziek; daarentegen ‘troonde’ zijne schoone eerste gade

 
‘met vingers wis en snel
 
Vlaeyende wijsen wt het sangrich snaerenspel’3).

terwijl de tweede weldra ‘zoet op het klavesimspel begint te worden’4). Geen wonder, dat het vooruitzicht van gezang of snarenspel meestal tot lokaas diende, waarmee hij zijne vrienden naar Muiden ‘belas’5). Daar vond men b.v. de leerlingen van den jongen organist Dirk Swelinck, zoon van den beroemden toonkunstenaar Joan Pz. Swelinck,6) en zelf een uitmuntend musicus. Van dat geslacht getuigde Vondel,7), dat zij

 
‘zongen
 
Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.’

gelijk hij van den zoon, bij diens dood zei:8)

 
‘Hoe juichte 't hart van oude en jongen.
 
Wanneer zijn vingers ongedwongen
 
Op noten en op stecken sprongen!
 
Men kon, door kerkgewelf en kooren,
 
Den Vaader in den zoone hooren.’

Hooft was een vriend des beroemden vaders geweest9), die in 1621 overleed, en stelde den hoogsten prijs op den zoon10). Of

[p. 315]

hij wel als huisvriend te Muiden verkeerde, valt te betwijfelen, evenmin als de muzikale pastoor Ban, met wien Hooft eerst in 1640 in aanraking kwam, toen Ban sommige zijner zangen op muziek zette1). Maar wie wij er des te vaker aantreffen, 't zijn Tesselschade Roemers, en Juffrouw Francisca Duarte, ‘de Fransche Nachtegael.’ die er de vrienden op muziek en zang vergastten2), gelijk deze op die tractatie werden genoodigd. Dan eens zijn het ‘vijf oft zes paer vrienden,’ onder welke Hooft's zwager Baeck, Reael, Wickevoort3); dan weer Mostart, Verburgh, Brosterhuyzen, benevens ‘zekere Heeren uit den Haeghe’4).

Een anderen keer zien wij ‘Tesseltje’ genoodigd ‘om Marino te helpen lezen’5); dan weer is het Baeck, die met Dr. Pauw bescheiden wordt ‘om een' Poëetschen maeltijdt te houden, mits Vondelen aangeboden heeft ons zijn vijfde Boek der Constantinade voor te lezen’6) Of wel Barlaeus wordt uitgenoodigd naar Muiden te komen, met deze toevoeging: ‘U E. troone (is 't mogelijk) den Heer Mostaert meê. Alle spijs zal te beter smaek hebben met die saus. Dan zullen wy 't vonnis vellen over die

[p. 316]

doorluchtighe gedichten [van Barlaeus zelf], door weldaedt der welke onze Muiden

 
Tantum alias inter caput extulit urbes.

Ook heb ik noch wat nieuws van den Heere van Zuilekom, ende spaere 't tot banket’1). Of wij vinden Vondel met Dr. Coster, den Dichter, te Muiden, waarheen de laatste zich begeven had ‘om eenighe bezonderheit van den slagh van Heiligerlee, daer de Geuzen haer' eerste zeghe behaelden, te verrekenen: want zijn vader z.g. heeft ze helpen winnen’2). Of Baeck, Mostart en Vondel zijn om 's Drosten disch geschaard om over de buitenlandsche politiek van den dag te praten3).

Maar hoe zouden wij aan een einde raken, wilden wij elke gelegenheid aanstippen, waarbij vrienden te Muiden genoodigd werden!

Onder de mannen van wetenschap en talent, die tot den Muiderkring, althans tot de vrienden van den Drost behoorden, noemen wij, buiten de reeds vermelde nog Huig De Groot, Rutger Wessel Van den Boetzelaer, J. Van Wicquefort, de Raadsheeren Rochus Van den Hoonert, Nik. Van Reygersbergen, George Doublet; den Voorzitter van den krijgsraad, Generaal Jacob Wijts; den Fiskaal en Dichter Nikolaas van Kinschot; Professor Tulp; den Advocaat Plemp; Bredero, Van der Burgh en Brosterhuyzen, die Castor en Pollux van den Nederlandschen Parnas4); wat later Van Baerle en Vossius; nog later Jan Vos en Reyer Anslo, en, dien wij het minst mogen vergeten, Constantijn Huygens, welke, ofschoon maar zelden te Muiden, in zeer drok en vertrouwelijk verkeer met Hooft en zijne innigste vrienden stond. Eenige leden van dien kring zullen wij later meer uitvoerig bespreken, anderen gaan wij met stilzwijgen voorbij, terwijl sommige hier althans met een enkelen trek moeten worden geschetst.

In de eerste plaats behooren te worden herdacht de dochters

[p. 317]

van Roemer Visscher1). Van zijne drie vrouwelijke spruiten, de twee vroeggestorvenen niet meegerekend, is de middelste, Truitje, onberoemd gebleven. De beide anderen, Anna en Maria Tesselschade2) hebben eene eervolle plaats onder de Nederlandsche vernuften ingenomen. Beiden waren met buitengewonen aanleg begaafd, in menige kunst bedreven3) en beoefenden de poëzie met goed gevolg. Toch waren het geene pedante bas-bleu's, maar zooals Van Lennep ze terecht geschetst heeft4), ‘bovenal meisjens van fijne beschaving, aangenaam en lieftallig van omgang, in zang en snarenspel, in 't Fransch en Italiaansch bedreven, en ten volle de kunst verstaande, om door nu eens vrolijk, dan weder leerzaam onderhoud, hare gasten bezig te houden’. Dit past vooral op de jongste. Intusschen gaf Anna, hoewel meer stemmig, haar niets toe. Terecht kon Vondel (in 1624) aan ‘de Rey der Hemellien’ bij hare geboorte deze voorspelling in den mond leggen5):

 
‘De tijd genaekt, dat om den lofkrans te bejagen,
 
Ghy noch Arachne met uw naeldwerck uyt zult dagen:
 
Nature met 't pinceel. graefyzer. kole, en krijt:
 
Polymnia met zangh: Erato met uw snaren:
 
De schrijvers met uw pen, die in elck een zal baren
 
Verwonderingh, als ghy der schrijvren Phoenix zijt.
[p. 318]
 
Der kunstbemindren oogh zal gaen de muren vryen,
 
Die rijcklijck zijn bekleed met uwe schilderyen:
 
De spiegelglasen die te cierlijck zijn vermaelt:
 
De boecken gestoffeert met duysenderley dingen,
 
Vol kunst, vol printen en verscheiden teeckeningen;
 
De zyde stoffen die gezielt zijn van uw naeld.
 
 
 
Maer dit zal 't minste zijn, wanneer de Faem zal loven
 
Uw rijm, en proze, dat zijn ziel ontfingh van boven,
 
Als Grotius verstomt: als Cats zoo bril toekijckt:
 
Als Hooft verwondert staet: als Heyns met zijnen Schrijver
 
Uw gulde veerzen leest, en d'een uyt grooten yver
 
By Pallas, d'ander u by Sappho vergelijckt.
 
 
 
Wanneer ghy met uw dicht verdient de lauwerbladers,
 
En ciert de Poppen, en uytbeeldingen uws Vaders1),
 
Die u in wijsheyds school van jonghs heeft opgequeeckt,
 
Wie van uw Spreucken, en uw Rijmen komt t'erkouwen
 
Zal roepen: dit 's geen maeghd, noch van 't geslacht der Vrouwen,
 
't Is Maro die hier singht, 't is Cato die hier spreeckt.’2)

Maar hij roemt niet minder haar ‘oordeel en uytsteeckende verstand,’ evenals Hooft wijst op haar ‘gesuivert vernuft’ in 't beoordeelen van geschriften, waarin hij haar ‘een scherpe rechtster’ noemt3).

Beets vond haar naam reeds vroeger en wel in 1594 in onze

[p. 319]

letterkunde vermeld, in een sonnet van P. Hoogerbeets, die de toen 14 of 15jarige Anna roemde om hare vele kundigheden en talenten.1)

Zij was in 1583 geboren.2) Ofschoon zij in hare jeugd, naar het woord van den Drost in 1608,

 
‘Een groten hoop minnaren
 
Die voor u knielen
 
En bouwen in haer sielen
 
U altaren’.

had gehad3), bleef zij tot vier jaar na haars vaders dood ongehuwd. Lang is ‘van mond tot mond en van boek tot boek de overlevering gegaan, dat zij, nadat hare teederbeminde moeder weinig tijds na de geboorte harer zuster ontslapen was, spoedig met gestadige huiszorg en het opvoeden van de kleine Tesselschade belast werd, en dat zij, om haren vader bij te staan, die in zijn hooge jaren veel hulp vereischte bij zwakheid van lichaam en geest, verscheiden aanvragen ten huwelijk afsloeg, om niet dan vier jaren na zijn dood daaraan gehoor te geven’4).

Wij weten thans beter. Hare moeder, Aefgen Jans van Campen, stierf eerst in 1619 en werd den 26en Februari van dat jaar in de Oude Kerk te Amsterdam begraven. Haar vader overleed juist twaalf maanden later.

De reden van haar langgerekt vrijsterschap zal toch wel gelegen zijn in de zorg, die zij aan haar vader wijdde, en waarvan o.a. Cats zoo breed opgeeft. Dat aangeboren koelheid haar niet van een huwelijk had teruggehouden, is waarschijnlijk, als men ten minste geloof mag slaan aan wat Beets ‘den spijtigen uitval van.... Dorothea van Dorp’, in een brief aan Huygens, noemt5).

[p. 320]

Op een-en-veertigjarigen leeftijd huwde zij - Februari, 1624 - met Dominicus Booth van Wezel, een aanzienlijk Hagenaar, uit een Dortsch regeeringsgeslacht1), wiens vader baljuw en dijkgraaf van de Zijpe was, waarvan R. Visscher ingeland en ingeërfde was2). Cats had voor haar, misschien om de overeenkomst van de richting van zijnen geest met den haren, groote aantrekkelijkheid, en zij waren door hartelijke vriendschap aan elkander verbonden. Dit belette intusschen niet, dat zij steeds in innig verkeer bleef met Huygens en hare Amsterdamsche vrienden, vooral met Reael en Hooft, welke laatste zich nog in 1630 op hunne ‘ouwde en open-hartighe vrundschap’ beroept3).

Terstond na haar huwelijk was zij haar echtgenoot naar de Wieringerwaard gevolgd, om er zich ‘als levend te begraven’. Zij stierf in 1651 te Alkmaar, na zich eenigen tijd te Leiden te hebben opgehouden, waar zij zich in 1646 met haar man, om der wille van hare beide zonen, had neergezet, die er met hun vader student werden4).

Hare gedichten zijn thans in 1881 voor 't eerst gezamenlijk in twee deelen uitgegeven door Nic. Beets, die ze verrijkte met belangrijke geschiedkundige aanteekeningen5). Op bl. xxi zijner inleiding geeft hij de volgende karakterschets van haar, die wij gaarne overnemen: ‘In Anna Roemer Visschers hebben wij te doen met het schoone type eener Nederlandsche Vrouw uit het schoonste tijdperk onzer geschiedenis. Zij is buitengewoon, zonder zonderlingheid; rijkbegaafd zonder eigenwaan; naar alle zijden ontwikkeld, zonder uit het centrum te geraken, of zich boven de wet te stel-

[p. 321]

len; door zelfkennis en eenvoudigheid, tegen overmaat van lof bestand: eerzaam, zonder preutschheid; degelijk zonder stijfheid; godvruchtig, zonder vertooning; aan de catholieke kerk gehecht, en het vrije vaderland, ook in zijne vrijzinnigste protestantsche zonen, liefhebbende: maar ook de hand uitstrekkende naar al wat in de Spaansche Nederlanden, “haar vriendenland”, hare achting waardig is en haar geestdrift opwekt; den Hollandschen leeuw in zijne strijdbaarheid toejuichende, maar met een hart, dat voor den vrede, gelijk voor al wat schoon en goed en groot is klopt.’

Schoone lofspraak! En toch was de schrijver er niet blind voor, dat zij van de tijdgenooten ‘overmaat van lof’ heeft te verduren gehad. Hare dichterlijke begaafdheid geeft haar geen recht op den eersten rang: Heemskerck kenschetste die in een paar woorden, als hij sprak van haar ‘deftigh soet gedicht’. Zeer juist heeft Beets dit aldus nader omschreven:1) ‘Het didactische is haar zaak, het epigrammatische onder haar bereik; de elegie, het lied, en niet de lierzang.... Doch in haar nederiger genre, bezit zij wat er toe behoort. Het ontbreekt haar niet aan geest, aan kracht van zeggen, aan een goede keus van woorden, aan aangenaamheid, aan gratie’2).

 

Nog hooger staat hare elf jaar jongere zuster Tesselschade (geb. 21 Maart 1594) aangeschreven, die haar in schoonheid zoowel als vernuft overtrof, zonder daarom te vervallen in pedanterie; hetgeen dan ook Hooft en anderen van haar deed getuigen, dat zij haar geest ‘verre boven die van Joffre Schuirmans’ stelden, omdat het werk der laatste ‘nae schoolmeesterye ruikt’3). Hoe ook gevierd, zij bleef altijd ‘dat ouwde evenjonge zoetemelxhart, wel gesorteert met mijn' lieve Leonoor’, zooals Hooft in 1633 aan Huygens schreef4).

[p. 322]
 
‘Laet niemand zich vermeten
 
Haer onwaerdeerlickheit in woorden uyt te meten.’

zong de laatste bij haren dood; en hij drukte daarbij uit, wat alle vernuften van dien tijd, Vondel zoowel als Hooft, Bredero niet minder dan Van Baerle, voor haar gevoelden. Dat zij de ziel was van den Muiderkring, is uit menigen trek reeds gebleken. De vele schitterende eigenschappen, die haar daartoe verhieven, schildert Hooft aldus in haar bruiloftsvers1):

 
‘Mingod streng van heerschappij,
 
Ziet ghij wel die maeghd aen 't Y,
 
Op het eêlste van haer daeghen,
 
Die uw' moeder heeft ontdraeghen
 
Blos van kaeken, en den slagh
 
Van die lieffelijcke lach?
 
 
 
‘Wat trekt zij zich zorghen aen?
 
Zinnen wercken, handen gaen.
 
Doende zijn haer óóghen zeedigh.
 
Keel en lippen zijn onleedigh.
 
Magh een jeughd van jaeren fris,
 
Tegen zoo veel moeyenis?
 
 
 
‘Vat zij diamant, een kras
 
Spreecken doet het stomme glas.
 
Zie die duim, met goude draeden
 
Maelen kostele gewaeden:
 
Vingers voeren pen, penceel:
 
Knokkels kittelen de veel.
[p. 323]
 
‘Ziet eens gaen dat mondje teêr,
 
Met de nooten. op en neêr:
 
't Oogh zich aen de letters lijmen:
 
Zinnen steecken in het rijmen:
 
Tong zich krommen in de klanck
 
Van den Roomer, en den Frank.’

Dit gedicht brengt haar huwelijk in herinnering. In 1623 namelijk verbond zij zich aan Allart Krombalch, een zeeofficier, met wien zij zich te Alkmaar vestigde Dat zij eerst op negen-en-twintig-jarigen leeftijd huwde, was zeker niet uit gebrek aan vrijers: maar 't schijnt, dat de vader zijne dochters niet gaarne afstond. Dit weet men althans, dat Bredero onder hare vroegere aanbidders behoorde, en dat hij door den ouden Roemer werd afgewezen1).

In 1634 verloor zij het oudste harer twee dochtertjes en weldra ook haar echtgenoot, die, volgens de schilderachtige uitdrukking van Huygens, ‘stracks daer aen dood gebloedt’ was. Toen dong Professor Barlaeus, ook sedert 1635 weduwnaar, en die zich in dien staat maar niet schikken kon2), naar hare hand, welke zij hem weigerde, hoewel de innigste vriendschap tusschen beiden bleef bestaan. Sedert 1642 was zij opnieuw in Amsterdam gevestigd; maar de daardoor weer steviger aangeknoopte banden werden aldra door den dood verbroken. Na eenige jaren ontvielen haar Hooft en Van Baerle, hetgeen haar, ondanks de zalvende stemming, waarin zij al sedert geruimen tijd verkeerde3), zeer ter neer drukte4). Toen zij ook in 1647 haar eenig overgebleven kind verloren had, bezweek zij in 1649 te Alkmaar van rouw.

Hoe hoog zij door Hooft geschat werd, zagen wij reeds: op dichterlijk gebied had zij zich hoofdzakelijk naar hem gevormd. Zoo hij het niet beneden zich achtte haar oordeel over zijne verzen te vragen, van den anderen kant leende hij gaarne de hand om de hare te beschaven, te ‘betuttelen’, zooals hij het noemde5).

[p. 324]

Beide zusters waren schitterende sterren aan den intellectuelen hemel der zeventiende eeuw: beiden, vooral de jongste, waren een sieraad in het middelpunt van den Muiderkring, gelijk zij het vroeger geweest waren van ‘'t salig Roemers huys’.

In dichterlijke gave en talent stond Tesselschade boven Anna, wier verzen voor de hare in geest, vernuft en verheffing1), en ook zoetvloeiendheid onderdoen. Zij heeft niet veel nagelaten, en daarom is het des te meer te betreuren, dat hare vertaling van Tasso's Verlost Jeruzalem, waaraan zij gedurende verschillende perioden van haar leven onder Vondel's toezicht werkte2), geheel verloren is gegaan.

 

Onder de voornaamste leden van den Muiderkring zijn ongetwijfeld Baeck, Mostart en Reael te rekenen, ofschoon ze dan ook als kunstenaars geen aanspraak hebben op den eersten rang.

De innigste vriend van den Drost was wel zijn zwager Joost Baeck, de tweede zoon van dien rijken Maecenas, den beschermer van Vondel, die op Baeck's hofstee Scheibeek, nabij de Beverwijk, een toevluchtsoord vond gedurende zijne vervolging om den Palamedes3). Van den zoon getuigde Hooft, dat in hem de koopman den dichter bedorven had4). Hij was het, die, blijkens de

[p. 325]

veelvuldige brieven tusschen hem en Hooft gewisseld, dezen, gewoonlijk op de hoogte hield van hetgeen er in de staatkundige wereld, vooral buiten Nederland, omging. Maar dat hij ook liefde had voor wetenschap, vooral historiestudie, blijkt uit het reeds vermelde feit, dat Hooft voor hem, die geen Latijn verstond, den Tacitus vertolkte, gelijk hij wederkeerig de prozawerken van den Hollandschen Tacitus in het net schreef. Van zijne ‘liefde tot de Poëzy’ gewaagt Vondel in een gedicht aan zijn broeder1).

Nevens hem moet Laurens Reael worden vermeld. Hij was in 1583 te Amsterdam geboren, waar zijn vader, als een der uitstekendste ‘oude Geuzen’, in hoog aanzien stond, en een der voornaamste leden van de Oude Kamer was geweest. De jonge Reael, die voor de rechtspraktijk bestemd was, ontving eene zeer geletterde opvoeding. Maar dit belette niet, dat hij in 1611, door bemiddeling van Oldenbarnevelt in dienst der O.I. Compagnie, als Kommandeur van vier schepen naar de Molukken vertrok. In 1616 volgde hij Reynst als Gouverneur-Generaal van Indië op, en keerde in 1619 naar het vaderland terug, na zijne hooge betrekking overgedragen te hebben aan Jan Pietersz. Coen. Later werd hij tot verschillende niet onbelangrijke gezantschappen gebruikt.

Hoewel een zoo ervaren Krijgs- en Staatsman, hield hij zich toch bij voorkeur met letteroefeningen bezig. Als Dichter komt hij het meest met Hooft overeen, en munt, als deze, vooral in het minnedicht uit. Mag men een vers van Barlaeus letterlijk opvatten, dan zou hij ook een epos geschreven hebben, dat evenwel niet tot ons is gekomen2). Hooft en Tesselschade telden hem onder hunne innigste vrienden, en met Vondel stond hij op den besten voet. Maar in veel uitgebreider kring had hij zich achting en liefde verworven, zoodat De Groot's zwager, ter gelegenheid van

[p. 326]

zijn dood, in 1637 voorgevallen, terecht kon schrijven: ‘het is een zware ramp voor de stad, het land, de maatschappij, maar vooral voor zijn vrienden’1).

Onder die vrienden behoort ook Mr. Daniël Mostart, Secretaris van Amsterdam2), mede een der intimi van Hooft Hij was een man van belezenheid en smaak, beroemd als Declamator, en als Dichter in zijn tijd niet zonder naam. Hooft geeft een zeer gunstig getuigenis van zijn treurspel Mariamne, dat in 1640 het licht zag3). Vijf jaar vroeger had hij zijn Zendbriefschrijver uitgegeven, dien hij aan den Drost had willen opdragen, 't geen deze hem echter afried4). Hoe bijzonder Hooft evenwel met dit werk ingenomen was, dat een voorbeeld van vloeiend Hollandsch proza mocht heeten, blijkt uit het gedicht, dat hij er op vervaardigde5). Ook Vondel bezong dit geschrift; maar zoo hij om zijne welsprekendheid den auteur ‘de schaduw van Cicero’ noemt, dan is dat meer als eene vriendschappelijke vleierij aan te merken. Want Mostart behoorde ook onder Vondel's vrienden, en hij ondersteunde hem in zijne studie van het Latijn. Niet alleen bood hij hem, met Johan Victorijn, bij de vertaling van De Groot's treurspel Sophompaneas ‘rustig de hand’6); maar wij weten ook, dat Vondel met hem de ‘Latijnsche Leckerny’ van Horatius las, hetgeen hem de opdracht verwierf van het sierlijke gedicht, dat ten opschrift voert: De Roomsche Lier7).

Aan hem sluit zich Victorijn aan. Onder de poëten, die omstreeks het jaar 1607 leden van de Oude Kamer waren, noemt Hooft, in zijn omgewerkten rijmbrief uit Florence:

 
‘Koster, Vondelen Breeroô en Victorijn
 
Die nu al toonen wat z' hier naamaals zullen zijn.’

De laatste, die eigenlijk Joan Vechters heette, is niet zoo beroemd

[p. 327]

geworden als de anderen; en wij zouden hem waarschijnlijk met stilzwijgen zijn voorbijgegaan, zoo hij niet den grootsten invloed op Vondel's classieke ontwikkeling geoefend had. Wij zagen reeds, hoe hij met Mostart den Dichter behulpzaam was in de vertaling van een Latijnsch treurspel van Grotius. Weinige jaren later haalde hij, ‘in wiens mond Elektra bestorven was’, zooals Vondel getuigde, dezen over om dit meesterstuk van Sofokles voor het Amsterdamsche tooneel te bewerken1), hetgeen hij, ‘met hulpe van dien hooghgeleerden Jongeling, Isaak Vossius’, deed. In 1640 vereeuwigde de Dichter zijns vriends naam, door hem zijn Joseph in Egypten op te dragen, in welke opdracht wij de volgende bijzonderheden omtrent Victorijn vinden aangeteekend2):

‘Mijn Joseph verblijt zich en lacht alreê, om dat hy valt in uwe handen, die hem so groot eene gunst toedroeght, gelijck bleeck in 't vertalen van Sophompaneas, toen uwe boeckkamer, gelijck voorhenen en sedert menighmael, ons voor een' Parnas diende: want uwe bezigheit, t'elckens het heur beroep toelaet, gaerne met de Zanggodinnen uitspannende, zelf Apollo vaerzen offert, of gedienstigh een slaghveêr streckt, aan de wiecken der zwanen, die, gryze en afgezonge vogels van verre nastrevende, den hemel ter eere zingen’.

Wij hadden eigenlijk al vroeger behooren te spreken van Cornelis Gijsbertsz. Plemp, die, in 1574 geboren, de oudste van den Muiderkring was. Hij had recht op den naam van een geleerd man, was in geneeskunst en rechtswetenschap ervaren, en praktiseerde een tijd lang als Advocaat in den Haag. Hij zei der praktijk echter vaarwel en vestigde zich in 1630 weder te Amsterdam, waar hij zijne dagen sleet in de beoefening van Letteren en Poëzie. Hij heeft enkele Hollandsche, maar voornamelijk Latijnsche verzen geschreven. Hoe hoog Hooft met hem liep, blijkt uit diens bruiloftsvers van 16103), waarin hij gewaagt van zijne ‘gedichten hooch van waerden’, die hem zelfs den bijnaam van ‘Apollo’ verwierven. Hij was bovendien een goed musicus, en dat maakte hem vooral te Muiden een welkomen gast.

 
‘Hij streelt het lecker oor met wtgelesen ciersel
 
Van treffelijck gedicht, en overschoon versiersel,
[p. 328]
 
En troont zijn handt geleert, met vingers wis en snel
 
Vloeyende wijsen wt het sangrich snaerenspel.’

Maar ook hij wordt hier vooral genoemd wegens zijn verkeer met Vondel, die hem gestadig raadpleegde en partij kwam trekken van zijne veelzijdige kennis. Het schijnt, dat de gemeenzaamheid, daardoor ontstaan, hem de gelegenheid gaf om zijn invloed aan te wenden ten einde den Dichter in den schoot der Katholieke Kerk terug te brengen; want, volgens het getuigenis van Vondel zelf;

 
‘boven Poëzy en snaer
 
Omhelsde [hij] yvrigh 't Roomsch autaer’1).

In 1631 kwamen twee mannen naar Amsterdam, die in de letterkundige wereld grooten roem hebben verworven; volgens Hooft2):

 
‘Twee helden, die der dingen diept
 
En steilt' afpeilen op een prik,
 
Van 's hemels kruin in 't hart van 't slik.’

De een was Gerardus Johannes Vossius, de ander Casparus Barlaeus. Beiden, vroeger als Professoren aan de Hoogeschool van Leiden verbonden, maar in 1619, ten gevolge der kerkelijke twisten, van hun post ontzet, werden nu tot Hoogleeraren aangesteld bij de op te richten Doorluchtige School te Amsterdam. Vossius zou den leerstoel in de Historie, Barlaeus dien in Wijsbegeerte en Welsprekendheid bekleeden.

Vossius, de geleerde, wien

 
‘Van meer dan een half hondert eeuwen.’

heugde, was een van de meest geachte vrienden van Hooft3), die zoo veel prijs op hem stelde, dat hij aan zijn zwager Baeck schreef4): ‘de Heer Vossius, oft Reael, neven U.E. zijn my alle de wereldt’.

Hij was dan ook dikwijls bij de Muider vrienden, in wier bijeenkomsten zijne geleerdheid zoowel als zijn smaak de ‘kout’ kruidden.

Met zijne theorie over de Dichtkunst liep Vondel zeer hoog, die hem zelfs ergens voorstelt5) als bijzonder ‘op de tooneel-

[p. 329]

wetten afgerecht’. De Dichter zocht dan ook vlijtig hulp bij den man, dien hij bovendien beschouwde als, ‘die op den top der geleertheid gesteigerd, van boven met arends oogen al wat van redelijck brein begrepen kan worden naeuw doorkeken heeft’. In de opdracht van het treurspel de Gebroeders, waaraan deze woorden ontleend zijn1), spreekt hij hem aldus toe:

‘Uwe rijcke schatkamer van boecken en papieren heeft, neffens andere gunstige vernuften, dezen wercke geen voedsel geweigert, maer heusselijck bygezet het eerste gezicht uwer kostelijcke ael-oud-heden en bedenckingen op tooneelspelen en andere poëzy, gelyck wy dan in meer dingen, voorhenen by ons uitgegeven, het gemoed niet luttel verbonden houden aen uwe beleefde geleertheid, en geleerde zoonen’.

Wat Caspar Van Baerle betreft, hij was in 1584 te Antwerpen geboren en straks daarop met zijne ouders naar Noord-Nederland verhuisd2). Hij studeerde te Leiden in de theologie en werd in 1608 predikant te Nieuwe Tonge. In 1612 werd hij tot sub-regent benoemd van het Staten-College en in 1617 tot professor in de logica te Leiden aangesteld, maar ten gevolge van zijn partijtrekken voor de Remonstranten twee jaar later uit beide betrekkingen ontslagen. Hij vertrok toen naar Caen, legde zich daar toe op de studie der medicijnen en verwierf den doctorsgraad. In 1621 was hij weer in Leiden, waar hij zich bezig hield met vertalen en 't les geven, vooral aan bij hem inwonende jongelui Hij kwam, gelijk wij zagen, in 1631 naar Amsterdam, waar hij aanzien en achting genoot.

Twee zaken trokken hem bij uitnemendheid aan: Wijsbegeerte en Poëzie3). Vooral op den naam van Dichter stelde hij prijs: hij schatte dien hooger dan elken anderen titel, omdat de Dichter

[p. 330]

iets van de Godheid had1). Het moest hem dus niet weinig streelen, dat Hooft hem nooit anders dan den ‘Vorst der Poëten’, of den ‘Aartspoëet’ noemt2).

Hij schudde dan ook, volgens dezen3), ‘de braeve veirsen makkelijk uit de mouw’; ofschoon hijzelf beweerde, dat hij lang op zijne gedichten broeide4). Hoe het zij, hij heeft eene menigte grooter en kleiner verzen in de Latijnsche taal uitgegeven.

Ofschoon zijne tijdgenooten als Latijnsch dichter even hoog met hem liepen als zijn vriend de Drost, valt toch niet te ontkennen, dat zijne verzen veelal gezwollen en vol klinkklank zijn5). Hij erkent ook zelf zijne ‘prolixiteit’, evenals dat voor hem niet puntigheid, maar breedsprakigheid en uiterlijke vorm de hoofdzaak waren6). Buitendien mag men gissen, dat niet altijd innerlijke aandrang hem de lier in handen gaf. Wij vernamen (boven, bl. 62-69 uit den mond van Heinsius, hoe de dichters om verzen geplaagd werden. Maar vooral was het in dien tijd gebruikelijk, dat men vorsten en aanzienlijken verzen opdroeg, in de hoop van eene stoffelijke belooning; en Barlaeus schijnt daarin zoo ver geweest te zijn, dat hij deswege in zekere kringen den naam van de Aarts-

[p. 331]

bedelaar had1). Als men zijne Latijnsche gedichten en brieven doorbladert, blijkt, dat de inhoud die beschuldiging niet weerspreekt2).

Gewoonlijk wordt Barlaeus ook geteld onder de dichters in de volkstaal, wier naam eene eervolle vermelding in de geschiedenis onzer Letteren verdient; en men neemt gaarne aan, dat hij ook ‘met zwier en bevalligheid de hand aan de Hollandsche lier sloeg’3). Maar op dien lof schijnt wel wat af te dingen. Want ofschoon hij zich wel eens aan een Hollandsch vers bezondigde, was hij van zijne jeugd tot aan zijn graf toch weinig ingenomen met Hollandsche taal en Hollandsche verzen. Hij moge hiervan in later tijd, door omgang met mannen als Huygens en Hooft, ietwat zijn teruggekomen, hij bleef altijd de voorkeur aan 't Latijn geven, en erkende, dat hij het in den Hollandschen kunstvorm niet zeer ver gebracht had4).

[p. 332]

Hij heeft echter nu en dan wel eens een Hollandsch vers geschreven. Het eerste, dat hem door den verzamelaar van het eerste deel der Verscheyde Nederduytsche Gedichten (1651), zijn eigen schoonzoon G. Brandt1) werd toegekend, is de Bruyloftsvraegh, op de bruyloft van J.V. (Petit?) van 28 April 1626. Maar ook anderen zijn als auteur van dit vers genoemd. In een liedeboekje van het jaar 1626 zelf draagt het een onderschrift, J.F.J. dat L. Reael als dichter schijnt aan te wijzen, en in de Verscheyde N. Gedichten wordt het onderteekend met de letters C.D. In het Register evenwel, dat denkelijk van de hand van Brandt is, wordt Barlaeus uitdrukkelijk als de dichter vermeld, en men mag aannemen, ‘dat hij zeer wel kon weten wat al of niet door zijnen toen reeds overleden schoonvader was gedicht’.2)

Sedert hij in Amsterdam was komen wonen, vinden wij nog enkele Hollandsche verzen van zijne hand. Voor een deel mocht hij daartoe verleid zijn door het voorbeeld der Muider vrienden, het meest heeft daartoe denkelijk wel bijgedragen zijne neiging voor Tesselscha, die geen Latijn verstond. Maar er is geen overdaad. In 1634 het eerste gedichtje: twee jaar later een ander versje; en zoo nu en dan, als bij uitzondering, weinige regels. Hijzelf had er niet veel mee op, zooals blijkt uit zijne brieven.

Die verzen zijn ‘gedrukt achter eene der twee uitgaven zijner vertaalde oraties, namelijk achter die van 1689’3), en grootendeels uitgegeven in de Verscheyde Nederduytsche gedichten (Amsterdam 1651 en 53), waarin zij niet veel nommers beslaan4). En toch dringt zich de vraag op, of alle, die hem worden toegekend, vooral de besten en meest vloeiende, wel van zijne hand zijn. Verscheiden zijner Latijnsche gedichten zijn vertaald door V. d. Burgh, Schrij-

[p. 333]

ver, Westerbaen, Huygens, Van Santen, G. Brandt en zelfs door Vondel1). Den laatsten riep hij in 1637 toe:

 
‘Vondeli, mea quo toties interprete Musa
 
Teutonico populis gestiit ore loqui’2).

Toties, zoo vaak! In dat jaar 1637 had Vondel, naar 't gemeen gevoelen, alleen het gedicht aan Jacob Baeck vertaald en de opschriften bij de vertooningen ter eere van den intocht van Koningin Maria de Medicis binnen Amsterdam3). Eerst in 1640 bracht hij nog een gelegenheidsversje over4). Is dit nu genoeg, om dat toties te rechtvaardigen? Duidt het woord niet veel eer aan, dat Vondel meer van hem vertaald heeft dan men doorgaans meent? Ik weet wel, dat men dit toties van den Dichter niet in al te enge beteekenis behoeft op te vatten; maar ik herinner toch ook, dat er onder de aan Barlaeus toegekende Hollandsche verzen verschillende voorkomen, die uit zijn eigen Latijn vertaald, en beter van vorm zijn dan die andere, welke hij ontwijfelbaar heeft geschreven5): zoo goed, dat ze bepaaldelijk aan Vondel doen denken. Is hier geen twijfel geoorloofd?

[p. 334]

In allen gevalle, de beteekenis van Barlaeus voor onze letteren steekt niet in de weinige Hollandsche gedichten, die hij heeft geschreven; maar in den grooten invloed, dien hij op den Muiderkring in 't algemeen, op Hooft en Vondel, Jan Vos en Brandt in 't bijzonder, uitoefende.

Hij verkeerde veel ten huize van den Drost, en was de middenpersoon tusschen de Amsterdamsche dichters en letterkundigen van Leiden en Den Haag. Vooral met Huygens was hij in drok verkeer. Door zijne persoonlijkheid, zoowel zijne geleerdheid en classieke ontwikkeling, als door zijne dichterlijke gave en doorgaande1) opgeruimde gemoedsstemming was hij de ziel van het gezelschap. dat zich bij den Muider Drost vereenigde. Vroolijkheid en vriendschappelijke kout waren hem eene behoefte. ‘Zonder scherts kan ik niet leven’, schrijft hij herhaaldelijk, ‘zoo min als een aap zonder noten of bokkesprongen2)’. In 1642 had hij kennis gemaakt met Danckelman op een feestmaal bij den Advocaat Van der Mast, waar hij tamelijk uitgelaten was geweest. Hij schreef hem daarover terstond een brief: ‘Ik was toen wat heel vroolijk en weinig deftig: Cato kan niet altijd de wenkbrauwen fronsen. Op den Katheter houd ik mij als een Professor, deftig en ernstig; maar als ik aan een vriendenmaal zit, dan voel ik mij als uit den kerker en van de slavenboei verlost. Mijn dichterlijke geest haakt naar wat aangenaam en vroolijk is. Ik schrijf u dit, opdat ge niet zoudt denken, dat ik toen bij uitzondering, in een roes, opspeelde. Zoo ben ik altijd, daar waar men gezellige kout niet op een goudschaaltje afweegt’3).

Ik breng dit bij ter karakterizeering van de Muider samenkomsten. Het gezelschap was er niet altijd groot, maar immer uitgelezen.

[p. 335]

Dit viel in den smaak des gastheers Zoo schreef hij in 1635 aan zijn zwager Baeck: ‘My aengaende, de grootste maeltijden baeren my juist de grootste vreughd niet. De heer Vossius, oft Reael, neven U.E. zijn my alle de wereldt. Onder 't getal der Gratiën noch boven dat van de Musen, moet, zeidt men, geen zoet gezelschap loopen’1).

En in die samenkomsten werd bij voorkeur geestelijk genot gezocht. ‘De kout,’ meende de Drost, ‘is de ziel van de bezoeken, gelijk de vreughd die van de banketten’2). Wij hebben van hetgeen daar werd verhandeld reeds enkele staaltjes onder de oogen gehad (boven, bl. 312-315), ontleend aan de brieven van Hooft zelven: wij voegen daar nog eene enkele aanwijzing van Barlaeus bij.

Als hij in 1642 Huygens ten zijnent noodigt, zegt hij: ‘Wij zullen hier doen wat wij te Muiden gewoon zijn: wij zullen philosopheeren, schertsen en banketteeren als poëten doen’3). Als hij in hetzelfde jaar aan Van der Burgh bericht gaf omtrent een aanstaand letterfeest, dat te Muiden zou gehouden worden en eenige dagen duren, voegde hij er bij: ‘Het zal een provinciaal, geen nationaal Synode zijn, alleen deftige en geleerde lui uit Holland zijn genoodigd: twee uit den Haag, uit Alkmaar de vrouwelijke priesteres, uit Amsterdam Vossius en ik. Daar zal niet gepraat worden over onze uit Japan verdreven kooplui of dergelijke onderwerpen, maar alleen over zaken van studie’4).

Dit belette evenwel niet, dat er soms een goed glas wijn bij gedronken werd, en dat de geleerde man wel eens wat te diep in 't glaasje keek5).

Hoe de Drost met den gezelligen Professor was ingenomen, zagen wij reeds. En die neiging was wederkeerig: zoodat hij zich Hooft's dood tot ziekwordens toe aantrok6). Ook Vondel stelde

[p. 336]

het grootste vertrouwen in zijn letterkundig oordeel, gelijk de opdracht van den Joseph in Dothan leert1).

Het zal daarom ook wel niet te stout zijn, aan zijn voorbeeld en invloed de heidensche tint toe te schrijven, die al te vaak over Vondel's gedichten verspreid ligt. Men weet, hoe Barlaeus in zijne verzen het classieke godendom misbruikte. Hij gaf zich zelf den eeretitel van ‘halfheidenschen dichter’2): eeretitel, want hij was van oordeel, dat een Dichter te minder Dichter was, naarmate hij van Goden en Godinnen moest zwijgen en een Christelijken toon aanslaan3). Ook veel kieschheid in uitdrukking of gedachte viel niet te leeren van den man, die steeds de aardigheid in den mond had, dat de Poëzie de voortdurend jeukende schurft der ziel was4).

 

Staan wij, na deze uitweiding, nog wat meer in 't bijzonder bij Hooft stil en slaan wij althans een vluchtigen blik op den Mensch, om dan wat uitvoeriger over den Dichter te spreken.

Wat allen getroffen heeft, wat doorgaans hemelhoog in den Drost geprezen wordt, het is zijne in die dagen zoo zeldzame verdraagzaamheid in zaken van Kerk en Staat. Zeker is het, dat hij

[p. 337]

lieden van de meest uiteenloopende kerkelijke richtingen onder zijne vrienden telde; zeker is het, dat hij aan zijne bruid schreef, ‘dat de Religie in 't gemoedt ende niet in 't wtwendighe geleghen is’1); zeker is het, dat hij den strijd op het gebied der kerkelijke dogmatiek ten sterkste afkeurde2), en niet gaarne met vrome ‘kerkuilen’ te doen had; maar 't is niet zoo uitgemaakt, of de bron van dat ‘Christendom boven geloofsverdeeldheid’ wel boven alle verdenking verheven is, en of men Van Lennep niet moet toestemmen, dat de Drost dit standpunt niet had ingenomen uit ‘ware grootheid van ziel’, maar uit gemakzucht3). Immers toen Vondel in 1645 zich door de uitgave van zijn gedicht op het Eeuwgetij der Heilige Stede alweer als een hevig kerkelijk partijman had doen kennen, hoewel nu in eene andere richting dan vroeger, liet Hooft zich daarover uit op eene wijze4), die Van Lennep terecht aanleiding geeft om op te merken: ‘het is niet Vondels verandering van godsdienst, die hem ergert; het is zelfs niet het geloof aan eene legende, welke hy, Hooft, als eene dwaze middeleeuwsche fabel verwerpt, neen - het is de onvoorzichtigheid van Vondel, die voor zijn geloof durft uitkomen, die voor hetgeen hij waar en heilig acht, durft kampen, hoewel hij gevaar loopt, dien strijd met eene boete, wellicht met een deerlijk pak

[p. 338]

slagen, ja met het leven, te bekoopen’. En waarlijk, de woorden uit den brief: ‘my deert des mans, die geenes dings eerder moede schijnt te worden, dan der ruste’, zijn wel geschikt om aanstoot te geven; te eer, als wij daarmede vergelijken de schildering van het kalm en rustig leven op het Huis te Muiden, in een brief aan Joost Baeck van 1629:

‘D'eene dagh is den anderen zoo gelijk, dat ons leven een schip schijnt zonder riemen, in doode stroom ende stilte. Beter stil nochtans, als te hardt gewaeit. Hier preekt men geen passy, als die van onzen Heere; men dicht 'er geen requesten; men raept' er geen steenen om de Heeren nae 't hooft te werpen. De kussens zijn 'r zoo zacht niet, dat ze iemants billen bekooren kunnen. Jae, die 'er op belust was, kreeg 'er wel goedt koop een nae 't hoofdt. Ook roert men 'er geen' trom; men timmert 'er geen wachthuizen, en de wachtmeester behoeft zijn wijf niet in zijn ambt te laeten treeden, met wachten in 't bedde, terwijl hy zijn' ronde doet. Daer [d.i. in Amsterdam] voelt men datm' er is: maer somtijds wat te zeer’1).

Dat alles is karakteristiek: er spreekt eene gepolijste, maar ontegenzeggelijke zelfzucht uit, die niet voor den schrijver inneemt2), en zeker de betuiging van Busken Huet3) niet wettigt: ‘Hooft, daarvan houd ik mij overtuigd, zou voor elke goede algemeene zaak, indien de nood het geëischt had, zijne bezittingen en zijn leven hebben opgeofferd. Had hij moeten kiezen tusschen het leven en de eer, of tusschen het leven en eene duldelooze smart, onverschrokken zou hij zich zelven den dood gegeven hebben’.

Die opwinding verwondert te meer, omdat zoowel de schrijver dezer regels als een ander lofredenaar van Hooft erkennen moet, dat hij zoo weinig hart had, dat zelfs in zijne minnedichten de hoffelijkheid moet aanvullen, wat er aan hartelijkheid te kort schiet4).

[p. 339]

Hoe weinig hart en kieschheid men hem toekende, blijkt uit de beschuldiging, dat hij met geringe veranderingen de verzen, waarin hij zijn hartstocht voor Susanna Van Baerle had ontboezemd, later voor Eleonora Hellemans zou hebben pasklaar gemaakt. Alberdingk Thijm heeft dat sprookje, 't welk toch onlangs weer werd opgewarmd, volmaakt weerlegd. (Zie boven bl. 74 vlg.). Daarom verwonderde het mij te meer, dat dezelfde schrijver elders1) dezelfde beschuldiging, hoewel op andere personen toegepast, weer heeft te berde gebracht, zeggende: ‘Met (Chr. Van Erp) deze goedhartige musicienne had Hooft minder komplimenten te maken dan met de fiere Leonoor. Ds. Leendertz heeft aangetoond, dat hij Christina werkelijk onthaald heeft op de opgewarmde minnezangen, die hij vóór zijn huwelijk den jonkvrouwen Spieghels en Quekels geschoteld had.’

Heeft Leendertz dat inderdaad aangetoond, dat is: bewezen? Ik betwijfel het ten sterkste, op de gronden in de noot2) aangevoerd.

[p. 340]

Ik wil aannemen, dat onze dichter een enkel maal een galant versje, voor een zijner veelvuldige flammes gedicht, ook aan een ander tijdelijk liefje heeft toegezonden; ofschoon het mij zeer vreemd voorkomt, dat hij den datum van dat feit zou hebben aangeteekend. Maar evenmin als hij zoo iets deed, toen het eene oprechte neiging gold voor haar, die zijne tweede vrouw werd, evenmin acht ik hem in staat dit gedaan te hebben ten aanzien van

[p. 341]

haar, die zijne eerste gade geworden is. Het oordeel van Leendertz berustte ook hier op een misverstand.

De tusschenpoozen tusschen die twee ernstige neigingen vulde Hooft als een galante Epicurist aan met van de eene schoone bloem naar de andere te fladderen.

Aan dat Epicurisme paarde hij eene aristocratische welwillendheid. Zijn blazoen was dan ook eene Zon, en zijne zinspreuk: Omnibus idem1). Hooghartig en herablassend genoeg. - ‘Wilt ge een voorbeeld van minzaamheid, gehuwd aan deftigheid,’ schreef

[p. 342]

Van Baerle, ‘zie op den Muider Drost, dien alle mannen van smaak roemen als een tweeden Laelius of Atticus’1).

Zijne huishouding was met Hollandsche deftigheid ingericht, zonder navolging van Fransche modes2). Dit mocht een blijk zijn van betrekkelijken eenvoud, het belette niet, dat hij gaarne zijn stand ophield en soms wel vorstelijke feesten gaf3). Den indruk, dien zijne gewone manier van zijn spreken maakte, geeft Barlaeus terug, als hij hem in zijne brieven doorgaans ‘magnificus’ noemt, of hem bij Jupiter en zijne Drostin bij Juno vergelijkt4).

Als een echte ‘man van kom-op’ was hij zeer bang om voor een burgerman gehouden te worden. ‘Ik, hoewel anders van't volk niet, zie hun nu dezen trek af’, schrijft hij aan den Secretaris Mostart5). Hij spaarde dan ook geene moeite om in Frankrijk, ter belooning voor zijn Hendrik den Groote, geridderd en geadeld te worden, gelijk toen in de mode was6). Hij had wel twaalfhonderd franken over voor hetgeen hijzelf eene ‘matière si frivole’, of ook zijne ijdelheid (‘ma vanité’) noemt. Hij drong vooral op erfelijken adel aan. ‘Naerdien ik door den Heere van der Mijle bericht ben, dat brieven van Ridderschap enkelijk dengeene, dien zy verleent worden, dienen tot zoo verre toe, zonder hem ende zijn' naekomelingen edel te maeken, zoo zoud' ik wel wenschen dat zij uitdrukkelijk inhielden, dat niet alleen de eere van ridderschap my, maer ook de waerdigheit van edeldoom my ende mijnen naekomelingen vergunt wert. De kosten, hierin te doen, zal ik my

[p. 343]

geirne getroosten’. Zoo schreef hij aan onzen Gezant te Parijs1); en 't is bekend, dat hij naar wensch slaagde.

Tegenover die ijdelheid steekt de kieschheid gunstig af, die hem belette de lofdichten op zijn Hendrik voor het boek te laten afdrukken, ‘omdat my zulk een ten toon stelling van eighen lof, hoewel zy door de gewoonte verschoont wort, altijds wat wanvoeghelijk gedacht heeft’2).

Valt er ook op den wierook, Hooft als Mensch toegezwaaid, wel iets af te dingen, als Dichter zal hij steeds hoog aangeschreven staan, hij, ‘dat doorluchtig Hooft der Hollandsche Poëten’, die eene omkeering in onze poëzie teweeg bracht en in 't proza den historischen stijl schiep.

Hadden de Rederijkers, bij wie Hooft ter schole ging, weinig dichterlijke gedachten in vrij ongekuischten vorm gebrabbeld, Hooft bracht Holland in verbazing met verzen, die evenzeer door dichterlijken inhoud als liefelijke en vloeiende inkleeding uitmuntten. De melodie zijner zangen ruischte als muziek, terwijl hij vooral in zijne minneliederen - een genre, dat hij veredelde, en waarin hij uitmuntte - eene liefelijkheid ten toon spreidde, tot op zijne dagen in Hollandsche verzen ongekend.

Sedert Huizinga Bakker het gezegd heeft (1781), wordt als onomstootelijke waarheid aangenomen, dat Hooft gedurende zijn verblijf in 't Zuiden den Italianen de muziek der taal had afgeluisterd3). ‘Daar ontdekte hij de cadans, het hooge en lage der lettergrepen, kunstig bijeengeplaatst: voorts de maat, de rust, de snede, den trant, den dans en de muziek in zijne vaderlandsche verzen, en keert met deze kundigheden naar huis. Alhier deelt hij zijnen kunstbroederen zijne ontdekking, opmerking en gedachten mede: hij schrijft zangen en minnedichten naar den trant en aartigheden der Italianen’4). Dat oordeel is niets dan eene onjuiste gissing. Reeds vóór zijne Italiaansche reis schreef Hooft verzen met regelmatig getal van lettergrepen en natuurlijke cadans, ofschoon hun nog eene stroefheid aankleeft, die hij ook in Italië niet ver-

[p. 344]

loor, zooals blijkt uit den rijmbrief, dien hij kort vóór zijne terugkomst uit Florence aan de Amsterdamsche Kamerbroeders zond.

Die cadans, althans de ‘getelde-syllabenmaten’, hebben wij aan Frankrijk ontleend. Ronsard, wiens gedichten in 1567 het licht zagen, werd ook hier te lande gevierd, gelezen, vertaald en nagevolgd. De eerste Hollandsche dichter, die ‘de fransoysche versmaet’, zooals Karel Van Mander ze noemde, bij ons invoerde, was de beroemde Leidsche Secretaris Jan Van Hout. Reeds sedert 1575 schreef hij vloeiende verzen in den nieuwen trant1). In Holland had Spieghel de voetstappen van Jan Van Hout met goed geluk gevolgd (verg. boven, blz. 36) en zijne persoonlijkheid was bij de Amsterdamsche Kamer nog in eere, toen Hooft zich daar begon te vormen

Trouwens de nieuwe rhythmus zat in de lucht. In Brabant had Jonker Van der Noot al in 1580 de betere versificatie in practijk gebracht en vandaar sloeg zij naar Zeeland over. De beroemde Daniel Heins, die een groot deel zijner jeugd te Neuzen doorbracht2), had waarschijnlijk onder Brabantschen invloed den smaak voor de vloeiende dichtmaat weggekregen, die in zijne ten jare 1616 uitgegeven Nederduytsche Poemata onze ooren streelt, zelfs in die stukken, die toen al ‘over veel jaeren geschreven’ waren. Ook Cats had dien rhythmus, gelijk bekend is, van ‘een eerbaer jongeling, uyt Brabant daer gekomen’.

Hooft was dus de vinder niet van de cadans der verzen; ja, wij zullen zien, dat hij eer een voorstander was van meer vrijheid. Maar wat hem ontegenzeggelijk eigen is, 't is de verwijdering van de stroeve, onnatuurlijke woordvoeging uit zijne verzen, die te vloeiender, te zangeriger klinken, naarmate zij zich meer aansluiten aan de natuurlijkheid van 't moderne spraakgebruik. Dat geheim, dat geen zijner voorgangers kende, had hij den Italianen afgezien, ofschoon het nog eenigen tijd duurde, eer hij zichzelf durfde zijn en van de oude rethorikale woordvoeging afwijken. In zijn brief aan de Kamerbroeders bekende hij het:

 
‘Fiorenza schoon
 
Doet om haer cierlijckheit van tael mij in haer blijven’;
[p. 345]

maar eerst de omgewerkte tekst van den brief, die zes of zeven jaren later tot stand kwam, toont, dat Hooft meester van den vorm was geworden.

Dit was niet geschied zonder ernstige oefening. Ten bewijze daarvan strekt de gedachtewisseling met Huygens ‘roerende de maet van de Nederlandsche dichten’, uit den tijd toen de ‘letterkunstige vergaderingen’ het ijverigst gehouden werden (1623). Het opstel van den Heer van Zuylichem is ons bewaard gebleven: van Hooft alleen eenige aanteekeningen daarop1). Dit is te betreuren; maar men kan er toch duidelijk uit zien, welke zijne theorie omtrent den ‘vloeienden vall’ der verzen was.

De nieuwe regelmatige rhythmus was toen reeds algemeen geworden. Huygens erkende het: ‘'t Gebruyck van groote mannen gesticht op de overvloedicheit van onse tael, heeft hem onser aller oor en oordeel soo vast ingelijvet, datter nu weynighe meer zijn, die andere voeten als den Jambum ende Trochaïcum kennen oft erkennen willen; unde difficilis erit regressus ad asperiorem licentiam. Behalven 't gemack ende gevoechlijkheydt, die der de singhers in vinden’.

Tegen die eenparigheid kwam Hooft op; en juist als voorbeeld van die toch welluidende vrijheid wijst hij op de Italianen. ‘Dat d'Italianen zeer groote vrydoom gebruycken, ende liever een lange silb afbijten als een goeden inval verkrepelen, stae ick gaerne toe; maar houde evenwel dat zy nae wat anders luisteren als nae 't getal der silben ende de rijmen. Want wat soetheyt soud' er dan in hunne versi sciolti zijn, gelijck zy noemen degene daer de rijm gebreeckt’.

En waarom zouden wij die vrijheid opofferen? ‘Waerom sal men ons verpeenen niet wt onsen tredt te gaen?’ - ‘Mijns weetens heeft niemandt by ons den reghel gemaeckt van suivere jamben te gebruycken ende indien verscheiden dichters alsoo gedaen hebben, dat en kan anderen geene wet sijn, oft hun en staet vry andere formen van vaersen te maecken’.

In het lied achtte hij meer regelmaat noodzakelijk, omdat, ‘men de nooten volghen moet..... Maer in Treurspel, Heldenlof, Brieven, kan deze ondervinding geen klaght, mijns oordeels, baeren’.

[p. 346]

Het is te betreuren, dat de vrijheids-theorie van den Drost geen ingang gevonden heeft: zij zou zeker aan onzen rhythmus, thans in een te eng keurslijf gedwongen, meer levendigheid hebben bijgezet, nu alleen te verkrijgen door enjambement en vermijding van de vaste rust midden in den regel, welke de verzen van Cats zoo eentonig en vervelend maakt1).

Hooft zelf heeft zijne theorie ter nauwernood in toepassing gebracht: hij zwichtte voor 't gebruik. Zijne Alexandrijnen zijn steeds regelmatig gebouwd en alleen in enkele liedjes heeft hij zich eene vrijheid veroorloofd, die aan de zangerigheid geen afbreuk doet. B. v. in het allerliefste

 
‘Vluchtige nimph waer heen zoo snel?’

het bekende

 
‘Hoogher, Doris, niet, mijn gloetje’,

of het wat gemaniëreerde

 
‘Amaril, had ick hair wt uw tuitjen’2).

De aangehaalde gedichten zijn alle minneliedjes, en ontegenzeggelijk heeft Hooft vooral in die soort uitgemunt. Sonnetten en zangen zijn de vormen, waarin zijne lyrische en erotische ontboeze mingen gehuld zijn. Voorts beweegt hij zich liefst op het gebied van wat men huiselijke poëzie zou kunnen noemen. Het karakter zijner verzen is dan ook vooral liefelijkheid. Slechts bij uitzondering is hij daar hoogdravend, maar altijd zoet en zangerig. De sonnetten zijn niet zelden zinrijk en pittig. Meestal slaat hij een natuurlijken toon aan en wordt slechts nu en dan gemaakt, vooral wanneer hij het liefelijke door opeenhooping van verkleinwoordjes tracht te verhoogen. Maar zeer terecht zei Busken Huet3): ‘Hoe vergoedt telkens het pittige der gedachte of de aanschouwelijke uitdrukking, het gewrongene der inkleeding!’ Het heidensch element is bij hem tot een minimum beperkt; en op eene enkele uitzondering na4) is hij altijd even kiesch: het een zoowel als het ander is in zijn tijd eene bijzondere verdienste.

[p. 347]

Wij kunnen ons niet onthouden een paar proefjes te geven van zijn talent, vooral om ook de verdienste van den vorm te doen uitkomen.

Ik bepaal mij tot twee der zooeven vermelde. Vooreerst een minnelied, dat waarschijnlijk al tot vóór 1607 opklimt:

 
‘Vluchtige nimph waer heen soo snel?
 
Galathea wacht u wel,
 
Dat u vlechten
 
Niet en hechten
 
Met haer opgesnoerde goudt
 
Onder de tacken van dit hout.
 
 
 
Wackere nymphe wendt, en siet
 
Eens te deech van wie ghij vlyet,
 
Sneller, dan de
 
Harten van de
 
Honden die 'r met open keel
 
Vollegen tot haer achterdeel.
 
 
 
Immer en volge' ick u niet nae
 
Met begeerte van u schae,
 
Maer van zinne
 
Om u minne
 
Te verruilen voor de mijn'.
 
Acht ghy dat groot verlies te sijn?
 
 
 
Nymphe ghij vlucht al even stuirs
 
En ick heb de borst vol vuyrs,
 
Met een kusge,
 
Wilge, blusge
 
Dat ten deel, en wort bedangt.
 
Geefdij dan meer als ghij ontfangt?
 
 
 
Wildij mij niet dees jonste doen
 
Lijdt dan dat ick u slechs soen
 
Voor u lippen.
 
Ghij gaet glippen,
 
Denckend, ick sou hier ter stee
 
Soenen u hals en oochgens mee.
 
 
 
Mogelijck kusten ick van als,
 
Oochgens, lipgens, witten hals,
 
En niet trager
 
Noch wat lager
 
Yet wat poeselachtighs, dan,
 
Dertele dier verloor g'er an?
[p. 348]
 
Al mijn lust, en boeverij
 
Galathea dat sijt ghij,
 
Comt wat nader
 
Want wat spader,
 
Als de jonckheit neemt sijn keer
 
Salt u soo wel niet passen meer.’

Dan een Sang van het begin van 1621 (I. D.; bl. 184):

 
‘Amaril, had ick hair wt uw tuitjen,
 
'k Wed ick vleughelde' het goodtjen, het guitjen,
 
Dat met sijn brandt, met sijn boogh, met sijn flitsen,
 
Landt tegen landt over einde kan hitsen,
 
En beroofde den listighen stoocker,
 
Van sijn toorts, sijn geschut en sijn koocker.
 
 
 
‘Oft en had ick maer een van die vonken,
 
Die daer laest in uw kijckertjes bloncken:
 
'K plantese boven de minne sijn kaecken,
 
Om desen blinden eens siende te maecken:
 
Dat als immer hij oorlooghen wilde,
 
Hij sijn pijlen met kennisse spilde.
 
 
 
‘Maer ghij wedt, had ick een van die wensjes,
 
Dat ick alle mijn lusjes allensjes,
 
Daer ghij mij nu om verleghen laet blijven,
 
Mackelijck, weeten souw, deure te drijven:
 
En en wilt mij geen waepenen gunnen,
 
Die u selve veroveren kunnen’.

Ik voeg er een paar coupletten aan toe uit de Klaghte der Prinsesse van Oranje, over 't oorlogh voor 's Hertogenbos, van 1630 (I D. bl. 318), waarin het innige en liefelijke zich paart aan het verhevene:

 
‘Schoon Prinsenoogh gewoon te flonkren,
 
Met zuiver' hemelvlam! kan ook
 
De grimmigheit, u dan verdonkren,
 
En smetten, met een aerdschen rook?
 
Wat toght verleert die glinsterlichten
 
Hunn' zoeten swier?
 
Om liever brandt van Mars te stichten
 
Dan Venus vier?
 
 
 
Zoo glooryzucht uw' zinnen prikkelt,
 
Voert, in triomf, mijn' slavernij.
 
Een krans van bloemen blij gespikkelt,
[p. 349]
 
(Geen lauwergroen en heeft 'er bij)
 
Zal ick u vlechten, heel doorwaessemt,
 
Op nieuwen vondt,
 
Met geur, mijn handtjens aengeaessemt,
 
Van uwen mondt
 
 
 
Op goude lelyen en straelen,
 
Laet trotsen Fransch' en Spaensche kroon.
 
Om daer een perel af te halen,
 
En streeft zoo met, door duizent doôn.
 
'K zal d'uw' al aerdigher doen blaken,
 
Van steê tot steê,
 
Met traentjens dauwend' op mijn' kaken,
 
Uit minnewee.
 
 
 
'K hoor alle daeghs van versche dooden
 
Gevelt in hol, oft galerij:
 
Elk overlijdt aen eighe looden,
 
Maer aller koeghels moorden mij.
 
Want ick mij elkmaels voel hezeeren
 
Als van een punt,
 
Die denk: op 't hoofd met witte veeren
 
Was dat gemunt.
 
 
 
‘Wat mooght ghij die ü niet en zoeken
 
Bestooken, in hun voordeel, gaen;
 
Zoo veel en is 't niet waerdt, de vloeken
 
Van heel Kastilie op zich te laen,
 
Denkt liever, hoe Madril zoud' stoffen
 
En zijn verquikt.
 
Vernam 't van scherp te zijn getroffen
 
U - Ach! mij schrikt.
 
 
 
‘Maer is om lief, om lijf, om leven,
 
Om kindt, om zoon van vaders naem,
 
Zoo veel, op veer nae, niet te geven
 
Als om een' glooryrijke faem,
 
Zoo gunt mij dat ick met u rijde
 
Door kout, door heet,
 
En voert mij bij 't rappier op zijde,
 
Waer dat ghij treedt’.

Men moet zich bedwingen om niet veel meer uit te schrijven dan dat ééne staaltje van den krachtiger toon, dien Hooft ook wist aan te slaan1).

[p. 350]

Maar zelden heeft zijne Muze zich van den huiselijken haard verwijderd. Hij schreef, althans aanvankelijk, eigenlijk ook niet voor het publiek1). De verovering van Grol, zoowel als die van Den Bosch deden hem eene uitzondering op den regel maken; doch vooral het wat gerekte stuk op het laatste oorlogsfeit toont, dat hij hier niet op zijn dreef was. Evenwel in vroeger dagen had hij een krachtig gedicht gewijd aan het twaalfjarig bestand2). Naar aanleiding van eene allegorische prent, die hij allergelukkigst beschrijft, stort hij zijn gemoed uit. Ik schrijf de regels over, waarmee hij Vulkaan aanspreekt: ‘Vreest ge’, zegt hij, dat

 
‘Uw Aenbeeldt ledich en uw conste stil sal staen,
 
Door 't stilstaen van den crijch, en keert u daer niet aen;
 
Ick weet uw trjdtverdrijf. In plaets van roers en speren,
 
En helmen gladt, gewoon uw winkel te stofferen,
 
Smeedt een Colos van goudt, soo grof en hooch, dat hij
 
Halfwossen, van het Hof de Vijver overschrij:
 
Dan, volle rusting deck d'aensienelijcke leden,
 
Gemaelt met Slotenval, en met verwonnen Steden,
 
Daer maeteloose moeyt en tijdt in sij gespilt,
 
En drijft de groote slach van Vlaendren in den schildt.
 
Daer ghij dit opschrift om sult stellen met uw handen:
 
beschermer van de vry vereende nederlanden.
 
En als het swaere werck voltoyt is tot den top,
 
Soo set 'er 't hooft van 't Hooft des Huys van Nassau op’.

De vleierij, die zich ook later tegenover 's Prinsen broeder niet verloochent, is karakteristiek voor den aanstaanden Drost, die weinige weken later met het voorname ambt begunstigd werd.

Het is zeker merkwaardig, dat Hooft zoo hoogstzelden groote staatkundige gebeurtenissen en nooit kerkelijke onderwerpen in zijne gedichten herdacht heeft. 't Was niet, omdat hij er zijne aandacht niet aan wijdde: het tegendeel is waar.

Voor binnenlandsche, bovenal voor buitenlandsche politiek had hij, althans sedert hij de geschiedenis zijns lands begon te beschrijven, een open oor. In zijne brieven ziet men, hoe hij steeds met

[p. 351]

het grootste verlangen naar de loop- of niemaren1) uitzag, die zijne weetgierigheid moesten bevredigen, en welke zijn zwager Baeck hem gewoonlijk toezond. Dat hij evenveel belang stelde in wat er binnen Holland op 't gebied van Kerk en Staat voorviel, komt niet zoo dikwijls, maar toch zeer duidelijk uit2). Bij voorkeur was hij evenwel een wereldburger, en hij lei zeer zeker zijn Theseus zijne eigen meening in den mond met deze woorden:

 
‘Daerom een oprecht man, bescheijden van verstant,
 
Acht al de werelt ruim sijn lustich vaderlant’.

Geen wonder dan ook, dat hij geen bijzonderen lust gevoelde om zich het leven lastig te maken, door zich bij iedere gelegenheid, als Vondel, over de kerkelijke en staatkundige toestanden van den dag uit te laten.

Zijne hoofddenkbeelden omtrent het staatsrecht van zijn tijd, en omtrent de verhouding van de Kerk tot den Staat, zijn ons evenwel niet onbekend. Gijsbrecht van Amstel drukt zeker in den Geeraardt van Velzen des dichters overtuiging uit, als hij zegt, dat het ‘de Ridderschap’ en ‘de groote steên’ zijn, ‘daar d'opperheyt by staet’.

En wat de Kerk betreft, voor hare tirannie was hij bovenal bevreesd. Dit blijkt genoeg uit zijn Baeto. Daar laat hij de ‘paepin’ Segemond zelve erkennen, dat het ‘priesterdom’

 
‘Indien sij wil haer konst te werke stellen,
 
Sij sal ....... om verre vellen
 
De troonen hoogh gebouwt, en standers vast geplant;
 
En bruicken tegens 't landt de waepens van het landt.’

Daarom ware het best geen mannen, maar vrouwen met de priesterlijke waardigheid te bekleeden,

 
‘Op dat de flaeuwte van gemoê
 
Haar moght ontraên den staet des heerschappijs te schaeden.’

En men vergete niet, zegt ze, dat alle macht, ook de kerkelijke, van de Overheid uitgaat:

 
‘Daeromme, wie dat macht tot godsdienst heeft verkreghen,
 
Zij seker, en gedenke' hoe dat hij die, van weghen
 
Der hooger Ovricheidt, te voeren heeft aanvaerdt.’
[p. 352]

Als tooneeldichter en ‘libertijn’ was ook Hooft, ondanks zijne voorzichtigheid, in het vaarwater gekomen der predikanten en femelaars. Hij beklaagt zich immers in een brief aan Blyenburgh1) dat de schijnheiligen ‘gewoon 't seggen alleen te hebben, en hun oordeel over andere te vellen’, ook hem het leven lastig hadden gemaakt.

‘Aen my,’ zegt hij, ‘die hun noit in hun vaerwater was, hebbense mede hunnen aert moeten toonen ende hoopen waeters vuil gemaekt, om my te versteken van 't recht van den Schout tot Weesp te stellen.... Wacht U E. voor 't geselschap, dat de Godsdienst in den mondt bestorven is; selden sal se daer in 't hart leven.... Al laet men de schijnheilighen met my en mijns gelijck omspringen als de kat met de muis, men sal hun, hoop ick, daerom de kaes (denckt het klem der Regeringe) niet bevelen’.

Hij trachtte zich, naar het gebruik van zijn tijd, met een tooneelspel te wreken, en vertaalde daartoe Aretijn's Ipocrito. Maar hij wachtte zich wel voor dat ‘Romeinsch bedrijf’ uit te komen. Zijn proza, slechts aan enkele vrienden ter lezing toevertrouwd2), werd aan een ander (waarschijnlijk Jakob Baeck) ter berijming en openbaarmaking overgelaten. Ja, 't schijnt, dat Hooft zijne voorzichtigheid zoo ver dreef, van zelf het praatje uit te strooien, dat Bredero, die toen (1622) al eenige jaren overleden was, de vader van den Schyn-Heyligh zou zijn. Zeker is het, dat deze lang daarvoor werd gehouden, totdat Dr. Van Vloten de waarheid aan 't licht bracht3).

Ook dit is eene treffende bijdrage tot de karakterkennis van den Drost.

 

Ten slotte moeten wij bij Hooft verwijlen als Proza-schrijver.

Hij heeft zich vooral beroemd gemaakt als historicus, en als zoodanig den bijnaam van ‘Hollandschen Tacitus’ verworven. Wèl had hij op dat gebied reeds voorgangers; maar sedert Marnix en Coornhert had niemand zich met bewustheid van

[p. 353]

het Nederlandsche Proza als kunstvorm bediend. Wel hadden in Noord en Zuid uitstekende mannen naar de pen gegrepen om de grootsche feiten uit den worstelstrijd tegen Spanje te boek te stellen; maar geen hunner, noch Bor, noch Van Meteren, noch Reidt had daarbij aan iets anders gedacht dan aan het geven van een trouw verhaal van het gebeurde, zooveel mogelijk geput uit, en bevestigd met authentieke stukken. Zoo in hunne lijvige werken de gebeurtenissen zich al dikwerf tot levendige, aandoenlijke, soms dramatische tafereelen groepeeren, het geschiedt als huns ondanks; want zij hebben geen effect beoogd, zij streefden alleen naar waarheid. En zoo hunne inkleeding ons vaak aantrekt door haar ongekunstelden eenvoud, het blijkt toch duidelijk, dat zij den taalschat niet beschouwden als een palet, waarmee kon worden geschilderd.

En dat heeft juist Hooft beproefd, en 't is hem niet zelden gelukt. Hij schrijft als kunstenaar, en de vorm weegt hem daarom even zwaar als de inhoud.

Ter oefening schilderde hij een groot historisch tafereel, dat hij Hendrik de Groote noemde. Deze eersteling spreidt reeds bijna al de eigenschappen ten toon, die Hooft als prozaïst kenmerken: zoowel de kwade als de goede.

Vergeleek men de levendigheid van het verhaal, de schilderachtigheid der voorstelling, den afgewerkten vorm, de zuiverheid en kernachtigheid van taal, met hetgeen men kende, dan moest men wel opgetogen staan. Dat verklaart ons genoegzaam den grooten opgang, dien het werk algemeen maakte, waardoor de Drost op eens als onze grootste prozaschrijver werd gestempeld.

De gebreken vielen den tijdgenooten minder in het oog dan ons. De toon, hier aangeslagen, scheen overeen te stemmen met de waardigheid der historie: stijl en taal verhieven zich zoowel boven het basterd-jargon van het Hof als boven de platte straattaal van de gemeente. Maar wat Huygens bewierookte als vol ‘vigueur, chaleur, majesté’, komt ons niet zelden gemaakt en gezwollen voor.

Men zegt, dat Buffon niet anders dan met kanten lubben schreef; en men beweert, dat zijn stijl er de sporen van draagt. Uit dien van den Drost zou men haast opmaken, dat hij het zijden staatsiekleed’ aantrok en den degen omhing, als hij zich in het ‘zeskant

[p. 354]

huisken’. ‘het torentje in de boomgaardt van 't Huis te Muiden’, neerzette om

 
‘Dien gouden stijl en Burgemeesters toon’

te treffen, die zijn Proza eigen is. Zeker is het, dat van zijne historiewerken geheel geldt, want Brandt van sommige zijner brieven zei, dat ze ‘rieken naar oly van arbeidt’. Ja, de vorm komt ons somwijlen zoo overdeftig voor, zoo onnatuurlijk, zoo onhollandsch, dat men zich afvraagt, of Hooft's Proza nog wel mag aangemerkt worden als model van Nederlandschen stijl, waarvoor het sinds zijn eigen tijd veelal gegolden heeft.

Onnatuurlijk en onhollandsch: want het blijkt maar al te zeer, dat hij Tacitus twee-en-vijftig maal gelezen had. Hij tracht niet slechts de bondigheid van zijn voorbeeld na te volgen, en komt daardoor tot een zinsbouw, soms met den aard onzer taal en dikwerf met de duidelijkheid in strijd; maar hij vervalt ook wel in Latinismen, die toonen, hoezeer hij de regels der Latijnsche grammatica in het hoofd had.

Het groote werk, waarmede Hooft zijn roem verzekerde, waren zijne Nederlandsche Historiën, aan wier samenstelling, zoo wat vorm als inhoud betreft, hij veel tijd en moeite ten koste legde.

Hij raadpleegde allerlei bronnen. Vooreerst had hij zich de moeite gegeven ‘van 15 oft 18 schrijvers te vergelijken’1); niet alleen inheemsche of die meer voor de hand lagen, als Bor, die hoog bij hem stond aangeschreven2), Burgundius, Van der Haer, Hopperus, Pontus Heuterus3), en daaronder ook zeldzame of die niet in zijn bezit waren4); maar bovendien Italiaansche en Spaansche5). Hij bepaalde zich niet tot openbaar gemaakte geschriften, maar raadpleegde vlijtig authentieke stukken, hem op zijn verzoek door zijne vrienden verstrekt6) Ja, door nog levende

[p. 355]

ooggetuigen of hunne naaste bloedverwanten trachtte hij met de bijzonderheden, die hem ter zake dienende schenen, bekend te worden1).

Al die bronnen schifte hij met de uiterste zorg en met een critisch oog2). En als hij zichzelven mistrouwde, dan riep hij hulp en raad bij deskundige vrienden in. Hij zond zijn handschrift te dien einde aan ‘eenighe heeren’, onder wie de Raadsheer Van den Honert, Mostart, Schotte en Huygens, die het zelfs onder de oogen bracht van den Prins van Oranje3). Zij werden geraadpleegd om in 't algemeen hun oordeel over inhoud en vorm te vernemen. Sommigen werden omtrent bijzondere punten in den arm genomen, b.v. de Generaal Wytz over wat de krijgskunst raakte4), waartoe Hooft de bemiddeling van Huygens wel inriep5).

Brandt zei dan ook terecht in zijne lijkrede op Hooft6): ‘Slaa ik 't oog op geleertheid, dan zie ik de waarheit in zijn Historiën; hier is een vryheit die geen onwettig geweldt ontziet, maar zonder zucht of inzicht de deucht prijst, en de gebreken lastert’. Omtrent zijne waarheidsliefde en onpartijdigheid hebben wij eene merkwaardige verklaring van Hooft zelf, in een zijner brieven7). Hij rekende zich ‘gehouden geen waarheit van belang, 't en waare zij tot schaade mijns vaderlands strekte, te verzwijghen; inzonderheid

[p. 356]

lof nocht laster. Uit kracht van welke wet, en om geen geloof te verwaarloozen, ik ook benoodight geweest ben, bywylen eenighe snootheden, begaan aan onze zijde, doch reeds gemelt door andren van de zelve, op te haalen. Ende bid ik, dat daar op reedelijck inzight ende my zulxs niet quaalijk af warde genoomen’.

De laatste woorden zijn niet de minst merkwaardige1).

Maar hij had er vooral ook naar gestreefd, taal en stijl meer en meer te beschaven. 't Is, of hem de gezwollenheid, die zijn eerste geschrift aankleeft, getroffen had. Hij erkent, dat ‘nuchtere stemmigheid in 't historyschrijven vereischt’ wordt2); en elders van den historischen stijl sprekende, verklaart hij, dat die, naar zijne overtuiging, ‘met gemete schreden gaen’ moet3). En inderdaad, hij heeft, zoo veel in hem was, die leer in zijne Nederlandsche Historiën in practijk gebracht. Zooveel in hem was: want deftigheid en gemaniëreerdheid zaten hem in 't bloed.

Wat zijne taal belangt, die is merkelijk smijdiger geworden.

Hij meende waarschijnlijk sterk te overdrijven, toen hij in 1626, in een brief aan Huygens, aan zijn Hendrik de Groote zijn ‘harnas-duits en hondert onhebbelijkheden’ verweet4); en toch had hij op dat punt niet zoo groot ongelijk, zooals Huygens hem dan ook zeven jaar later beleefd onder 't oog bracht, schrijvende van de Historiën, dat ‘de woorden soo krachtig als in Henrick, maar min wreed’ waren5).

Evenwel, de min of meer gezochte woordenkeus, die hijzelf, ‘de schorheit der ongewoone woorden’ noemt6), is, evenmin als de Tacitaansche gedrongen en gewrongen woordvoeging, geheel verdwenen, en bemoeielijkte reeds terstond de lezers in die mate, dat de schrijver zelf gewaagde van ‘de duisternis daar in gevonden van veelen’, zoodat hij het vermoeden niet kon onderdrukken, dat de lezing ‘meer vermoeyen dan vermaaken’ zou7).

Daarbij voege men nog het overdreven purisme, dat Hooft als eenig bolwerk tegen de verregaande taalverbastering beschouwde;8)

[p. 357]

maar dat de ongedwongenheid van stijl zoo min bevordert als de duidelijkheid. Te minder, omdat de vertaling meestal wel de kracht der etymologische bestanddeelen van het stadhuiswoord teruggeeft, maar in 't geheel niet de beteekenis, die het gaandeweg verkregen heeft1). Hooft zelf erkende, dat dit ‘naetrachten eener zuivere Duitsheidt, viellicht al te gemaeckt komt. Maer wat zullen wy doen? (dus gaat hij voort) waer onze tael belanden? Arduus enim omnium modus, zoo men d' uitheemsheit haeren gang laet gaen’2). En hij beroept zich daarbij op het voorbeeld der Ouden zelf. Zoo practische mannen er zich over ergerden3), de letterkundigen waren er zeer mee ingenomen; en Barlaeus riep onder anderen, in een brief vol brommende loftuigingen over dien historischen arbeid, den Drost toe: ‘Gij zijt in uw streven geslaagd om het Hollandsch zijne keurigheid en zijn ouden luister terug te geven.’4)

Hoe de schrijver zelf met den vorm van het werk was ingenomen, blijkt daaruit, dat hij het zijn zoon als model van Hollandschen stijl voorhield5).

Ik weet niet beter te doen, om ondanks de gemaakte aanmerkingen, het schilderachtige der voorstelling en het kernachtige van den vorm der Nederlandsche Historiën goed te doen uitkomen, dan een klein tafereel uit het werk aan den voet dezer bladzijde over te nemen6).

[p. 358]

Hooft's geschiedwerk heeft ontegenzeggelijk den grootsten invloed op ons proza gehad: hij bleef lang de vraagbaak voor al wie naar den eernaam van stylist dong. Onder de beste schrijvers, die zich naar hem gevormd hebben, moet in de eerste plaats genoemd worden Gerardt Brandt (1626-1685), die niet slechts op eervolle wijze onder de dichters der zeventiende eeuw mag worden geteld, maar die vooral als prozaschrijver eene welverdiende vermaardheid verworven heeft.

Zijne Historie der Reformatie, vooral zijn Leven van de Ruiter getuigen, hoeveel aanleg hij voor het schrijven der historie had, en hoe gelukkig die aanleg bij hem was ontwikkeld, En wat den vorm zijner geschriften betreft, algemeen wordt erkend, ‘dat zijn stijl dien van Hooft, welken hij zich ten voorbeelde nam, in deftigheid en kracht niet zelden overtreft, en niets van dat stijve,

[p. 359]

puristische en gedrongene heeft, dat de lezing van dezen wel eens minder welgevallig maakt’1).

De laatste eigenlijke scholier van Hooft was Jan Wagenaar; maar het valt niet te ontkennen, dat er waarheid steekt in het verwijt, dat hij veelal zijn voorbeeld met looden schoenen natreedt.