Wij mogen de beschouwing der dramatische letterkunde van den aanvang der zeventiende eeuw niet afgedaan rekenen, zoo wij niet ook eenigermate de wijze schetsen, waarop de stukken onzer Dichters op het tooneel werden gebracht.
Wij hebben de wijzigingen aangestipt, die het schouwburggebouw allengskens onderging. Hier spreken wij hoofdzakelijk over den schouwburg, zooals die in 1637 was geworden, en wel in de eerste plaats over de zaal en het tooneel1).
De zaal, in den vorm van een halven cirkel gebouwd, bevatte twee rijen loges, en daarboven eene galerij, met vaste, oploopende banken. Het middenste gedeelte, de ‘bak’, bestond uit eene open ruimte met eenvoudige banken tot zitplaatsen, waar het geringer publiek, zat, stond, of rondliep.
Het tooneel was eenige voeten boven den vloer der zaal verheven en had een vast decoratief. De voorste zijwanden - schermen, in den zin van coulisses kan men ze natuurlijk niet noemen, omdat zij, in den eersten tijd althans, niet verschuifbaar waren2) - stelden eene gevangenis voor. Door middel van een gordijn kon dit voorste gedeelte van de rest worden afgescheiden. De tweede grond werd ter weerszijden ingenomen door eene op hooge kolommen rustende gaanderij. Op den achtergrond zag men een, mede op kolommen rustend, portaal, met kroonlijst en
fries, en daaronder was een troon geplaatst. Daarboven bevond zich eene tweede portiek, die eene soort van estrade vormde, zooals dat volgens de tooneeloverlevering sinds lang gebruikelijk was.
Men ziet, dat deze eenvoudige inrichting nog niet veel verschilt van die uit den ouden Rederijkerstijd1). Dat men in den beginne soms zijne toevlucht nemen moest tot de meest eenvoudige hulpmiddelen om den toeschouwer op den weg te helpen, is niet vreemd; zoo schreef men, b.v. hier zoowel als elders, op een bord, of eenig deel van 't tooneel den naam der plaats, waar de handeling werd geacht voor te vallen2). Dit bleef echter niet lang zoo; en de meening schijnt gerechtvaardigd, dat men, althans voor stukken, waarvan men goede ontvangsten verwachtte, aldra opzettelijke tooneelschermen begon te vervaardigen. Dat was eigenlijk geene nieuwigheid, want een tooneel-inventaris van 1622 vermeldt reeds ‘geschilderde omdrayende doecken op het tooneel,’ en daaronder ‘het daelende hemelwerck met syn kaepstangen, koorden en block’3).
In verschillende van Vondel's stukken wordt dan ook het decoratief vermeld. Zoo heet het - om een paar voorbeelden uit vele te geven - in de opdracht van Adam in ballingschap: ‘Nu zal het tooneel met recht een toestel van boschloof en spelonk-schaduwe, naer zijnen oirsprongkelijcken naem σχηνη eischen’4).
In Joseph in Egypten is, blijkens den ‘inhoudt’, ‘Potiphars huis het Tooneel’, en waarschijnlijk had men daarbij het uitzicht op die
die Jozef van de zon beschenen zag5).
In den Salmoneus zoowel als in den Lucifer werd ‘groot toestel’ gebezigd: het tooneel verbeeldde den hemel, en door middel van ‘geschildert zwerck’
Zoo ging het meer; ja, het laat zich wel aanzien, dat dit langzamerhand regel is geworden. Het tooneel van het nieuwe schouwburggebouw van 1664 was er geheel op ingericht; en Andries Pels wijst er in zijn Gebruik en Misbruik des tooneels op (1681), dat het schouwspel
Behalve van tooneelschermen bediende men zich van allerlei ‘tooneelmatigen toestel’. Nederdalende wolken speelden eene groote rol. Wij zagen er reeds eene in 1622 vermeld, die waarschijnlijk in Hooft's Geerardt van Velsen en in Coster's Isabella gediend had: in de Maeghden komt er eene voor, en die uit den Gysbreght is algemeen bekend. Bij het verschijnen van hemellingen rolde de donder, zooals wij in de Isabella opmerkten (boven bl. 170), en bij het opdoemen van helsche geesten braakte de aarde vuur en vlam. Als b.v. in Peter en Pauwels, Simon de Toveraer er twee oproept, zegt Elymas:
En dat was stellig eene beschrijving van hetgeen op het tooneel gebeurde. Maar ook aardsche ‘toestel’ komt dikwerf voor. In Maria Stuart b.v. was het verblijf der Vorstin vorstelijk versierd, blijkens de woorden van Paulet2):
't Is onnoodig daar langer bij stil te staan; doch wij moeten wijzen op eene andere eigenaardigheid, bij de vertooning in acht genomen. De gewoonte om geschilderde tafereelen ter opluistering of opheldering der stukken te bezigen, vroeger in zwang, werd nog vrij lang bijbehouden. De schilderijen werden waarschijnlijk op de verheven estrade op den achtergrond van het tooneel geplaatst.
Het koor, dat het derde bedrijf van Vondel's Pascha besluit, schijnt wel op zoodanige geschilderde tafereelen te wijzen. In zijne Gebroeders werd ‘de vertooning daer de gebroeders hangen’ den toeschouwers voor oogen gesteld1). In den Salmoneus komen drie ‘vertooningen’ voor, en in de voorrede van Joseph in 't Hof heet het: ‘Josephs vorige wedervaren, Pharoos droomen en gesichten, en den welgeschickten Staet van Egypten, die anders niet konden op het tooneel komen, worden geestigh in schilderijen te pas gebroght.’
Maar die ‘vertooningen’ werden niet altijd in schilderijen gegeven: soms schijnen ze ook uit eigenlijke tableaux vivants te hebben bestaan, die dan door het opgeschoven middengordijn werden gezien2).
Met betrekking tot het tooneel zij nog vermeld, dat het in den beginne behangen was met schilden, waarop de spreuken stonden, die als het ware het thema der vroeger hier gespeelde stukken uitdrukken3). En hun getal was zeker niet gering, want volgens het woord van Melpomene (bij Coster) had men in 1620
Het springt in 't oog, dat men daarmee bedoelde de zedekuischende strekking van het tooneel aan te wijzen, ‘hebbende alleen het ooghe op het ghemeene beste, niets anders soeckende dan alomme de verbeteringe der veelen bedorvene zeden’, gelijk het in de ‘toe-eygeningh’ van Bredero's Kluchten heet.
Ook het gordijn, dat het tooneel van de zaal afscheidde, werd niet opgetrokken, gelijk thans; maar naar beide zijden opengeschoven, zooals blijkt uit het slot der voorrede van Vondel's Faeton1). In 1668 was het anders; immers in de Voorreden tot Meijer's Verloofde Koninksbruidt leest men de woorden: ‘de voorghordijn dan ghevallen zijnde.’
Ten slotte zij herinnerd, dat men, althans in de Oude kamer, op Zondag speelde, blijkens den slotregel van de Klucht van Claes Klick:
En ook reeds in Coster's gelegenheidsstuk van 1618 zegt Thalia:
Men leest hetzelfde op den titel van verscheiden tooneelspelen uit dien tijd. Op den Schouwburg werd dat anders, en Dapper vermeldt in zijne Historische beschrijving der stad Amsterdam, die in 1663 het licht zag, dat men in zijn tijd ‘tweemael ter weke, des Maendaghs en Donderdaeghs’ speelde.
Men speelde op klaar lichten dag, ofschoon al spoedig de aanvang later gesteld werd, waarschijnlijk in verband met het etensuur. In het voorspel van Rodenburg's Keyser Otto (1616) heet het, dat het tijd was om het spel te gaan zien, omdat ‘De klok heeft drij gheslagen’. Dat de vertooning, ook nog in 1639, 's middags ‘ten vier uuren precijs’ begon, leert eene oude aankondiging van Vondel's Gebroeders1).
Nog geruimen tijd daarna eindigde het ‘avondtspel’ tamelijk vroeg. Pels zegt in zijn Dichtkunst van Horatius (1677)2), dat het tooneel niet ontuchtig behoort te zijn,
En in het begin van het derde bedrijf van Langendijk's Spiegel der Vaderlandsche kooplieden3), wordt de vraag gedaan:
Omtrent de tooneelspelers doet zich in de eerste plaats de vraag op: wie waren de vertooners? Oorspronkelijk de jongere leden der Kamer. Dit leert Hooft's reglement voor den Eglentier (boven bl. 102). Het schijnt evenwel, dat men dit al vroeg veranderde om de moeielijkheden, die de verdeeling der rollen opleverde. Men nam bezoldigde tooneelspelers aan, die telkens voor elke voorstelling werden betaald, en die, in de eerste tijden althans, nog een ander beroep uitoefenden, veelal dat van boekhandelaar. In Dapper's tijd (1660) waren de spelers ‘voor het meerdeel zoodanige perzoonen, die zich weinigh anders als met het van buiten leeren hunner rollen bemoeien.’4).
Dan volgt de vraag, of thans de vrouwenrollen door mannen dan wel door vrouwen werden vervuld? In 1655 traden reeds vrouwen op als tooneelspeelsters, ofschoon nog zeer dikwijls, wanneer men stukken vertoonde, die een groot personeel vereischten, en ook in sommige nastukjes, evenals vroeger algemeen gebruik was, de vrouwenrollen door mannen vervuld werden. Dat ook somtijds, ofschoon uiterst zelden, de aan den Schouwburg verbonden tooneelspeelsters in mannenrollen optraden, blijkt o.a. uit de rolverdeeling der vertooningen van de Herdoopersaanslag op Amsterdam, op 29 Juli 1658.1) Er bestaat eene naamlijst der personages van de Gebroeders, waarop Vondel zelf de namen der spelers aangeteekend heeft; en daaruit blijkt, dat in 1640 de vrouwenrollen door mannen werden gespeeld2). Vroeger echter gaf het geen aanstoot, dat vrouwen het tooneel betraden, en 't schijnt, dat dit ook thans wel geschiedde, zoodat nu eens mannen dan vrouwen in de vrouwenrollen optraden. Volgens de opmerking van Van Lennep ‘vindt men op het plaatje, dat den platten grond voorstelt van het toenmalig tooneel, voor de vrouwen, even zeer als voor de mans, afzonderlijke personenkamers (d.i. kleed-kamers) aangeduid’3). En in het meermalen aangehaalde gelegenheidsstuk van Coster van 1620, meldt Bedroch, die als eene vrouw wordt voorgesteld, zich bij de Academie aan, om eene proeve van hare kunst als tooneel-speelster af te leggen, en wordt zonder eenig verzet toegelaten.
Aangaande de wijze van declameeren is ons niets bekend; maar
't is waarschijnlijk, dat er in de Tragedie meer dan noodig gegalmd werd. Omtrent de koren weten wij, dat zij werden gezongen1). Wij leerden zoo even de namen der zangers in de Gebroeders kennen; en weten, dat Vondel tot de vereischten van een goed treurspel ook ‘maetgezang van reien’ rekende.
Hoe groote rol de muziek in de Oude Kamer, hoofdzakelijk onder Rodenburg's beheer, speelde, hebben wij gezien. Dat men tusschen de afdeelingen van een stuk ook muziek maakte, blijkt uit de woorden van Thalia in Coster's gelegenheidsstuk van 1619:
Evenals vroeger waren ook nu de tooneelspelers stellig gecostumeerd2), en het blijkt bovendien, dat daaraan vrij wat zorg
besteed, en de ‘garderobe’ zelf eenmaal 's jaars geschouwd werd. Merkwaardig is de volgende plaats uit Coster's gelegenheidsstuk van 1619. Daar vraagt de Academie:
En Melpomene antwoordt:
Men had in twee jaar, dus vervolgt ze,
Decoratief van het tooneel en costuum der spelers ‘naar den eisch der rolle van de personaadjen’, waren, blijkens eene uitdrukking van Vondel zelf, althans in 1661, regelmatig in gebruik1).
Dat het Amsterdamsche tooneel in eene behoefte voorzag en geheel de uitdrukking was van den tijd, blijkt het best uit de opkomst van het publiek. Men kon dat reeds in de Oude Kamer zien, vooral sinds Dr. Coster en Bredero de handen ineensloegen om haar te doen bloeien. Sedert er van de rekening tusschen de
Kamer en het Oude-Mannenhuis boek gehouden werd, bleek, hoe groot de inkomsten waren geweest. Van Juli 1615 tot April 1616, dus in tien maanden, bedroeg de winst, na aftrek van alle kosten, over de duizend guldens, ‘behalve dat de Camer noch zoo aen kleederen als andere behoefticheden daer by grootelycx is verrijckt’1). Onder Rodenburg's bestuur was, gelijk wij zagen, het publiek der Kamer niet ontrouw geworden.
Denzelfden toeloop trok ook Coster's Academie. Wel had hij benijders, en veel ‘snap en klap te lijden’; maar hij liet zich daardoor niet vervaard maken en ging rustig zijn gang, gesteund door de goedkeuring ‘van een mensch vijf ses van oordeel’, en de opkomst van heel Amsterdam. In de twee eerste jaren maakte de Academie reeds goede zaken; en op de vraag, wat men gedaan had, kon Coster door Melpomene's mond antwoorden:
En zelfs nog in 1639, in een tijd, dat Hooft zei: ‘De toonneelspelen zijn te krafteloos om ons derwaarts (d. i naar Amsterdam) te trekken’2), bracht de schildering eener opeengepakte menschenmassa Vondel terstond den dicht bezetten schouwburg voor den geest3).
Ofschoon de deftige burgerij zich niet onthouden heeft, bestond toch stellig in den eersten tijd het publiek hoofdzakelijk uit wat Bredero ‘de gemeente en 't slechte volck’ noemde. Wel zagen wij in 1613 de Kamer bezocht door ‘eerwaerdighe heeren, mitsgaders eerbare vrouwen en vrome jonge lieden’; maar tevens vernamen wij, dat de ‘juffertjes’ haar schuwden (boven, blz. 82). Dat was niet, omdat zij den neus ophaalden voor 't geen er gespeeld werd, want zij liepen de vreemde comedianten wel na, van wie ze toch niet veel meer dan ‘ongevoechelijcke brabbelwoorden en veel
ondienstige dartele lichtveerdigheden’ hoorden. Zij werden misschien afgeschrikt door het ‘wangelatigh’ gedrag van de toeschouwers; want het ‘klootjesvolck’ had de meerderheid, daar de toegang maar ‘een stooter aan geldt’ of ‘drie stuyvers’1) kostte.
Vooreerst zat men niet zeer stil. Als het vol was, gebeurde 't wel, dat eene brutale gast het tooneel beklom en daar plaats nam; en 't kostte dan niet weinig moeite hem weer van daar te verwijderen2). Er waren echter, evenals in andere landen, plaatsen op het tooneel zelf, voor sommige bevoorrechten. In het voorspel van Tijsken van der Schilden ziet men, hoe een oud man geheel achteraan in den bak staat en geen plaats kan krijgen. Een Rederijker zorgt, dat hij naar voren komt; en als hij daar wil gaan zitten, voegt hij hem toe:
In den bak stonden of zaten ouden of jongen, kinderen en volwassenen, knapen en meisjes, dooreen: er werd gevrijd, gekust, gegeten, gerookt, gelachen, geschreeuwd, getierd, met schillen en doppen geworpen. Ten minste zoo ging het in de Oude en de Brabantsche Kamer1) en waarschijnlijk ook nog in de Academie toe.
Vóór dat de vertooning aanving, was men dan ook genoodzaakt stilte te verzoeken, of te gebieden, en het is zeker niets dan scherpe satyre als Rodenburg het Voorspel vóór zijne Mellibea (1618) aldus aanvangt:
Dergelijke onhebbelijkheden waren in den Schouwburg verboden, blijkens het vers van Vondel, dat in 't portaal te lezen stond:
Dat bleef zeker niet zonder invloed op het gehalte van het publiek; en wij treffen dan ook nu en dan de meest beschaafde mannen en vrouwen, in den Schouwburg. Vondel getuigt in 't bericht voor den Salmoneus, dat Prof. Vossius zijn treurspel ging
zien 1); en 't is bekend, dat Barlaeus zich meer dan eens bij de vertooning van den Aran en Titus verlustigde. Onder de toeschouwers vinden wij van lieverlee ook de Amsterdamsche Burgemeesters. Bij de inwijding van den Schouwburg was de geheele Regeering en corps tegenwoordig:
kon Vondel zingen. Evenzoo twee jaar later, bij de eerste vertooning van de Gebroeders, bij welke gelegenheid de Dichter den Magistraat een ‘Danckoffer’ bracht, waarin het o.a. heet:
Ook de Salomon is in 't jaar 1648 met de tegenwoordigheid der Regeering vereerd3), die plechtig in verzen werd toegesproken. Toen in 1653 de tooneelisten van den Aartshertog Leopold in Amsterdam eene voorstelling gaven, liet wederom de Magistraat zich daarbij vinden4). En in 1655, in het gedicht ter ‘Inwydinge van 't Stadthuis’, zingt Vondel5):
Het was dus niet bij uitzondering, dat de Burgemeesters den Schouwburg bezochten; en met volle recht kon hij dan ook in 1660, bij de opdracht van zijn Edipus aan Joan Huydecoper, dien ‘handhaver van de edele tooneelpoëzye’, met betrekking tot die Kunst gewagen van ‘het beleit van onze staetkundige regeerders’6), hoewel hij moeielijk zou kunnen verantwoorden, wat hij er bijvoegt, dat onder dat beleid de ‘luister van de edele tooneelpoëzye dagelijx toeneemt’7); want juist omstreeks die dagen (1668) verklaar-
den de leden van een Amsterdamsch dichtgenootschap omtrent de toenmalige tooneelstukken, dat ‘buiten die van den Amsterdamschen Hoofdpoëet Vondel, er geen zes in 't jaar vertoond worden, die van eigen vinding zijn’, maar bloot vertalingen uit het Spaansch en Fransch.
In datzelfde stuk wordt erkend, dat ‘sedert eenige jaren herwaarts de grondvesten van de oeffeningen der Tooneelkunst ondergraaven’ waren; hetgeen wel zal beteekenen, dat het Tooneel achteruit ging. Dit was zeker daaraan te wijten, dat de klove tusschen het ‘slechte volck’ en de beschaafden al wijder en wijder was gaan gapen. De eenvoudige kooplui waren ‘Patriciërs’ geworden, die liever met den toenaam hunner heerlijkheden dan met hun burgerlijken geslachtsnaam werden toegesproken; en die ‘Heeren’ hadden alleen smaak in het Latijn en hoogdravende Dichtkunst.
En toch, het Classieke Treurspel viel in Amsterdam niet algemeen in den smaak. Het groote publiek kwam vooral om te zien, minder om te hooren. Dit bleek reeds in de Oude Kamer, waar, gelijk wij zagen, de stukken van den Ridder Rodenburg veel volk lokten, ofschoon ze geen buitengewone letterkundige verdiensten hadden: zóó, dat hun vorm zelfs als ‘de ellendigste rymelary’ is uitgekreten1). En evenwel moet Van Lennep, wiens oordeel wij hier aanhaalden, en die de theorie was toegedaan, dat het publiek om de Poëzie van 't stuk kwam (zie boven, bl. 308), erkennen, dat ‘de toeloop die dezen stukken te beurt viel, daaraan is toe te schrijven, dat er veel verscheidenheid is in de tooneelen, en dat de handeling met veel meer zorg gesponnen en veel meer ingewikkeld is dan in de treurspelen van Vondel’2). Ik herinner mij dan ook nauwelijks de schouwburgbezoekers anders genoemd te vinden dan toeschouwers, kijkers; niet toehoorders. En de Classieke School deinsde er voor terug te laten zien.
De Klucht had altijd veel meer volk getrokken. In 1619 liet Coster Melpomene van hare zuster Thalia getuigen, dat ze
Maar de Klucht moest wel achteruitgaan, niet door gebrek aan sympathie van de zijde der menigte, maar omdat de beschaafden zich harer niet aantrokken. Men dacht er niet aan, haar te veredelen: men trok meer dan ooit den neus tegen haar op, en vroeg op heel voornamen toon, of men op dramatisch gebied ‘de voornaamste, de geleerdste, en de verstandigste der Burgeren, dan of men 't gemeen volk, ja 't grauw zelf, tot dit tydverdryf moet nooden; en of men de ooren dan of men de oogen voldoen moet’1)?
De tegenstelling is duidelijk genoeg. Maar juist omdat men zoo voornaam was, en de Kunst, niet slechts de dramatische, maar de Dichtkunst in het algemeen, meer en meer van 't volksleven losmaakte, kon zij geen schitterende toekomst hebben.
Voordat wij getuigen zijn van haren ondergang, mogen wij haar in haren grootsten luister genieten, als wij nader kennis maken met de hoofdpoëten uit de Muiderschool voortgekomen, en vooral met den eersten onzer Dichters, Joost Van den Vondel.
| Nel. | ‘Schaemt jou, dat jy hier lecht en tabackt, en quylt en roockt, |
| Denckt dat ien angder van de bange lucht schier kaeut en koockt. | |
| Wy sinnen niet verkuyst met jou respen noch jou stincken. | |
| Loopt in de taback-huysen, wil jy taback leggen en drincken. | |
| Bou. | Die dorstige Dirck die leyd en roept en raest en gilt en tiert, |
| In al hoort hy wat moys, hy weet seper niet waer 't hiert of miert. | |
| Nel. | Kijck! Meck en Lauwter die goyen mekaer mit schillen, |
| Dattet de kyeren deen, men souwse so wat billen. | |
| Bou. | Jemy! hoe blydt is Mechtelt datse by sucken moye vryer is, |
| Sy lacht dat heur mongt schier ien vaem wyer is. | |
| Nel. | O dese schijt-jagers hebben 't in heur gat as duyts bier, |
| En deuse schimel-korn komt mit so veel geluyts hier. | |
| Barber en Teunis, die lief-oogen, en werpen mekaer om 't sierst, | |
| In om hum gien blaeu oogh te smyten, soo kauwt sy 't ierst. | |
| Bou. | Dit klootjes volck vande vesten of uyt de slopjes, |
| Die leggen en loopen, en gooyen elck ien mit dopjens. | |
| Heer, hoe wangelatigh is 't volck hier!’ |